De verantwoordelijkheden van leiders en werkers (12) Sectie drie

IV. Tijdig informeren naar de plaats waar de offergaven zich bevinden, en naar de diverse omstandigheden van hun beheerders

Naast het inspecteren van de staat van de uitgaven van offergaven en het aanpakken van onredelijke uitgaven, hebben leiders en werkers nog een uitermate belangrijke taak: ze moeten tijdig informeren naar waar de offergaven zich bevinden, en naar de diverse omstandigheden van hun beheerders. Het doel hiervan is te voorkomen dat kwaadaardige mensen, mensen die duistere plannen koesteren en mensen met begerige harten misbruik maken van onoplettendheid om zich offergaven toe te eigenen. Er zijn mensen die zien dat Gods huis heel veel spullen heeft en dat er voor sommige geen toezicht of administratie is en er de hele tijd op zinnen hoe ze die spullen tot hun privé-eigendom kunnen maken en voor zichzelf kunnen gebruiken. Zulke mensen zijn er overal. Sommige mensen lijken uiterlijk geen misbruik te maken van anderen en geen groot verlangen te hebben naar materiële zaken of geld, maar dat komt alleen maar omdat de situatie en de omstandigheden niet rijp zijn – als offergaven echt in hun handen zouden worden gelegd om te bewaren, zouden ze zich die heel goed toe kunnen eigenen. Sommigen vragen: “Maar diegene was voorheen zo’n goed persoon: hij was niet begerig en had een redelijk karakter – waarom heeft het in zijn handen leggen van een paar offergaven hem dan onthuld?” Dat komt doordat je niet veel tijd met deze mensen hebt doorgebracht, geen diepgaand begrip van hen hebt gekregen en hun aard-essentie niet hebt doorzien. Als je vroegtijdig had beseft wat voor persoon dit was, zouden de offergaven het ongeluk bespaard zijn gebleven om in het bezit van kwaadaardige mensen te komen. Om dus te voorkomen dat offergaven in handen van kwaadaardige mensen vallen, hebben leiders en werkers nog een belangrijkere taak: tijdig informeren naar en op de hoogte blijven van de plaats waar offergaven worden bewaard en de diverse omstandigheden van hun beheerders. Stel dat iemand een paar honderd of een paar duizend yuan in zijn bezit heeft om te beheren; als diegene een beetje geweten heeft, zal hij het niet verduisteren. Maar als het om tienduizenden of honderdduizenden gaat, kan er op de meeste mensen niet worden vertrouwd, dit zou gevaarlijk zijn en zou hun hart kunnen veranderen. Hoe zou hun hart kunnen veranderen? Een paar honderd of duizend yuan kunnen iemands hart niet gemakkelijk verleiden, maar met tienduizenden of honderdduizenden kan iemands hart gemakkelijk worden verleid. ‘Zoveel geld zou ik in meerdere levens niet kunnen verdienen, en nu is het in mijn handen – hoeveel beter zou mijn leven zijn als het van mij was!’ Ze denken erover na: ‘Ik voel me niet schuldig over deze gedachten – dus is er nu eigenlijk wel of geen god? Waar is god? Is het niet zo dat niemand weet dat ik deze gedachten heb? Niemand weet het, en ik voel me niet schuldig of slecht – betekent dit dat er geen god is? Als ik dit geld dan voor mezelf neem, zal ik dan geen straf of vergelding ondergaan? Zullen er geen gevolgen zijn?’ Is het hart van deze persoon niet aan het veranderen? Zijn de offergaven in zijn handen niet in gevaar? (Jazeker.) Daarnaast zijn er mensen die offergaven beheren die vrij goed zijn, ze hebben een fundament in hun geloof in God en zijn trouw in hun handelen, en zelfs als je ze tienduizenden of honderdduizenden yuan laat bewaren, zullen ze dat goed kunnen doen en is het gegarandeerd dat ze het niet zullen verduisteren. Maar er zijn een paar ongelovigen in hun families, en wanneer die mensen geld zien, krijgen ze een waas voor hun ogen, als een wolf die zijn prooi bespiedt. Vergeet tienduizenden of honderdduizenden – ze zouden duizend yuan in hun zak stoppen als ze het zagen. Het kan ze niet schelen van wie het is; ze geloven dat het toebehoort aan wie het in zijn zak weet te stoppen, wie het het eerst grijpt. Als er zulke boosaardige wolven in de buurt zijn van een persoon die offergaven bewaart, lopen de offergaven dan niet het gevaar om waar en wanneer dan ook in beslag te worden genomen? Zou zo’n situatie kunnen voorkomen? (Dat zou kunnen.) Is het niet gevaarlijk als leiders en werkers onzorgvuldig zijn en geen verantwoordelijkheidsgevoel hebben, en het niet eens opmerken of er navraag naar doen en het onderzoeken wanneer offergaven zich in zo’n gevaarlijke situatie bevinden? Er kan op elk moment en op elke plaats iets misgaan. Er kan zich nog een andere situatie voordoen: sommige beheerders bewaren zowel geld als diverse goederen in hun huis, en ze ontvangen daar ook broeders en zusters en leiders en werkers. Dit kan tijdelijk relatief veilig zijn, maar is het gepast om offergaven daar op de lange termijn te bewaren? (Nee.) Zelfs als de persoon die ze bewaart geschikt is, zijn de omgeving en de omstandigheden dat absoluut niet. Of de mensen die ze ontvangen moeten weg, of de offergaven moeten weg. Als leiders en werkers dit werk niet onderzoeken noch hun verantwoordelijkheid dienaangaande vervullen, kan er op elk moment en op elke plaats iets misgaan; de offergaven kunnen op elk moment en op elke plaats verloren gaan en in handen van boosaardige demonen vallen. Er is nog een ander soort situatie: sommige kerken bevinden zich in een vijandige omgeving waar vaak mensen worden gearresteerd, en hierdoor is er een grote kans dat de locaties van huizen waar offergaven worden bewaard, worden verraden en door de grote rode draak worden overvallen en doorzocht – de offergaven kunnen op elk moment door boosaardige demonen worden geplunderd. Zijn zulke plaatsen geschikt voor het opslaan van offergaven? (Nee.) Wat moet er dus gebeuren als ze daar al worden bewaard? Verplaats ze onmiddellijk. Sommige leiders en werkers vervullen hun verantwoordelijkheid niet en doen geen echt werk. Ze zijn niet in staat om op deze dingen te anticiperen of eraan te denken, ze hebben er geen besef van, en pas wanneer er iets misgaat en de offergaven door boosaardige demonen worden weggegrist, denken ze: ‘We hadden ze toen moeten verplaatsen’, en voelen hoogstens een beetje spijt. Maar als er niets misgaat, kan het zijn dat er tien jaar voorbijgaan en ze de offergaven nog steeds niet hebben verplaatst. Ze kunnen niet zien welke ernstige gevolgen deze kwestie kan hebben, en ze zijn niet in staat om zaken te prioriteren op basis van belangrijkheid en urgentie. Leiders en werkers behoren een duidelijk begrip van deze situatie te hebben wanneer ze die tegenkomen: ‘Een van de plaatsen waar offergaven worden opgeslagen is niet geschikt. De omgeving is te gevaarlijk, en er zijn in de buurt al heel wat broeders en zusters gearresteerd, geschaduwd of onder toezicht geplaatst. We moeten een manier bedenken om de offergaven daar weg te halen. Ze naar een relatief veilige plaats brengen zou een betere zet zijn dan ze te laten waar ze zijn en te wachten tot ze worden weggegrist.’ Wanneer een situatie net is ontstaan en ze voorzien dat de offergaven in gevaar zijn, behoren ze die tijdig te verplaatsen om te voorkomen dat ze in beslag worden genomen en verslonden door de grote rode draak, de kwaadaardige duivel. Dit is de enige manier om de veiligheid van de offergaven te garanderen en te voorkomen dat er valkuilen ontstaan of misstappen plaatsvinden. Dit is werk dat leiders en werkers behoren te doen. Zodra er ook maar het geringste teken van gevaar is, zodra iemand wordt gearresteerd, zodra er een gevaarlijke situatie ontstaat, moet de eerste gedachte van leiders en werkers zijn of de offergaven veilig zijn, of ze in handen van kwaadaardige mensen kunnen vallen, door hen in bezit kunnen worden genomen, of door kwaadaardige demonen kunnen worden weggegrist, en of er offergaven verloren zijn gegaan. Ze behoren tijdig maatregelen te nemen om de offergaven te beschermen. Dit is de verantwoordelijkheid van leiders en werkers. Sommige leiders en werkers zeggen misschien: “Om deze dingen te doen, moeten we risico’s nemen. Kunnen we ze niet gewoon laten? Is het niet zo dat de mens centraal staat, wat betekent dat het niet nodig is om de offergaven op de eerste plaats te zetten en dat de mens op de eerste plaats moet worden gezet?” Wat vind je van hun vraag? Hebben deze mensen menselijkheid? (Nee.) Offergaven goed bewaren, ze goed beheren en er goed over waken – dit zijn verantwoordelijkheden die een goede rentmeester behoort te vervullen. Serieuzer gezegd, zelfs als je je leven moet opofferen, is het dat waard en is het wat je behoort te doen. Het is je verantwoordelijkheid. Mensen roepen altijd: “Voor God sterven is een waardige dood.” Zijn mensen werkelijk bereid om voor God te sterven? Er wordt nu niet van je gevraagd om voor God te sterven; er wordt slechts van je verlangd dat je een beetje risico neemt om de offergaven veilig te bewaren. Ben je daartoe bereid? Je behoort blij te zeggen: “Dat ben ik!” Waarom? Omdat dit Gods opdracht en vereiste voor de mens is, is het een verantwoordelijkheid die je niet mag ontlopen, en je moet niet proberen eronderuit te komen. Gezien het feit dat je beweert dat je voor God zou sterven, waarom kun je dan niet een kleine prijs betalen en een beetje risico nemen om de offergaven te bewaren? Is dat niet wat je behoort te doen? Als je niets concreets doet, maar altijd maar roept over sterven voor God, zijn die woorden dan niet hol? Leiders en werkers behoren een zuiver begrip te hebben van het werk van het bewaren van offergaven, en ze behoren deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. Ze moeten die niet ontlopen of vermijden, en ze moeten niet terugdeinzen voor hun verantwoordelijkheid. Aangezien je een leider of werker bent, is dit werk een last die op je rust. Het is belangrijk werk – ben je bereid het te doen, zelfs als je enig risico loopt, zelfs als je leven op het spel staat? Behoor je het te doen? (Ja.) Je behoort bereid te zijn het te doen; je mag deze verantwoordelijkheid niet afwijzen. Dit is Gods vereiste voor de mens en de opdracht die Hij de mens geeft. God heeft je Zijn meest minimale vereiste en opdracht verteld – als je zelfs niet bereid bent die uit te voeren, wat kun je dan wel doen?

Leiders en werkers behoren het werk van het bewaren en uitgeven van offergaven zo nauwgezet en concreet mogelijk te doen. Ze moeten er niet slordig mee omgaan, en het al helemaal niet behandelen als andermans zaak en de verantwoordelijkheid afwijzen. Leiders en werkers behoren persoonlijk controle uit te oefenen, betrokken te raken en navraag te doen naar deze zaken, en ze zelfs persoonlijk af te handelen, om te voorkomen dat kwaadaardige mensen en mensen met een povere menselijkheid misbruik maken van onoplettendheid en sabotage veroorzaken. Hoe nauwgezetter je dit werk doet, hoe minder kans kwaadaardige en slechte mensen zullen hebben om misbruik te maken van onoplettendheid; hoe gedetailleerder je navraag doet en hoe strenger je beheer, hoe minder gevallen van onredelijke uitgaven, verkwisting en verspilling er zullen zijn. Sommigen zeggen: “Moeten we dit doen om geld te besparen voor Gods huis? Komt Gods huis geld tekort? Als dat zo is, zal ik wat meer offeren.” Is dat wat er aan de hand is? (Nee.) Dit is de verantwoordelijkheid van leiders en werkers, het is Gods vereiste voor de mens, en het is een principe dat leiders en werkers bij dit werk moeten naleven. Als een gelovige in God, als iemand die de rol van rentmeester in Gods huis op zich heeft genomen, behoort je houding ten opzichte van offergaven er een te zijn van verantwoordelijkheid en van het uitoefenen van strikte controle; anders ben je niet gekwalificeerd voor dit werk. Als je een gewone gelovige zou zijn die geen verantwoordelijkheidsgevoel had en de waarheid niet nastreefde, zouden deze dingen niet van je worden verlangd. Je bent een leider of werker; als je dit verantwoordelijkheidsgevoel niet hebt, ben je ongeschikt om er een te zijn, en zelfs als je als zodanig dient, ben je een onverantwoordelijke valse leider of valse werker, en zal je vroeg of laat worden geëlimineerd. Allen die het volledig ontbreekt aan verantwoordelijkheidsgevoel, zijn mensen die het werk van Gods huis totaal niet verdedigen – het ontbreekt ze allemaal aan het geringste greintje geweten en verstand. Hoe zouden zulke mensen ooit plichten kunnen vervullen? Het zijn allemaal gevoelloze nietsnutten – ze moeten Gods huis onmiddellijk verlaten en terugkeren naar de wereld waar ze thuishoren!

Als we niet op deze manier zouden communiceren over de algemene kennis met betrekking tot offergaven, alsook over de waarheden die betrokken zijn bij het bewaren van offergaven en de principes die mensen behoren te beoefenen, zouden deze zaken jullie dan niet onduidelijk zijn? (Dat zouden we.) Wanneer de precieze principes mensen niet duidelijk zijn, kunnen ze dan een deel van hun verantwoordelijkheid vervullen? Hebben ze hun verantwoordelijkheid vervuld? Zijn de meeste mensen niet uitgegaan van de meest oppervlakkige theorie en het meest oppervlakkige principe van: ‘Ik begeer in ieder geval Gods offergaven niet, ik verduister of ontvreemd ze niet, en ik houd er goed toezicht op en laat mensen ze niet willekeurig uitgeven – dat is genoeg’? Is dit het beoefenen van de waarheid? Is dit het vervullen van verantwoordelijkheid? (Nee.) Als de kennis van de meeste mensen niet verder reikt dan deze norm, dan verdient dit onderwerp echt communicatie. Begrijpen en doorgronden jullie nu, door deze communicatie, iets meer van hoe jullie offergaven moeten bewaren en van de houding en kennis die jullie bij het bewaren ervan zouden moeten hebben? (Ja.) We ronden hier onze communicatie af over waarheden die te maken hebben met offergaven en de principes die betrekking hebben op hoe je offergaven moet behandelen en beheren.

De houding en manifestaties van valse leiders met betrekking tot offergaven

I. Offergaven als gemeenschappelijk eigendom behandelen

We zullen nu een eenvoudige ontmaskering en ontleding uitvoeren van valse leiders met betrekking tot het elfde punt van de verantwoordelijkheden van leiders en werkers. We zullen bekijken welke manifestaties valse leiders vertonen in hun houding ten opzichte van offergaven en in het bewaren en beheren ervan. De eerste manifestatie is dat het valse leiders aan een accuraat begrip van offergaven ontbreekt. Zij geloven: ‘Offergaven worden in naam aan god geschonken, maar in werkelijkheid aan de kerk. We weten niet waar god is, en hij kan sowieso niet zoveel spullen gebruiken. Deze offergaven worden alleen in naam aan god gegeven; in feite worden ze aan de kerk en aan gods huis geschonken, ze worden niet expliciet aan een specifiek persoon geofferd. De kerk en gods huis zijn synoniemen voor alle mensen die er deel van uitmaken, en de implicatie daarvan is dat de offergaven van iedereen zijn, en wat van iedereen is, is gemeenschappelijk eigendom. Offergaven zijn dus gemeenschappelijk eigendom dat toebehoort aan alle broeders en zusters.’ Is dit begrip accuraat? Het is overduidelijk niet accuraat. Is er geen probleem met de menselijkheid van mensen die zo’n begrip hebben? Zijn dat geen mensen die de offergaven begeren? Mensen met een begerig hart en het verlangen om zich offergaven toe te eigenen, hanteren deze methode en deze zienswijze als het om de offergaven gaat. Het is duidelijk dat ze azen op de offergaven en die zich willen toe-eigenen voor hun eigen genot. Wat voor wezens zijn dat? Zijn ze niet van hetzelfde slag als Judas? Dit soort leiders of werkers beschouwt Gods offergaven dus als gemeenschappelijk eigendom van de kerk. Ze koesteren deze houding in hun hart. Ze bewaren de offergaven niet serieus, noch beheren ze die op een redelijke en verantwoordelijke manier. In plaats daarvan gebruiken ze de offergaven naar eigen goeddunken, schaamteloos en volkomen ongebreideld, zonder enig principe. Ze staan iedereen toe ze te gebruiken, en wie de hoogste ‘officiële post’ heeft, wie de hoogste status heeft, wie het meeste aanzien geniet onder de broeders en zusters, krijgt voorrang op het bezit en gebruik ervan. Het is net als in de bedrijven en fabrieken in de maatschappij, waar de bedrijfsauto’s en de goede, hoogwaardige spullen bestemd zijn voor de managers, fabrieksdirecteuren en voorzitters. Ze geloven dat het met Gods offergaven ook zo zou moeten zijn: wie leider of werker is, heeft voorrang bij het genieten van de hoogwaardige spullen van Gods huis, bij het genieten van de offergaven die aan God zijn geschonken. Al diegenen die hun positie als leider en werker als voorwendsel gebruiken om hoogwaardige computers en mobiele telefoons te kopen, evenals al die leiders en werkers die offergaven voor zichzelf nemen, geloven dus dat offergaven gemeenschappelijk eigendom zijn en naar believen gebruikt en verspild mogen worden. Wanneer sommige broeders en zusters gouden en zilveren sieraden, tassen, kleding en schoenen offeren, geven ze niet specifiek aan dat ze die aan God offeren. Sommige valse leiders geloven dan: ‘Aangezien ze niet specifiek hebben aangegeven dat deze spullen aan god worden geofferd, behoren ze voor het gebruik van de kerk te zijn. Wat aan de kerk wordt gegeven, is gemeenschappelijk eigendom, en leiders en werkers behoren voorrang te hebben bij het genieten van gemeenschappelijk eigendom.’ En dus eigenen ze zich deze spullen als vanzelfsprekend toe. De spullen die overblijven nadat zij hun keuze hebben gemaakt, mogen worden gebruikt en meegenomen door wie maar wil – iedereen verdeelt ze onderling. Deze leiders en werkers noemen dit het delen van de rijkdom; door hen te volgen, kunnen mensen goed eten en drinken en echt van het leven genieten. Iedereen is blij en ze zeggen: “God zij dank – zouden we van deze dingen kunnen genieten als we niet in hem geloofden? Dit zijn offergaven, en we zijn het niet waard om ervan te genieten!” Ze zeggen dat ze het niet waard zijn, maar toch houden ze die spullen vast en laten ze niet los. Zulke leiders en werkers eigenen zich niet alleen offergaven toe en verdelen die, en genieten er persoonlijk van zonder iemands goedkeuring te vragen; ze besteden ook geen van allen ook maar de geringste aandacht aan het beheer, de uitgaven en het gebruik van de offergaven. Ook kiezen ze geen geschikte mensen om de offergaven te beheren en te registreren, laat staan dat ze de boekhouding controleren of streng toezien op de staat van de uitgaven. De onverschilligheid van valse leiders ten aanzien van het beheer van offergaven leidt tot chaos, waardoor sommige offergaven verloren gaan en verspild worden. Wat het meest opvalt in het werk van valse leiders, is dat iedereen naar eigen goeddunken handelt. Wat de supervisor van een team zegt, is wet, en als een team iets moet kopen, kunnen ze dat zelf beslissen zonder een aanvraag ter goedkeuring in te dienen. Zolang iets nodig is voor het werk, kunnen ze het kopen, zonder zich zorgen te maken over de kosten, of ze het kunnen gebruiken, of dat het noodzakelijk is. Ze geven immers offergaven uit, niet het geld van een specifiek persoon. Valse leiders houden hier geen toezicht op en oefenen er geen controle over uit, laat staan dat ze over de principes communiceren. Als er iets is gekocht, besteden valse leiders er geen van allen ook maar enige aandacht aan of er iemand is om het te bewaren, of er iets mis mee kan gaan, of dat de aankoop het geld waard was. Waarom besteden ze hier geen aandacht aan? Omdat het geld niet van hen is. Ze denken dat iedereen het kan uitgeven; het is immers niet hun eigen geld dat wordt uitgegeven. Er heerst chaos in elk aspect van het beheer van offergaven. Hoe chaotisch is het? Het is net als in de grote staatsbedrijven van socialistische landen, waar iedereen een gelijk deel krijgt, ongeacht hoeveel werk men verricht. Iedereen neemt spullen mee naar huis, eet van het eten van de fabriek, verdient het geld van de fabriek en verduistert de spullen van de fabriek. Het is een complete chaos. Valse leiders stellen geen regels op voor de uitgaven bij de aankoop van apparatuur of benodigdheden. Gods huis stelt wel regels op, maar zij beoordelen, controleren of inspecteren de uitgaven niet rigoureus en lopen ze niet na. Niets van dit werk doen ze. Het werk van valse leiders is een complete chaos, er is nergens orde en overal zijn er gebreken. Kwaadaardige mensen en mensen met het hart op de verkeerde plek krijgen bij elke gelegenheid de kans om misbruik te maken van de gebrekkige controle en er hun voordeel mee te doen. Gods offergaven worden door die mensen schaamteloos verspild en verkwist, en toch worden deze mensen op geen enkele manier gestraft of gesanctioneerd – ze krijgen niet eens een waarschuwing. Wat voor leiders en werkers zijn dit? Bijten ze niet de hand die hen voedt? Zijn dit rentmeesters van Gods huis? Het zijn dieven en verraders van Gods huis!

Hoe moeten deze leiders en werkers, die geen verantwoordelijkheid nemen als het gaat om het bewaren van offergaven, worden beschouwd? Hebben ze geen laag karakter en zijn ze niet verstoken van geweten en verstand? Deze valse leiders beschouwen de spullen die door broeders en zusters aan God en de kerk worden geofferd als eigendom van Gods huis, en zeggen dat die door de broeders en zusters als groep beheerd moeten worden. En dus, wanneer er problemen aan het licht komen en de Boven mensen ter verantwoording roept, doen ze hun uiterste best om zichzelf te verdedigen. Ze erkennen niet hoe ernstig van aard het is dat ze Gods offergaven stalen en zich toe-eigenden vanaf het moment dat ze leiders werden en status verwierven. Zijn dit geen mensen met een laag karakter? Ze zijn gewoonweg schaamteloos! Ze weten niet waarom de broeders en zusters geld en goederen offeren, noch aan wie ze die offeren. Als er geen God was, wie zou dan zomaar de spullen waar hij om geeft offeren? Dit is zo’n eenvoudige logica, en toch kennen of begrijpen deze zogenaamde ‘leiders’ die niet. Deze valse leiders hebben een favoriete uitdrukking: “de offergaven van Gods huis”. Moet deze uitdrukking niet gecorrigeerd worden? Wat zou de juiste uitdrukking moeten zijn? ‘Offergaven’ of ‘Gods offergaven’. Als je een bepaling wilt toevoegen, moet je ‘God’ toevoegen – offergaven behoren alleen God toe. Als je geen bepaling toevoegt, is het simpelweg ‘offergaven’ – mensen zouden dan nog steeds moeten weten dat de eigenaar van de offergaven de Schepper is, God, en niet de mens. De mens is het niet waard om offergaven te bezitten, en zelfs priesters kunnen niet zeggen dat de offergaven van hen zijn. Zij mogen met Gods toestemming van de offergaven genieten, maar die behoren hun niet toe. De bepaling voor ‘offergaven’ zal nooit een persoon zijn – het kan alleen God zijn, en niemand anders. Het is dus overduidelijk dat de uitdrukking: ‘de offergaven van Gods huis’, die vaak door valse leiders wordt gebruikt, foutief is en gecorrigeerd dient te worden. Er zouden geen uitdrukkingen mogen worden gebruikt als ‘de offergaven van Gods huis’ of ‘de offergaven van de kerk’. Er zijn zelfs mensen die zeggen ‘onze offergaven’ en ‘de offergaven van ons huis van God’. Al deze uitdrukkingen zijn verkeerd. Offergaven worden aan God geschonken door de geschapen mensheid, door degenen die God volgen. Alleen God heeft het exclusieve recht om de eigenaar, gebruiker en genieter ervan te zijn. Offergaven zijn geen gemeenschappelijk eigendom; ze behoren niet toe aan de mens, en nog veel minder aan de kerk en Gods huis. In plaats daarvan behoren ze God toe. God staat de kerk en Gods huis toe ze te gebruiken – dit is Zijn opdracht. Daarom zijn alle uitdrukkingen als ‘de offergaven van Gods huis’, ‘de offergaven van de kerk’ en ‘onze offergaven’ onnauwkeurig. Sterker nog, het zijn de uitdrukkingen van mensen met bijbedoelingen. Ze zijn bedoeld om mensen te misleiden en afgestompt te maken, sterker nog, om mensen op een dwaalspoor te brengen. Deze mensen categoriseren offergaven als gemeenschappelijk eigendom dat toebehoort aan de kerk, of aan Gods huis, of aan alle broeders en zusters. Dit alles is problematisch en foutief en dient te worden gecorrigeerd. Dit is een manifestatie van een soort valse leider. Zulke mensen beschouwen offergaven als gemeenschappelijk eigendom en gebruiken ze naar eigen goeddunken; of ze geloven dat ze als leiders het recht hebben om deze spullen toe te wijzen, en dus wijzen ze die toe aan mensen die ze mogen of aan iedereen in gelijke mate. Wat voor scenario proberen ze te creëren? Een waarin iedereen gelijk is, waarin iedereen van Gods genade kan genieten, waarin iedereen deelt. Ze willen de gunst van mensen kopen door vrijgevig te zijn met de middelen van Gods huis. Is dat niet walgelijk? Het is laaghartig, schaamteloos gedrag! Hoe kunnen zulke mensen worden gekenmerkt? Zulke valse leiders begeren offergaven, en om te voorkomen dat mensen toezicht op hen houden, hen ontmaskeren en hen doorzien, wijzen ze de overgebleven spullen die ze zelf niet gebruiken toe aan de broeders en zusters. Zo kopen ze hun gunst en creëren ze een scenario waarin iedereen gelijk is, waardoor iedereen kan profiteren van de omgang met hen, zodat niemand hen zal ontmaskeren. Als jullie zo’n leider zouden tegenkomen, een leider die jullie toestaat wat voordelen te behalen en met wie jullie van wat ‘gemeenschappelijk eigendom’ zouden kunnen genieten – als jullie dit recht hadden en van dit soort voordeel profiteerden, zouden jullie daar dan blij mee zijn? Zouden jullie het kunnen weigeren? (Ja.) Als jullie begerig zijn, geen Godvrezend hart hebben en God niet vrezen, zouden jullie het niet kunnen. Iedereen met een beetje integriteit, een beetje verstand en een beetje een Godvrezend hart zal het weigeren. Sterker nog, hij zal opstaan om die leider te berispen, te snoeien en een halt toe te roepen, en zeggen: “Het eerste wat je als leider zou moeten doen, is de offergaven goed beheren, ze niet verduisteren, laat staan zonder toestemming besluiten om ze naar eigen inzicht aan iedereen toe te wijzen. Je hebt dat recht niet; dat is niet de opdracht die je van God hebt ontvangen. Offergaven zijn voor Gods gebruik, en er zijn principes voor het gebruik ervan door de kerk – niemand heeft hierover het laatste woord. Je mag dan een leider zijn, maar dat privilege heb je niet. God heeft het je niet geschonken. Je hebt niet het recht om Gods dingen te gebruiken – God heeft je geen opdracht gegeven voor dat werk. Doe dus onmiddellijk de gouden en zilveren sieraden af die de broeders en zusters aan God hebben geofferd, en trek de kleren uit die ze aan Hem hebben geofferd. Betaal onmiddellijk een vergoeding voor de dingen die je hebt gegeten en die je niet had mogen eten. Als je nog een mens bent en enige schaamte kent, doe dit dan tijdig. Verder, ongeacht aan wie je deze offergaven hebt gegeven om hun gunst te winnen, of wie je ze zich hebt laten toe-eigenen en ervan hebt laten genieten, haal die offergaven onmiddellijk terug. Als je dat niet doet, zullen we alle broeders en zusters inlichten en je als een Judas behandelen!” Zouden jullie dit durven doen? (Ja.) Iedereen heeft deze verantwoordelijkheid als het om offergaven gaat, en behoort die met dit geweten en deze houding te behandelen. Natuurlijk heeft hij ook de plicht om toezicht te houden op hoe anderen offergaven behandelen, of ze die goed bewaren en of ze die volgens de principes beheren. Denk niet dat dit niets met jullie te maken heeft en wees dan niet onverantwoordelijk door te zeggen: “Ik ben hoe dan ook geen leider of werker, dit is niet mijn verantwoordelijkheid. Zelfs als ik het ontdek, hoef ik me er niet mee te bemoeien of er iets over te zeggen – dat is een zaak voor leiders en werkers. Wie willekeurig geld uitgeeft en offergaven verduistert, is een judas, en God zal hem straffen wanneer de tijd daar is. Wie een gevolg veroorzaakt, is er zelf verantwoordelijk voor. Ik hoef me hier niet mee te bemoeien. Wat voor nut zou het hebben als ik voor mijn beurt praat?” Wat vinden jullie van zo iemand? (Hij heeft geen geweten.) Als je ontdekt dat er in bepaalde gebieden waar de leiders en werkers geen zicht op hebben, mensen zijn die offergaven verspillen en zich toe-eigenen, behoor je de betrokkenen persoonlijk een waarschuwing te geven en dit ook tijdig aan de leiders en werkers te rapporteren. Je behoort te zeggen: “Onze teamleider en onze leider nemen vaak offergaven voor zichzelf. Ze geven ook willekeurig offergaven uit, overleggen niet met anderen en beslissen zelf om van alles te kopen. Het merendeel van hun uitgaven is niet in overeenstemming met de principes. Kan Gods huis dit aanpakken?” Het is de verantwoordelijkheid van Gods uitverkorenen om de problemen die ze ontdekken te rapporteren en te melden. Onze eerdere communicatie ging over de manifestatie van een bepaald soort valse leider – zijn houding ten opzichte van offergaven is dat hij deze als gemeenschappelijk bezit behandelt.

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud