88. De ellende van gevangenschap
Op een dag in mei 2004 was ik met een paar broeders en zusters aanwezig op een bijeenkomst, toen meer dan twintig politieagenten naar binnen stormden. Ze zeiden dat ze lid waren van de Gemeentelijke Nationale Veiligheidsbrigade en dat ze mijn mobiele telefoon de laatste vier maanden hadden afgeluisterd. Ze zeiden dat ze bezig waren met een actie in de hele provincie en dat veel gelovigen in Almachtige God gearresteerd waren. Ze namen me voor verhoor mee naar een Partijschool in de stad. Zodra we daar binnenkwamen, bevalen ze me om mijn schoenen uit te doen en op mijn hurken te gaan zitten. Na een tijdje begonnen mijn benen te slapen, maar wanneer ik van de houding wilde veranderen, blafte de politie me toe dat ik geen vin in mocht verroeren. Ze lieten me twee uur lang mijn hurken zitten voordat ze met het verhoor begonnen. “Wie is jullie leider? Waar wordt het geld van de kerk bewaard?” Ik zei niets. De kapitein van de Nationale Veiligheidsbrigade kwam aanlopen met een paar handboeien en zei vinnig: “Verspil geen tijd aan haar. Geef haar hier een voorproefje van!” Toen zei hij tegen mij: “Hoor je dat in de kamer hiernaast?” Ik kon een zuster in de kamer ernaast horen gillen. Ik voelde me gelijk gespannen en bang, en dacht: deze agenten gaan me net zo martelen. Hoe kan ik dat verdragen? Toen richtte ik een stil gebed tot God. Ik vroeg Hem om me kracht te geven en zei dat ik bereid was op Hem te steunen en getuigenis af te leggen. Op dat moment schopte de kapitein me tegen de grond, boeide mijn handen achter mijn rug en rukte me op en neer. Toen hij mij zo een paar keer op en neer had getrokken, had ik zo’n pijn dat het zweet me uitbrak. Ze bleven dit ongeveer tien minuten lang doen voordat ze eindelijk loslieten. Ze zagen dat dit niet werkte, dus besloten ze iets anders proberen. Ze haalden er een stel agenten uit een ander gebied bij en een paar agenten van de oproerdienst uit de stad, die me beurtelings begonnen te ondervragen. Elke groep bestond uit vier personen die me om de beurt dag en nacht bewaakten en martelden door te voorkomen dat ik in slaap zou vallen. Als mijn ogen niet langer open kon houden en wegzakte, gooide de politie koud water in mijn gezicht en trok aan mijn haar in een poging mijn wilskracht te breken, zodat ik mijn broeders en zusters zou aangeven en God zou verraden. Elke dag was ik tot het uiterste gespannen, bang dat als ik mijn concentratie maar één ogenblik zou verliezen, ik informatie over de kerk zou onthullen. Ik bleef in mijn hart tot God bidden en vroeg Hem om me door deze vreselijke dagen heen te leiden. De politie vernederde me ook opzettelijk. Ze stonden me niet toe om de deur te sluiten wanneer ik naar de wc moest, terwijl mannelijke politieagenten er vlakbij heen en weer liepen. Sommigen keken bewust naar binnen en vaak stonden ze gewoon op de drempel te kijken hoe ik naar de wc ging. Op die manier werd ik twaalf dagen lang verhoord en gemarteld. Omdat ik al meer dan tien dagen niet had geslapen en op was van de zenuwen, kreeg ik een ernstige verstopping. Door de martelingen vermagerde ik tot ik 52 kilo woog. In slechts twaalf dagen was ik zes kilo kwijtgeraakt.
Op de dertiende dag bracht de politie me over naar een huis van bewaring in de stad. Nog geen maand later brachten ze me naar een chic hotel om me daar in de gaten te houden. Ze brachten mijn man binnen en lieten ons alleen in een kamer zodat hij me kon aanmoedigen om informatie over de kerk geven. Eerst verslapte ik, want ik verlangde er zo naar om zo snel mogelijk met mijn echtgenoot uit dat hellegat te ontsnappen. Maar om weg te mogen, moest ik God verraden en mijn broeders en zusters aangeven. Gods woorden kwamen in me op: “Jullie moeten te allen tijde waakzaam zijn en wachten, en jullie moeten meer tot mij bidden. Jullie moeten de verschillende intriges en sluwe plannen van Satan herkennen, de geesten herkennen, mensen kennen en in staat zijn om allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen te onderscheiden” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 17). Gods woorden herinnerden me eraan dat de politie mijn man had gebracht om me milder te stemmen zodat ik God zou verraden. Dit was het listige plan van Satan en ik liep gevaar om in die val te lopen. Ik bedacht hoe de politie me tijdens het verhoor een lijst had voorgelegd met namen van broeders en zusters en een paar foto’s, en gevraagd had om degenen aan te wijzen die ik kende, maar ik had geweigerd. En ik herinnerde me ook dat mijn man me altijd zo had gesteund in mijn geloof, en ik dacht dat ik deze kans kon gebruiken om mijn man te vragen om die broeders en zusters te waarschuwen, zodat ze onder konden duiken en arrestatie konden ontlopen. Dus deed ik alsof ik uithuilde op de schouder van mijn man en fluisterde mijn plan in zijn oor. Hij zei dat hij het zou doen. Tot mijn verrassing stormde een vrouwelijke agent meteen de kamer binnen en zei tegen mijn man: “We brachten je hier om ons te helpen. Waar hadden jullie het over? Eruit!” De politie had gewild dat mijn man me zou aanmoedigen om informatie te geven over de kerk en God te verraden. Maar toen deze politieagente zag dat hun plan niet was gelukt, verloor ze haar geduld en werkte mijn man de kamer uit. Deze agenten waren zo vals een slecht! God zij dank voor Zijn leiding die voorkwam dat ik in Satans listige valstrik trapte.
Daarna bracht de politie me terug naar de Partijschool voor ondervraging. Ze ketenden me vast in een tijgerstoel en een agente stormde de kamer binnen en begon me in het gezicht te slaan met een plastic slipper. Alles werd zwart en ik zakte onderuit in zijn stoel. Ze zei dat ik maar deed alsof, rukte me vloekend aan mijn haren omhoog en bleef me afranselen. Mijn gezicht zwol op, zo paars als een aubergine, en het bloed droop me uit de ogen. Er kwam een mannelijke agent die me losmaakte uit de tijgerstoel. Hij sleurde mij er ruw bij mijn haren vanaf en probeerde me onder de tijgerstoel te proppen. Maar ik paste niet onder, dus schopte en schold me uit, en zei dat ik nog minder was dan een hond. Ze duwden me onder de stoel en zeiden dat ik me niet mocht bewegen, en vervolgens propten ze me weer in de stoel en boeiden me. Door deze wrede afranseling en vernedering raakte ik totaal van slag en ik begon te verslappen. Ik dacht bij mezelf: ze zullen niet ophouden me te martelen. Zal het ooit ophouden? In die intense pijn begon ik te verlangen naar de dood, maar ik zat vastgeketend aan de tijgerstoel, dus dat was niet mogelijk. Daarom bleef ik in mijn hart tot God bidden en toen dacht ik aan alle heiligen door de geschiedenis heen die waren vervolgd omdat ze het evangelie van de Heer predikten. Sommigen waren uiteen gescheurd door paarden, sommigen waren gestenigd, en anderen waren in stukjes gezaagd. Ze hadden allemaal martelingen ondergaan die normale mensen niet konden doorstaan en ze hadden allemaal met hun leven getuigenis afgelegd van God. Terwijl ik niet eens dit kleine beetje pijn kon doorstaan en zowaar wenste dood te gaan om eraan te ontsnappen. Ik was zo zwak en ik legde helemaal geen getuigenis af. Toen ik daaraan dacht, werd ik overmand door wroeging en smart, dus wendde ik me snel tot God om te bidden en berouw te tonen. Op dat moment zag ik een klein vogeltje voor een naastgelegen raam. Het had grijze veertjes en ik herinner me dat het die dag zacht regende. Het bleef tjilpen en voor mij klonk het alsof het vogeltje zei: “Getuig, getuig…” Het getjilp van het vogeltje ging steeds sneller tot het bijna schor klonk. Ik besefte dat God dit vogeltje gebruikte als een aanmaning voor mij en ik werd diep geraakt. Ik huilde terwijl ik tot God bad en zei: “Lieve God, ik wil geen bangerik of lafaard zijn. Ik wil niet zo zwak en angstig sterven. Geef me alstublieft geloof en kracht. Ik wil getuigenis afleggen en Satan te schande maken.” Op dat moment moest ik aan Gods woorden denken: “Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘Want onze lichte last, die maar voor even is, creëert voor ons een veel zwaarder gewicht van glorie, dat voor eeuwig is.’ Jullie allen hebben deze woorden eerder gehoord, maar niemand van jullie begreep de ware betekenis ervan. Tegenwoordig zijn jullie je diep bewust van hun echte belang. Deze woorden zullen in de laatste dagen door God worden vervuld, en ze zullen worden vervuld in hen die wreed zijn vervolgd door de grote rode draak in het land waar deze opgerold ligt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God, en dus worden de mensen in dit land blootgesteld aan vernedering en vervolging vanwege hun geloof in God, en deze woorden worden als gevolg daarvan vervuld in jullie, deze groep mensen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Is het werk van God zo eenvoudig als de mens zich voorstelt?). “Dus moeten jullie tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het laatste toe lopen, en zelfs bij jullie laatste ademhaling moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en van de genade van God afhangen; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen). Gods woorden troostten en bemoedigden me. Ze lieten me zien dat het onvermijdelijk was dat ik tijdens mijn geloof in God en het doen van mijn plicht, vervolgd en bezeerd zou worden door de CCP, want de CCP is de duivel Satan, de vijand van God. Maar de wijsheid van God wordt uitgevoerd gebaseerd op de listige plannen van Satan. En God gebruikt de vervolging en wrede martelingen die Satan uitdeelt om ons geloof en onze gehoorzaamheid te vervolmaken, en daarmee maakt Hij een groep overwinnaars. Ik leed omwille van het verwerven van de waarheid, en dit lijden was zowel zinvol als de moeite waard. En op dat moment dacht ik aan hoe God Zelf vlees werd om ons te redden, en afwijzing en laster verdroeg, en werd opgejaagd en vervolgd door de CCP, zonder een schuilplaats te kunnen vinden. God onderging zo’n grote vernedering en pijn, dus wat hield mijn kleine beetje lijden als verdorven menselijk wezen nu helemaal in? Het was een eer om samen met Christus te kunnen lijden. Ik kon de dood niet angstig tegemoet treden. Hoe erg Satan me zou ook martelen, ik besloot dat ik tot mijn laatste ademtocht getuigenis zou afleggen om God te behagen. De chef van de Nationale Veiligheidsbrigade zei later met een duistere glimlach: “Je lijkt je er aardig doorheen te slaan. We waren niet van plan jou op deze manier te behandelen. Als je ons alles vertelt en meewerkt, dan beloof ik je dat je snel naar huis mag, zodat je herenigd kan worden met je gezin.” Ze brachten me een paar kippenpoten en brood om te eten, maar ik wist dat dit gewoon nog een list was om me te verleiden God te verraden. Ik keek ze aan en zei ronduit: “Ik waardeer jullie gebaar niet, dus doe geen moeite. Ik ben slechts vlees op een hakblok, dat jullie naar believen in stukken kunnen hakken. Ik weet dat ik hier niet levend uitkom en dat heb ik aanvaard, dus doe gewoon wat jullie willen. Ik heb jullie al verteld dat ik de antwoorden op jullie vragen niet weet!” Toen zei hij met een kille glimlach: “Niet zo serieus. Ontspan je een beetje. Vertel ons gewoon wat we willen weten en dan mag je naar huis.” Toen draaide hij zich om en sloop weg. Ik moest van de politie daarna in die tijgerstoel blijven zitten. Twee weken later brachten ze me naar het huis van bewaring. Toen het personeel daar mijn ernstige verwondingen zag, weigerden ze me op te nemen. De agenten van de Nationale Veiligheidsbrigade dwongen me te zeggen dat ik mezelf had verwond door te vallen, dus de agenten van het huis van bewaring hadden geen keuze en moesten me aannemen.
Ik zat een maand lang in het huis van bewaring voordat de politie me terugbracht naar de Partijschool voor verdere ondervraging. Ze lieten me 24 uur per dag in de tijgerstoel zitten, stijf rechtop met mijn benen in een hoek van 90 graden. Dit duurde een maand. Mijn nek deed ondraaglijk veel pijn en mijn benen waren vreselijk opgezwollen. De politie bleef me pesten, beledigen en slaan, en van binnen was ik woedend. Vooral als ik ze hoorde praten over hoe ze zo veel gelovigen in Almachtige God hadden gearresteerd. En dat ze de arrestanten, mannen, vrouwen, jong en oud, eerst martelden om ze angst aan te jagen, waarna ze uiteindelijk door de knieën gingen. Ze zeiden dat het een afschrikkingsmiddel was. Als ik deze monsters zo uitgelaten hoorde opscheppen over hoe ze mijn broeders en zusters pijn deden en ze zelfingenomen en wreed zag lachen, knarsetandde ik van blinde haat. De CCP bestaat werkelijk uit een bende demonen die voor de lol mensen pijnigen. Ik bad in stilte en vervloekte deze monsters. Op de duur besefte de politie dat ze de informatie die ze wilden niet uit me zouden krijgen, dus brachten ze me over naar een huis van bewaring, naar een strafgevangenis, en toen naar een plek waar ze me wilden hersenspoelen. Uiteindelijk werd ik teruggebracht naar het huis van bewaring in de stad, waar ik een jaar en drie maanden lang gevangen zat. De politie deed alles om mijn wil te breken en me God te laten verraden, maar daar slaagden ze niet in. Later beschuldigden ze me van het ‘gebruik van feodaal bijgeloof om de uitvoering van de wet te belemmeren’ en veroordeelden me tot vier jaar celstraf.
In de gevangenis besefte ik weer hoe het voelde om in een ware hel te leven. Ik moest kleding maken in een productielijn waar iedereen zijn eigen taak had. Als je het tempo niet bij kon houden, of je taak niet af kon krijgen, werd je gedwongen om daar een half tot een heel uur te staan aan het eind van je werkdag om elf uur ’s avonds. Gedurende die periode bracht ik al mijn tijd door in dat atelier, de maaltijden niet meegerekend. Ik mocht niet drinken als ik dorst had en moest zelfs heen en weer rennen, als ik naar de wc moest. Ik kreeg een zware verstopping. Omdat ik alle dagen de hele dag moest zitten en werken en omdat er altijd zoveel werk te doen was, met daarbij de martelingen die ik had ondergaan door toedoen van de politie, toen ik twee maanden lang in die tijgerstoel moest zitten, kreeg ik uiteindelijk weer ernstige nekklachten en had vaak last van hoofdpijn en misselijkheid. Op een keer gleed ik uit en viel ik in de douche en ik klapte met mijn hoofd hard tegen de grond. Met mijn rug raakte ik de trap en ik werd duizelig en kon me helemaal niet bewegen. Het voelde alsof ik mijn rug had gebroken, zoveel pijn deed het. Zelfs de andere gevangenen zeiden dat ik er was geweest, of dat ik nu invalide zou zijn. Ze riepen allemaal om hulp en luidden de alarmbel, maar er kwam niemand. Uiteindelijk droegen een paar gevangenen me naar mijn bed. Ik had het gevoel dat mijn lichaam was gebroken en ik hield niet op met huilen van de pijn. Die nacht deed het zoveel pijn dat ik niet kon slapen. Een bewaker kwam uiteindelijk de volgende ochtend om acht uur. Ongeduldig vroeg ze me hoe erg gewond ik was. Ik zei: “Ik denk dat mijn rug is gebroken. Ik kan helemaal niet bewegen en mijn hoofd doet vreselijk pijn.” Maar ze zei gewoon spottend: “Dat is niet zo’n probleem. Je moet zorgen dat je boven komt om te werken, je hebt een heleboel te doen. Als je niet kunt bewegen, moet je maar iemand vinden om je naar boven te dragen. Als niemand je helpt, dan kruip je zelf maar naar boven!” Toen draaide ze zich om en liep weg. Dus ik moest die vreselijke pijn doorstaan en een paar van de andere gevangenen vragen om me langzaam van bed te helpen. Het kostte alleen al 30 tot 40 minuten om me rechtop te laten zitten, toen schuifelde ik langzaam naar de trap en daarna de trap op. Het was een worsteling om op mijn werkplek te komen en ik probeerde te gaan zitten, maar wat ik ook deed, het lukte me niet. Uiteindelijk moest ik me vastklampen aan mijn machine en bijtend op mijn tanden tegen de pijn, al mijn kracht gebruiken om te gaan zitten. Ik voelde iets knappen in mijn rug en de pijn was ondraaglijk. Het was vreselijk moeilijk om door te gaan tot de dienst van de dokter begon, maar hij smeerde me alleen in met wat jodium en gaf me drie tabletten notoginseng. Hij beval me die door te slikken en dan weer aan het werk te gaan. En zo gaven de lichamelijke pijn en de pijn in mijn hart me het gevoel dat ik niet meer verder kon. Ik haatte deze agenten ontzettend omdat ze me zo onmenselijk behandelden. In hun ogen waren gevangenen niet meer dan honden – we waren alleen maar machines waarmee ze geld verdienden. Ik bedacht dat ik nog niet eens een jaar in de gevangenis zat, terwijl mijn straf vier jaar was. Hoe kon ik het in vredesnaam zo lang volhouden? Ik wist werkelijk niet of ik het zou overleven. Ik voelde me zo alleen en verlaten bij die gedachte. Zonder het zelf te beseffen, begon ik mijn lievelingslied van Gods woorden te neuriën: “Wanneer je geconfronteerd wordt met lijden, moet je in staat zijn je niet druk te maken over het vlees en geen klachten te uiten tegen God. Wanneer God Zich voor je verbergt, moet je het geloof kunnen hebben om Hem te volgen, om je vorige liefde te behouden zonder deze te laten haperen of verdwijnen. Wat God ook doet, je moet je aan Zijn plan onderwerpen en bereid zijn je eigen vlees te vervloeken in plaats van klachten over Hem te uiten. Wanneer je voor beproevingen staat, moet je God tevredenstellen, hoewel je misschien bitter zult wenen of zult aarzelen om afstand te doen van een geliefd object. Alleen dit is ware liefde en geloof. Het maakt niet uit wat je werkelijke gestalte is, je moet eerst zowel de wil om tegenspoed te lijden als waar geloof bezitten, en je moet ook de wil hebben om het vlees te verzaken. Om Gods wil te bevredigen, moet je bereid zijn persoonlijke tegenspoed te doorstaan en verliezen te lijden met betrekking tot je persoonlijke interesses. Je moet ook in staat zijn in je hart spijt te voelen over jezelf: in het verleden was je niet in staat God tevreden te stellen, en nu kun je jezelf betreuren. In geen enkele van deze opzichten mag je tekortschieten – het is door deze dingen dat God je zal vervolmaken. Als je niet aan deze voorwaarden kunt voldoen, kun je niet worden vervolmaakt” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Ik zong zachtjes dit gezang en hoe meer ik zong, hoe meer het me deed. Ik voelde mijn kracht terugkeren. En ik voelde dat ondanks mijn martelgang in dit hellegat, Gods woorden me in mijn verzwakte toestand nog steeds leidden en me geloof en kracht gaven. God had me nooit verlaten en met Gods woorden zou ik niet alleen zijn. Ik voelde me hierdoor zo getroost en ik had spijt van mijn gebrek aan vastberadenheid om lijden te doorstaan. Geconfronteerd met deze ellende en beproevingen was ik negatief geworden en had ik Gods hart verwond. Ik dacht aan wat ik had doorstaan sinds mijn arrestatie. De politie had me lange tijd pijn gedaan en gemarteld, en als Gods woorden me niet hadden geleid en God niet over me had gewaakt dan zou ik zou al meerdere keren zijn gestorven. Nu ik deze onmenselijke marteling weer onderging, geloofde ik vast dat zolang ik op God vertrouwde, ik ook hier doorheen zou komen. God gebruikte deze situatie om mijn geloof te vervolmaken. Ik wist dat ik Hem niet nog meer mocht kwetsen. Ik moest op Hem vertrouwen, moed vatten en in leven blijven om van Hem getuigenis af te leggen. Toen ik deze dingen dacht, zakte de beklemming die ik voelde langzaam weg. Het waren Gods woorden die me door de pijn en de marteling die Satan me toen toebracht, heen leidden. Uiteindelijk liep mijn straf af en had ik het lang genoeg overleefd om uit die hel op aarde weg te wandelen.
Toen ik thuiskwam, hoorde ik dat de politie geruchten over mij had verspreid dat ik een oplichter was. Mijn man had elders werk moeten zoeken om aan alle geroddel en wijzende vingers van de buren te ontkomen en hij zei dat hij wilde scheiden. Zijn moeder had zich zo geschaamd omdat ik naar de gevangenis was gestuurd dat ze me amper kon aankijken. Mijn dochter was zo meedogenloos bespot door leraren en klasgenoten dat niet één kind in het dorp nog met haar wilde spelen. Ik kon mijn tranen niet inhouden toen ik merkte wat er was gebeurd. We hadden zo’n gelukkig gezin gehad, en vervolging door de CCP had het tot de grond toe afgebroken. Ik haatte de CCP tot op het merg van mijn botten. Onwillekeurig schoot me een passage van Gods woorden te binnen. Almachtige God zegt: “Voorvaderen van de alouden? Geliefde leiders? Zij keren zich allemaal tegen God! Hun bemoeienis heeft alles onder de hemel in een toestand van duisternis en chaos achtergelaten! Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken! […] Waarom zo’n ondoordringbaar obstakel voor het werk van God optrekken? Waarom diverse trucjes gebruiken om Gods volk te misleiden? Waar is de ware vrijheid en de wettelijke rechten en belangen? Waar is de billijkheid? Waar is de troost? Waar is de warmte? Waarom misleidende plannen gebruiken om Gods volk voor de gek te houden? Waarom de komst van God met dwang onderdrukken? Waarom God niet vrij laten rondgaan op de aarde die Hij heeft geschapen? Waarom God opjagen tot Hij nergens een rustplek voor Zijn hoofd heeft? Waar is de warmte onder de mensen? Waar is het welkom onder de mensen? Waarom zo’n hunkerend verlangen naar God veroorzaken? Waarom God mensen steeds weer tot de orde laten roepen? Waarom God dwingen Zich om Zijn geliefde Zoon zorgen te maken? Waarom laten de trieste waakhonden in deze duistere maatschappij God niet vrijelijk komen en rondgaan in de wereld die Hij heeft geschapen?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). Terwijl ik Gods woorden overdacht, besefte ik hoe pervers de CCP in wezen is. Aan de buitenkant beweert ze dat ze rechtvaardig is, en leutert over ‘vrijheid van geloof’, ‘handhaving van recht en orde voor het volk’ en ‘zorgen voor het volk’. Ze zegt al de juiste dingen over deugd en moraal, maar in het geheim gebruikt ze alle middelen die ze tot haar beschikking heeft om gelovigen te arresteren en te vervolgen en roddels te verspreiden, waardoor talloze christenen in de gevangenis worden geworpen, ze niet naar huis kunnen terugkeren en hun families uit elkaar worden gescheurd. Ik had de werkelijke aard van de CCP nooit eerder beseft, ik vergoddelijkte haar. Maar nadat ik door haar vervolgd was, begreep ik eindelijk dat de CCP de hoofddemon is die mensen beschadigt. In wezen is ze de vijand van God en van de waarheid, en bestaat ze uit de slechtste, reactionairste groep duivels.
Nadat ik was vrijgelaten, bleef de politie me constant in de gaten te houden. De agenten van het plaatselijke politiebureau vroegen telkens of ik nog steeds in God geloofde en als ik Gods woorden thuis las, moest ik de voordeur stevig op slot houden. Ik moest mijn boek van Gods woorden verborgen houden op het geheimste plekje en ik moest erg behoedzaam en voorzichtig zijn wanneer ik naar een bijeenkomst ging of het evangelie verkondigde. Op een dag in maart 2013 werden een leider en twee diakenen van een kerk waar ik verantwoordelijk voor was gearresteerd en ik moest snel regelen dat diverse kerkelijke spullen werden verplaatst en enkele broeders en zusters waarschuwen om op te passen. Op een moment dat ik dit allemaal aan het regelen was, hoorde ik een zuster zeggen: “De leidster die gearresteerd is, had een lijst van broeders en zusters bij zich, dus nu heeft de politie de lijst.” Ze zei dat politie alle lokale CCTV-camera’s vorderde op zoek naar vreemdelingen en dat ze zich klaar maakten om van deur tot deur te gaan op zoek naar gelovigen. Ze uitten ook dit dreigement: “Beter duizend onterechte arrestaties dan er eentje tussendoor te laten glippen!” Ik werd zo nerveus en bang toen ik dat hoorde. Omdat ik al een keer vanwege mijn geloof was gearresteerd, hadden ze een dossier over mij. Als de politie gezichtsherkenning gebruikte, dan zou ik zeker gearresteerd worden. Als ik opnieuw werd gearresteerd, zou ik het zeker niet overleven – daar zouden ze wel voor zorgen. Toen ik dat bedacht, realiseerde ik me dat ik er zo snel mogelijk vandoor moest gaan. Toen ik echter bij een andere kerk aankwam, vond ik geen rust en kreeg last van mijn geweten. Ik dacht aan al het werk in die kerk dat dringend geregeld moest worden, maar ik had mijn opdracht laten vallen om mijn eigen leven in veiligheid te brengen. Als ik nu wegging, zou ik de belangen van het huis van God niet beschermen! Waar was mijn geweten en mijn menselijkheid? Handelde ik niet als een bangerik en een lafaard? Ik had geen oprecht geloof in God – waar was mijn getuigenis? Toen ik hier aan dacht, haastte ik me naar God om te bidden, en ik vroeg Hem om mij geloof en kracht te schenken en om me te beschermen, zodat ik getuigenis af kon leggen.
Toen las ik een passage van de woorden van Almachtige God: “Wanneer mensen bereid zijn om hun leven op te offeren, wordt alles een kleinigheid en kan niemand ze overmeesteren. Wat kan er belangrijker zijn dan het leven? Aldus kan Satan niets meer bewerkstelligen in de mensen, hij kan niets meer met de mens beginnen. Hoewel de definitie van het ‘vlees’ zegt dat het vlees verdorven is door Satan, is het zo dat niemand mensen kan overmeesteren als zij zich werkelijk overgeven en niet door Satan worden gedreven” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Interpretaties van de mysteriën van “Gods woorden aan het hele universum”, hfst. 36). Toen ik over Gods woorden nadacht, begreep ik dat deze situatie een test van God was, en dat er een oorlog woedde in de spirituele wereld. Ik wist dat ik naast God moest staan en mijn leven opofferen om Satan te beschamen en getuigenis af te leggen van God. Ik kon met geen mogelijkheid het hazenpad kiezen en er op zo’n cruciaal moment vandoor gaan! Ik moest het werk van Gods huis beschermen – iets anders kan iemand met geweten en menselijkheid niet doen. Ik werd vervolgd omwille van rechtvaardigheid en zelfs als ik zou sterven, zou het dat nog waard zijn. Als ik eerloos leefde en me overgaf aan Satan, dan zou mijn lichaam overleven, maar ik zou zijn als een levende dode. Ik voelde me bevrijd bij deze gedachte, dus haastte ik me terug naar die kerk en zorgde ervoor dat de broeders en zusters alle boeken van Gods woorden verplaatsten en ik zei dat ze allemaal moesten onderduiken. Al het werk voor de kerk was snel geregeld en ik dankte God voor Zijn leiding!
Na 20 jaar van geloof in Almachtige God en constante vervolging en onderdrukking door de CCP, heb ik misschien wat pijn geleden, maar ben ik onder de leiding van Gods woorden een aantal waarheden gaan begrijpen en heb ik geleerd omonderscheid te maken tussen goed en kwaad, tussen gerechtigheid en slechtheid. Door die uitzonderlijke omstandigheden leerde ik ook om op God te vertrouwen. Ik voel werkelijk het gezag in Gods woorden en mijn geloof in God is gegroeid. Dit is allemaal door de genade van God. Dank Almachtige God!