39. Eindelijk een menselijke gelijkenis naleven

Door Zhou Hong, China

Toen ik in 2018 kerkleider werd, ontmoette ik zuster Yang, die een goed kaliber had en de waarheid nastreefde. Ik dacht bij mezelf: als ik haar goed kan opleiden, zal het mijn leven makkelijker maken, zal ons werk verbeteren, en zal mijn leider me prijzen. Dus ik begon haar enthousiast op te leiden. Ik communiceerde met haar als ze problemen had, en ik wees haar aan als teamleider. Ze boekte snel vooruitgang en voerde haar plicht zorgvuldig uit. Ons team kreeg al snel meer werk gedaan. Ik dacht: als ik meer mensen zoals zuster Yang had, zou ons werk voor de kerk aanzienlijk verbeteren. Ik zou me kunnen ontspannen, onze resultaten zouden beter zijn, en iedereen zou zeggen dat ik het goed doe. Op een dag moesten er dringend documenten worden samengesteld over het verdrijven van antichristen en kwaadwillenden. We waren het eens dat zuster Yang het moest doen. Tot mijn verbazing begreep ze al snel de principes en produceerde ze objectieve en nauwkeurige documenten. Mijn leider had me vaak gevraagd of we iemand hadden die goed documenten kon samenstellen. Ik wist dat zuster Yang zo iemand was. Maar als ze zou worden overgeplaatst, zou dat zeker gevolgen hebben voor ons werk, dus wilde ik haar niet laten gaan en gaf de leider haar naam niet.

Tijdens een bijeenkomst zei de leider dat ze iemand nodig hadden om documenten samen te stellen over het verdrijven van antichristen en boosdoeners. De leider vroeg of we iemand hadden. Ik dacht: zuster Yang zou hier goed in zijn, maar als zij gaat, moet ik iemand anders opleiden. Dat kost te veel moeite. Wat zal mijn leider van me denken als ons werk blijft liggen? Zuster Tang kan ook goed documenten samenstellen, maar ze is een beetje passief in haar plicht en heeft veel hulp nodig. Ik zal haar naam noemen. Zo is er iemand om de taak te doen en kan zuster Yang blijven. Dat heeft geen gevolgen voor ons werk. Dus ik beval zuster Tang aan. Ik benadrukte haar sterke kanten en zorgde dat zuster Yang minder goed klonk, en deed alsof zuster Yang minder goed was. Enkele dagen later werd zuster Tang gekozen voor de taak. Later ontdekte ik dat zuster Tang het niet alleen aankon. Ik dacht: zuster Yang zou er geen problemen mee hebben, maar ik wil niet dat ze gaat. Ze is heel goed in haar plicht. Wat zou er zonder haar met ons werk gebeuren? Dus ik besloot opnieuw om zuster Yang niet aan te bevelen. Enkele dagen later vroeg mijn leider specifiek om zuster Yang. We moesten iemand vinden om haar te vervangen. Ik was volledig tegen dat idee. Ik dacht: wie zal zonder zuster Yang de documenten van onze kerk samenstellen? Zelfs als we geschikte personen vinden, zullen ze nieuw zijn en de principes niet kennen. Ze zullen ingewerkt moeten worden. Niet alleen zal ons werk eronder lijden, maar ik zal zelf hard moeten werken en me moeten inspannen. Ik wist dat ik zo niet hoorde te denken, maar ik bleef excuses verzinnen: ik heb zuster Yang zelf opgeleid. Als ze gaat, is er niemand in ons team die haar werk kan doen. Wat moeten we dan? Nee, ik moet het met mijn collega’s bespreken en de leider vragen of zuster Yang enkele maanden mag blijven tot we iemand anders hebben getraind. Toen ik dat deelde met mijn twee collega’s, berispten ze me: “We leiden mensen op om het werk van Gods huis te doen. Zodra zuster Yang weg is, kunnen we iemand anders inwerken. Het is egoïstisch dat je zuster Yang ervan weerhoudt om te gaan.” Maar ik dacht niet na over mezelf. In plaats daarvan dacht ik: wat ben je toch gul. Denk je dat mensen opleiden makkelijk is? Ik werd steeds bozer en opstandiger. Ik verweet mijn collega’s dat ze mijn kant niet zagen. Kort daarna kreeg ik het heel heet, alsof ik in brand stond. Mijn hele lichaam voelde zwak. Ik dacht: het weer is goed en ik ben niet verkouden. Dit is heel vreemd. Ik besefte dat God me tuchtigde en disciplineerde. Ik dacht aan Gods woorden: “Nu, wanneer ik onder jullie werk, gedragen jullie je op deze manier – als de dag komt waarop er niemand is om over jullie te waken, zullen jullie dan niet als bandieten zijn die zichzelf tot koningen hebben uitgeroepen van hun eigen bergjes?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Een heel ernstig probleem: verraad (1)). Het verbaasde me dat Gods woorden mijn eigen gesteldheid precies openbaarden. Ik behandelde zuster Yang alsof ze mijn bezit was. Omdat ik haar had opgeleid, vond ik dat ze van mij was en dat ze in mijn kerk moest blijven om mij er goed uit te laten zien. Niemand mocht haar hebben. In werkelijkheid doen alle broeders en zusters hun plicht in Gods huis. Hun taken komen allemaal van God. Ze doen hun plichten waar en wanneer Gods huis ze nodig heeft en zoals God het regelt. Toch had ik anderen bedrogen omwille van mijn eigen prestige en status. Ik had zuster Yang voor mezelf willen houden. Was ik dan niet “zullen jullie dan niet als bandieten zijn die zichzelf tot koningen hebben uitgeroepen van hun eigen bergjes”? Ik had geprobeerd om zuster Yang te beheersen en haar van God weg te rukken. Dat was wat antichristen deden. Dat pad leidde tot verderf. Toen ik dat besefte, had ik veel spijt. Ik was heel arrogant en egoïstisch.

Toen las ik deze woorden van God: “Wat is de norm die wordt gebruikt om de handelingen en het gedrag van een mens te evalueren als goed of kwaad? De norm is of ze in hun gedachten, onthullingen en handelingen beschikken over het getuigenis van het in de praktijk brengen van de waarheid en van het uitleven van de waarheidswerkelijkheid. Als je deze werkelijkheid niet bezit en deze niet uitleeft, dan ben je zonder twijfel een kwaaddoener(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). “Als men in God gelooft maar geen acht slaat op Zijn woorden, de waarheid niet aanvaardt en zich niet onderwerpt aan Zijn regelingen en orkestraties, als men alleen bepaalde goede gedragingen toont, maar niet in staat is het vlees te verzaken, en niets van zijn trots of belangen laat varen; als, hoewel men naar alle schijn zijn plicht vervult, men nog altijd volgens zijn satanische gezindheden leeft, men niet in het minst de filosofieën en bestaanswijzen van Satan heeft opgegeven, en men niet verandert – hoe zou men dan ooit in God kunnen geloven? Dat is geloof in religie. Zulke mensen verzaken dingen en zetten zich oppervlakkig in, maar het pad dat ze bewandelen en de bron en impuls van alles wat ze doen zijn niet gebaseerd op het woord van God of op de waarheid. In plaats daarvan blijven ze handelen volgens hun eigen inbeeldingen, verlangens en subjectieve veronderstellingen, en de filosofieën en gezindheden van Satan blijven de basis vormen van hun bestaan en handelingen. Bij zaken waarvan ze de waarheid niet begrijpen, zoeken ze die niet; bij zaken waarvan ze de waarheid wel begrijpen, praktiseren ze die niet, verheerlijken ze God niet als groots en koesteren ze de waarheid niet. Hoewel ze in naam volgelingen van God zijn, is dat alleen in naam; de inhoud van hun handelingen is niets anders dan de uitdrukking van hun verdorven gezindheden. Er is geen aanwijzing dat hun drijfveer en bedoeling bestaan uit het in praktijk brengen van de waarheid en het handelen naar Gods woorden. Mensen die hun eigen belangen voor al het andere stellen, die eerst hun eigen verlangens en bedoelingen vervullen – zijn dit mensen die God volgen? (Nee.) En kunnen mensen die God niet volgen verandering teweegbrengen in hun gezindheden? (Nee.) En als ze hun gezindheden niet kunnen veranderen, zijn ze dan niet erbarmelijk?(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Men kan niet worden gered door in religie te geloven of aan religieuze rituelen deel te nemen). Ik dacht na over Gods woorden en mijn gedrag. Het leek alsof ik mezelf opofferde voor God, maar met mijn plicht wilde ik mijn eigen belangen dienen. Toen mijn leider vroeg om iemand om documenten samen te stellen, wist ik dat zuster Yang de beste persoon daarvoor was. Maar ik loog en bedroog om mijn eigen belangen te beschermen en beval zuster Tang aan. Zelfs toen ik zag dat zuster Tang het moeilijk had en het werk zou kunnen vertragen, beval ik zuster Yang niet aan. Ik dacht niet aan Gods huis en lette niet op Gods wil. Ik gebruikte broeders en zusters als instrumenten om mijn eigen prestige en status te beschermen. Ik was heel laaghartig, egoïstisch en gemeen. Ik geloofde al jaren in God, maar al mijn gedachten en ideeën waren gebaseerd op mijn satanische gezindheden en op Satans overlevingstactieken. Ik volgde Gods woorden niet en beoefende de waarheid niet. Ik was een niet-gelovige, zoals Gods woorden beschrijven. Ik mocht niet meer egoïstisch zijn. Ik moest iemand leveren met talent en dan meer mensen trainen voor onze kerk. We regelden dat iemand zuster Yangs werk in ons team zou overnemen. Zuster Yang werd overgeplaatst. Later leerde ik dat zuster Yang snel de documenten had samengesteld over het verdrijven van mensen. Ik voelde me rot toen ik dat hoorde. Als ik haar eerder had aanbevolen en mijn eigen belangen had genegeerd, had dat werk niet zo’n vertraging opgelopen. Dit kwam door mijn egoïsme. Ik had gezondigd en kwaad gedaan. Ik nam het op als een waarschuwing dat ik mijn eigen belangen nooit meer boven Gods huis mocht plaatsen.

Ik dacht dat deze ervaring me had veranderd, maar hetzelfde probleem wachtte gewoon op de juiste omstandigheden om weer de kop op te steken. Niet lang daarna vroeg mijn leider me om zuster Liu. Ze wilde dat ze nieuwe gelovigen in een nabijgelegen kerk zou begieten. Ik voelde een zekere onwil, maar ik mocht niet egoïstisch zijn en moest het werk van de kerk hooghouden. Ik kon altijd iemand anders opleiden, dus ik liet zuster Liu gaan. Toen zei ze dat zuster Li, die documenten samenstelde, een promotie zou krijgen. Ik moest een evaluatie schrijven. Dat ging me te ver. Wie zou zonder zuster Li documenten samenstellen? Ik wilde zuster Li niet laten gaan, dus ik stelde haar evaluatie uit. Ik wilde haar vertrek enkele dagen vertragen, zodat mijn leider misschien iemand anders zou vinden en zuster Li zou kunnen blijven. Mijn collega merkte dat ik de evaluatie niet schreef en drong er bij me op aan. Ik scheepte haar af en zei dat ik het meteen zou doen, maar dat deed ik niet. Zo’n tien dagen later zei mijn collega: “Onze leider heeft zuster Li overgeplaatst zonder de evaluatie.” Het duurde even voor ik het begreep. Dit ging veel te snel. Al mijn goede teamleden waren overgeplaatst. Nu zouden we niets meer in de kerk gedaan krijgen. Mijn hoofd barstte van die gedachten. Het voelde alsof ik een zware last op mijn hart had. De dagen erna had ik geen eetlust. Ik dacht er alleen maar aan dat ik mensen moest vinden en dat ik onder veel druk stond. Het zou allemaal te veel moeite kosten. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer zorgen ik me maakte. Ik was uitgeput.

Op een dag liep ik de trap af toen ik struikelde. Ik hoorde mijn voet kraken, alsof er een bot brak. Ik dacht: dat was het dan. Ik kan mijn plicht niet doen met een gebroken voet. Ik wist dat God me disciplineerde. Ik dacht aan hoe mensen een voor een waren overgeplaatst en hoe ik in mijn hart tegen God was ingegaan en alles had weerstaan. God walgde vast van mijn houding tegenover mijn plicht, dus had Hij me mijn plicht afgenomen. Die gedachte maakte me heel bang. Mijn voet deed ook enorm pijn. Ik bleef tot God bidden en wilde echt berouw tonen. Tot mijn verbazing, na de lunch die dag deed mijn voet opeens geen pijn meer, alsof ik hem nooit had bezeerd. Ik wist in mijn hart dat dit een waarschuwing van God was geweest, zodat ik over mezelf zou nadenken en mezelf zou kennen. Ik vroeg me af: waarom stel ik altijd mijn eigen belangen voorop?

Later bekeek ik een video waarin Gods woorden werden voorgelezen. Almachtige God zegt: “Voordat mensen Gods werk ervaren en de waarheid begrijpen, is het Satans aard die vanbinnen de leiding neemt en hen vanbinnen beheerst. Wat houdt die aard specifiek in? Bijvoorbeeld: waarom ben jij egoïstisch? Waarom bescherm je je eigen status? Waarom word je zo door je gevoelens beïnvloed? Waarom houd je van die onrechtvaardige dingen en die slechte dingen? Op basis waarvan houd je van zulke dingen? Waar komen deze dingen vandaan? Waarom houd je ervan en aanvaard je ze? Inmiddels begrijpen jullie het allemaal: de belangrijkste reden is dat Satans vergif in de mens zit. Dus wat is het gif van Satan? Hoe kan dat worden uitgedrukt? Wanneer je bijvoorbeeld vraagt: ‘Hoe horen de mensen te leven? Waar moeten de mensen voor leven?’ antwoorden de mensen: ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’. Deze ene zin drukt de onderliggende oorzaak van het probleem uit. De filosofie en logica van Satan is het leven van de mensen geworden. Waar mensen ook naar streven, ze doen het voor zichzelf en dus leven ze alleen maar voor zichzelf. ‘Ieder voor zich en God voor ons allen’ – dit is de levensfilosofie van de mens en het representeert ook de menselijke aard. Deze woorden zijn reeds de aard van de verdorven mensheid geworden, en ze zijn het ware portret van de satanische aard van de verdorven mensheid. Deze satanische aard is al de basis geworden van het bestaan van de verdorven mensheid. Duizenden jaren heeft de verdorven mensheid geleefd volgens dit vergif van Satan, tot op de dag van vandaag(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Hoe het pad van Petrus te bewandelen).

Volgens Gods woorden werd de mensheid door Satan verdorven. Allerlei satanische doctrines werden in onze harten geplant en werden onze natuur. Zoals: “Ieder voor zich en God voor ons allen.” Iedereen volgt deze satanische doctrine. Alles wat we doen, is uit eigenbelang. We denken dat het juist is, dus we worden steeds egoïstischer en bedrieglijker. Ik dacht na over mezelf. Toen de leider mensen uit mijn kerk overplaatste, verzette ik me en gebruikte ik zelfs bedrog om het tegen te houden. Ik behandelde mensen alsof ze van mij waren en weigerde om ze aan Gods huis te geven. Ik was heel egoïstisch en verachtelijk en totaal onredelijk. Ik stond het werk van Gods huis in de weg. Toen de Heer Jezus kwam werken, wilden de farizeeën hun eigen status en levensonderhoud beschermen door mensen ervan te weerhouden om Hem te volgen. Ze behandelden gelovigen alsof ze van hen waren en wedijverden met de Heer over hen. Ten slotte beledigden ze God en strafte Hij hen. Ik gedroeg me hetzelfde als de farizeeën. Broeders en zusters zijn Gods schapen en Gods huis heeft het recht om ze toe te wijzen zoals het wenst. Ik mocht me er niet mee bemoeien. Als kerkleider moest ik mijn plicht doen zoals Gods huis vereist en volgens principes, en communiceren over de waarheid om problemen op te lossen en mensen te trainen. Dat was mijn plicht, mijn verantwoordelijkheid. Maar ik had Gods wil niet overwogen en mensen niet toegewezen volgens de principes. Ik had niet de moeite willen doen om meer mensen op te leiden. Ik had de mensen met talent niet aanbevolen omdat ik ze in mijn team wilde houden, zodat we konden werken voor mijn eigen prestige. Ik had mijn eigen ding gedaan en was tegen Gods huis ingegaan. Ik trotseerde God en volgde het pad van de antichristen. Die gedachte maakte me bang en ik dankte God dat Hij me had gedisciplineerd, zodat ik niet nog meer kwaad had kunnen doen.

Later bekeek ik nog een video waarin Gods woorden werden voorgelezen. Almachtige God zegt: “De emoties van de mensheid zijn zelfzuchtig en behoren toe aan de wereld van de duisternis. Ze bestaan niet voor de wil, laat staan voor het plan van God. Daarom kunnen de mens en God nooit in één adem worden genoemd. God blijft altijd het hoogst verheven en eerzaam, terwijl de mens voor eeuwig minderwaardig en waardeloos blijft. Dit komt doordat God Zichzelf altijd opoffert en aan de mensheid wijdt, terwijl de mens altijd alleen voor zichzelf neemt en zich alleen voor zichzelf inspant. God doet altijd moeite voor de overleving van de mens, en toch draagt de mens nooit iets bij aan het licht of rechtvaardigheid. Zelfs als de mens enige tijd zijn best doet, is dit nog zo zwak dat het nooit tegen een stootje kan, want de inspanning van de mens is altijd voor zijn eigen belang en nooit voor anderen. De mens is altijd zelfzuchtig, terwijl God altijd onbaatzuchtig is. God is de bron van alles wat rechtvaardig, goed en mooi is, terwijl de mens degene is die alle lelijkheid en kwaad opvolgt en zichtbaar maakt. God zal Zijn wezen van rechtvaardigheid en schoonheid nooit veranderen, maar de mens is heel goed in staat op ieder moment en in iedere situatie de rechtvaardigheid te verraden en ver van God af te dwalen(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het is heel belangrijk Gods gezindheid te begrijpen). Gods woorden toonden me dat God onzelfzuchtig is. Alles wat Hij doet, doet Hij om ons te redden, om ons te helpen. Gods huis bevordert en leidt mensen op, zodat waarheidszoekers met een goed kaliber meer kunnen oefenen en ten slotte Gods taken kunnen uitvoeren. Dat is goed voor broeders en zusters en het werk van Gods huis. Wat mij betreft: ik had me vrij kunnen laven aan Gods woorden en had training van Gods huis ontvangen, maar ik wilde mijn plicht niet doen om Gods liefde terug te betalen. Ik wilde mensen alleen maar onder mijn controle houden. Voor mijn eigen prestige en status aarzelde ik niet om te verhinderen dat Gods huis mensen opleidde, waardoor het werk vertraging opliep. Ik was heel egoïstisch en kwaadaardig geweest, ongeschikt om voor God te leven. Ik kon zo niet verdergaan. Ik moest Gods huis voorzien van getalenteerde mensen, zodat meer broeders en zusters de plicht konden doen die ze hoorden te doen. Toen ik me dat eenmaal realiseerde, vond ik snel iemand om zuster Li’s werk over te nemen. Ik dankte God. Hoewel de nieuwe persoon de principes niet kende en ik harder moest werken, voelde ik me kalm en op mijn gemak. Ik was bereid om offers te brengen en om te bidden met broeders en zusters om het werk van onze kerk goed te doen.

Twee weken later zei mijn leider: “Zuster Zhao moet artikelen redigeren in een andere kerk.” Toen ik dat hoorde, dacht ik: ik moet aan het gehele werk van Gods huis denken en mag niet egoïstisch zijn. Maar we hebben nog maar net een nieuwe zuster getraind voor dit werk en ze kent de principes niet. Maar we zijn net een nieuwe zuster voor dit werk aan het inwerken en ze kent de principes nog niet. Ons werk zal eronder lijden. Zuster Zhao kan beter hier blijven. Ik besefte dat ik weer aan mijn eigen belangen dacht. Ik had het pad van de antichristen gevolgd, het werk van de kerk verstoord en Gods gezindheid beledigd. Ik was heel bang. Toen dacht ik aan Gods woorden: “Doe dingen niet altijd voor jezelf en denk niet voortdurend aan je eigen belangen; denk niet aan de belangen van de mens, houd niet je eigen trots, reputatie of status voor ogen. Je moet allereerst rekening houden met de belangen van Gods huis en die tot je eerste prioriteit maken. Je moet rekening houden met Gods wil en allereerst nagaan of je wel of niet onzuiver bent geweest bij het vervullen van je plicht, of je trouw bent geweest, of je je verantwoordelijkheden hebt vervuld, of je jezelf geheel hebt gegeven, en of je wel of niet met heel je hart aandacht hebt geschonken aan je plicht en het werk van de kerk. Die dingen moet je overwegen. Denk er vaak aan en zoek er duidelijkheid over, dan zal het je makkelijker vallen om je plicht goed te vervullen. Als je van laag kaliber bent, als je ervaring oppervlakkig is, of als je niet bedreven bent in je professionele werk, dan is het mogelijk dat er in je werk fouten of tekortkomingen voorkomen en de resultaten niet zo heel goed zijn – maar dan zul je je uiterste best gedaan hebben. Bij alles wat je doet, bevredig je niet je eigen zelfzuchtige verlangens of voorkeuren. In plaats daarvan houd je voortdurend het werk van de kerk en de belangen van Gods huis in gedachten. Hoewel je bij het vervullen van je plicht misschien geen goede resultaten behaalt, zal je hart verbeterd zijn. Als je bovendien de waarheid kunt zoeken om de problemen in je plicht op te lossen, zal je plicht goed genoeg zijn en zul je de werkelijkheid van de waarheid kunnen binnengaan. Dit is het afleggen van getuigenis(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). Gods woorden gaven me een beoefeningspad. Ik moest denken aan Gods wil en het werk van de kerk. Ik mocht niet egoïstisch zijn en talent voor mezelf houden. Ik bad tot God: “God, ik ben heel egoïstisch en gemeen geweest. Ik weerhield Gods huis ervan om mensen te bevorderen en verstoorde zo het werk van de kerk. Ik wil u niet meer weerstaan. Help me om mijn vlees te verzaken en de waarheid te beoefenen…” Na mijn gebed sprak ik met zuster Zhao over haar overplaatsing. Hoewel ze werd overgeplaatst, was ik niet zo van streek als eerder. Ik voelde dat het Gods vriendelijkheid en zegen was dat ik Gods huis had kunnen voorzien van zulk talent. Ik had ook mijn eigen plicht kunnen doen, en mijn hart was vervuld van vrede en vreugde. Dank aan Almachtige God.

Vorige: 38. Zich bevrijden van status

Volgende: 40. Een remedie tegen jaloezie

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

84. Onbreekbaar geloof

Door Meng Yong, ChinaOmdat ik van nature een eerlijk persoon ben, werd ik altijd door anderen gekoeioneerd. Dientengevolge heb ik de...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek