35. Een leven op het randje

Door Wang Fang, China

In 2008 was ik verantwoordelijk voor het vervoeren van kerklectuur. Dit is een heel alledaags soort plicht in een land met vrijheid van godsdienst, maar in China is het erg gevaarlijk. Volgens de wet van de Communistische Partij kun je, als je betrapt wordt op het vervoeren van religieuze lectuur, zeven jaar of meer gevangenisstraf krijgen. Om deze reden waren de andere broeders en zusters en ik allemaal uiterst voorzichtig bij het vervullen van onze plicht. Maar op 26 augustus, terwijl ik langs de weg liep, werd ik plotseling omringd door politieauto’s en duwde de politie me in een van de auto’s. Ik was erg nerveus. Ik dacht aan een zuster die om hetzelfde feit was gearresteerd en tien jaar had gekregen. Zou ook ik tien jaar krijgen? Als ik echt zo lang in de gevangenis zou zitten, zou ik het er dan wel levend van afbrengen? Bij die gedachte kromp mijn hart ineen, en onmiddellijk riep ik uit naar God: “O, God! Ik weet niet hoe de politie me zal martelen. Waak alstublieft over mij, en geef me geloof en kracht.” Na het bidden dacht ik aan deze woorden van God: “Je moet niet bang zijn voor van alles en nog wat; hoeveel moeilijkheden en gevaren je ook kunt tegenkomen, je kunt standvastig blijven tegenover mij, zonder dat je door een of andere hindernis wordt tegengehouden, zodat mijn wil ongehinderd kan worden uitgevoerd. Dat is je plicht […]. De tijd is aangebroken dat ik je op de proef zal stellen: zul je mij je trouw aanbieden? Kun je mij tot het eind van de weg getrouw volgen? Wees niet bang; wanneer ik je steun, wie zou deze weg ooit kunnen blokkeren?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). Dit sterkte mijn geloof en moed. God is de Heerser over alle dingen, en het volledige heelal is in Zijn handen. Is dan ook niet de politie in Zijn handen? Er kan geen haar op mijn hoofd gekrenkt worden zonder dat God het toestaat. God gebruikt onderdrukking en tegenspoed om mijn geloof te vervolmaken, dus moest ik bidden en me op God verlaten, en standvastig staan in zijn getuigenis. Al kreeg ik tien jaar, ik was vastbesloten mijn broeders en zusters nooit te verraden, God nooit te verraden.

De politie nam me mee naar een gebouw van twee verdiepingen buiten de stad. Een lange, grofgebouwde agent van middelbare leeftijd die een koude fles water vasthield stormde recht op me af met een angstaanjagende blik. Hij sloeg op een tafel en riep: “Hoe heet je? Wat doe je in de kerk? Met wie heb je contact gehad? Wie is je kerkleider?” Toen ik niets zei, hief hij de fles op en sloeg ermee op mijn hoofd, waardoor mijn hoofd bonsde. Hij bleef me vragen stellen en gebruikte daarbij een boel schunnige taal. Ik hield mijn hoofd maar omlaag en bad, zonder een enkel antwoord te geven. Toen sloeg hij de fles tegen mijn voorhoofd – even zakte mij een waas voor ogen en het voelde alsof mijn schedel zou barsten. Het deed zo’n pijn dat er tranen opwelden. Toen bulderde hij: “Als je niet praat, word je gemarteld, en als je dan nog niet praat, denk dan maar niet dat je het er levend van afbrengt.” Ik was behoorlijk bang. Als hij me zo blijft slaan, dacht ik, houd ik er – zelfs al barst mijn schedel niet – beslist een hersenschudding aan over. Ik vroeg me af of ik doodgeslagen zou worden. Vlug riep ik God aan en vroeg om Zijn bescherming. Ik nam me vastberaden voor dat, hoezeer ik ook geslagen werd, ik God nooit mocht verraden, nooit een Judas mocht zijn. Net op dat moment ging zijn mobieltje af. Hij nam op en liep weg. Een andere agent trok een stoffen zak over mijn hoofd, bond die strak dicht met een touw en sleepte me een lege kamer binnen. Ik was heet en klam onder de zak. Ik weet niet zeker hoeveel tijd er voorbijging voordat ze me meenamen naar de tweede verdieping. Een afdelingshoofd van de Provinciale Dienst voor Openbare Veiligheid, wiens achternaam Gong was, bedreigde me op grimmige toon: “Alleen al voor het geloven in Almachtige God kunnen we je tien jaar geven. Vertel ons onmiddellijk alles wat je weet, anders kan niemand je redden!” Hij zei ook dat hij ervoor zou zorgen dat mijn werkgever mijn salaris zou stopzetten. Aangezien ik nog altijd niets zei, droeg hij iemand op om na te gaan of ik eerder gearresteerd was. Dat was echt zenuwslopend, want ik was in 2003 gearresteerd wegens het verspreiden van het evangelie en had vijf maanden vastgezeten. Als ze mijn strafblad vonden, zou ik beslist een zwaardere straf krijgen. Uiteindelijk vonden ze niets – ik wist dat dit Gods bescherming was. In stilte dankte ik Hem.

Enige tijd na middernacht bracht de politie me naar een huis van bewaring. Een cipier droeg een paar gevangenen op al mijn kleren uit te trekken. Vervolgens moest ik van de cipier mijn armen uitstrekken en drie keer hurken. Al mijn bovenkleding werd de cel uitgegooid. Toen ik zag dat de gevangenen zelfs al mijn ondergoed de cel uit wilden gooien, trok ik dat snel uit hun handen en deed het weer aan. Hurkend in mijn ondergoed zag ik de vier veiligheidscamera’s vlakbij aan de muur en voelde me enorm vernederd. De volgende ochtend, nadat alle gevangenen waren opgestaan, kon ik alleen maar een bedovertrek grijpen en om mijn lijf wikkelen. Een gevangene wierp me wat kleren toe en fluisterde: “Trek die aan, snel.” Iemand anders leende me een broek. Ik wist dat God hiervoor gezorgd had en was ontzettend dankbaar. Later die ochtend gooide een cipier mijn kleren weer mijn cel binnen. Toen ik ze bekeek, zag ik dat de ritsen en knopen van mijn broek en andere kledingstukken waren geknipt. Daardoor moest ik mijn broek met de ene hand omhooghouden en met de andere van voren dichthouden, en voorovergebogen rondlopen. Toen de andere gevangenen me zo zagen, maakten ze grapjes en droegen me op dingen te doen. Sommigen trokken expres mijn broek omlaag en maakten allerlei spottende opmerkingen. Bidden was de enige manier waarop ik door die dag heen kwam.

Midden op de derde dag kwam de politie langs om me weer mee te nemen voor verhoor. Ze brachten me naar een slecht verlichte, lege kamer waar ik aan de muur een ijzeren martelwerktuig zag hangen met donkere bloedvlekken eromheen. Het was huiveringwekkend en angstaanjagend. Ze boeiden mijn handen achter mijn rug. Een zekere commandant Yang van de Nationale Veiligheidsbrigade en een aantal agenten van de recherche gingen om me heen staan en keken me doordringend aan, zoals hongerige wolven. Commandant Yang had een paar foto’s van andere zusters voor mij om te identificeren. Ook vroeg hij me waar het geld van de kerk werd bewaard. En hij bedreigde me bruut: “Voor de draad ermee! Als je niet praat, slaan we je dood!” Zelfs al doen ze dat, dacht ik, dan zal ik nog steeds geen Judas zijn. Een andere gezette agent zei: “Je kunt maar beter vandaag praten! Als je het niet doet, reken dan maar dat deze vuist op zoek is naar vlees. Ik heb vier jaar gebokst op de politieacademie en heb me speciaal geoefend in een techniek die we ‘de mokerslag’ noemen. Dat is slaan op een speciale plek op je schouder, waarbij met één slag je botten en al je ingewanden worden verpulverd. Onder mijn vuist is er niemand die niet opbiecht.” Terwijl hij praatte werd hij steeds zelfgenoegzamer. Toen haalde commandant Yang een officieel document met rood briefhoofd uit zijn tas, zwaaide ermee voor mijn gezicht en zei: “Dit is een vertrouwelijk document, uitgegeven door het Centrale Comité. Het gaat specifiek over De Kerk van Almachtige God. Als we jullie eenmaal te pakken krijgen, kunnen we jullie naar het randje van de dood leiden: het zal niemand wat uitmaken als jullie sterven! Nadat we jullie doodslaan, dumpen we jullie lichamen gewoon in de bergen zonder dat iemand er ooit van afweet. We hebben allerlei martelwerktuigen om gelovigen zoals jij aan te pakken. Er is een soort kabelzweep die in ijskoud water kan worden gedoopt. Bij elke zweepslag komt een reep vlees los. Uiteindelijk zie je van zo iemand de botten.” Bij het horen van al die gruwelijke dingen kromp mijn hart ineen van angst. Ik dacht dat als ze die martelwerktuigen op mij gebruikten, ik er waarschijnlijk aan zou sterven. En als ze mijn lichaam in de bergen zouden gooien, zou ik gewoon door wilde honden worden opgegeten. Wat een tragedie zou dat zijn! Doodsbenauwd riep ik snel uit tot God: “God, ik ben zo bang dat de politie me met deze werktuigen zal martelen. Mijn geloof is niet sterk genoeg, bescherm me alstublieft en geef me geloof en moed om standvastig te blijven in mijn getuigenis, wat ze ook met me doen, al moet ik mijn leven ervoor geven. Omdat ik nog steeds niet praatte, zwaaide commandant Yang zijn armen naar mijn hoofd en sloeg me een tiental keer, links en rechts. Ik kon niet eens blijven staan. Ik kneep mijn ogen stijf dicht en de tranen stroomden over mijn wangen. De agent links van mij, die had gezegd dat hij me de mokerslag zou geven, raakte met alle macht mijn schouder op een bepaald punt. Even leek het alsof al mijn botten waren gebroken, en hij bleef me slaan terwijl hij telde. De agent rechts van mij schopte tegen mijn rechterknieschijf, en ik viel op de vloer. Ze schreeuwden tegen me dat ik moest opstaan. Met mijn handen achter mijn rug geboeid kwam ik met moeite overeind, ondanks de pijn. Onmiddellijk schopten ze me weer neer. De agent van de mokerslag sloeg steeds weer tegen mijn schouder en wilde keer op keer weten: “Met wie ben je in contact geweest? Waar is het geld van de kerk? Zeg het me nu, of je bent er geweest!” Woedend vroeg ik hun: “Welke wet overtreed ik om zo geslagen te worden? Staat er in de grondwet niet dat we vrijheid van godsdienst hebben?” De commandant zei ruw: “Genoeg daarover! Als je hier niet wilt sterven, vertel ons dan waar het geld van de kerk is! Wat wij willen is geld. We slaan je vandaag nog dood als je het ons niet vertelt!” Terwijl hij dat zei, sloeg hij me steeds weer tegen het hoofd, elke slag harder dan de vorige. Ze schopten en sloegen me tegen de vloer, steeds weer, en bevolen me steeds weer om op te staan. Ik weet niet hoe lang ze me sloegen. Het enige wat ik voelde was een gezoem in mijn hoofd en mijn oren. Ik kon mijn ogen niet openen, en het voelde alsof ze uit mijn hoofd zouden springen. Mijn gezicht was zo opgezwollen dat het gevoelloos was geworden, en bloed lekte uit mijn mondhoeken. Mijn hart voelde alsof het uit mijn borstkas ging vallen, en mijn schouderbotten voelden verbrijzeld aan. Ik viel bewegingloos op de vloer. Mijn hele lichaam deed pijn, alsof het volledig in stukjes was gevallen. Ik riep onophoudelijk tot God om Zijn bescherming, en klampte me vast aan maar één gedachte: al moet ik sterven, ik zal geen Judas zijn!

Omdat ik geen woord losliet, probeerde de commandant me te overreden: “We stellen je deze vragen, maar in werkelijkheid weten we de antwoorden al. We willen ze alleen controleren. Iemand anders heeft jullie al verraden, dus is het het echt waard om te lijden omwille van iemand anders? Waarom zou je op jouw leeftijd al dit lijden verdragen? Is het echt nodig? Het is toch maar godsdienst? Zeg ons wat je weet, en je mag meteen vertrekken. Dat zou je zo veel ellende besparen.” Toen zeiden ze godslasterlijke dingen. Het horen van hun schunnige woorden en het zien van hun brute blikken maakte me woedend. Om meer broeders en zuster te arresteren en de offerandes voor God in beslag te nemen, veranderden ze van tactiek en probeerden me te verlokken. Wat waren ze doortrapt en gemeen! Of iemand anders me nou wel of niet had verraden, ik zou voet bij stuk houden en God of andere broeders en zusters onder geen beding verraden. Hierna gebruikte de commandant mijn dochter om me te bedreigen. Hij keek me aan met een valse glimlach en zei: “Jouw dochter is toch in Peking? We zouden haar kunnen arresteren en voor je neus kunnen martelen. Als je niet praat, gooien we jullie beiden in een gevangenis voor mannen en zorgen we ervoor dat die kerels jullie aanranden tot de dood. Ik kan ervoor zorgen door met mijn vingers te knippen, en ik doe wat ik zeg.” Ik wist dat de Communistische Partij tot absoluut alles in staat is en ik was niet bang om doodgeslagen te worden, maar de gedachte dat mijn dochter en ik in een gevangenis voor mannen zouden worden gegooid, kon ik niet verdragen. Ik werd nog liever doodgeslagen worden dan op die manier te worden onteerd. Dit was een erg beangstigende gedachte, dus riep ik snel God aan: “God, waak alstublieft over mijn hart, en hoe ze mij ook martelen of vernederen, ik mag geen Judas zijn.” Na mijn gebed dacht ik aan Daniël die in de leeuwenkuil was gegooid. De leeuwen aten Daniël niet op omdat God het hen niet toestond om hem kwaad te doen. Ik moest vertrouwen in God hebben. Die kwaadaardige politie was ook in Gods handen, dus konden ze me niets doen als God het niet toestond. Omdat ik nog steeds niet praatte, riep een van hen uitzinnig tegen me: “We slaan je vandaag nog dood als je niet praat!” Terwijl hij dat zei, zette hij een paar stappen naar achteren, balde zijn vuist, kwam recht op me af met fel oplichtende ogen en smakte met zijn vuist tegen mijn borst. Ik viel voorover op de grond en kwam een tijdlang niet op adem. Alles vanbinnen, al mijn botten, voelden verbrijzeld en mijn hart voelde alsof het met een tang was uitgerukt. Vanwege de pijn durfde ik niet te hard te ademen. Ik lag met mijn hoofd op de vloer en zweette over mijn hele lichaam. Ik wilde het uitroepen, maar dat lukte me niet – het voelde alsof iets mijn keel verstopte. Ik wilde huilen, maar de tranen kwamen niet. Op dat moment voelde het echt alsof de dood beter zou zijn dan dat. Ik verzwakte en het was alsof ik mijn lichamelijke grens al had bereikt. Als ze me zo bleven slaan, dacht ik, zou het beter zijn om gewoon maar te sterven, zodat er een einde aan zou komen. Dan zouden ze ophouden me te verhoren en martelen en zou ik worden vrijgelaten. Ik overwoog om hun iets onbelangrijks te vertellen, maar besefte vervolgens dat als ik één vinger gaf, ze de hele hand zouden willen en me nog heftiger zouden verhoren. Nee, wat er ook gebeurde, ik mocht de broeders en zusters niet verraden en hen dit soort marteling laten ondergaan. In stilte riep ik uit om Gods bescherming. Op dat moment kwam iets uit Gods woorden me helder voor de geest: “Voor hen die mij in het geheel niet trouw zijn gebleven in tijden van verdrukking zal ik niet meer genadig zijn, want mijn genade reikt maar zover. Ik kan bovendien geen sympathie opbrengen voor degenen die mij eens hebben verraden, nog minder wil ik geassocieerd worden met mensen die de belangen van hun vrienden verraden. Dit is mijn gezindheid, wie de persoon ook maar mag zijn(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Bereid voldoende goede daden voor voor je bestemming). Gods woorden herinnerden me er op precies het juiste moment aan dat Zijn rechtvaardige gezindheid geen belediging van de mens duldt. God verafschuwt degenen die Hem verraden, Hij haat hen en zulke mensen zullen eeuwige straf ondergaan, in lichaam en ziel. In al mijn jaren van geloof had ik zo veel liefde van God en steun van zijn woorden genoten. Zou het dan, nu voor mij het moment daar was om standvastig te staan in mijn getuigenis voor God, niet schandelijk zijn om Hem te verraden om mij maar gretig aan het leven te kunnen vastklampen? Ik zou het niet waard zijn een mens te zijn! Dus zwoor ik dat ik geen Judas zou worden, al moest ik het met mijn leven bekopen. Ik zou God niet verraden en zou in plaats daarvan absoluut getuigenis afleggen!

Net op dat moment trapte die afschuwelijke commandant me en riep: “Opstaan! Doe niet alsof je dood bent, verdomme!” Maar ik had de kracht niet om mezelf in de benen te hijsen. Een paar agenten trokken me omhoog. Ik was verdwaasd, mijn gedachten waren verlamd en mijn hoofd zoemde. Mijn borst deed zo’n pijn dat ik bang was om te ademen en ik zag alles dubbel. Ze vuurden nog altijd vragen op me af. Een golf van woede steeg in me op, en ik verzamelde al mijn kracht om te zeggen: “Dan zal ik sterven! Sla me dan maar gewoon dood!” Ze waren verstomd; elk van hen staarde me wezenloos aan. Ik wist dat God mij die opwelling van kracht en moed had gegeven, en in mijn hart dankte ik Hem. Aanvankelijk was het hun bedoeling geweest om mij te verhoren door mij om beurten te martelen, maar iets na vijf uur ’s middags kregen ze telefoon van de Provinciale Dienst voor Openbare Veiligheid. Ze moesten verslag gaan uitbrengen over de resultaten van hun verhoor, dus stopten ze mijn ondervraging. Ik zat op de vloer met mijn rug tegen de muur zonder me te kunnen bewegen. Van dankbaarheid riep ik uit tot God. Gods bescherming had me hier doorheen gebracht; anders zou ik, in mijn lichamelijke gesteldheid, allang zijn bezweken. Hierna vertrokken alle agenten behalve die van de mokerslag. Hij keek naar me en zei: “Dametje, ik heb nog nooit eerder een vrouw geslagen. Jij bent de eerste, en geen van die grote, sterke mannen kon dertig klappen van me verdragen. Weet je hoe vaak ik je geslagen heb? Al meer dan dertig keer. Ik had nooit gedacht dat een vrouw van jouw leeftijd dat zou kunnen verduren, en je hebt met geen woord gerept over wat we wilden weten. Ik werk al tien jaar bij de recherche en heb nog nooit een geval zoals jij verhoord.” Toen ik dat hoorde, moest ik God danken. Dat ik niet was doodgeslagen, was volledig Gods bescherming.

Die avond na zeven uur namen ze me mee terug naar het huis van bewaring en waarschuwden me: “Wanneer je daar weer heengaat, mag je absoluut aan niemand vertellen dat we je hebben geslagen. Als je dat doet, zal het volgende verhoor nog erger zijn.” Onder het spreken pakten ze een handdoek en veegden het stof van mijn broek, schikten mijn kleding en haar en veegden met een natte handdoek mijn gezicht schoon. Toen ze me naar de cel hadden teruggebracht, logen ze tegen de cipiers. Ze zeiden dat ik me niet goed voelde omdat een hartkwaal was opgespeeld. Ik was woest. Ze waren echt verachtelijk en schaamteloos! Weer in de cel lag ik op mijn bed. Ik kon me niet bewegen. Mijn hoofdhuid was zo gevoelig dat ik die niet durfde aan te raken, en met mijn linkeroor hoorde ik niets. Mijn mond was te gezwollen om te openen en mijn gezicht was bont en blauw. Ik had blauwe plekken over mijn hele lichaam en overal op mijn benen, en op mijn borst zaten duidelijke paarse vuistafdrukken. Mijn linkerschouder was uit de kom, zodat ik die met mijn rechterhand moest ondersteunen. Later bleek uit medisch onderzoek dat meerdere botten in mijn borstkas waren gebroken en dat mijn ruggenwervels scheef stonden. Ik was bang om plat te liggen en al helemaal om te gaan zitten. Als ik diep ademhaalde, voelde het alsof mijn hart en borstholte gestoken werden met glasscherven. Als ik heel langzaam uitademde, was de pijn ietsje minder. Toen de gevangenisdokter me in deze toestand zag, droeg hij de gevangenen die nachtdienst hadden op om mijn neus elke twee uur te controleren, om te zien of ik nog ademde. Elke ochtend wanneer de cipiers op hun werk kwamen, vroegen ze eerst of ik nog leefde. Twee dagen lang at en dronk ik niets, en iedereen in de cel dacht dat ik geen kans maakte om te overleven. Ik hoorde een paar gevangenen van de nachtdienst heel zachtjes spreken. Een van hen zei: “Ze behandelen haar niet en stellen zelfs haar familie niet op de hoogte. Ik denk dat ze hier maar ligt te wachten op de dood.” De ander zei: “Volgens de cipier kunnen moordenaars, brandstichters en prostituees allemaal hun vrijheid kopen; alleen wie in Almachtige God gelooft komt niet vrij. Ze heeft nog maar een paar dagen te leven.” Het was afschuwelijk om hen zulke dingen te horen zeggen. Ging ik hier echt op deze manier sterven? Ik had Gods gloriedagen nog altijd niet gezien. Als ik op deze plek stierf, zouden de broeders en zusters het niet weten, en mijn dochter evenmin. Bij de gedachte aan mijn dochter werd ik door verdriet overweldigd, en ik kon mijn tranen niet tegenhouden. Ik bevond me op de drempel van de dood en er waren geen broeders of zusters bij me. Hoe meer ik er over dacht, hoe pijnlijker het was. Ik kon alleen maar tot God roepen. Toen hoorde ik die twee gevangenen zeggen: “Wat als ze hier echt sterft?” De ander zei: “Pak dan het smerigste, meest kapotte bedovertrek, rol haar erin op, gooi haar in een kuil en begraaf haar.” Het verzwakte mijn geest erg om dat te horen. Ik kon het lichamelijk al niet meer aan, en met de extreme emotionele ellende en wanhoop die daar nog bij kwamen voelde mijn hart nog pijnlijker aan. Ik had het gevoel dat de dood nog beter zou zijn dan dat. Ik wist niet wat ik tegen God moest zeggen, dus riep ik Hem maar dringend aan: “God, red me! Help me alstublieft! Geef me geloof en moed, zodat ik dit te boven kan komen. O God, ik weet niet wat er hierna gaat gebeuren, maar ik weet dat mijn leven en dood in uw handen liggen. Op dat moment kwam er een citaat uit Gods woorden in me op: “Moeten jullie tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het laatste toe lopen, en zelfs bij jullie laatste ademhaling moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en van de genade van God afhangen; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen). Ik was erg bemoedigd en het voelde alsof God Zelf bij me was, me troostte en me moed insprak. Ik dacht ook aan al die heiligen door de tijden heen die martelaren waren geworden omwille van het verspreiden van Gods evangelie. Zelfs tegenwoordig hebben zo veel broeders en zusters hun leven opgegeven om Gods evangelie van het koninkrijk te verspreiden. Hun dood is betekenisvol en waardevol en God herdenkt hen. Ik was gearresteerd omdat ik in God geloofde en mijn plicht vervulde. Zelfs al werd ik tot de dood vervolgd, het zou omwille van rechtvaardigheid zijn en het zou een kwestie van glorie zijn. Ongeacht of ik die dag zou leven of sterven, ik zou standvastig staan in mijn getuigenis voor God en zelfs al zou ik sterven, mijn leven zou niet voor niets geweest zijn. Deze gedachte kalmeerde me sterk, en ik voelde me niet meer zo verlaten of hulpeloos. Ik deed nog een gebed: “God, de gedaante van de dood doemt voor me op. Als hij inderdaad komt, ben ik gereed om me aan uw regelingen te onderwerpen. Als ik dit overleef, zal ik de plicht van een schepsel blijven doen om u tevreden te stellen. Ik zal mezelf volledig aan u geven en tot het einde aan u toegewijd zijn.” Na dat gebed kwam er een vredig gevoel over me. Gedachten aan de dood drongen zich niet langer aan me op, en ook mijn lichamelijke pijn zakte weg. Zo kwam ik door één dag heen, toen door een tweede, toen door een derde… Ik leefde nog altijd! Ik besefte grondig dat dit volledig Gods genade en bescherming was.

Na drie dagen kwamen de mensen van de Nationale Veiligheidsbrigade me halen voor een nieuw verhoor. Nog voordat de celdeur ook maar open was, hoorde ik de cipier mijn naam bulderen. Juist op dat moment was ik er het slechtst aan toe, en zodra de andere gevangenen het hoorden, begon iedereen rumoer te maken. Ze kwamen onmiddellijk overeind en riepen dingen zoals: “Kijk hoe ze eraan toe is, en jullie gaan haar opnieuw verhoren? Jullie zijn absolute beesten. Haar meenemen voor verhoor als ze zo afgeranseld is?” Er waren zo’n zestig mensen, en meer dan de helft nam het woedend voor me op. Het was een chaos in de hele cel. Toen de agenten dat zagen, besloten ze me niet te verhoren. Ik stond op het punt te huilen, zo dankbaar was ik voor Gods bescherming. Later zei zelfs het hoofd van de gevangenen: “Ik zit hier al twee jaar en heb nog nooit zoiets gezien.” Ik wist dat God ongezien over mij waakte; hij zorgde ervoor dat mensen, gebeurtenissen en andere dingen me hielpen en me onder deze bedreiging uit lieten komen. Ik dankte God!

Enige tijd had ik over mijn hele lichaam zo’n pijn dat ik ’s nachts niet kon slapen, dus overdacht ik Gods woorden. Op een keer dacht ik aan een lofzang over Petrus die tot God bad toen hij op zijn zwakst was: “O God! Ongeacht de tijd of plaats, u weet dat ik me u altijd herinner. Ongeacht de tijd of plaats, u weet dat ik u wil liefhebben, maar mijn gestalte is te klein, ik ben te zwak en machteloos, mijn liefde is te beperkt en mijn oprechtheid jegens u is te mager. Vergeleken met uw liefde ben ik gewoon ongeschikt om te leven. Ik wens alleen dat mijn leven niet tevergeefs is en dat ik niet alleen uw liefde kan terugbetalen, maar vooral dat ik alles wat ik heb aan u kan toewijden. Als ik u tevreden kan stellen, dan zal ik als een schepsel gemoedsrust hebben en om niets meer vragen. Hoewel ik nu zwak en machteloos ben, zal ik uw vermaningen niet vergeten en zal ik uw liefde niet vergeten(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). Die lofzang roerde me enorm. Gedurende die hele ervaring van meedogenloze marteling werd ik, telkens als ik bad en me op God verliet in momenten van kwetsbaarheid en pijn, door Hem verlicht en geleid met Zijn woorden en wees Hij me een uitweg. God was aan mijn zijde gebleven, hoedde me en beschermde me. Het ervaren van zo’n omgeving toonde me Gods almacht en heerschappij, en mijn geloof in God groeide. Ik zag ook echt de demonische essentie van de grote rode draak in zijn verzet tegen God en zijn vernietiging van mensen. Vanuit mijn hart wees ik hem af en keerde hem de rug toe, en ik richtte me met mijn hart tot God. God redde me op zulke praktische manieren van Satans machten. Vol dankbaarheid jegens God deed ik een gebed en zei dat ik, of ik nou zou leven of sterven, bereid was Hem mijn hele leven te geven en te aanvaarden wat Hij ook maar regelde. Al betekende het mijn dood, ik zou God helemaal tot het einde volgen! Vanaf dat moment voelde ik in mijn hart dat ik overal wel zonder kon – alleen zonder God aan mijn zijde kon ik niet. Bij het overdenken van Gods woorden voelde ik dat mijn hart nader tot Hem kwam. Onder Gods zorg en bescherming verdwenen de zwellingen rond mijn wonden snel. Bij het ademen deed mijn hart niet meer zo’n pijn, en na een week kon ik lopen als ik de muur als steun gebruikte. Iedereen in de gevangenis was verbluft en zei: “Kijk haar eens, ze moet wel in de ware God geloven!” Ik wist dat het allemaal te danken was aan Gods grote macht en dat Hij me van het randje van de dood had gered en me een tweede leven had gegeven. Vanuit mijn hart dankte ik God oprecht voor mijn redding!

Nadat ik vier maanden had vastgezeten in het huis van bewaring, veroordeelde de Communistische Partij me wegens het verstoren van de maatschappelijke orde tot een jaar heropvoeding door middel van arbeid. Toen ik werd vrijgelaten waarschuwde de politie me: “Als je voor verdere religieuze activiteiten wordt gearresteerd, zul je een zware straf krijgen.” Maar ik liet me door hen niet tegenhouden. In mijn hart bad ik tot God: “Hoeveel onderdrukking of tegenspoed ik hierna ook meemaak, u zal ik voor eeuwig volgen!”

Vorige: 33. Een verhaal over het aangeven van een valse leider

Volgende: 36. Luisteren naar Gods stem en de Heer verwelkomen

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

84. Onbreekbaar geloof

Door Meng Yong, ChinaOmdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek