30. Mijn status opgeven viel niet mee

Door Li Zheng, China

Ik ben geboren in een boerenfamilie. Toen ik klein was, verloor ik mijn ouders zodat mijn oudere broer en ik op elkaar aangewezen waren. We waren erg arm en de mensen keken op ons neer. Ik dacht altijd: ik zal naar school gaan en op een dag zal ik met kop en schouders uitsteken boven de rest. Helaas moest ik in mijn tweede jaar stoppen met de middelbare school, omdat we geen geld hadden. Mijn droom om met kop en schouders boven iedereen uit te steken viel in duigen en ik was diep teleurgesteld.

In 1990 vond ik mijn geloof in de Heer Jezus. De predikant zei dat we als we in de Heer geloven niet alleen rust vinden in dit leven, maar ook hierna het eeuwige leven zullen hebben. Hij zei ook dat hoe meer mensen we bekeerden door het evangelie te verspreiden, hoe meer gezegend we zouden zijn, en dat we onze beloning en kroon zouden ontvangen en als koningen naast God zouden heersen. Rond die tijd las ik dit in de Bijbel: “Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid” (2 Timoteüs 4:7-8). En dus besloot ik mijn familie op te geven en het evangelie te verspreiden voor God. Ik was toen vol energie en in minder dan een jaar had ik vele honderden mensen bekeerd. Het aantal bekeerlingen groeide en in 1997 hadden we honderden kerken gesticht met meer dan 30.000 leden. Ik had het laatste woord bij alles wat met de kerken te maken had, en in welke kerk ik ook ging werken, de broeders en zusters daar begroetten me altijd met respect en brachten me overal waar ik heen wilde. Ze zorgden voor heerlijk eten en een goede plek om te logeren en betaalden ook nog mijn reiskosten. Ik begon te genieten van die dingen.

Op een dag liet een hoge leidster ons een bijeenkomst bijwonen en zei dat er nu een denominatie was die Bliksem uit het oosten werd genoemd, en die predikte dat de Heer Jezus was teruggekeerd als Almachtige God, en ze vertelde ons dat hun preken heel verheven waren. Ze zei dat veel goede leden van kerkgemeenten door ze waren gestolen, en dat zelfs twee medewerkers van onze kerk, broeder Wang en broeder Wu, Bliksem uit het oosten hadden aanvaard. De leidster vroeg ons om deze twee broeders helemaal af te wijzen, en zei dat als we ontdekten dat anderen naar Bliksem uit het oosten luisterden we ze onmiddellijk moesten verstoten. Ik was verbaasd door dit alles. Ik kende die twee broeders vrij goed. Ze waren goed onderlegd in de Bijbel en geloofden oprecht in de Heer. Ik begreep niet hoe ze Bliksem uit het oosten konden hebben aanvaard. Tegen het eind van het jaar kwamen die twee broeders onverwacht bij me langs. Ik aarzelde lang voor ik besloot de deur open te doen uit angst dat ze waren gekomen om me te misleiden. Maar toen dacht ik: ik geloof hoe dan ook in de Heer en ik kan deze twee broeders niet wegsturen. Dus ik vroeg ze om binnen te komen. Om de Heer te verwelkomen, zeiden ze, moest ik me concentreren op het horen van Gods stem en moest ik niet weigeren om de ware weg te zoeken of te onderzoeken uit angst om misleid te worden. Toen communiceerden ze gedetailleerd over hoe je een wijze maagd kan worden die Gods stem hoort en hoe je het verschil ziet tussen de ware weg en verkeerde wegen. Ik vond wat ze zeiden zowel verfrissend als verlichtend. Ik was volkomen overtuigd. Toen ze weggingen, gaven ze me een boek en zeiden dat het uitspraken van Almachtige God bevatte en spoorden me aan om het te lezen, en mijn kans om de Heer te verwelkomen niet te laten lopen. Toen ze weg waren, begon ik te vrezen dat ik op een dwaalspoor werd gebracht, en dat ik als de hoge leidster ontdekte dat ik deze broeders thuis had ontvangen, uit de kerk zou worden verstoten. Maar toen dacht ik: als Almachtige God echt de teruggekeerde Heer Jezus is en ik het niet onderzoek uit angst dat ik word verstoten, zou ik dan niet God verwerpen en weerstaan? Bij deze gedachte besloot ik meteen het werk van de laatste dagen van Almachtige God te bestuderen.

Daarna las ik elke dag de woorden van Almachtige God. Ondertussen communiceerde de twee broeders met me over de drie fasen van Gods werk om de mensheid te redden, het mysterie van Gods incarnatie, hoe God Zijn werk van het oordeel in de laatste dagen om de mens te reinigen en te redden doet, hoe God tijdperken beëindigt, hoe het koninkrijk van Christus wordt verwezenlijkt op aarde en meer. Ik had nog nooit zoiets gehoord in al die jaren dat ik in de Heer geloofde, en hoe meer ik hoorde, hoe meer gezaghebbend en krachtig de woorden van Almachtige God me voorkwamen. Ik kreeg steeds meer het gevoel dat Almachtige God inderdaad de teruggekeerde Heer Jezus kon zijn en dat ik het moest onderzoeken. Maar innerlijk stond ik altijd in tweestrijd. Dominees en ouderlingen hadden Bliksem uit het oosten jarenlang veroordeeld, en ik had met ze meegedaan om de kerk zo goed mogelijk af te grendelen en niemand toe te staan om contact te hebben met Bliksem uit het oosten en iedereen die hun weg aanvaardde te verstoten. Als ik Bliksem uit het oosten aanvaardde, wat zouden die meer dan 30.000 gelovigen onder mij in de kerk dan denken? Als ze me allemaal volgden en Bliksem uit het oosten ook aanvaardden, zou dat geweldig zijn, maar als ze dat niet deden, zouden ze me zeker afwijzen. Ik bedacht hoe ik er, weer of geen weer, op uit was gegaan om dag en nacht te prediken en te werken met het risico om door de CCP opgejaagd te worden, en hoe ik met bloed, zweet en tranen al die kerken had gesticht. Het had veel gevergd om te komen waar ik was en zoveel aanzien te hebben bij zoveel mensen. Hoe kon ik dat allemaal zo makkelijk opgeven? En zou ik, zelfs als iedereen onder mij in de kerk Almachtige God aanvaardde, nog steeds hun leider kunnen zijn? Maar toen dacht ik: als Almachtige God de teruggekeerde Heer Jezus is en ik aanvaard Hem niet, loop ik dan niet mijn kans mis om de Heer te verwelkomen? Ik piekerde en piekerde erover en kon niet besluiten wat ik zou doen. Toen verraste mijn vrouw me toen ze opgewonden naar me toe kwam nadat ze de woorden van Almachtige God had gehoord en zei: “Ik heb naar de woorden van Almachtige God geluisterd en geloof dat ze de stem van God zijn. Als Almachtige God echt de teruggekeerde Heer Jezus is, moeten we het zo snel mogelijk onderzoeken en aanvaarden,” Ik antwoordde geërgerd: “Dat weet ik, maar zo eenvoudig is het niet. De leiders en medewerkers in onze kerk hebben de kerk afgegrendeld zodat niemand Bliksem uit het oosten mag onderzoeken. Als ik hun weg aanvaard, zullen ze me zeker verstoten.” Maar mijn vrouw raakte alleen maar nog meer opgewonden en zei: “Waarom hebben we al die jaren in de Heer geloofd? Hebben we ons niet verheugd op de komst van de Heer, zodat we kunnen worden opgenomen in het hemelse koninkrijk? Nu de Heer is teruggekeerd, moet je Gods werk aanvaarden en de Heer verwelkomen, zelfs als je geen leider bent.” Ik zei dat ik het met haar eens was, maar heimelijk dacht ik: jij hebt maar de eenvoudige geest van een vrouw. Er zijn meer dan 30.000 mensen aan wie ik moet denken. Ik moet op mijn tellen passen. Ik moet er nog wat meer over nadenken. Er gingen vele maanden voorbij zonder dat ik Bliksem uit het oosten aanvaardde. In die tijd kwamen broeders en zusters van De Kerk van Almachtige God me vaak bezoeken. Ze communiceerden geduldig met me, en in feite begon ik in mijn hart duidelijk te voelen dat dit inderdaad Gods werk was, maar omdat ik mijn positie niet kon opgeven, stelde ik het nog uit om het te aanvaarden. Na een tijdje beseften de broeders en zusters de gesteldheid waarin ik verkeerde. Toen ik op een keer bijeenkwam met broeder Bai en broeder Song communiceerde broeder Song zijn ervaringen met me. Hij zei dat hij voorheen ook kerkleider was geweest en de leiding had over enkele tientallen kerken. Nadat iemand het evangelie tegen hem had gepredikt door de woorden van Almachtige God voor te lezen, wist hij zeker dat Almachtige God de teruggekeerde Heer Jezus was. Maar toen het tijd werd om het echt te aanvaarden, kreeg hij bedenkingen en dacht: als ik Almachtige God aanvaard, kan k dan nog wel een leider zijn? Kan ik dan nog zoveel mensen leiden? Toen herinnerde hij zich de gelijkenis van de Heer Jezus over de slechte wijnbouwers in Matteüs 21:33-41: “Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis. Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde. Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde. Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: ‘Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken,’ en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen? Ze antwoordden: ‘De onmensen! Laat hij ze op een mensonwaardige manier ombrengen en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’” Broeder Song zei dat hij een hevig gevoel zelfverwijt voelde. De Heer had hem Zijn kudde toevertrouwd en nu de Heer was teruggekeerd, leidde hij de broeders en zusters niet om de Heer te verwelkomen maar probeerde hij zich de kudde van de Heer toe te eigenen en de Heer af te wijzen. Hij zei dat hij zich precies zo gedroeg als die slechte wijnbouwers, en dat hij een slechte dienaar was die zich tegen de Heer verzette. Hij vroeg zich af: geloof ik in God om een leider te kunnen worden? Doe ik het voor status en mijn bron van inkomsten? Ben ik echt een gelovige in God? Hij voelde zo’n berouw toen hij die dingen dacht, dat hij het beleed en berouw toonde aan God en toen Almachtige God aanvaardde. Toen verspreidde hij het evangelie naar alle broeders en zusters onder hem. Toen ik deze communicatie hoorde, voelde ik me zo beschaamd en van streek. Om mijn eigen status te beschermen treuzelde ik om het werk van Almachtige God te aanvaarden, hoewel ik wist dat het echt Gods werk was. Ik stond broeders en zusters niet toe om het te onderzoeken en weigerde om God Zijn schapen te geven. Ik was een slechte dienaar en ik verdiende het om te worden vervloekt en gestraft. Maar toen ik bedacht hoe goed ik de kerk had afgegrendeld, en dat niemand in mijn kerk het werk van de laatste dagen van Almachtige God had aanvaard, dacht ik: “als ik het accepteer, schiet ik mezelf dan niet in de voet? Waar zal ik mijn gezicht nog kunnen laten zien? Als de mensen in mijn kerk ontdekken dat ik het werk van de laatste dagen van Almachtige God heb aanvaard, zullen ze me zeker haten en afwijzen, en dan sta ik met lege handen.” Dus besloot ik dat het beter was om het niet te aanvaarden.

Enkele dagen later, tijdens een andere bijeenkomst met de twee broeders, vertelde ik ze over mijn zorgen. Ik was oneerlijk in die tijd en ik draaide eromheen en vroeg ze: “Als de mensen die ik leid in Almachtige God gaan geloven, wie zal ze dan leiden? Zullen het dezelfde leiders en medewerkers zijn als nu?” Maar eigenlijk bedoelde ik: “Ik moet ze blijven leiden en aansturen.” Maar tot mijn verbazing zei broeder Bai: “Als we het werk van de laatste dagen van Almachtige God aanvaarden, zal God ons zelf leiden, begieten en hoeden. In onze kerk zwaaien Christus en de waarheid de scepter. Kerkleiders worden gekozen, dus wie die de waarheid begrijpt en de werkelijkheid bezit en wie broeders en zusters kan begieten en hun praktische problemen kan oplossen wordt gekozen.” Hij vervolgde: “Als je naar de waarheid streeft, kun jij ook als leider worden gekozen. Er zijn veel verschillende plichten in de kerk. Leiders, evangeliepredikers – iedereen heeft een functie. Er zijn geen onderscheidingen als ‘belangrijk’ of ‘niet belangrijk’, of ‘hoge’ of ‘lage’ status als het aankomt op plichten. Want iedereen is gelijk voor God, wat heel anders is dan zoals het toegaat in religieuze denominaties.” Hoe meer ik naar broeder Bai luisterde, hoe meer ontmoedigd ik raakte, tot ik een beteuterd gezicht had. Ik dacht: ik denk dat ik hierna geen leider meer kan zijn voor zoveel mensen.

Broeder Song merkte hoe ik me voelde, en communiceerde met me over de ervaring van de koning van Nineve. Hij zei: “De koning van Nineve heerste over een natie. Toen hij Jona Gods woorden hoorde prediken en hoorde zeggen dat Nineve zou worden verwoest, stapte hij van de troon en ging hij de hele stad voor om zich te kleden in jute en op hun knieën te vallen om te belijden en tot inkeer te komen voor God. God kreeg medelijden met ze en de stad werd gespaard.” Hij ging verder: “Moet je als kerkleider nu je voor zo’n grote gebeurtenis als de komst van de Heer staat niet proberen de koning van Nineve te evenaren en broeders en zusters leiden om te belijden en berouw te tonen voor God?” Wat hij zei, raakte me diep. Hij had gelijk, de koning van Nineve was de leider van een natie. Als zo’n hooggeplaatst iemand zo deemoedig kon zijn en kon belijden en tot inkeer komen voor God, waarom kon ik dan niet mijn status opgeven en Gods werk van de laatste dagen aanvaarden? Broeder Song ging verder en zei: “Toen de Heer Jezus Zijn werk verrichtte, wilden de farizeeën hun positie en bron van inkomsten beschermen en deden ze wat ze konden om de Heer Jezus te weerstaan en te veroordelen en de gelovigen onder controle te houden. De Heer Jezus berispte ze en zei: ‘Wee jullie, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, jullie versperren de mensen de toegang tot het koninkrijk van de hemel. Jullie gaan er zelf niet binnen, maar laten ook degenen die er willen binnengaan niet toe(Matteüs 23:13).” Toen zei hij tegen me: “Dat God de waarheid uitdrukt en het werk van het oordeel in de laatste dagen verricht, is het evangelie van de komst van het hemelse koninkrijk. Eerst geloofde je de leugens die je werden verteld en volgde je de religieuze leiders door de kerk af te grendelen en belette je broeders en zusters om Gods werk van de laatste dagen te aanvaarden. Hiermee heb je God getart. Nu heb je de woorden van Almachtige God gelezen en heb je geconcludeerd dat Hij de teruggekeerde Heer Jezus is. Als je koppig blijft weigeren Gods werk te aanvaarden of de broeders en zusters het nieuws van de terugkeer van de Heer te vertellen, en ze voorgoed buiten het hemelse koninkrijk houdt, zul je bewust iets verkeerds doen en nog een fout maken.” Hij zei: “Dat zou een zeer slechte daad zijn tegenover God. Als broeders en zusters hun kans op redding mislopen omdat wij ze tegenhouden, dan zou dat een bloedschuld zijn. We zouden die schuld niet kunnen vergoeden al zouden we steeds opnieuw sterven. Maar als je de broeders en zusters voor God leidt, dan zullen ze je niet haten, maar je bedanken, omdat je het evangelie van het hemelse koninkrijk en de weg van het eeuwige leven met ze hebt gedeeld.”

Toen las broeder Bai enkele passages uit de woorden van Almachtige God voor. “Wanneer God vlees wordt en onder de mensen gaat werken, zien allen Hem en horen Zijn woorden, en zien allen de daden die God vanuit Zijn vleselijk lichaam verricht. Op dat moment gaan alle opvattingen van de mens op in schuim. Wat betreft degenen die God in het vlees hebben zien verschijnen, geldt dat zij niet zullen worden veroordeeld als ze Hem gewillig geloven, terwijl degenen die zich doelbewust tegen Hem verzetten zullen worden beschouwd als tegenstanders van God. Zulke mensen zijn antichristen en vijanden die zich moedwillig tegen God verzetten.” “Er zijn mensen die de Bijbel lezen in majestueuze kerken en deze de hele dag lang reciteren, maar toch begrijpt niet één van hen het doel van Gods werk. Niemand van hen is in staat God te kennen en nog minder kan iemand van hen in overeenstemming zijn met Gods bedoelingen. Ze zijn allemaal waardeloze, minne mensen, die allen vanuit de hoogte ‘God’ de les lezen. Het zijn mensen die Gods banier dragen, maar zich toch moedwillig tegen God verzetten, die het etiket van geloof in God dragen terwijl ze het vlees van de mens eten en het bloed van de mens drinken. Zulke mensen zijn allemaal kwaadaardige duivels die de ziel van de mens verslinden, hoofddemonen die opzettelijk verstoren dat mensen het juiste pad inslaan, en struikelblokken die belemmeren dat mensen God zoeken. Ze lijken misschien een ‘gezond gestel’ te hebben, maar hoe kunnen hun volgelingen weten dat ze niets anders dan antichristen zijn die mensen ertoe aanzetten zich tegen God te verzetten? Hoe kunnen hun volgelingen weten dat ze levende duivels zijn, gericht op het verslinden van mensenzielen?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alle mensen die God niet kennen zijn mensen die God weerstaan). Toen hij deze passages had gelezen, was ik erg van streek. Het was alsof ik een klap in mijn gezicht had gekregen en mijn gezicht werd vuurrood. Ik had wel door de grond willen zakken. Ik wist heel goed dat de Heer Jezus was teruggekeerd en dat Hij vele waarheden uitdrukte en het werk van het oordelen en reinigen van de mens verrichtte. Maar om mijn positie en bron van inkomsten te beschermen had ik geweigerd Gods werk van de laatste dagen te aanvaarden, en had ik de kerk afgegrendeld zodat Gods schapen niet Zijn stem konden horen en zich naar Hem keren. Was ik anders dan de farizeeën die zich al die jaren geleden tegen de Heer Jezus verzetten? De Heer is onze Herder en nu was Hij teruggekeerd om Zijn schapen naar zich terug te roepen. Ik moest God Zijn schapen teruggeven. Hoe kon ik nu nog proberen mijn positie te beschermen? Moest ik wachten tot Gods straf over me kwam? Ik besloot dat ik God niet langer kon tarten. Zelfs als ik niet langer leider was en iedereen me afwees, moest ik toch Gods werk van de laatste dagen aanvaarden, de broeders en zusters voor God leiden en God Zijn kudde teruggeven. Bij deze gedachte besloot ik om het werk van de laatste dagen van Almachtige God te aanvaarden en te beginnen het evangelie te prediken voor hen die ik leidde.

Enige tijd later aanvaardden met de leiding van de Heilige Geest, meer dan 10.000 mensen in mijn kerk Gods werk van de laatste dagen. Dankzij God had ik Gods kudde eindelijk voor hem geleid en ik voelde me zo rustig en op mijn gemak.

Zes maanden later hadden steeds meer mensen in een groot gebied zich bij de kerk aangesloten, zodat de kerken per regio moesten worden opgesplitst en leiders en medewerkers moesten worden gekozen. Maar ik was zo arrogant dat ik dacht: “Hoe je de kerken ook opsplitst, ik zal toch een leider zijn vanwege mijn capaciteiten en ervaring. Ik kan zonder probleem meerdere kerken besturen.” Maar enkele dagen later, had ik een bijeenkomst met twee broeders toen een kerkleider langskwam en zei: “Nu is het tijd om het koninkrijkevangelie te verspreiden. We hebben wat broeders en zusters nodig met goed kaliber die de Bijbel goed kennen om het evangelie te verspreiden in andere gebieden. Dit is een erg belangrijke taak. Zijn jullie drieën bereid om te gaan?” De twee broeders zeiden verheugd dat ze dat graag wilden, maar ik was er niet erg blij mee en dacht bij mezelf: ik heb jarenlang kerken bestuurd in mijn oude denominatie en leiding gegeven aan duizenden mensen. Nu moet ik weer het evangelie prediken terwijl sommige medewerkers onder mij leiders zijn geworden. Hoe kan ik ooit nog mijn gezicht laten zien? Het is vernederend. Ik dacht aan al die jaren dat ik als leider had gediend en overal in hoog aanzien stond en werd vereerd en alles kreeg wat ik maar kon wensen. Nu had ik niets en moest ik weer lijden om het evangelie te gaan prediken. Ik kon het niet verdragen. Maar het was te gênant geweest om te weigeren in bijzijn van de anderen, dus ik ging met tegenzin akkoord. Ik dacht bij mezelf: ik moet het evangelie goed prediken. Als ik veel mensen kan bekeren, zullen broeders en zusters toch nog tegen me opkijken En toen ik aan de slag ging, lukte het me om met succes het evangelie te prediken. Al gauw hadden meer dan 400 mensen Gods nieuwe werk aanvaard. Ik voelde toen dat waar ik ook ging, broeders en zusters me enthousiast begroetten en tegen me opkeken. Ik genoot weer van het plezier dat mijn positie me gaf en mijn animo om het evangelie te verspreiden nam alleen maar toe.

In augustus 2000, ging ik met broeder Liu de stad uit om het evangelie te verspreiden. Broeder Liu geloofde al langer in Almachtige God dan ik en communiceerde duidelijk over de waarheid. Ik was ook blij en vond het geweldig dat ik gebruik kon maken van zijn sterke punten om mijn tekortkomingen te compenseren. Op een keer gingen we het evangelie prediken aan een groep mensen die tot een religieuze denominatie behoorden. Ze verkondigden bepaalde religieuze noties en ik wilde met ze communiceren. Maar omdat mijn begrip van de waarheid zo tekortschoot, kon ik niet helpen hoewel ik het graag wilde. Uiteindelijk communiceerde broeder Liu kalm met ze om hun noties te weerleggen en hij sprak nuchter en redelijk. Die mensen met wie we communiceerden aanvaardden het eerst niet, maar toen ze luisterden, raakten ze ervan overtuigd dat wat broeder Liu zei waar was, tot ze ten slotte instemmend knikten. Toen ik dat zag gebeuren, voelde ik jaloezie en bewondering voor broeder Liu. Ik dacht: broeder Liu communiceert zo duidelijk. Als dit zo doorgaat, kan ik alleen zorgen dat hij goed voor de dag komt en zullen de anderen zeggen dat hij beter is dan ik. Dat kan echt niet. Ik moet mezelf voorzien van de waarheid en broeder Liu overtreffen. Toen ik thuiskwam begon ik van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat Gods woorden te lezen en wapende ik me met de waarheden van het verspreiden van het evangelie. Zelfs tijdens het eten dacht ik aan hoe broeder Liu communiceerde zodat ik wist hoe ik de volgende keren moest communiceren met de evangeliedoelen en zeker net zo goed voor de dag zou komen als broeder Liu.

Maar tot mijn verbazing, kwamen die mensen toen we weer het evangelie gingen prediken met een aantal nieuwe vragen en opnieuw kon ik niet duidelijk communiceren. Toen ik zag dat ze niet echt begrepen wat ik zei, schaamde ik me zo. Op dat moment nam broeder Liu het vlug over. Ze luisterden aandachtig naar hem en knikten zo nu en dan en uiteindelijk begrepen ze alles heel goed. Maar ik had mezelf alleen maar voor schut gezet en ik wilde dat de aarde zich zou openen en me zou verzwelgen. Ik dacht: ik ben hier gekomen met broeder Liu maar ik kon niet duidelijk communiceren en hij had helemaal niets aan me. Het was nodig dat hij ingreep en ze hielp met hun vragen. Wat vernederend. Om wat van mijn waardigheid te herwinnen, maakte ik gebruik van een pauze in broeder Liu’s communicatie om een paar woorden te zeggen. Een dag later aanvaardden ze allemaal het evangelie. Dat maakte me erg blij, maar heimelijk was ik een beetje teleurgesteld. Het voelde alsof het niet door mij kwam dat ze het evangelie aanvaardden en ik geen goede indruk had gemaakt. Toe we samen hadden gegeten vroegen de nieuwkomers ons om over onze ervaringen te vertellen. Ik dacht: meestal is broeder Liu degene die zich onderscheidt, maar nu moet ik de gelegenheid aangrijpen om over mijn eigen ervaringen te vertellen, zodat ze niet denken dat ik een onbelangrijk iemand ben. Dus ik begon aan een stuk door te praten over het werk dat ik had gedaan, hoeveel ik had geleden en hoe ik meer dan 10.000 mensen terug naar God had geleid. Ik legde het er echt dik bovenop. Sommige van die broeders en zusters waren verbaasd, sommige keken me vol bewondering aan en andere luisterden alleen aandachtig. Ik was opgetogen. Ik hield mijn hoofd omhoog en praatte vol zelfvertrouwen.

Toen ik die dag thuiskwam, dacht ik: ik kom veel waarheden tekort als ik het evangelie moet verspreiden. Zou ik hierover bij broeder Liu te rade moeten gaan? Maar toen dacht ik: als ik broeder Liu hiernaar vraag, bewijst dat dan niet dat hij beter is dan ik? Laat maar. Ik blijf mezelf stiekem wapenen met de waarheden. Ik vraag het hem niet. Toen we later weer samen het evangelie gingen prediken begroetten de broeders en zusters broeder Liu zo hartelijk. Ze dromden om hem heen en vroegen hem over dit en over dat. Dat maakte me echt van streek. Ik liet het hoofd hangen en hield me afzijdig en dacht: wat heeft het voor zin dat ik hier ben als broeder Liu zo’n goede communicatie geeft? Ben ik niet het vijfde wiel in de ogen van anderen? Hij is degene die zich altijd onderscheidt en als dat zo doorgaat, zal helemaal niemand een hoge dunk van me hebben. Opeens kwam de opstandige gedachte bij me op dat ik eigenlijk niet meer mijn plicht wilde doen met broeder Liu. Na die gedachte begon ik als broeder Liu en ik het evangelie zouden prediken, uitvluchten te verzinnen en zei ik dat ik me niet goed voelde en thuis wilde blijven. Zelfs als ik met hem meeging, communiceerde ik soms niet, en alleen als iemand me iets vroeg communiceerde ik met tegenzin een paar woorden. In feite wilde ik niet meer met hem werken. Uiteindelijk werkten we ruim twee maanden samen, terwijl ik voortdurend streefde naar roem en me inspande voor mijn persoonlijke belangen. Mijn gesteldheid werd steeds somberder en slechter, maar het kwam nooit bij me op om berouw te tonen. In die tijd kastijdde en diciplineerde God me.

Op een dag kreeg ik opdracht om naar Noordoost-China te gaan om het evangelie te verspreiden. Toen ik dat hoorde, was ik dolblij en dacht: eindelijk hoef ik niet meer met broeder Liu te werken. Nu kan ik schitteren en als ik mensen bekeer door het evangelie te prediken, komt het allemaal door mij alleen. De broeders en zusters zullen zeker tegen me opkijken. Wat ik niet kon weten was dat op mijn reis daarheen, de politie zag dat ik geen identiteitskaart bij me had en me arresteerde omdat ze dachten dat ik een voortvluchtige moordenaar was. Ze luisterden niet, hoe ik het ook probeerde uit te leggen en ze martelden me drie dagen en nachten. Ik mocht niets eten, niet slapen en zelfs geen slok water drinken. Ze sloegen me tot mijn mond en neus bloedden en mijn ogen zo opgezwollen waren dat ik ze niet kon openen. Ik werd tot moes geslagen. Ik herinner me dat ik vaak buiten kennis raakte. De dood zou een gezegende verlichting zijn geweest. Ik voelde zo’n wanhoop in mijn hart en ik haatte die duivels omdat ze zo boosaardig waren. Ze onderzochten het niet grondig en hadden helemaal geen bewijs, maar toch werd ik op wrede wijze verhoord. Ik bleef tot God bidden en vroeg Hem om me te beschermen en de weg te wijzen. Ik besefte dat God toestond dat me dit alles overkwam, en dat ik de waarheid moest zoeken en moest leren van wat er gebeurde. Toen begon ik over mezelf na te denken: waarom overkwam mij dit? Toen schoot me een passage uit Gods woorden te binnen: “Hoe meer je op deze manier zoekt, des te minder je zult oogsten. Hoe groter iemands verlangen naar status, hoe strenger hij behandeld zal moeten worden en hoe meer hij grote loutering zal moeten ondergaan. Zulke mensen zijn waardeloos! Ze moeten in afdoende mate behandeld en geoordeeld worden, zodat ze deze dingen helemaal loslaten. Als jullie op deze manier streven tot het einde, zullen jullie niets oogsten(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Waarom ben je niet bereid een contrast te zijn?). Toen ik nadacht over Gods woorden, besefte ik hoezeer ik verlangde naar status. Ik dacht aan de tijd dat ik het evangelie predikte met broeder Liu. Toen ik zag dat hij goed communiceerde en iedereen bewonderend naar hem keek, werd ik jaloers en wilde ik met hem wedijveren om te zien wie beter was. Ik praatte tegenover nieuwkomers over mijn eigen ervaringen om mezelf te verheerlijken en te pochen, zodat ze tegen me zouden opkijken en me zouden vereren. Toen ik geen bewondering kreeg van broeders en zusters, werd ik negatief en tegendraads en wilde ik niet meer met broeder Liu werken en verrichtte ik mijn taken slechts plichtmatig. Ik zag in dat ik mijn plicht niet had gedaan om van God te getuigen maar dat ik hem had gebruikt om er roem en status voor terug te krijgen. Wat was ik verachtelijk. Ik had alleen maar roem en mijn persoonlijke belangen nagejaagd en ik dacht niet eens aan berouw tonen, hoewel ik zo diep in de duisternis was gevallen. Ik was zo opstandig. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik mezelf haatte, en dus bad ik tot God. Ik zei: “Lieve God, in mijn plicht streefde ik altijd naar status en ik wedijverde om roem en gewin. Dat moet u vreselijk hebben gevonden. Nu kastijdt en disciplineert u me en ik wil ernstig over mezelf nadenken en uw regelingen en orkestraties gehoorzamen. Als ik hier doorheen kom, wil ik mijn status opgeven en serieus naar de waarheid streven.” Toen ik me onderwierp en enkele lessen leerde, toonde God me tot mijn verbazing Zijn genade. De agenten vonden mijn identiteit in hun systeem, en toen ze beseften dat ik geen moordenaar was, lieten ze me gaan.

Toen ik thuiskwam, liet ik me onderzoeken in het ziekenhuis. Mijn rechterbeen was gebroken net als een van mijn ribben. De maanden daarop at en dronk ik Gods woorden en dacht ik na over mezelf terwijl ik thuis herstelde. Op een dag las ik twee passages in Gods woorden. Almachtige God zegt: “Bij het nastreven hebben jullie te veel individuele noties, hoop en vooruitzichten. Het werk wordt nu op deze manier gedaan om jullie begeerte naar status en jullie extravagante begeerten aan te pakken. Deze hoop, deze begeerte naar status en deze noties zijn allemaal het toonbeeld van satanische gezindheden. De hele reden dat deze dingen in de harten van mensen bestaan, is dat de vergiften van Satan altijd de gedachten van mensen aantasten, en mensen deze verzoekingen door Satan nooit kunnen afschudden. Ze leven te midden van zonde en geloven toch dat het geen zonde is. Sterker nog, ze denken: ‘Wij geloven in God, dus moet Hij ons zegeningen schenken en alles op een gepaste manier voor ons regelen. Wij geloven in God, dus moeten we wel superieur zijn aan anderen, en moeten we wel een hogere status en betere vooruitzichten hebben dan wie dan ook. Aangezien we in God geloven, moet Hij ons grenzeloze zegeningen schenken. Anders zou het geen geloof in God worden genoemd.’ De gedachten waar mensen op hebben vertrouwd om te overleven hebben jarenlang hun hart aangetast, zozeer dat mensen geslepen, laf en verachtelijk zijn geworden. Niet alleen hebben ze geen wilskracht of vastberadenheid, ze zijn ook hebzuchtig, arrogant en eigenzinnig geworden. Het ontbreekt hen volledig aan de vastberadenheid om hun eigen zelf te ontstijgen, om niet te spreken van de geringste moed om zich te onttrekken aan de beperkingen die deze duistere invloeden hen opleggen. De gedachten en levens van mensen zijn zo verrot, dat hun perspectieven op het geloof in God nog steeds ondraaglijk wanstaltig zijn, en zelfs wanneer mensen het hebben over hun perspectieven op het geloof in God is dat gewoon ondraaglijk om aan te horen. Mensen zijn allemaal laf, incompetent, verachtelijk en breekbaar. Ze voelen geen afkeer van de duistere machten en geen liefde voor het licht en de waarheid; in plaats daarvan doen ze wat ze maar kunnen om die uit te drijven. Zijn jullie gedachten en perspectieven van het moment niet precies zo? ‘Omdat ik in God geloof, moet ik simpelweg overladen worden met zegeningen, en moet het zeker zijn dat mijn status nooit zakt en dat die hoger blijft dan de status van ongelovigen.’ Dat soort perspectief hebben jullie niet gedurende maar één of twee jaar vanbinnen gekoesterd, maar gedurende vele jaren. Jullie transactionele denkwijze is overontwikkeld. Hoewel jullie tegenwoordig bij deze stap aangekomen zijn, hebben jullie de status nog altijd niet laten varen, maar spannen jullie je continu in om ernaar te informeren en er iedere dag zorgvuldig op te letten, en zijn jullie doodsbang dat op een dag jullie status verloren zal zijn en jullie naam verkwanseld. Mensen hebben hun verlangen naar gerief nooit afgelegd. […] Het valt jullie zwaar om je vooruitzichten en je lot opzij te zetten. Jullie zijn nu volgers, en jullie hebben enig begrip verkregen van deze fase van het werk. Maar jullie hebben je verlangen naar status nog altijd niet opzijgezet. Als jullie status hoog is, zoeken jullie goed, maar als jullie status laag is, zoeken jullie niet langer. Jullie denken aldoor aan de zegeningen van status. Hoe komt het dat de meeste mensen geen afstand kunnen nemen van negativiteit? Is het antwoord niet steevast dat het door sombere vooruitzichten komt?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Waarom ben je niet bereid een contrast te zijn?).

De mens leeft midden in het vlees, hetgeen betekent dat hij in een menselijke hel leeft en zonder Gods oordeel en tuchtiging is de mens zo smerig als Satan. Hoe kan de mens heilig zijn? Petrus geloofde dat tuchtiging en oordeel door God de beste bescherming en grootste genade van de mens waren. Alleen door tuchtiging en oordeel van God kan de mens ontwaken en het vlees haten, Satan haten. Gods strikte discipline bevrijdt de mens van de invloed van Satan, bevrijdt hem uit zijn eigen kleine wereld en stelt hem in staat te leven in het licht van Gods aanwezigheid. Er is geen betere redding dan tuchtiging en oordeel!(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). Ik huilde veel toen ik deze passages las. Ik besefte eindelijk dat God niet oordeelt en tuchtigt omdat Hij de mens haat, maar omdat hij de mens wil redden. Ik wilde mijn verkeerde standpunt van het streven naar roem en status corrigeren. Sinds ik klein was, had ik geleefd volgens satanische ideeën zoals “Onderscheid jezelf en breng eer aan je voorouders”, en “De mens worstelt zich omhoog, water stroomt omlaag”. Ik wilde me onderscheiden van de rest zodra ik de kans kreeg en droomde er zelfs van. Nadat ik in de Heer begon te geloven bracht ik offers en spande ik me in om een hoge status te verkrijgen, zodat broeders en zuster tegen me zouden opkijken en me zouden vereren. Ik wilde zelfs naast Christus heersen als een koning. Mijn ambities kenden geen grenzen. Toen ik het evangelie van Almachtige God hoorde, wist ik dat de Heer was gekomen, maar omdat ik mijn positie als leider niet kon opgeven, wilde ik het niet aanvaarden en werd ik bijna een slechte dienaar die de gelovigen belette om in Gods koninkrijk te komen. De afgelopen twee jaar sinds ik het werk van Almachtige God had aanvaard, leek het van buiten alsof ik mijn positie als leider had opgegeven, maar mijn hart werd nog steeds beheerst door roem en status. Als broeders en zusters me bewonderden en vereerden, was ik gelukkig en energiek in mijn plicht. Maar als ze onverschillig tegen me waren, werd ik terneergeslagen en verdrietig en wilde ik mijn plicht niet meer doen. Ik zag in dat ik mijn plicht niet deed om naar de waarheid te streven en mijn gezindheid te veranderen of om te worden geprezen door God, maar om me te onderscheiden van de rest, zodat anderen tegen me zouden opkijken, en om mijn eigen ambities en verlangens te vervullen. Gebruikte ik God niet schaamteloos en probeerde ik Hem niet te bedriegen? Ik tartte God. Ik leefde volgens die satanische ideeën, en werd steeds arroganter zonder een greintje menselijkheid of rede. Zonder het oordeel en de openbaringen van Gods woorden en Zijn kastijding en discipline had ik nooit beseft hoe grondig ik was verdorven door Satan of hoe groot mijn verlangen naar status was. Dan had ik de zegeningen van status steeds meer begeerd en was ik steeds meer verloederd tot ik ten slotte was vervloekt en gestraft door God. Ik leerde eindelijk begrijpen dat wat God ook doet, of het nu oordelen, tuchtigen, kastijden of disciplineren is, het allemaal redding en liefde voor de mensheid is.

Toen las ik dit in Gods woorden: “Het standpunt van God is dat de mens zijn oorspronkelijke plicht en status moet hervatten. De mens is een schepsel van God. Daarom moet hij zijn boekje niet te buiten gaan en eisen aan God voorleggen. Hij moet gewoon zijn plicht als schepsel van God uitvoeren.” “De mens dient, als schepsel van God, ook de plicht van de mens te vervullen. Ongeacht of hij al dan niet meester of zorgdrager van alle dingen is, hoe hoog de status van de mens ook is bij alle dingen, hij blijft toch slechts een klein mens onder de heerschappij van God en is niet meer dan een onbeduidend mens, een schepsel van God, en zal nooit boven God uitkomen. Als schepsel moet de mens ernaar streven de Schepper te kennen en de plicht van een schepsel te vervullen, en, het allerbelangrijkst, God lief te hebben zonder enige andere keuze te maken, want God is de liefde van de mens waard. Zij die liefde voor God nastreven moeten geen enkel persoonlijk voordeel of persoonlijke hoop nastreven; dit is de meest juiste manier van streven. Als dat waar je naar op zoek bent de waarheid is, dat wat je in praktijk brengt de waarheid is, en dat wat je bereikt een verandering in je gezindheid is, dan is het pad dat je bewandelt het juiste. Als dat wat je zoekt de zegeningen van het vlees zijn, en dat wat je in praktijk brengt de waarheid van je eigen opvattingen is, en als er geen verandering in je gezindheid optreedt, en je helemaal niet gehoorzaam bent aan God in het vlees, en je nog altijd in vaagheid leeft, dan zal datgene waar je naar op zoek bent je naar de hel voeren, want het pad dat je bewandelt is het pad van de mislukking. Of je vervolmaakt of verstoten wordt hangt af van je persoonlijke zoektocht, wat ook inhoudt dat succes of mislukking afhangen van het pad dat de mens bewandelt(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Succes of mislukking is afhankelijk van het pad dat men bewandelt). Toen ik Gods woorden had gelezen, besefte ik dat ik een geschapen wezen ben die de plek moet innemen die mij toekomt, moet streven om God lief te hebben en te gehoorzamen, mijn verdorven gezindheden moet afwerpen en mijn plicht als geschapen wezen goed moet doen. Dat is het enige juiste streven. Ik besefte ook dat of iemand redding kan ontvangen en vervolmaakt kan worden niets te maken heeft met of hij status heeft of niet. Welke plicht iemand ook verricht, God kijkt naar zijn oprechtheid en gehoorzaamheid om te zien of hij naar de waarheid streeft en of zijn levensgezindheid is veranderd. Toen ik dat besefte, bad ik tot God: “Wat ik ook doe in de toekomst en of ik enige status zal hebben of niet, ik wil serieus naar de waarheid streven en mijn plicht als geschapen wezen goed doen.” Het was ruim twee maanden later dat mijn verwondingen begonnen te helen en ik in staat was om weer het evangelie te gaan prediken. Wat was veranderd was dat ik niet meer vond dat ik geen status had, en dat ik niet langer probeerde de beste te zijn als ik met anderen werkte. Ik voelde dat ik door mijn plicht te doen liet zien dat God me had opgeheven.

Jaren verstreken en ik dacht dat ik verlost was van de boeien en ketenen van status. Maar toen God een nieuwe situatie voor me regelde, stak mijn verlangen naar status weer zijn akelige kop op. Het was de winter van 2012. De politie was verwoed christenen aan het arresteren en het was een heel nare tijd. Op een dag hielden de leiders en diakenen een bijeenkomst in ons dorp. Een van de leiders zag dat ik wat tijd vrij had en vroeg me om als uitkijk op de hoek van de straat te gaan staan. Ik was daar erg ongelukkig mee, maar met het oog op de veiligheid van de broeders en zusters stemde ik in. Toen de leider weg was, dacht ik bij mezelf: ik ben jarenlang leider geweest en was altijd op weg om het evangelie te prediken. Jullie hadden beter een paar gewone gelovigen kunnen zoeken om dit vernederende werk als uitkijk te doen. Waarom moet ik het doen? Jullie houden daarbinnen een bijeenkomst, terwijl ik buiten in de kou sta en gevaar loop. Komt dat niet doordat ik geen status heb? Als ik een leider was, zou ik niet zo op de uitkijk hoeven te staan. Opeens besefte ik dat mijn verlangen naar status de kop weer opstak. Ik bad vlug tot God en zei: “Lieve God, ik moet nu deze vernederende plicht doen en mijn verlangen naar status steekt weer de kop op. O, God. Ik wil niet weer de gevangene van status worden. Wijs me de weg zodat ik de ketenen van status kan afwerpen.” Toen las ik dit in Gods woorden: “Voor sommige mensen is met name Paulus een idool. Ze treden graag naar buiten om toespraken te houden en werk te doen, ze vinden het fijn om samenkomsten te houden en te preken, en ze houden ervan als mensen naar hen luisteren, hen verafgoden en om hen heen draaien. Ze hebben graag een plek in de harten van anderen en hebben graag dat anderen aandacht schenken aan het beeld dat zij van zichzelf geven. Laten we hun aard ontleden aan de hand van deze uitingen. Wat is hun aard? Als ze deze uitingen daadwerkelijk vertonen, is dat voldoende om aan te tonen dat ze arrogant en verwaand zijn, dat ze God helemaal niet vereren, en dat ze een hoge status nastreven en anderen willen beheersen, bezit van hen willen nemen en een positie in hun harten willen hebben. Dat is het klassieke beeld van Satan. De aspecten van hun aard die in het bijzonder opvallen, zijn dat ze arrogant en verwaand zijn, God niet aanbidden en anderen zover proberen te krijgen dat ze hen aanbidden. Zulke uitingen kunnen je een heel duidelijk beeld geven van hun aard(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Hoe de aard van de mens te leren kennen). Toen ik Gods woorden had gelezen besefte ik dat ik altijd naar een hoge positie streefde en altijd wilde dat anderen tegen me opkeken en me vereerden. Ik wilde een plek in het hart van anderen, en in wezen betekende dat dat ik het hart van andere mensen in bezit wilde nemen. Ik wedijverde met God om mensen. Wat was mijn natuur toch arrogant. Ik bedacht hoe Paulus altijd zichzelf verheerlijkte en van zichzelf getuigde zodat anderen hem bewonderden en vereerden. Daarom zei hij: “Want voor mij is leven Christus en sterven winst” (Filippenzen 1:21). Hierdoor bewonderden en vereerden de meeste mensen hem zo, dat zijn plek in het hart van mensen zelfs die van de Heer Jezus overtrof. Was ik door wat ik toen dacht en nastreefde niet net als Paulus? Ik bevond me inderdaad op de God weerstrevende weg van de antichristen. Ik had God en mensen echt doen walgen en verdiende het om gestraft te worden. In de laatste dagen drukt God de waarheid uit om mensen te reinigen en te redden, maar na al die jaren van geloof had ik geen moeite gedaan om naar de waarheid te streven, noch eraan gedacht om te proberen mezelf te veranderen in iemand die God gehoorzaamde en vereerde. In plaats daarvan gebruikte ik al mijn gedachten en energie om naar status te streven. Als ik zo doorging, zou ik worden vervloekt en getraft door God. Wat was ik dom geweest.

Toen las ik in Gods woorden: “Mensen zijn schepselen die niets hebben wat het waard is om over op te scheppen. Omdat jullie Gods schepselen zijn, moeten jullie je plicht als schepsel doen. Er worden geen andere eisen aan jullie gesteld. Dit is hoe jullie moeten bidden: ‘O, God! Of ik nou status heb of niet, nu begrijp ik mezelf. Als mijn status hoog is, komt dat door uw verheffing, en als deze laag is, komt dat door uw verordening. Alles ligt in uw handen. Ik heb geen keuzes en ook geen klachten. U hebt verordend dat ik geboren zou worden in dit land en onder dit volk, en het enige wat ik moet doen, is volledig gehoorzaam zijn onder uw heerschappij, omdat alles binnen uw verordening valt. Ik schenk geen aandacht aan status; ik ben immers maar een schepsel. Als u mij in de put van de afgrond plaatst, in de poel van vuur en zwavel, ben ik maar een schepsel. Als u mij gebruikt, ben ik een schepsel. Als u mij vervolmaakt, ben ik nog altijd een schepsel. Als u mij niet vervolmaakt, zal ik nog steeds van u houden, want ik ben niets meer dan een schepsel. Ik ben niets meer dan een minuscuul schepsel, geschapen door de Heer van de schepping, maar één iemand onder alle geschapen mensen. U was het die mij schiep, en nu hebt u mij opnieuw in uw handen geplaatst om met mij te doen wat u wilt. Ik ben bereid uw gereedschap en uw contrast te zijn, omdat alles is naar uw verordening. Niemand kan het veranderen. Alle dingen en alle gebeurtenissen liggen in uw handen.’ Wanneer de tijd komt waarop je niet langer over status zult denken, zul je die afschudden. Pas dan kun je vol vertrouwen en moedig zoeken, en pas dan kan je hart zich bevrijden van enige beperkingen(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Waarom ben je niet bereid een contrast te zijn?). Toen ik Gods woorden had gelezen, begreep ik dat als iemand een hoge status heeft, God hem heeft verheven, en als iemand een lage status heeft, God dat zo heeft voorbestemd. Hoe Hij mensen ook behandelt en waar Hij ons ook neerzet, we moeten ons altijd onderwerpen, onze eigen plicht goed doen en niet klagen. Dat is redelijk om te doen en het is wat een oprecht geschapen wezen doet. Toen ik dat besefte, was ik bereid om me te onderwerpen en de waarheid te praktiseren en voortaan deed ik mijn best als uitkijk. Ik zorgde dat ik op wacht stond, zodat de leiders en diakenen ongestoord hun bijeenkomst konden houden. De leider vroeg me daarna nog een paar keer om de wacht te houden bij bijeenkomsten, maar ik dacht er niet meer over na of het een hoge of lage status was en voelde me heel bevrijd en vredig.

In de loop der jaren, regelde God steeds weer situaties om me te ontmaskeren en Hij gebruikte Zijn woorden om me te oordelen en te tuchtigen, zodat ik echt ging inzien hoezeer ik was verdorven door Satan en hoe groot mijn verlangen naar status was. Ik zag ook duidelijk in dat status iets is wat Satan gebruikt om mensen in ketenen te houden: hoe meer je streeft naar status, hoe meer Satan je kwaad berokkent en met je speelt, en hoe meer je God ongehoorzaam bent en weerstaat. Ik leerde ook begrijpen waar mensen naar moeten streven in hun geloof in God om gered te worden. Dat ik nadat ik zo’n sterk verlangen naar status en zulke grote ambities had, kon veranderen zoals ik heb gedaan, om Gods orkestraties en regelingen te gehoorzamen en gehoorzaam mijn plicht te doen, komt allemaal door Gods oordeel en tuchtiging. God heeft zoveel moeite gedaan voor mij en ik dank Almachtige God vanuit de grond van mijn hart dat Hij me heeft gered.

Vorige: 29. Het berouw van een officier

Volgende: 31. Ik hou me aan mijn plicht

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

85. Een tijd van brute marteling

Door Chen Hui, ChinaIk ben opgegroeid in een gewoon gezin in China. Mijn vader zat in het leger, en omdat ik van kindsbeen af door hem was...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek