Dagelijkse woorden van God: De incarnatie | Fragment 100

09 juli 2020

Het leven dat Jezus op aarde leidde was het gewone leven van het vlees. Hij leefde in de normale menselijkheid van Zijn vlees. Zijn gezag – om Gods werk te doen en Gods woord te spreken, of zieken te genezen en duivels uit te drijven, om zulke buitengewone dingen te doen – werd pas grotendeels duidelijk toen Hij Zijn bediening begon. Zijn leven voor Zijn negenentwintigste, voordat Hij Zijn bediening uitvoerde, was bewijs genoeg dat Hij gewoon normaal vlees was. Daarom, en omdat Hij nog niet met de uitvoering van Zijn bediening was begonnen, zagen de mensen geen spoor van goddelijkheid in Hem, ze zagen niets anders dan een gewoon, normaal mens – net als toen de mensen in het begin geloofden dat Hij de zoon van Jozef was. De mensen dachten dat Hij de zoon van een gewoon mens was, ze konden op geen enkele manier zien dat Hij Gods geïncarneerde vlees was. Zelfs toen Hij tijdens de uitvoering van Zijn bediening wonderen verrichtte zeiden de meeste mensen nog steeds dat Hij de zoon van Jozef was, want Hij was de Christus met het omhulsel van normale menselijkheid. Zijn normale menselijkheid en Zijn werk bestonden beide om de inhoud van de eerste incarnatie te vervullen, waarmee bewezen werd dat God helemaal in het vlees was gekomen en een volslagen gewoon mens was geworden. Dat Hij normale menselijkheid had voor Hij aan het werk ging was het bewijs dat Hij van gewoon vlees was, en dat Hij daarna werkte bewees ook dat Hij van gewoon vlees was, omdat Hij tekenen en wonderen verrichtte, zieken genas en duivels uitdreef in het vlees van de normale menselijkheid. De reden dat Hij wonderen kon verrichten was dat Zijn vlees het gezag van God herbergde, het vlees was waarin de Geest van God zich kleedde. Hij had dit gezag vanwege de Geest van God, en het betekende niet dat Hij niet van vlees was. Zieken genezen en duivels uitdrijven was het werk dat Hij moest doen in Zijn bediening, een uitdrukking van Zijn goddelijkheid die in Zijn menselijkheid verborgen lag, en wat voor tekenen Hij ook gaf of hoe Hij Zijn gezag ook demonstreerde, Hij bleef in normale menselijkheid leven en was nog steeds van gewoon vlees. Tot het moment van Zijn herrijzen nadat Hij aan het kruis was gestorven heeft Hij in het gewone vlees geleefd. Het verlenen van genade, het genezen van de zieken en het uitdrijven van duivels maakte allemaal onderdeel uit van Zijn bediening en vormde al het werk dat Hij in Zijn gewone vlees deed. Voordat Hij werd gekruisigd had Hij Zijn gewone vlees nog nooit verlaten, wat Hij ook deed. Hij was God Zelf en deed het werk van God. Maar omdat Hij het geïncarneerde vlees van God was, at Hij voedsel, droeg Hij kleren, had Hij gewone menselijke behoeftes, een gewoon menselijk verstand en een gewone menselijke geest. Dit was allemaal bewijs dat Hij een gewoon mens was, waarmee het bewijs werd geleverd dat het geïncarneerde vlees van God vlees was met een gewone en niet met een bovennatuurlijke menselijkheid. Het was Zijn opdracht het werk van de eerste incarnatie van God af te maken, de bediening van de eerste incarnatie te vervullen. Het belang van de incarnatie is dat een gewoon, normaal mens het werk van God Zelf uitvoert; dat wil zeggen dat God Zijn goddelijke werk in menselijkheid uitvoert en daarbij Satan overwint. Incarnatie houdt in dat de Geest van God vlees wordt, dat wil zeggen dat God vlees wordt. Het werk dat Hij in het vlees doet is het werk van de Geest en het wordt in het vlees gerealiseerd, door middel van het vlees tot uitdrukking gebracht. Niemand anders dan Gods vlees kan de bediening van de vleesgeworden God vervullen, dat wil zeggen, alleen Gods geïncarneerde vlees, deze normale menselijkheid – en niemand anders – kan het goddelijke werk uitdrukken. Als God bij Zijn eerste komst niet voor Zijn negenentwintigste de normale menselijkheid had gehad, als Hij meteen vanaf Zijn geboorte wonderen had kunnen verrichten, als Hij zodra Hij leerde praten meteen de taal van de hemel had gesproken, als Hij vanaf het moment dat Hij voet op aarde zette alle wereldlijke zaken had kunnen bevatten, de gedachten en bedoelingen van ieder mens had kunnen doorzien, dan had Hij geen gewoon mens kunnen worden genoemd en had Zijn vlees geen menselijk vlees kunnen worden genoemd. Als dat het geval was geweest met Christus, dan was de betekenis en de essentie van de incarnatie van God verloren gegaan. Dat Hij een normale menselijkheid bezat bewijst dat Hij de geïncarneerde God in het vlees was. Het feit dat Hij een normaal menselijk groeiproces doorliep toont verder aan dat Hij van gewoon vlees was. Bovendien is Zijn werk voldoende bewijs dat Hij Gods vleesgeworden woord en Gods vleesgeworden Geest was. Het werk eist dat God vlees wordt, met andere woorden, dit stadium van werk moet in het vlees worden gedaan, in de normale menselijkheid. Het is een eerste vereiste voor ‘het Woord dat vlees wordt’, voor ‘Het woord dat in het vlees verschijnt’ en het is het ware verhaal achter de twee incarnaties van God. Mensen geloven misschien dat het hele leven van Jezus met wonderen gepaard ging, dat Hij tot aan het einde van Zijn werk op aarde geen normale menselijkheid liet zien, dat Hij geen normale menselijke behoeften of zwakheden of emoties had, de basisbehoefte van het leven niet voor Hem golden of dat Hij geen gewone menselijke gedachten had. Ze denken gewoon dat Hij een bovenmenselijk verstand had, een transcendente menselijkheid. Ze denken dat, omdat Hij God is Hij niet als gewone mensen zou moeten denken en leven, dat alleen een gewoon persoon, een authentiek mens, menselijke gedachten kan hebben en een gewoon menselijk leven kan leiden. Dit zijn allemaal ideeën van de mens, opvattingen van de mens die tegen de oorspronkelijke bedoeling van Gods werk ingaan. Normaal menselijk denken ondersteunt normaal menselijk verstand en normale menselijkheid; normale menselijkheid ondersteunt de normale functies van het vlees; en de normale functies van het vlees maken het normale vleselijke leven in zijn geheel mogelijk. Alleen door in dat vlees te werken kan God het doel van Zijn incarnatie bereiken. Als de vleesgeworden God alleen het omhulsel van het vlees had gehad, maar geen gewone menselijke gedachten, dan had Zijn vlees nooit het menselijk verstand gekend, laat staan de authentieke menselijkheid. Hoe zou zo’n vlees, zonder menselijkheid, de bediening die de vleesgeworden God zou moeten uitvoeren kunnen vervullen? Het normale verstand ondersteunt alle aspecten van het menselijk leven; zonder een normaal verstand kun je niet menselijk zijn. Met andere woorden, een mens zonder normale gedachten is geestesziek. En men kan niet zeggen dat een Christus zonder menselijkheid maar met alleen goddelijkheid Gods geïncarneerde vlees is. Hoe kan het geïncarneerde vlees van God dan geen normale menselijkheid hebben? Is het geen blasfemie te beweren dat Christus geen menselijkheid heeft? Alle activiteiten waar normale mensen zich mee bezig houden verlaten zich op het functioneren van een normaal menselijk verstand. Zonder dat zou de mens afwijkend gedrag vertonen; hij zou het verschil tussen zwart en wit nog niet kunnen aangeven, of tussen goed en kwaad en hij zou geen menselijke ethiek of morele principes kennen. Evenzo zou de vleesgeworden God, als Hij niet als een gewoon mens zou denken, geen authentiek vlees, geen normaal vlees kunnen zijn. Dergelijk niet-denkend vlees zou het goddelijke werk niet op zich kunnen nemen. Hij zou zich niet met gewone activiteiten van het vlees bezig kunnen houden, laat staan dat Hij met mensen samen zou kunnen leven op aarde. En zo zou het belang van Gods incarnatie, de ware essentie van Gods vleeswording verloren zijn. De menselijkheid van de vleesgeworden God bestaat om het gewone goddelijke werk in het vlees te behouden; Zijn gewone menselijke denken ondersteunt Zijn normale menselijkheid en al Zijn gewone lichamelijke activiteiten. Je zou kunnen zeggen dat Zijn gewone menselijke denken bestaat om al het werk van God in het vlees te steunen. Als dit vlees geen gewoon menselijk verstand had, zou God niet in het vlees kunnen werken en zou wat Hij in het vlees moet doen nooit tot stand komen. Hoewel de vleesgeworden God een gewoon menselijk verstand heeft is Zijn werk niet aangetast door menselijke gedachten. Hij onderneemt het werk in de menselijkheid met gewoon verstand waarvoor de eerste vereiste is dat Hij menselijkheid met verstand bezit, niet door gewone menselijke gedachten toe te passen. Hoe verheven de gedachten van Zijn vlees ook zijn, Zijn werk kan toch niet als logisch of als denkwerk bestempeld worden. Met andere woorden, Zijn werk is niet door het verstand van Zijn vlees bedacht, maar is een directe uitdrukking van het goddelijke werk in Zijn menselijkheid. Al Zijn werk is de bediening die Hij moet uitvoeren, en Hij heeft niets daarvan met Zijn eigen brein bedacht. Bijvoorbeeld, zieken genezen, duivels verdrijven en de kruisiging waren niet het product van Zijn menselijk verstand, een mens met een menselijk verstand zou daar niet in kunnen slagen. Het huidige overwinningswerk is evenzeer een bediening die uitgevoerd moet worden door de vleesgeworden God, maar het is niet het werk van de menselijke wil, het is het werk dat Zijn goddelijkheid moet uitvoeren, werk waar geen lichamelijk mens toe in staat is. De vleesgeworden God moet dus een gewoon menselijk verstand hebben, normale menselijkheid bezitten, omdat Hij Zijn werk in de menselijkheid met een gewoon verstand moet uitvoeren. Dat is de essentie van het werk van de vleesgeworden God, dat is de ware essentie van de vleesgeworden God.

Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De essentie van het door God bewoonde vlees

Meer bekijken

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Delen

Annuleren