De verantwoordelijkheden van leiders en werkers (6) Sectie vier

IV. Hoe om te gaan met mensen die zijn ontheven

Er is nog een ander soort mensen, namelijk degenen die zijn ontheven. Hoe moeten we hen behandelen? Of deze mensen nu worden ontheven omdat ze niet in staat zijn om werkelijk werk te doen en als valse leiders worden geclassificeerd, of omdat ze de weg van antichristen volgen en als mensen van het type antichrist worden geclassificeerd, het is noodzakelijk om deze mensen op een redelijke manier aan ander werk toe te wijzen en redelijke regelingen voor hen te treffen. Als het antichristen zijn die veel slechte daden hebben verricht, dan moeten ze natuurlijk worden verdreven; als ze niet veel slechte daden hebben verricht, maar wel de essentie van een antichrist hebben en als antichrist worden gekenmerkt, dan hoeven ze, zolang ze nog in beperkte mate dienst kunnen doen zonder verstoring of hinder te veroorzaken, niet te worden verdreven – laat hen dienst blijven doen en geef hun een kans op berouw. Wat betreft valse leiders die zijn ontheven: wijs hun ander werk toe op basis van hun sterke punten en de plichten waarvoor ze geschikt zijn, maar het is hen niet langer toegestaan als kerkleiders te dienen. Voor leiders en werkers die zijn ontheven omdat hun kaliber buitengewoon pover is en ze niet in staat zijn om enig werk te doen, wijs hen ook ander werk toe op basis van hun sterke punten en de plichten waarvoor ze geschikt zijn, maar zij kunnen niet langer worden gepromoveerd tot leider of werker. Waarom niet? Ze zijn al op de proef gesteld. Ze werden onthuld, en het is al duidelijk te zien dat het kaliber en het werkvermogen van zulke mensen hen ongeschikt maken om leiders te zijn. Als ze ongeschikt zijn om leiders te zijn, zijn ze dan niet in staat om andere plichten te doen? Niet noodzakelijk. Hun povere kaliber maakt hen ongeschikt om leiders te zijn, maar ze kunnen andere plichten doen. Nadat zulke mensen zijn ontheven, kunnen ze doen waarvoor ze geschikt zijn. Hun recht om een plicht te doen mag hen niet worden ontnomen; ze kunnen in de toekomst nog steeds worden gebruikt zodra hun gestalte is gegroeid. Sommigen worden ontheven omdat ze jong zijn en geen levenservaring hebben, en ook geen werkervaring, dus zijn ze niet in staat om het werk op zich te nemen en worden ze uiteindelijk ontheven. Bij het ontheffen van dit soort mensen is er enige speelruimte. Als hun menselijkheid aan de norm voldoet en hun kaliber voldoende is, kunnen ze na degradatie worden ingezet, of kunnen ze aan ander werk worden gezet dat geschikt voor hen is. Zodra hun begrip van de waarheid helder is en ze enige blootstelling aan en ervaring met het werk van de kerk hebben, kunnen zulke mensen op basis van hun kaliber nog steeds opnieuw worden gepromoveerd en gecultiveerd. Als hun menselijkheid aan de norm voldoet, maar hun kaliber buitengewoon pover is, dan heeft het absoluut geen enkele waarde om hen te cultiveren, en kunnen ze absoluut niet worden gecultiveerd of behouden.

Onder degenen die zijn ontheven, zijn er twee soorten mensen die absoluut niet opnieuw kunnen worden bevorderd en gecultiveerd. De ene soort bestaat uit antichristen, de andere uit mensen met een te pover kaliber. Daarnaast zijn er mensen die niet als antichristen worden beschouwd, maar alleen een slechte menselijkheid hebben: ze zijn egoïstisch en bedrieglijk. Sommigen van hen zijn bovendien lui, begeren vleselijk gemak en kunnen geen ontbering verdragen. Zelfs als zulke mensen een buitengewoon goed kaliber hebben, kunnen ze niet opnieuw worden bevorderd. Als ze een beetje kaliber bezitten, laat hen dan doen waartoe ze in staat zijn, zolang daar geschikte regelingen voor worden getroffen; kortom, bevorder hen niet tot leider of werker. Leiders en werkers moeten niet alleen over kaliber en werkvermogen beschikken, maar ook de waarheid begrijpen, een last voor de kerk dragen, hard kunnen werken en lijden kunnen doorstaan, en ze moeten ijverig en niet lui zijn. Bovendien moeten ze relatief eerlijk en oprecht zijn. Je mag absoluut geen mensen selecteren die bedrieglijk zijn. Degenen die te vals en bedrieglijk zijn, smeden altijd plannen tegen de broeders en zusters, hun meerderen en het huis van God. Ze brengen hun dagen door met alleen maar slinkse gedachten. Wanneer je met zo iemand te maken hebt, moet je altijd raden wat hij werkelijk denkt, moet je voortdurend nagaan wat hij precies de laatste tijd heeft gedaan en moet je hem altijd in de gaten houden. Hem inzetten is te uitputtend en te zorgelijk. Als dit soort persoon wordt bevorderd om plichten te vervullen, zal hij, zelfs als hij een beetje doctrine begrijpt, die niet in praktijk brengen en zal hij voor elk stukje werk dat hij doet voordelen en gunsten verwachten. Het inzetten van zulke mensen baart te veel zorgen en te veel problemen, dus zulke mensen kunnen niet worden bevorderd. Daarom, als het gaat om antichristen, degenen met een buitengewoon pover kaliber, degenen met een slechte menselijkheid, degenen die lui zijn, vleselijk gemak begeren en geen ontbering kunnen verdragen, en degenen die extreem vals en bedrieglijk zijn – zodra dit soort mensen is onthuld en ontheven nadat ze zijn ingezet, bevorder hen dan niet opnieuw; zet hen niet opnieuw verkeerd in nadat ze zijn doorzien. Sommigen zeggen misschien: “Deze persoon werd voorheen gekenmerkt als een antichrist. We hebben gemerkt dat hij zich al een tijdje goed gedraagt, hij kan normaal met de broeders en zusters omgaan en legt anderen geen beperkingen op. Kan hij worden bevorderd?” Wees niet zo haastig – zodra hij wordt bevorderd en status verwerft, zal zijn antichristelijke aard worden ontmaskerd. Anderen zeggen misschien: “Het kaliber van deze persoon was voorheen buitengewoon pover; toen hem werd gevraagd om toezicht te houden op het werk van twee mensen, wist hij niet hoe hij taken moest toewijzen, en als er twee dingen tegelijk gebeurden, wist hij niet hoe hij redelijke regelingen moest treffen. Nu hij wat ouder is, zal hij hier toch wel beter in zijn?” Snijdt deze bewering hout? (Nee, dat doet het niet.) Wanneer er twee dingen tegelijk gebeuren, raakt die persoon in de war en weet hij niet hoe hij ermee om moet gaan. Hij kan niemand of niets doorzien. Zijn kaliber is zo pover dat hij geen werkvermogen of bevattingsvermogen heeft. Zo iemand kan absoluut niet opnieuw tot leider worden bevorderd. Dit is geen kwestie van leeftijd. Mensen met een pover kaliber zullen nog steeds een pover kaliber hebben als ze tachtig jaar oud zijn. Het is niet zoals mensen zich voorstellen, dat iemand, naarmate hij ouder wordt en meer ervaring opdoet, alles kan begrijpen – zo is het niet. Hij zal slechts enige levenservaring hebben, maar levenservaring staat niet gelijk aan kaliber. Hoeveel dingen men ook ervaart of hoeveel lessen men ook leert, het betekent niet dat zijn kaliber zal verbeteren.

Als iemands menselijkheid te egoïstisch, te bedrieglijk en te boosaardig is, en hij vol listige plannen zit en alleen aan zichzelf denkt, kan zo iemand dan veranderen? Hij werd om deze redenen ontheven; nu zijn er tien jaar verstreken en heeft hij naar vele preken geluisterd – is zijn menselijkheid niet langer egoïstisch, vals en bedrieglijk? Laat Ik het je zeggen: dit soort mensen zal niet veranderen, over twintig jaar zullen ze nog steeds hetzelfde ding zijn. Daarom, als je hen over twintig jaar weer ontmoet en hen vraagt of ze nog steeds zo egoïstisch en bedrieglijk zijn, zullen ze het zelfs zelf toegeven. Waarom veranderen mensen met een slechte menselijkheid niet? Kunnen ze veranderen? Stel dat ze zouden kunnen veranderen, wat zou dan de basis en de voorwaarden daarvoor moeten zijn? Ze moeten de waarheid kunnen aanvaarden. Mensen met een slechte menselijkheid aanvaarden de waarheid niet. Innerlijk verachten, verafschuwen en bespotten ze positieve dingen, en staan ze daar vijandig tegenover – ze kunnen gewoon niet veranderen. Dus hoeveel jaren er ook voorbijgaan, bevorder hen niet, want ze zijn niet in staat om te veranderen. Het is mogelijk dat ze over twintig jaar hebben geleerd nog geslepener te zijn, en nog beter in het zeggen van mooi klinkende en bedrieglijke dingen. Maar als je met deze mensen omgaat en hun handelingen observeert, zul je één feit ontdekken, namelijk dat ze helemaal niet zijn veranderd. Je denkt dat ze, na zoveel jaren en nadat ze naar zoveel preken hebben geluisterd en zo lang plichten hebben vervuld in Gods huis, veranderd zouden moeten zijn – je hebt het mis! Ze zullen niet veranderen. Waarom? Ze hebben naar zoveel preken geluisterd en zoveel van Gods woorden gelezen, maar ze aanvaarden of beoefenen geen enkele zin. Daarom zijn ze geen zier veranderd; het is voor hen onmogelijk om te veranderen. Zodra zulke mensen zijn onthuld en ontheven, kunnen ze niet opnieuw worden ingezet. Als je hen wel inzet, schaad je Gods huis en de broeders en zusters. Als je het niet zeker weet, observeer dan gewoon hoe ze handelen en kijk van wie ze de belangen verdedigen wanneer ze worden geconfronteerd met zaken die hun eigen belangen in conflict brengen met de belangen van Gods huis. Ze zullen absoluut niet hun eigen belangen opofferen en alles op alles zetten om de belangen van Gods huis te verdedigen. Vanuit dit oogpunt zijn ze niet te vertrouwen en verdienen ze het niet om door Gods huis te worden bevorderd en ingezet. Daarom zijn zulke mensen voorbestemd om niet te worden ingezet. Kunnen mensen die de waarheid niet aanvaarden nog veranderen? Dat is onmogelijk, het is een onrealistische fantasie!

Wat betreft mensen die lui zijn, vleselijk gemak begeren en niet in staat zijn om ook maar de geringste ontbering te verdragen: zij zijn nog minder in staat om te veranderen. Gedurende hun tijd als leider lijden ze geen enkele ontbering; ze verdragen zelfs niet de ontbering die gewone broeders en zusters kunnen verdragen. Bij het vervullen van hun plicht doen ze die slechts voor de vorm: ze houden bijeenkomsten en prediken wat doctrines, en gaan dan naar bed om goed voor zichzelf te zorgen. Als ze ’s nachts ook maar iets later naar bed gaan, liggen ze ’s ochtends nog steeds diep te slapen wanneer de broeders en zusters opstaan. Ze zijn niet bereid om ook maar een beetje moe of een beetje druk te zijn, of ook maar een beetje ontbering te verdragen. Ze betalen geen enkele prijs en doen geen enkel werkelijk werk. Waar ze ook gaan, zodra ze lekker eten en drinken zien, worden ze zo gelukkig dat ze al het andere vergeten. Ze gaan nergens heen, maar blijven daar gewoon eten, drinken en genieten, en doen helemaal geen werk. Ze luisteren niet wanneer ze door de Boven worden gesnoeid, noch aanvaarden ze aanmaningen en ontmaskering van de broeders en zusters. Ze kiezen ervoor om het leven op de meest comfortabele manier te leven, zonder enige prijs te betalen en zonder hun verantwoordelijkheden te vervullen of hun plicht te doen, en zo worden ze nietsnutten. Zijn zulke mensen in staat om te veranderen? Dergelijke mensen zijn te lui, begeren vleselijk gemak; ze kunnen niet veranderen. Zo zijn ze nu en zo zullen ze in de toekomst zijn. Sommige mensen zeggen misschien: “Die persoon is veranderd, hij heeft zich al een tijdje flink ingezet voor zijn werk.” Wees niet zo haastig. Als je hem tot leider bevordert, zal hij in zijn oude gewoonten vervallen – zo is hij nu eenmaal. Hij is net als een gokker die, wanneer hij geen geld meer heeft, blijft gokken, zelfs als hij daarvoor geld moet lenen, zijn huis moet verkopen of zelfs zijn vrouw en kinderen moet verkopen. Als hij de laatste tijd niet gokt, kan dat zijn omdat het casino is gesloten en er geen plek is om te gokken, of omdat al zijn gokmaatjes zijn opgepakt en er niemand meer is om mee te gokken, of omdat hij alles heeft verkocht wat hij kon verkopen en geen geld meer heeft om te gokken. Zodra hij geld in handen heeft, zal hij weer beginnen met gokken en niet kunnen stoppen – zo is hij nu eenmaal. Evenzo zijn degenen die lui zijn en vleselijk gemak begeren ook niet in staat om te veranderen. Zodra ze enige status krijgen, zullen ze onmiddellijk hun oorspronkelijke gedaante aannemen en zal hun ware aard worden ontmaskerd. Wanneer ze geen status hebben, heeft niemand een hoge dunk van hen en bedient niemand hen. Als ze niets doen, dan moeten ze worden verwijderd, omdat de kerk geen leeglopers onderhoudt, dus hebben ze geen andere keus dan met tegenzin wat dingen te doen. Ze doen dingen anders dan anderen. Anderen doen dingen proactief, terwijl zij ze passief doen. Hoewel er uiterlijk geen verschil is, is er in essentie wel een verschil. Wanneer anderen status hebben, doen ze wat ze moeten doen en zijn ze in staat om hun verantwoordelijkheden te vervullen; zodra deze mensen status hebben, grijpen ze de kans om zich tegoed te doen aan de voordelen van hun status en doen ze helemaal geen werk, en hun aard-essentie van luiheid en het begeren van gemak wordt daardoor blootgelegd. Daarom zal dit soort mensen onder geen enkele omstandigheid veranderen, en zodra ze zijn onthuld en ontheven, mogen zulke mensen nooit meer worden bevorderd en ingezet – dit is het principe.

Als het gaat om mensen in verschillende situaties, zijn dit de principes voor het bevorderen en inzetten van hen. De minimumnorm is dat ze in staat zijn om zich in te spannen en dienst te doen in Gods huis zonder verstoring te veroorzaken; in dat geval kunnen ze een plicht vervullen in Gods huis. Als ze zelfs niet aan deze minimumnorm kunnen voldoen, dan zijn ze, ongeacht hun menselijkheid en sterke punten, niet geschikt om een plicht te vervullen, en dit soort mensen moet worden geëlimineerd uit de gelederen van degenen die plichten vervullen. Als iemands menselijkheid kwaadwillig is en gelijkstaat aan die van een antichrist, dan zal Gods huis, zodra is bevestigd dat hij een antichrist is, hem nooit inzetten, noch bevorderen of cultiveren. Sommige mensen zeggen misschien: “Is het goed om hem dienst te laten doen?” Dat hangt van de situatie af. Als zijn dienstdoen een negatieve invloed kan hebben en nadelige gevolgen kan hebben voor Gods huis, dan zal Gods huis hem niet eens de gelegenheid geven om dienst te doen. Als hij weet dat hij een kwaadaardige persoon of antichrist is die is verdreven, maar hij is bereid om dienst te doen, en zal doen wat de kerk hem opdraagt, en op een welgemanierde manier dienst kan doen zonder enige belangen van Gods huis te schaden, dan kan hij in dat geval worden behouden. Als hij er zelfs niet in slaagt om naar behoren dienst te doen, en zijn dienst meer kwaad dan goed doet, dan zal hij niet eens de gelegenheid krijgen om dienst te doen. Zelfs als hij dienst doet, zal Gods huis hem nog steeds niet inzetten, omdat hij niet eens in aanmerking komt of voldoet aan de criteria om dienst te doen. Dus dergelijke mensen moeten niet terugkomen – laat hen gaan waarheen ze willen. Sommige mensen zeggen misschien: “Als gods huis mij niet inzet, dan predik ik zelf het evangelie, en de mensen die ik door het prediken van het evangelie win, zal ik aan Gods huis overdragen.” Zou dat goed zijn? (Ja.) Sommigen zeggen misschien: “U zou die persoon niet eens gebruiken om dienst te doen, dus op welke gronden zou hij U de mensen moeten geven die hij wint door het evangelie te prediken? Op welke gronden zou hij voor U het evangelie moeten prediken?” Gods huis zet hen om verschillende redenen niet in. Ten eerste voldoen ze niet aan de principes van Gods huis voor het inzetten van mensen. Ten tweede durft Gods huis dit soort mensen niet in te zetten, want zodra ze worden ingezet, zal er geen einde komen aan de problemen. Hoe moeten we deze kwestie van hun bereidheid om het evangelie te prediken dan uitleggen? Waarvan ze getuigen bij het prediken van het evangelie is God, en het is dankzij Gods woorden en Gods werk dat ze in staat zijn om mensen te winnen. Hoewel deze mensen zijn gewonnen door het prediken van het evangelie door die persoon, telt dit geenszins als zijn verdienste. Op zijn best is het slechts het vervullen van zijn verantwoordelijkheden als mens. Ongeacht of je een antichrist of een kwaadaardige persoon bent, en of je bent verwijderd of verdreven, is het vervullen van je verantwoordelijkheden als mens iets wat je behoort te doen. Waarom zeg Ik dat het iets is wat je behoort te doen? Je bent zo overvloedig van de waarheid voorzien die God je heeft geschonken en dit is ook Gods hartenbloed. Gods huis heeft je zoveel jaren begoten en in je voorzien, maar eist God iets van je? Nee. Alle verschillende boeken die door Gods huis worden gedistribueerd zijn gratis, niemand hoeft er een cent voor uit te geven. Evenzo zijn de ware weg van het eeuwige leven en de woorden van het leven die God aan mensen schenkt gratis, en de preken en communicatie van Gods huis zijn allemaal gratis voor mensen om naar te luisteren. Daarom, of je nu een gewoon mens bent of lid van een speciale groep, je hebt zoveel waarheden gratis van God ontvangen dat het toch niet meer dan juist is dat je Gods woorden en Gods evangelie aan mensen verkondigt en mensen tot God brengt, nietwaar? God heeft alle waarheden aan de mensheid geschonken; wie kan zo’n grote liefde terugbetalen? Gods genade, Gods woorden en Gods leven zijn onbetaalbaar, en geen enkel mens kan ze terugbetalen! Is het leven van de mens zo kostbaar? Kan het evenveel waard zijn als de waarheid? Daarom kan niemand Gods liefde en genade terugbetalen, en dat geldt ook voor degenen die door de kerk zijn verwijderd, verdreven en geëlimineerd – zij zijn geen uitzondering. Zolang je enig geweten, verstand en menselijkheid hebt, moet je, ongeacht hoe Gods huis je behandelt, je verplichting vervullen om Gods woorden te verkondigen en van Zijn werk te getuigen. Dit is de onontkoombare verantwoordelijkheid van de mens. Daarom, ongeacht aan hoeveel mensen je Gods woorden en Zijn evangelie predikt, of hoeveel mensen je wint, is dit niets om je voor te prijzen. God heeft zoveel waarheden uitgedrukt en toch luister je er niet naar of aanvaard je ze niet. Een beetje dienst doen en het evangelie aan anderen prediken is toch wat je zou moeten doen, nietwaar? Aangezien je vandaag zo ver bent gekomen, zou je dan geen berouw moeten hebben? Zou je geen kansen moeten zoeken om Gods liefde terug te betalen? Dat zou je echt moeten doen! Gods huis heeft bestuurlijke decreten, en het verwijderen, verdrijven en elimineren van mensen gebeurt volgens de bestuurlijke decreten en volgens Gods vereisten – dit doen is correct. Sommige mensen zeggen misschien: “Het is enigszins gênant om mensen in de kerk te aanvaarden die zijn gewonnen door de evangelieprediking van degenen die zijn verwijderd of verdreven.” In feite is dit de plicht die mensen moeten doen, en er is niets om je voor te schamen. Mensen zijn allemaal schepselen. Zelfs als je bent verwijderd of verdreven, veroordeeld als een kwaadaardige persoon of een antichrist, of tot doelwit van eliminatie bent gemaakt, ben je dan niet nog steeds een schepsel? Zodra je bent verwijderd, is God dan niet meer jouw God? Worden de woorden die God tot je heeft gesproken en de dingen die God je heeft gegeven in één klap uitgewist? Bestaan ze niet meer? Ze bestaan nog steeds, alleen heb je ze niet gekoesterd. Alle bekeerde mensen, ongeacht wie hen heeft bekeerd, zijn schepselen en moeten zich overgeven aan de Schepper. Daarom zullen we, als deze mensen die zijn verwijderd of verdreven bereid zijn om het evangelie te prediken, hen hierin niet tegenhouden; maar hoe ze ook prediken, de principes van Gods huis voor het inzetten van mensen en de bestuurlijke decreten van Gods huis zijn onveranderlijk, en dit zal nooit, maar dan ook nooit veranderen.

Onder deze verschillende soorten mensen die zijn ontheven, is het onwaarschijnlijk dat de meerderheid werkelijk berouw zal tonen en zij mogen dan ook absoluut niet opnieuw worden ingezet. Alleen voor degenen die werden ontheven of van wie de toegewezen plicht is aangepast omdat ze werkervaring misten en het werk daardoor tijdelijk niet aankonden, is er ruimte om hen opnieuw te bevorderen en in te zetten. Dergelijke mensen hebben voldoende kaliber en er zijn geen grote problemen met hun menselijkheid; het gaat slechts om enkele kleine tekortkomingen, ondeugden of slechte gewoonten die ze vanuit hun familie hebben meegekregen – geen van deze dingen is een groot probleem. Als Gods huis hen nodig heeft, kunnen ze op het juiste moment opnieuw worden bevorderd en ingezet; dit is redelijk, omdat ze geen kwaadaardige mensen zijn en geen antichristen zullen worden. Hun kaliber is voldoende, alleen hebben ze nog niet lang werk verricht en ontbrak het hen aan ervaring, waardoor ze niet bekwaam waren om het werk uit te voeren, wat geen ernstig probleem is. Als ze om deze redenen zijn ontheven, dan hebben ze in de toekomst ruimte om zich te ontwikkelen en kunnen ze veranderen. Zolang iemand werkvermogen heeft, over kaliber beschikt en zijn menselijkheid aan de norm voldoet, zal zo iemand gedurende de periode waarin hij Gods werk ervaart en zijn plicht vervult, geleidelijk veranderen. Zijn menselijkheid zal veranderen, zijn ingang in het leven zal groeien, er zullen enige overeenkomstige veranderingen in zijn gezindheid zijn, en er zal enige vooruitgang zijn in zijn begrip van de waarheid. Afhankelijk van de omgeving, de plichten die ze vervullen en hun persoonlijke vastberadenheid, zullen ze in verschillende mate veranderen en groeien, dus kan worden gezegd dat dit soort mensen in aanmerking komt om te worden bevorderd en ingezet. Dit zijn in het algemeen de principes voor het opnieuw bevorderen en inzetten van de verschillende soorten mensen die eerder zijn ontheven.

Punt zeven van de verantwoordelijkheden van leiders en werkers is: ‘Verschillende soorten mensen op een verstandige manier toewijzen en inzetten op basis van hun menselijkheid en sterke punten, zodat ieder optimaal wordt benut.’ In onze communicatie zojuist werd de betekenis van het optimaal benutten van mensen al duidelijk uitgelegd. Zolang er ook maar de geringste waarde is in het cultiveren van iemand, en op voorwaarde dat zijn menselijkheid aan de norm voldoet, zal Gods huis hem kansen geven. Zolang iemand de waarheid nastreeft en van positieve dingen houdt, zal Gods huis hem niet zomaar opgeven of elimineren. Zolang je menselijkheid en kaliber voldoen aan de normen waarover Ik zojuist heb gecommuniceerd, zal Gods huis beslist een plek voor je hebben om een plicht te vervullen, en zal het je beslist verstandig inzetten en je voldoende ruimte geven om je bekwaamheid tot zijn recht te laten komen. Kortom, als je sterke punten en expertise hebt in een bepaald beroep die nodig zijn voor het werk van de kerk, dan zal Gods huis je beslist een geschikte plicht laten vervullen. Echter, als je geen vastberadenheid of wil hebt en niet naar boven wilt streven, doe dan gewoon wat je kunt, vervul een plicht die binnen je vermogen ligt, en niets meer. Als je vastberadenheid hebt en je zegt: “Ik wil meer waarheden begrijpen en verkrijgen, en zo snel mogelijk het pad naar redding inslaan en de waarheidswerkelijkheid binnengaan. Ik ben bereid om rekening te houden met Gods last, bereid om een zware last te dragen in Gods huis, meer ontbering te lijden dan anderen, mezelf meer in te spannen en meer te verzaken dan anderen”, en als je in alle opzichten geschikt bent, maar nog steeds niemand je aanbeveelt, dan kun je ook jezelf aanbieden. Is dat niet redelijk? Samenvattend zijn dit alle principes van Gods huis voor het inzetten van allerlei soorten mensen, met als doel niets anders dan mensen in staat te stellen om de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan. Wat zijn de manifestaties van het binnengaan in de waarheidswerkelijkheid? Dat zijn het begrijpen van de waarheid, het begrijpen van de waarheidsprincipes bij het uitvoeren van alle verschillende werkzaamheden, en in staat zijn om de overeenkomstige waarheden in praktijk te brengen bij de omgang met allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen in het dagelijks leven, in plaats van in de war en radeloos te zijn telkens wanneer je iets overkomt – dit is het doel. Nu dit doel is gesteld, moeten jullie ernaar streven!

Hier eindigt onze communicatie over punt zeven van de verantwoordelijkheden van leiders en werkers. Sommige mensen zeggen misschien: “U bent nog niet klaar met communiceren, U hebt valse leiders met betrekking tot dit punt nog niet ontmaskerd.” Dan zeg Ik dat het niet nodig is om hen te ontmaskeren. Enerzijds hebben valse leiders een pover kaliber en zijn ze niet in staat om werkelijk werk te doen; anderzijds zijn ze verstoken van geweten en verstand, dragen ze geen last, leggen ze hun hart totaal niet in hun werk en kunnen ze zelfs sommige eenvoudige dingen niet goed doen. Telkens wanneer ze een complex probleem tegenkomen, of een probleem dat verband houdt met de waarheidsprincipes, kunnen ze het totaal niet onderscheiden, en nog minder kunnen ze de essentie van het probleem doorzien. Dus is het niet nodig om hen te ontmaskeren. Zelfs als ze werden ontmaskerd, zouden ze het niet aanvaarden, en het zou zonde van de woorden zijn. Bovendien, als men vertelt wat ze hebben gedaan, wordt men er misselijk en boos van. Het toewijzen van zulk belangrijk werk aan deze valse leiders was een fout bij het inzetten van mensen. Het onvermogen om hun werk uit te voeren, maakt al dat ze zich een nietsnut voelen, en als ze worden ontmaskerd en ontleed, zullen ze zich nog meer gekweld voelen. Dus laat deze valse leiders zichzelf maar vergelijken en hun eigen problemen onderzoeken, zoveel als ze kunnen. Als je je problemen kunt ontdekken, kijk dan of je in de toekomst verbeteringen kunt aanbrengen; als je ze niet kunt ontdekken, dan moet je blijven onderzoeken, en je kunt ook de mensen om je heen vragen om je te helpen analyseren en de zaken op een rijtje te zetten. Als anderen met je hebben gecommuniceerd en je je hart erin hebt gelegd maar nog steeds je eigen problemen niet kunt ontdekken, en nog steeds niet weet hoe je ze moet herkennen of hoe je ze moet oplossen, dan ben je werkelijk een valse leider en moet je worden geëlimineerd.

6 maart 2021

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud