We nodigen alle zoekers van de waarheid uit om contact met ons op te nemen.

Het Woord verschijnt in het vlees

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Paginabreedte

0 zoekresulta(a)t(en)

Geen resultaten gevonden

De vierendertigste uitspraak

Ik heb de mens eens als gast in mijn huis uitgenodigd. Hij rende echter voortdurend alle kanten op als ik hem riep; alsof ik hem naar het executieterrein had gebracht in plaats van hem als gast uitgenodigd te hebben. Daarom is mijn huis leeg gebleven, want de mens heeft mij altijd gemeden en is altijd op zijn hoede geweest jegens mij. Hierdoor heb ik mijn werk niet kunnen uitvoeren, in de zin dat ik het feestmaal dat ik hem bereid heb, afgeblazen heb, want de mens heeft geen zin om aan dit feestmaal deel te nemen, dus zal ik hem er niet toe dwingen. Maar opeens wordt de mens overvallen door honger, dus komt hij aan mijn deur kloppen om mij om hulp te vragen. Als ik hem dan zie in al zijn ellende, hoe zou ik hem dan niet willen redden? Daarom maak ik de mens wederom een feestmaal klaar, opdat hij ervan mag genieten en pas dan zal hij ondervinden hoe lofwaardig ik ben. Op die manier zal hij afhankelijk van mij worden. En door de houding die ik ten opzichte van hem aanneem, leert hij geleidelijk aan om mij lief te hebben ‘zonder terughouding’ en denkt hij niet meer dat ik hem naar ‘het land van de ondergang’ zal sturen, want dit is niet mijn wil. En aldus, enkel nadat hij in mijn hart heeft gekeken, leert de mens om waarachtig afhankelijk van mij te worden, wat laat zien hoe zeer hij ‘op zijn hoede’ is. Toch ben ik niet afstandelijk jegens de mens vanwege zijn bedrieglijke houding, maar beroer ik de harten van de mensen met mijn warme omhelzing. Is dat niet juist wat ik op dit moment doe? Is dit niet wat in de mensen geopenbaard wordt in deze tijd? Waarom zijn zij tot zulke dingen in staat? Waarom worden zij bezeten door zulke gevoelens? Is het omdat dat ze mij echt kennen? Omdat zij eigenlijk een grenzeloze liefde voor mij koesteren? Ik dwing niemand om mij lief te hebben, maar ik geef hen alleen de vrije wil om hun eigen keuzes te maken. Ik kom niet tussenbeide in deze zaak, noch beïnvloed ik hun keuzes inzake hun lot. De mensen brachten mij hun voornemens, die legden zij mij ter inspectie voor en toen ik de zak open deed die ‘de voornemens van de mensheid’ bevatte, zag ik dat alles door elkaar gehusseld zat. Wat er in zat was echter ‘overvloedig’ en de mensen keken mij met grote ogen aan, doodsbenauwd dat ik hun voornemens teniet zou doen. Maar omdat ik de zwakheden van de mens ken, bepaalde ik mijn oordeel niet direct en sloot daarom de zak maar en ging verder met het werk dat ik behoor te doen. De mens onderwerpt zich echter niet aan mijn leiding, maar is nog steeds bezorgd over de vraag of zijn voornemens mijn goedkeuring kunnen wegdragen. Ik heb zoveel werk gedaan, zoveel woorden gesproken, maar tot op heden is de mens nog steeds niet in staat mijn wil te bevatten en daarom blijf ik verbaasd staan over al zijn verbijsterende daden. Hoe komt het dat hij mijn wil nooit kan begrijpen en alles willekeurig doet zoals het hem uitkomt? Heeft hij misschien een hersenschudding opgelopen? Is het mogelijk dat hij de woorden die ik spreek niet begrijpt? Waarom gaat hij gewoon maar door met zijn blik recht vooruit gericht, maar is hij niet in staat om een weg voor te bereiden en een voorbeeld te geven aan de mensen van de toekomst? Was er iemand die Petrus een voorbeeld gaf? Was het niet onder mijn leiding dat Petrus het overleefde? Waarom zijn de mensen van vandaag hier niet toe in staat? Waarom zijn ze, nadat ze een voorbeeld hebben gekregen dat ze kunnen volgen, nog steeds niet capabel om mijn wil te vervullen? Dit laat zien dat de mens nog steeds geen vertrouwen in mij stelt. Dit heeft geleid tot de ellendige omstandigheden van vandaag.

Ik schep groot genoegen in het observeren van de vogeltjes die in de lucht vliegen. Ofschoon zij hun voornemens niet aan mij voorgelegd hebben en geen woorden hebben om tegen me te spreken, vinden zij veel plezier in de wereld die ik hen heb gegeven. De mens is echter niet in staat dit te doen en zijn gelaat is vol zwaarmoedigheid. Kan het zijn dat ik een onbetaalbare schuld bij hem heb? Waarom is zijn gezicht altijd betraand? Ik bewonder de lelies die in de heuvels bloeien. De bloemen en het gras strekken zich uit over de hellingen, maar de lelies voegen glans toe aan mijn glorie op aarde voor de komst van de lente. Kan de mens zoiets bewerkstelligen? Zou hij een getuigenis over mij kunnen geven voordat ik terugkeer? Zou hij een offer kunnen brengen omwille van mijn naam in het land van de grote rode draak? Het is alsof mijn uitspraken doorspekt zijn met eisen die ik aan de mens stel. Hij walgt van mij vanwege deze voorwaarden, omdat zijn lichaam te zwak is en omdat hij in principe niet in staat is om uit te voeren wat ik vraag, vreest hij mijn woorden. Wanneer ik mijn mond opendoe zie ik de mensen op aarde in alle richtingen wegvluchten alsof ze aan de hongerdood proberen te ontsnappen. Wanneer ik mijn aangezicht bedek, wanneer ik mijn lichaam omdraai worden de mensen direct gegrepen door paniek, ze weten niet wat ze moeten doen want zij vrezen mijn vertrek; naar hun opvatting is de dag waarop ik vertrek de dag waarop het onheil uit de hemel nederdaalt, de dag waarop ik vertrek is de dag waarop hun straf begint. Toch is wat ik doe precies het tegenovergestelde van wat de mens zich verbeeldt. Ik heb me nooit gedragen volgens de opvattingen van de mens, ik heb nooit toegestaan dat zijn opvattingen overeenstemden met mij. Het moment waarop ik iets doe is precies het moment waarop de mens blootgelegd wordt. Met andere woorden, mijn daden kunnen niet gemeten worden volgens de opvattingen van de mens. Vanaf de tijd van de schepping tot aan het heden heeft niemand ooit een ‘nieuw continent’ ontdekt in de dingen die ik doe, niemand heeft ooit iets begrepen van de wetten waarnaar ik handel, niemand heeft ooit een nieuwe uitweg geopend. Daarom zijn de mensen vandaag nog steeds niet in staat de juiste weg te volgen; dat is precies hetgeen hen ontbreekt en waar zij moeten binnen gaan. Vanaf de tijd van de schepping tot aan de dag van vandaag heb ik me nooit in een dergelijke onderneming begeven, ik heb alleen een aantal nieuwe stukjes toegevoegd aan mijn werk in de laatste dagen. Maar zelfs onder zulke duidelijke omstandigheden zijn de mensen nog steeds niet in staat te begrijpen wat mijn wil is. Is dat juist niet precies wat hen ontbreekt?

Nadat ik het nieuwe werk binnengegaan ben, stel ik nieuwe eisen aan de mens. Voor de mens lijkt het alsof de eisen van het verleden geen enkele consequentie hebben gehad en daarom vergeet hij ze. Wat is de nieuwe manier waarop ik werk? Wat vraag ik van de mens? De mensen zelf kunnen beoordelen of wat zij in het verleden gedaan hebben in overeenstemming was met mijn wil, of hun daden binnen de grenzen lagen van wat ik vroeg. Het is niet nodig dat ik alles afzonderlijk inspecteer; zij begrijpen heel goed waartoe zij in staat zijn, dus naar hun idee weten ze heel goed tot hoe ver ze kunnen gaan en is het niet nodig dat ik het hen uitdrukkelijk vertel. Wanneer ik spreek zullen sommige mensen misschien struikelen; daarom ben ik dit gedeelte van mijn woorden uit de weg gegaan om te voorkomen dat er mensen als gevolg daarvan zwak worden. Is dit niet veel beter voor het streven van de mens? Is het niet veel beter voor de vooruitgang van de mens? Wie wil er niet liever zijn verleden maar vergeten en verder streven naar de dingen die komen? Vanwege mijn ‘gedachteloosheid’ ben ik me niet bewust of de mensen het besef hebben dat ik door de manier waarop ik spreek al een nieuwe dimensie ben binnen gegaan. Daar komt nog bij dat ik, omdat mijn werk te ‘druk’ is, de tijd niet heb gehad om bij de mensen te informeren of ze de toon begrijpen die ik tegen hen aansla. Daarom vraag ik slechts dat de mensen mij beter proberen te begrijpen. Omdat mijn werk zo ‘druk’ is, ben ik niet in staat om mijn werkstations te bezoeken om de mensen persoonlijk te leiden, daarom ‘begrijp ik zo weinig van hen.’ Om alles samen te vatten, ik ben nu begonnen de mens officieel naar een nieuwe start te leiden en naar een nieuwe methode. In al mijn uitspraken hebben de mensen gezien dat er iets grappigs is aan de dingen die ik zeg, dat er humor in zit en een bijzondere ondertoon van zelfspot. Daardoor wordt de harmonie tussen de mens en mij ongemerkt verstoord, waardoor er een dikke wolk over de gezichten van de mensen komt. Ik word daardoor echter niet beperkt in mijn doen en laten, maar ik ga verder met mijn werk, want alles wat ik zeg en doe is een noodzakelijk onderdeel van mijn plan, alles wat uit mijn mond komt helpt de mens en niets wat ik doe is onbelangrijk, maar bouwt alle mensen op. Het is omdat de mens in gebreke blijft dat ik loslaat en blijf spreken. Sommige mensen wachten misschien met smart tot ik nieuwe voorschriften voor hen maak. Als zij dat willen zal ik hun wensen inwilligen. Maar er is iets waar ik je aan moet herinneren: wanneer ik spreek, hoop ik dat de mensen meer inzicht zullen krijgen. Ik hoop dat zij meer onderscheidingsvermogen zullen krijgen zodat zij meer uit mijn woorden kunnen halen en zodoende mijn voorschriften zullen naleven. Voorheen waren de mensen er in de kerken op gespitst dat zij aangepakt en gebroken werden. Het eten en drinken van mijn woorden was gebaseerd op het begrijpen van hun doelen en hun bron, maar vandaag is het heel anders dan in het verleden; mensen zijn volkomen onbekwaam om de bron van mijn uitingen te begrijpen, en daardoor hebben ze geen kans om door mij aangepakt en gebroken te worden, want zij hebben al hun moeite gedaan om mijn woorden te eten en te drinken. Maar zelfs onder deze omstandigheden blijven ze niet in staat om aan mijn eisen te voldoen, dus stel ik nieuwe eisen aan hen: ik vraag hen om de beproevingen samen met mij te ondergaan, dat ze tuchtiging zullen ondergaan. Laat mij jullie echter aan één ding herinneren: hierdoor wordt de mens niet ter dood gebracht, maar dit wordt vereist zodat ik mijn werk kan doen. Want zoals de zaken er nu voor staan, zijn mijn woorden onbegrijpelijk voor de mens en is de mens niet in staat om met mij samen te werken; er is niets aan te doen! Ik kan alleen maar zorgen dat de mens samen met mij de nieuwe methode zal binnengaan. Wat kan ik anders doen? Omdat de mens tekortschiet moet ik me ook begeven in de stroom die de mens binnen gaat. Ben ik niet Degene Die de mensen compleet zal maken? Ben ik niet Degene Die dit plan verzonnen heeft? Ofschoon het andere vereiste niet moeilijk is, is het niet minder dan het eerste. Mijn werk onder de groep mensen van de laatste dagen is een onderneming die nooit eerder is voorgekomen en daarom, opdat mijn glorie het heelal mag vervullen, ondergaan alle mensen de laatste narigheden voor mij. Begrijpen jullie mijn wil? Dit is het laatste wat ik van de mens eis, ik hoop echter dat alle mensen een sterke, klinkend getuigenis zullen geven over mij voor de grote rode draak, dat zij zich om mijnentwille kunnen opofferen voor een laatste keer en mijn eisen nog een keer zullen inwilligen. Kunnen jullie dit echt wel aan? Jullie waren niet in staat om mijn hart te bevredigen in het verleden. Kunnen jullie dit patroon veranderen tijdens het laatste stadium? Ik geef de mensen de kans om na te denken, ik laat hen heel goed nadenken voordat ze mij hun antwoord geven. Is het verkeerd dit te doen? Ik wacht op antwoord van de mens, ik wacht zijn ‘brief van antwoord’ af. Hebben jullie het geloof om mijn eisen in te willigen?

20 april, 1992

Vorige:De drieëndertigste uitspraak

Volgende:De achtendertigste uitspraak

Mogelijk vindt u dit ook interessant