71. De schade die wordt berokkend door pochen
Een paar jaar geleden… was ik op begietingsplicht met enkele broeders en zusters van ongeveer mijn leeftijd. Ze waren zo enthousiast en verantwoordelijk. Ze werden vaak geprezen door anderen en daarom bewonderde ik ze erg. Ik hoopte dat ik op een dag ook zo zou zijn en dat anderen tegen me zouden opkijken. Later werd ik overgeplaatst naar een andere kerk. Het duurde niet lang of een leider daar werd aangemerkt als valse leider en vervangen… omdat hij geen praktisch werk deed… en ik werd gekozen als kerkleidster om zijn plaats in te nemen. De broeders en zusters die me kenden, moedigden me aan en zeiden: “God verheft je. Dat kun je maar beter koesteren.” Ik wist dat deze plicht een grote verantwoordelijkheid zou zijn… en ik voelde dat dit een geweldige kans zou zijn om me te bewijzen. Als ik het goed deed, zouden de broeders en zusters tegen me opkijken. In stilte nam ik me voor… om mijn uiterste best te doen om deze plicht goed te vervullen.
Bij elke groepsbijeenkomst daarna… analyseerde ik hoe de vorige leider geen praktisch werk had gedaan en vaak negatief had gesproken… en iedereen erg kwaad op hem was. Toen ik dat zag, moest ik mezelf er vaak aan herinneren… dat broeders en zusters nu valse leiders konden onderscheiden… en van me verwachtten dat ik praktisch werk zou doen. Ik moest hard werken en streven naar hun goedkeuring. Als kerkleidster… moest ik het meest proactief zijn in de kerk en bereid zijn om meer te lijden dan alle anderen… en ook in staat zijn om meer offers te brengen dan wie dan ook. Bij beproevingen moest ik sterker van geloof zijn dan de anderen… en niet negatief worden als zij dat werden. Ik moest in elk opzicht beter zijn in de kerk dan de anderen… zodat iedereen me voortdurend mijn lof zou zingen. Beheerst door zulke gedachten… was ik druk bezig met alle groepsbijeenkomsten en ging ik elke avond laat naar bed. Soms, als ik met de anderen praatte… zei ik met opzet terloops hoe druk ik het had met het werk van de kerk… en hoe laat ik naar bed ging. Als ze dat hoorden… vonden ze me zo verantwoordelijk en bereid om te lijden… en zeiden ze altijd dat ik goed voor mezelf moest zorgen. Ook namen ze lekkers en drankjes voor me mee van huis. Als een van hen in een slechte gesteldheid was… ging ik er haastig naartoe om ze te steunen, wat voor weer het ook was. Op bijeenkomsten vertelde ik de broeders en zusters… over de een of ander die heel lang negatief was geweest, maar die weer positief was geworden toen ik met hem communiceerde. Iedereen vond me toen… zo liefdevol en geduldig, ondanks mijn jonge leeftijd. Om vat te krijgen op het werk van de kerk… haastte ik me zodra er mogelijke bekeerlingen verschenen… om de evangeliediaken te vragen om met hen te communiceren… en soms ging ik er zelfs zelf heen om tot hen te getuigen. Het evangeliewerk begon vooruitgang te boeken… en op bijeenkomsten zei ik tegen de anderen: “Zien jullie nou? Ons evangeliewerk was voorheen niet geweldig… maar nu hebben we elke maand mensen die Gods werk aanvaarden. We moeten nog meer ons best doen.” Toen vonden de broeders en zusters… dat we meer vat op het evangeliewerk hadden gekregen sinds mijn komst… en ze keken nog meer tegen me op en verafgoodden me nog meer. Als ik op bijeenkomsten mijn ervaringen communiceerde… legde ik enorm veel nadruk op enkele gevallen van positief binnentreden. Als ik te veel zei over mijn verdorvenheid… vreesde ik dat de anderen zouden denken… dat ik zwak was als zich problemen voordeden en klein van gestalte was… en dat ze niet meer tegen me zouden opkijken. Dus ik zei doorgaans heel weinig over hoe negatief of zwak ik was… of hoe ik verdorvenheid vertoonde. Maar over hoe ik de waarheid zocht, Gods woorden in praktijk bracht… en hoe ik met vertrouwen mijn plicht deed en Gods leiding zag… had ik de mond vol en liet ik geen detail onvermeld. Omdat ik lange tijd zo communiceerde… dachten de anderen dat ik geweldig was en naar de waarheid streefde… en dat ik altijd de weg van de praktijk kon vinden. Ze kwamen bij me om te communiceren als ze moeilijkheden hadden.
Na een tijdje boekten we vooruitgang in alle aspecten van het werk van de kerk. Het vertrouwen van de mensen groeide en steeds meer mensen wilden hun plicht doen. Toen ik dit succes zag… voelde ik me nog meer een steunpilaar van de kerk. Ik hield het hoofd omhoog… en sprak overal waar ik kwam met meer zelfvertrouwen. Ik dacht dat ik een geweldige kerkleidster was en dat ik mijn positie echt verdiend had. Als ik met anderen werkte, nam ik altijd de leiding. Ik pochte alsof ik beter was dan zij, zodat ze me zouden bewonderen en zouden doen wat ik zei. We moesten eens een huis huren om een bijeenkomst te houden. Een diaken en een broeder die mijn werkpartner was, gingen het huis bekijken. Ik dacht: ik zou moeten beslissen over zoiets belangrijks. Jullie kunnen het niet goedkeuren zonder dat ik het heb gezien. Eigenlijk wist ik in mijn hart… dat deze broeder ouder en meer ervaren was dan ik… en dat hij beter wist dan ik of het huis goed was of niet. Maar ik piekerde over hoe ik kon laten zien hoe slim ik was en dacht: op welke andere details en problemen moeten we letten als we een huis huren? Dus ik wierp enkele vragen op en liet ze informeren. Uiteindelijk werden er wat problemen gevonden met dat huis… en toen mijn medewerkers het ontdekten, zeiden ze: “We schamen ons zo. We zijn ouder dan jij, maar dachten er niet zo goed over na als jij.” Ik was zo tevreden met mezelf toen ik dit hoorde. Daarna kwam iedereen bij mij voor antwoorden en om dingen te bespreken. Na verloop van tijd… werden de mensen met wie ik werkte een beetje passief… en wachtten bij alles tot ik mijn mening gaf. Ze begonnen zich steeds meer op mij te verlaten.
Geleidelijk aan merkte ik… dat mijn prestige onder de medewerkers meer een vast gegeven werd… en dat ik moest meebeslissen over alle kwesties van de kerk, groot of klein. Broeders en zusters verwachtten dat ik communiceerde over elk probleem. Ik vond dat ik onmisbaar was voor de kerk… en voelde me vaak heel tevreden met mezelf. Soms dacht ik dat mensen tegen wie wordt opgekeken ongeluk te wachten staat… en dan voelde ik me ongemakkelijk en vroeg ik me af: iedereen kijkt zo tegen me op – ben ik afgedwaald? Maar dan dacht ik: ik ben leidster. De broeders en zusters horen bij me te komen met hun moeilijkheden. En sommige problemen… kan ik ze helpen oplossen. Het is normaal dat ze op me vertrouwen. Wie is niet graag bij iemand de hem wil helpen? En dus negeerde ik de berispingen en waarschuwingen van de Heilige Geest… en onderzocht ik niet mijn eigen gesteldheid of de weg waarop ik was. In plaats daarvan ging ik verder op dezelfde verkeerde weg. Alleen toen God me kastijdde en disciplineerde, begon mijn verdoofde hart bewust te worden.
Toen ik op een morgen wakker werd… merkte ik dat mijn linkeroog erg veel pijn deed. Hij bleef maar tranen… en toen ik in de spiegel keek, zag ik dat de hele linkerkant van mijn gezicht stijf was. Ik kon mijn oog niet dichtdoen of mijn mond bewegen. Ik had geen idee wat er was gebeurd. Die middag op een bijeenkomst schrok een zuster toen ze me zag… en zei dat het gezichtsverlamming was… en dat ik het meteen moest laten behandelen. Als ik het uitstelde, zou mijn gezicht nooit meer normaal worden. Dat kwam hard aan… en ik kon helemaal niet meer denken. Hoe kon ik zo jong zo’n ziekte hebben gekregen? Als ze gelijk had en mijn gezicht helemaal scheef zou blijven… hoe moest ik dan mijn plicht doen? Hoe moest ik de mensen onder ogen komen? Ik voelde me helemaal versuft en het hart zonk me in de schoenen. De andere praatten allemaal over mijn ziekte… maar in mijn hoofd was het een complete chaos. Ik had totaal geen energie meer.
Ik ging die dag naar huis in een waas. Ik wilde tot God bidden, maar wist niet wat ik moest zeggen. Ik kon alleen maar God vragen me de weg te wijzen… om mijn hart te kalmeren en Zijn wil zoeken. Opeens dacht ik aan een gezang van Gods woorden: “Hoe moet je het ervaren wanneer je ziek wordt? Je moet voor God komen om te bidden en te proberen Zijn wil te begrijpen, en je moet onderzoeken wat je precies verkeerd hebt gedaan en welke verdorvenheden er binnen je zijn die nog moeten worden opgelost. Je kunt je verdorven gezindheden niet pijnloos oplossen. Mensen moeten worden gehard door pijn. Alleen dan zullen ze ophouden losbandig te zijn en altijd voor God te leven. Wanneer mensen worden geconfronteerd met lijden gaan ze altijd bidden. In hun hart zullen geen gedachten leven aan eten, kleding of genot. Ze zullen tijdens deze periode in hun hart bidden en onderzoeken of ze iets verkeerds hebben gedaan. Wanneer mensen een ernstige of ongebruikelijke ziekte krijgen die veel pijn veroorzaakt, gebeurt dit meestal niet toevallig” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Bij het geloof in God is het meest essentiële het verwerven van de waarheid). Gods woorden zeggen: “Wanneer mensen een ernstige of ongebruikelijke ziekte krijgen die veel pijn veroorzaakt, gebeurt dit meestal niet toevallig.” Gods woorden deden me inzien… dat deze ziekte geen toeval was. Gods goede wil moest erachter zitten en Hij disciplineerde me. Ik moest serieus zoeken en nadenken over mezelf om uit te vinden hoe ik God had beledigd. Ik kwam voor God in gebed: “Almachtige God… ik ben ziek en weet in mijn hart dat dat komt doordat u me disciplineert… en dat u deze ziekte gebruikt om me te waarschuwen en te laten nadenken over mezelf. Maar ik ben nu zo verdoofd. Ik begrijp mijn problemen niet. Verlicht me, zodat ik mijn les kan leren door deze ziekte.” Na mijn gebed bleef ik eraan denken… maar ik begreep niet hoe ik God had beledigd. Dus ik kwam weer in ernstig gebed voor God en vroeg Hem me de weg te wijzen. Zo bad en zocht ik enkele dagen. Ik dank God dat Hij mijn gebeden heeft verhoord. Niet lang daarna regelde God situaties, waardoor ik mijn problemen kon inzien.
Op een dag ging ik naar het huis van zuster Zhao voor acupunctuur. Haar hele familie vroeg hoe het met me ging, bang dat ik terneergeslagen zou zijn. Tijdens de acupunctuur las ze voor uit ‘De principes om met ziekte om te gaan’. Ze zei dat ik me geen zorgen moest maken, maar meer moest bidden en me moest verlaten op God en vertrouwen hebben… en dat ik me door de behandeling snel weer beter zou voelen. Maar omdat ze eerder had gezegd… dat mijn gezicht zonder behandeling voorgoed scheef zou kunnen blijven… was ik erg bang. Maar toen ik zag dat ze zo bezorgd om me was, dacht ik: als de anderen wisten hoe ik me echt voel… zouden ze dan denken dat ik een kleine gestalte heb? Als iemand een beproeving ondergaat of ziek wordt… communiceer ik met hen over waarheden met betrekking tot geloof… en voel ik me zelf zo sterk in vertrouwen. Maar nu ik zo plotseling ziek ben geworden… toon ik mijn gebrek aan geloof en druk ik zorgen en angsten uit. Zal iedereen denken dat ik alleen maar doctrine predikte? Dus ik glimlachte en zei tegen zuster Zhao: “Ik voel me wel een beetje zwak nu ik ziek ben… maar ik geloof dat alles in Gods handen ligt. Dit lichamelijke lijden stelt niets voor. Wat me het meest pijn doet, is dat ik niet Gods wil kan vinden… of uitvinden wat mijn problemen zijn. Het hindert me dat ik zo verdoofd ben.” Ze keek me vol bewondering aan en zei: “Je moet nadenken over jezelf nu je ziek bent. Onderzoek jezelf en probeer jezelf te begrijpen en laat je ook behandelen. Misschien ben je ziek geworden omdat je altijd zo hard werkt. Je doet je plicht van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, en dat respecteren we allemaal. Zelfs nu wil je nog je plicht gaan doen. Doe rustig aan. Ik heb de zuster met wie je werkt een standje gegeven omdat ze er de kantjes vanaf liep. Ik heb haar gemaand om meer aandacht te hebben voor het werk van de kerk.” Ik voelde me een beetje ongemakkelijk toen ze dat zei… dus ik wees haar terecht en zei: “Ik ben niet de enige die het werk van de kerk verricht. Plaats me niet op een voetstuk.” Die dag dacht ik op weg naar huis: hoe kon ze die zuster zo berispen vanwege mij? Ben ik in haar ogen meer verantwoordelijk dan iedereen? Ik moet altijd mezelf prijzen en anderen kleineren. Ik dacht aan hoe ik mijn zwakheid had verborgen voor zuster Zhao… en had gedaan alsof ik zoveel vertrouwen had. Had ik haar niet misleid? Daar dacht ik over na toen ik zuster Zhang naar me toe zag komen. Ze was erg bezorgd om me en zei: “Je moet goed voor jezelf zorgen. Wat moeten we doen als je het bed moet houden door deze aandoening?” Toen ik haar zo oprecht hoorde praten… werd ik erg bang. Terwijl ik mijn weg vervolgde, moest ik steeds denken aan wat ze had gezegd. Ik begon nerveus te worden en dacht: ik ben maar een onbelangrijke kerkleidster. De kerk kan zich prima redden zonder mij. Hoe kon ze vragen wat ze zonder mij zouden moeten? Dat ze dat zei, betekent dat ik een plek in hun hart heb veroverd. Het hart is Gods tempel, dus als ik daar een plek heb, verzet ik me dan niet tegen God? Ik dacht aan hoe ik altijd wilde dat mensen me goedkeurden en bewonderden… maar toen ik de zuster dat hoorde zeggen, voelde ik me ongemakkelijk en bang. Waren andere broeders en zusters ook door me misleid? Als anderen er net zo over dachten als zuster Zhang… betekende dat dan dat ik mensen voor me had gebracht? Ik was op de weg van de antichristen. Ik dacht aan enkele antichristen die ik uitgestoten had zien worden… en een koude rilling liep me over de rug. Het voelde alsof ik een grote calamiteit had ondervonden.
Toen ik thuiskwam, pakte ik mijn boek met Gods woorden… en las dit: “Mensen met een arrogante natuur zijn in staat God ongehoorzaam te zijn, zich tegen Hem te verzetten, handelingen te plegen die over Hem oordelen en Hem verraden, en dingen te doen die henzelf verheerlijken en een poging zijn hun eigen koninkrijk te vestigen. Stel dat er in een land tienduizenden mensen waren die Gods werk aanvaardden en dat Gods huis je daarheen stuurde om Gods uitverkorenen te leiden en te hoeden. En stel dat Gods huis je het gezag gaf en je toestond om in je eentje te werken, zonder toezicht. Na een aantal maanden zou je als een soevereine heerser zijn geworden, alle macht zou in jouw handen liggen, jij zou de beslissingen nemen, alle uitverkorenen zouden jou vereren, aanbidden, gehoorzamen alsof je God was; de meesten zouden zelfs zo ver gaan dat ze voor je zouden knielen, voor je zouden buigen, met elk woord de loftrompet over je zouden steken, zouden zeggen dat je met groot inzicht preekte, en zouden aanhoudend beweren dat jouw uitspraken datgene waren wat ze nodig hadden en dat jij in hun behoeften kon voorzien – dit alles zonder ooit het woord ‘God’ te uiten. Hoe zou jij dit werk hebben gedaan? Als deze mensen in staat waren tot zo’n reactie, zou dat bewijzen dat het werk dat je deed niets te maken had met het getuigen van God; in plaats daarvan getuigde het alleen van jezelf en pronkte het met jou. Hoe kon je zo’n resultaat bereiken? Sommige mensen zeggen: ‘Wat ik communiceer is de waarheid; ik heb beslist nooit van mezelf getuigd!’ Die houding van jou – die opstelling – is er een van proberen met mensen te communiceren vanuit de positie van God, en is er niet een van zich bevinden in de positie van een verdorven mens. Alles wat je zegt is bombastische praat en het stellen van eisen aan anderen; het heeft helemaal niets te doen met jezelf. Het effect dat je daarom zou bereiken is mensen ertoe brengen je te vereren, benijden en loven totdat ze allemaal uiteindelijk kennis van je hebben, van je getuigen, je verheerlijken en je de hemel in vleien. Wanneer dat gebeurt, zal het gedaan zijn met je; je zult gefaald hebben! Is dit niet het pad waarop jullie je momenteel allemaal bevinden? Als je gevraagd wordt enkele duizenden of tienduizenden mensen te leiden, zou je uitgelaten zijn. Je zou dan arrogantie laten ontstaan en beginnen te proberen Gods positie in te nemen, al sprekend en gebarend, en je zou niet weten wat je moest dragen, wat je moest eten en hoe je moest lopen. Je zou je wentelen in de geneugten van het leven, jezelf in de hoogte gedragen en je niet verwaardigen om met gewone broeders en zusters samen te komen. Je zou volledig ontaarden – en zoals de aartsengel worden neergeworpen. Jullie allen zijn hiertoe in staat, is het niet? Wat moeten jullie dan doen? Als er op een dag werkelijk regelingen voor jullie werden getroffen om eropuit te trekken en werk te doen, en jullie in staat waren deze dingen te doen, hoe zou het werk dan kunnen worden uitgebreid? Zou dat niet lastig zijn? Wie zou dan durven jullie eropuit te laten trekken? Als je erheen werd gestuurd, zou je nooit terugkeren; je zou geen acht slaan op ook maar iets wat God zei. Je zou gewoon blijven pronken en van jezelf blijven getuigen, alsof je mensen redding bracht, Gods werk deed en mensen het gevoel gaf dat God was verschenen en hier werkte. En terwijl mensen je vereerden, zou je dolblij zijn en er zelfs in toestemmen als ze je als God behandelden. Wanneer je die fase eenmaal zou bereiken, zou het met je gedaan zijn; je zou geschrapt worden. Zonder dat je het door zou hebben, zou dit soort arrogante natuur uiteindelijk je ondergang zijn. Dit is een voorbeeld van een persoon die het pad van de antichristen bewandelt” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Een arrogante aard ligt aan de basis van het verzet van de mens tegen God). “Anderen kunnen hun positie gebruiken om herhaaldelijk over zichzelf te getuigen, zichzelf te vergroten en met God strijden om mensen en status. Ze gebruiken verschillende methodes en maatregelen om te zorgen dat mensen hen aanbidden, proberen voortdurend mensen over te halen en de controle over ze te hebben. Sommigen misleiden mensen zelfs bewust om te denken dat zij God zijn, zodat ze als God behandeld zullen worden. Ze zouden mensen nooit vertellen dat ze verdorven zijn, dat zij ook verdorven en arrogant zijn, en dat zij niet aanbeden moeten worden, en dat, hoe goed ze het ook doen, het allemaal het gevolg is van Gods verhoging en wat ze eigenlijk zouden moeten doen. Waarom zeggen ze deze dingen niet? Omdat ze ten diepste bang zijn hun plaats in het hart van mensen te verliezen. Daarom verhogen zulke mensen God nooit en zullen ze nooit getuigen van God” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf I). “Dit gebeurt er als mensen bergafwaarts gaan, wat geheel en al komt doordat ze de waarheid niet nastreven. Al degenen die het pad van de antichristen bewandelen, verheerlijken zichzelf en getuigen van zichzelf. Ze scheppen overal op over zichzelf, verheerlijken zichzelf en ze hebben God helemaal niet ter harte genomen. Hebben jullie enige ervaring met datgene waar ik het over heb? Veel mensen getuigen voortdurend van zichzelf: ‘Ik heb zus en zo geleden; ik heb dit en dat werk gedaan; God heeft een bijzonder hoge dunk van me; Hij heeft me gevraagd om zo en zo te doen; nu ben ik zus en zo.’ Ze spreken opzettelijk met een bepaalde toon en nemen bepaalde houdingen aan. Uiteindelijk gaan sommige mensen denken dat deze mensen God zijn. Wanneer ze eenmaal op dat punt zijn beland, zal de Heilige Geest hen allang verlaten hebben. Hoewel ze, vooralsnog, niet verwijderd of uitgeworpen worden, en zij worden aangehouden om diensten te verrichten, staat hun lot vast en kunnen ze alleen nog wachten op hun straf” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Mensen eisen te veel van God). Gods woorden boorden zich in mijn hart als een zwaard. Zoals Gods woorden zeiden… was ik altijd bezig mezelf te verheerlijken en te pochen in mijn plicht. Sinds ik leidster was geworden… dacht ik altijd dat om een leidster te zijn… ik beter moest zijn dan anderen en meer gestalte moest hebben… om ieders goedkeuring en bewondering te krijgen. Als ik mijn ervaringen communiceerde… veinsde ik en praatte ik bijna nooit over mijn eigen zwakheden en verdorvenheid… uit angst dat de anderen niet tegen me zouden opkijken als ze wisten dat ik net zo verdorven was als zij. Zelfs toen ik ziek werd… werd ik negatief, begon ik te klagen en werd ik erg bang. Maar om me groot te houden… verborg ik mijn ware gevoelens en sprak ik alleen over positieve dingen… zodat anderen me nog meer zouden verafgoden… en zouden vinden dat ik zo positief was en dat ik zoveel meer vertrouwen had dan anderen. Als leidster werd ik toch al geacht laat op te blijven en meer te lijden. Maar ik zei altijd met opzet… terloops tegen de andere broeders en zusters hoe druk ik het had… hoe laat ik opbleef en hoe hard ik werkte… zodat ze zouden denken dat ik zo verantwoordelijk en hardwerkend was. Het succes dat ik zag in mijn plicht was duidelijk te danken aan de Heilige Geest… maar ik verheerlijkte nooit God, maar schepte alleen op over hoeveel ik had geleden en opgeofferd… zodat iedereen me als een steunpilaar van de kerk zag… alsof er niets gedaan kon worden zonder mij. Ik communiceerde altijd zo en misleidde anderen… en werd daarom gedisciplineerd met deze ziekte. Maar de anderen geloofden dat ik ziek was geworden omdat ik zo hard werkte… en de zuster met wie ik werkte, werd berispt omdat ze niet haar steentje bijdroeg… alsof ik de zwaarste last droeg voor de kerk. Zo verheerlijkte ik mezelf en pochte ik… en misleidde en kooide ik anderen, en bracht ze voor me. Ik was openlijk vijandig tegenover God geweest. Toen ik hieraan dacht, werd ik vanzelf bang. Om te zorgen dat anderen tegen me opkeken en me verafgoodden… gebruikte ik alle mogelijke middelen om te pochen en anderen te misleiden… zodat ze op me gingen vertrouwen tot er geen ruimte meer in hun hart was voor God. Ze wilden in alles mijn mening en goedkeuring. Had ik in de kerk niet geheerst als een koningin? De kerk zou een plek moeten zijn om God te vereren. Had ik door mezelf te verheerlijken en anderen voor me te brengen… niet geprobeerd om God te vervangen en van Hem een stroman te maken? Ik had God bestreden en verraden als een antichrist. Ik had de vreselijke zonde begaan van het beledigen van Gods gezindheid. De angst sloeg me om het hart. Ik was ziek geworden omdat ik God kwaad had gemaakt… en nu toonde Hij Zijn rechtvaardigheid. Ik haatte mezelf omdat ik zo verdoofd en opstandig was geweest… en zag hoe Gods rechtvaardige gezindheid geen belediging duldt. Ik liet me neervallen voor God om te bidden en berouw te tonen: “Almachtige God. Het afgelopen jaar heb ik niet u gediend, maar kwaad gedaan. Ik heb mensen voor me gebracht en met u gewedijverd voor controle. Ik heb me zo verachtelijk en schandelijk gedragen als een antichrist. Lieve God, ik heb echt slecht gehandeld.” Overmand door wroeging schaamde ik me te erg om God onder ogen te komen.
Toen dacht ik: hoe kon ik op zo’n verkeerde weg terechtkomen? Wat heeft dit in vredesnaam veroorzaakt? Ik las Gods woorden. “Voor sommige mensen is bijvoorbeeld met name Paulus een idool. Ze treden graag naar buiten om speeches te houden en werk te doen, ze vinden het fijn om vergaderingen bij te wonen en te preken, en ze houden ervan als mensen naar hen luisteren, hen vereren en om hen heen draaien. Ze hebben graag een plek in de harten van anderen en vinden het fijn als anderen het beeld waarderen dat zij presenteren. Laten we hun aard analyseren aan de hand van deze gedragingen. Wat is hun aard? Als ze zich echt zo gedragen, dan wordt daarmee voldoende getoond dat ze arrogant en verwaand zijn. Ze vereren God helemaal niet; ze zoeken een hogere status en willen gezag hebben over anderen, bezit van hen nemen en een positie in hun harten hebben. Dat is het klassieke beeld van Satan. De aspecten van hun aard die opvallen, zijn arrogantie en verwaandheid, een onwil om God te vereren, en een verlangen om door anderen te worden vereerd. Zulke gedragingen kunnen je een heel duidelijk beeld geven van hun aard” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Hoe de aard van de mens te leren kennen). “Sinds de verderving van de mensheid door Satan, is de aard van mensen achteruitgegaan en hebben ze geleidelijk het vermogen om te redeneren verloren dat normale mensen hebben. Ze handelen nu niet meer als menselijke wezens in de positie van de mens, maar zitten vol wilde ambities; ze zijn de rang van de mens voorbijgestreefd, maar snakken er toch naar om nog hoger te komen. Waar verwijst dit ‘hoger’ naar? Ze wensen God te overstijgen, de hemel en al het andere te overstijgen. Wat is er de oorzaak van dat mensen blijk geven van zulke gezindheden? Alles welbeschouwd is de aard van de mens al te arrogant. […] De manifestatie van arrogantie is rebellie en verzet tegen God. Als mensen arrogant, vol eigendunk en zelfingenomen zijn, zijn ze geneigd om hun eigen onafhankelijke koninkrijk te vestigen en dingen op hun manier te doen. Ze halen ook mensen naar zich toe in hun eigen handen en trekken ze in hun omarming. Als mensen tot zulke arrogante dingen in staat zijn, bewijst dat gewoon dat de essentie van hun arrogante aard die van Satan is; het is die van de aartsengel. Als hun arrogantie en eigendunk een bepaald niveau bereiken, hebben ze geen plaats meer in hun hart voor God en wordt God terzijde geschoven. Ze willen dan God zijn, mensen hen laten gehoorzamen en dan worden ze de aartsengel. Als je zo’n satanische arrogante aard bezit, zal God geen plaats in je hart hebben” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Een arrogante aard ligt aan de basis van het verzet van de mens tegen God). Gods woorden gaven me een duidelijker begrip van het wezen van mijn probleem… en ik zag de reden waarom ik altijd mezelf verheerlijkte en pochte in mijn plicht. Dat kwam door mijn arrogante, verwaande natuur. Ik had van begin af aan de verkeerde weg genomen. Door mezelf te verheerlijken en te pochen in mijn plicht was ik net als Paulus. Paulus was altijd bezig zichzelf te verheerlijken en van zichzelf te getuigen in zijn werk… en in zijn brieven getuigde hij er nooit van dat de Heer Jezus de geïncarneerde God was. Hij verkondigde alleen hoeveel hij had geleden en opgeofferd… en zei zelfs “Want voor mij is leven Christus” (Filippenzen 1:21), en “Maar ik heb de goede strijd gestreden, de wedloop volbracht, het geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid” (2 Timoteüs 4:7-8). Hij liet anderen geloven dat hij een kroon en beloningen verdiende. Ik zag dat mijn natuur net zo was als die van Paulus. Ik genoot ervan als mensen tegen me opkeken en me verafgoodden… mensen om me heen dromden… en ik geprezen werd waar ik ook kwam. Ik moest gewoon een plek hebben in het hart van mensen. Ik zag dat mijn natuur, zoals Gods woorden het zeiden, was vervuld van “Arrogantie en verwaandheid, een onwil om God te vereren, en een verlangen om door anderen te worden vereerd.” Ik was zo arrogant dat ik niet voor rede vatbaar was. Ik was niet in staat mijn plaats als geschapen wezen in te nemen en God te vereren… en ik behandelde God niet als God, maar bewees mezelf eer. Ik zorgde dat mensen tegen me opkeken en me verafgoodden in mijn plicht… wat ertoe leidde dat ik mijn broeders en zusters misleidde. Als zich problemen voordeden, vertrouwden ze op mij en lieten ze mij alle werkbesluiten nemen. Ik bracht mensen voor me en vestigde mijn eigen koninkrijk. Hoe kon zulk gedrag niet Gods toorn opwekken en zorgen dat Hij me haatte? Mijn ziekte was Gods rechtvaardigheid… …en die verdiende ik omdat ik kwaad had gedaan en God had weerstaan. Ik dankte God dat Hij me had gedisciplineerd en een eind had gemaakt aan mijn slechte daden.
Toen ik dat besefte, bad ik tot God: “Vanaf morgen zal ik doelbewust de waarheid praktiseren en mijn vlees verzaken. Ik zal mijn verdorvenheid blootleggen, zodat anderen mijn lelijkheid kunnen zien… en me zien zoals ik ben en me niet langer verafgoden.” De volgende morgen tijdens mijn godsdienstoefeningen… last ik enkele van Gods woorden over eerlijkheid en openhartigheid… en over hoe je God kunt verheerlijken en van Hem kunt getuigen Gods woorden zeggen: “Wanneer je van God getuigt, moet je vooral spreken over hoe God over mensen oordeelt en mensen tuchtigt, welke beproevingen Hij gebruikt om mensen te louteren en hun gezindheid te veranderen. Je moet ook spreken over hoeveel verdorvenheid in je ervaring is geopenbaard, hoeveel je hebt geleden, hoeveel dingen je hebt gedaan om je tegen God te verzetten, en hoe je uiteindelijk door God bent overwonnen. Praat over hoeveel echte kennis je hebt van Gods werk, en hoe je van God moet getuigen en Hem moet terugbetalen voor Zijn liefde. Je moet stevige taal gebruiken en op een eenvoudige manier spreken. Praat niet over lege theorieën. Spreek meer gewone taal; spreek vanuit je hart. Op die manier moet je dingen ervaren. Maak geen gebruik van diepzinnig klinkende, lege theorieën om met jezelf te pronken. Dat maakt een arrogante en onzinnige indruk. Je moet meer over werkelijke dingen spreken vanuit je werkelijke ervaring, en meer vanuit je hart spreken. Daar hebben anderen het meest profijt van, en het is voor hen het meest geschikt om te zien. Je behoorde tot de mensen die zich het meest tegen God verzetten, die het minst geneigd waren om zich aan Hem te onderwerpen, maar nu ben je overwonnen – vergeet dat nooit. Over deze dingen moet je meer peinzen en nadenken. Zodra mensen die duidelijk hebben begrepen, zullen ze weten hoe ze moeten getuigen; anders lopen ze de kans om schandelijke en onzinnige handelingen te plegen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door de waarheid na te streven, kan iemand een verandering in gezindheid bereiken). “Het delen en communiceren van je ervaringen betekent het delen van je ervaring en kennis van Gods woorden. Het gaat erom stem te geven aan elke gedachte in je hart, wat er in je omgaat, en aan de verdorven gezindheid die in jou wordt geopenbaard. Het gaat erom anderen deze dingen te laten onderscheiden en vervolgens het probleem op te lossen door de waarheid te communiceren. Alleen wanneer ervaringen op deze manier worden gecommuniceerd, plukt iedereen daar de vruchten van. Alleen dit is het ware kerkelijk leven” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, De meest fundamentele beoefening om een eerlijk iemand te zijn). Ik begreep uit Gods woorden… dat we om God echt te verheerlijken en van Hem te getuigen… meer moeten praten over onze verdorvenheid en opstandigheid… onze ware gesteldheid en gedachten moeten blootleggen… moeten praten over onze lage motieven, wat we hebben gedaan en wat de uitkomst was… en over hoe we het oordeel van Gods woorden ervaren en onszelf leren kennen. Dan moeten we ons verdorven wezen ontmaskeren en analyseren, zodat iedereen ons kan zien zoals we zijn… en praten over hoe God ons heeft gekastijd en gedisciplineerd en situaties heeft geregeld om ons de weg te wijzen… zodat iedereen Zijn liefde voor de mens kan zien. We moeten ook oprecht vanuit ons hart spreken en niet opscheppen of pochen. Nu ik een weg had om te praktiseren… was ik in mijn communicatie openhartig tegen anderen… over alle manieren waarop ik de laatste tijd de weg van de antichristen had bewandeld. Ik analyseerde de beangstigende consequenties van hoe ik deze weg had bewandeld en mensen had misleid… en hoe meer ik hierover communiceerde, hoe duidelijker ik het zelf zag. Later zeiden de anderen dat ze niets van dit alles hadden gemerkt… en dat ze waren misleid door mijn slimme praatjes en goede daden. Een zuster zei: “Ik dacht altijd dat je de waarheid zo geweldig in praktijk bracht… alsof je altijd positief kon blijven door Gods woorden te lezen. Nu begrijp ik… dat je ook zo verdorven bent, dat je ook negatief en zwak was… en dat de verdorven mensheid helemaal hetzelfde is. We mogen niemand verafgoden of op een voetstuk plaatsen.” Een andere zuster zei: “Ik dacht altijd dat je heel sterk was… en ik wilde nooit openhartig zijn als jij erbij was. Ik dacht altijd dat ik zo verdorven was vergeleken met jou. Nu je vandaag openhartig bent geweest tegen ons, zie ik dat we allemaal hetzelfde zijn.” Toen ik de zusters dat hoorde zeggen… voelde ik me zo vol schaamte en wroeging. Ik zei: “Kijk niet meer tegen me op. Ik heb de weg van de antichristen bewandeld en heb jullie allemaal misleid.” Toen gebruikten mijn werkpartners en medewerkers Gods woorden om me te helpen mezelf te leren kennen… en voelde ik me opeens veel dichter bij hen allemaal staan. Ik voelde me zoveel meer op mijn gemak toen ik die dag thuiskwam. Die avond vergat ik bijna mijn ziekte en sliep als een roos. Ik was opgetogen… toen ik de volgende dag wakker werd… en merkte dat mijn gezicht weer normaal was. Ik was in één nacht beter geworden.
Daarna las ik tijdens een bijeenkomst dit in Gods woorden: “Normaal gesproken, als het gaat om degenen wier bedoelingen en doelstellingen niet juist zijn, evenals degenen die graag worden gezien door anderen, die zielsgraag dingen willen doen, die geneigd zijn om verstoringen te veroorzaken, die goed religieuze doctrines kunnen spuien, die Satans lakeien zijn enzovoort, als deze mensen opstaan, vormen ze moeilijkheden voor de kerk, wat ertoe leidt dat er niets komt van het eten en drinken van Gods woorden door hun broeders en zusters. Als je zulke mensen tegenkomt die doen alsof, moet je hen onmiddellijk verbannen. Als ze niet veranderen ondanks herhaalde vermaningen, zullen ze schade oplopen. Als degenen die koppig hun manier van doen volhouden zichzelf verdedigen en proberen hun zonden te bedekken, moet de kerk hen onmiddellijk verwijderen en hun geen ruimte geven om te manoeuvreren. Zorg ervoor dat je niet veel verliest door een beetje te willen redden; houd je oog gericht op de grote lijnen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 17). Gods woorden legden mijn opvallendste karaktertrek van de afgelopen jaren bloot. Sinds ik leidster was geworden… nam ik graag de leiding bij alles wat ik deed. Ik pochte alsof ik beter was dan alle anderen. Als ik het werk besprak met mijn werkpartners… hadden zij weliswaar hun eigen ideeën… maar moest ik altijd de leiding nemen en mijn ‘superieure’ mening spuien. Ik leek proactief en positief… maar eigenlijk wilde ik alleen bewonderd worden en pochen bij alles wat ik deed. Toen ik hieraan dacht… besefte ik dat mijn arrogante natuur me tot zulk schandelijk gedrag had gebracht. De anderen respecteerden mijn meningen en bespraken dingen met me. Ze leefden de werkelijkheid van de waarheid na – ze waren niet dictatoriaal of arrogant. Maar ik dacht dat dat betekende dat ik beter was dan zij… en ik wilde altijd neerbuigend zijn en laten zien hoeveel beter ik was. Het was allemaal zo belachelijk. Ik voelde me als de keizer in De nieuwe kleren van de keizer, zonder enige zelfkennis. Ik wist niet hoe schandelijk ik me gedroeg, maar pochte bij elke gelegenheid. Toen ik nadacht over mijn gedrag… voelde ik me geschokt en beschaamd. Ik dacht dat ik geweldig was… omdat ik mezelf nooit echt kende. Ik was bang als ik dacht aan de weg waar ik me op bevond… vooral toen ik in Gods woorden las… dat we mensen met verkeerde motieven die graag pochen… “Moet je hen onmiddellijk verbannen” en als ze niet nadenken over zichzelf maar met uitvluchten komen… “moet de kerk hen onmiddellijk verwijderen.” Hieruit bleek Gods rechtvaardigheid en majesteit. Ik dacht dat dit waar was. Ik had gepocht bij elke gelegenheid… en had uiteindelijk mijn broeders en zusters misleid en gezorgd dat ze me nog meer verafgoodden. Hierdoor was er in hun hart geen plaats meer voor God. Ik had heimelijk degenen met wie ik werkte veranderd in marionetten en ze gedroegen zich niet meer verantwoordelijk. Ik had me als een dolle gedragen in de kerk en had alleen schade veroorzaakt… terwijl ik het totaal niet besefte en mezelf al die tijd zag als een rijzende ster. Als God niet zo streng over me had geoordeeld… had ik nooit iets geweten over mezelf of de verkeerde weg waarop ik me bevond… of dat het een weg zonder terugkeer was. Toen ik dat besefte, begon mijn zienswijze te veranderen. Ik dacht altijd dat als ik een bekwaam iemand was tegen wie anderen opkeken, een beetje pochen geen kwaad kon, dat het zelfs fantastisch was. Nu zag ik in dat pochen… op zo’n verachtelijke manier om te zorgen dat mensen tegen me opkeken, schandelijk was. Ik voelde hoe onwaardig het was om mezelf niet te begrijpen, niet naar verandering van gezindheid te streven… en mijn arrogante gezindheid te volgen en bij elke gelegenheid te pochen. Zij die menselijkheid hebben, zijn in staat hun arrogantie af te werpen… God te vereren, zich fatsoenlijk te gedragen… hun plicht praktisch te doen en van God te getuigen in woord en daad. Zulke mensen leven een verstandig en waardig leven.
Daarna voelde ik weerzin en afkeer… als ik onwillekeurig pochte. Dan herinnerde ik mezelf er bewust aan… dat ik echt moest zijn en niet moest opscheppen, met wie ik ook was. Ik moest vooral praktischer zijn in mijn communicaties en niet pochen. Voordat ik mijn ervaringen communiceerde… bad ik bedachtzaam tot God en vroeg Hem om te waken over mijn hart… zodat ik mijn motieven kon corrigeren en meer van Hem kon getuigen. Als ik gecommuniceerd had, vroeg ik mezelf… of ik op enigerlei wijze had gepocht bij wat ik net had gezegd. Soms ontdekte ik dat ik een beetje had gepocht bij wat ik had gezegd… dus de volgende keer als ik dezelfde groep ontmoette… legde ik mezelf bloot en analyseerde ik mijn gedrag van de vorige keer… zodat ze allemaal mijn woorden zouden onderscheiden en me niet blindelings zouden verafgoden. Nadat ik zo had gecommuniceerd… konden mijn broeders en zusters mijn ware gestalte zien en niet meer tegen me opkijken.
Als terugdenk aan alles wat er gebeurd is… gaf God me de kans om mijn plicht te doen… maar ik bewandelde de weg van de antichristen om mijn eigen ding te doen en werd Zijn vijand. Ik ben God zoveel verschuldigd. Als Hij me niet had gedisciplineerd met die ziekte en zonder het oordeel van Zijn woorden… zou ik mezelf nog steeds helemaal niet kennen. Ik zong altijd het gezang… ‘Weet dat Gods tuchtiging en oordeel liefde zijn’, maar ik had er nooit een echte ervaring mee of inzicht in. Nu leerde ik echt voelen… dat Gods oordeel, tuchtiging en discipline Zijn grootste liefde en redding zijn. Ik was erg ontroerd terwijl ik nadacht over Gods liefde… en betreurde dat ik niet naar de waarheid had gestreefd. Ik hield mezelf voor dat ik moest proberen een eerlijk mens te zijn. Op bijeenkomsten… concentreerde ik me erop om zo te communiceren over Gods woorden dat het getuigde van God. Als ik met mijn medewerkers was… deed ik extra mijn best om hun mening die in overeenstemming was met de waarheid te respecteren en te bevestigen… en snoerde ik hun niet de mond en pochte ik niet zoals voorheen. Mijn werkpartners en ik waren gelijk aan elkaar en niemand nam meer de leiding. Als zich problemen voordeden, onderzocht iedereen de principes en bracht die in praktijk. Ik was zo dankbaar voor Gods oordeel en tuchtiging… waardoor ik Zijn rechtvaardige gezindheid leerde begrijpen en Hem begon te vereren. Ik probeerde om mijn plaats als geschapen wezen in te nemen terwijl ik Hem diende… en ook om mijn plicht te doen. Ik dank Almachtige God dat Hij me heeft gered.