89. Een strijd tegen hersenspoeling
Ik werd om mijn geloof door de politie van de Chinese Communistische Partij gearresteerd toen ik 19 was. Ze onderwierpen me 60 dagen lang aan martelingen en hersenspoeling om me zover te krijgen om God te verloochenen en mijn broeders en zusters te verraden. Die ervaring is echt in mijn hart gebrand. Ik zal haar nooit vergeten.
Toen ik die ochtend op weg was naar een bijeenkomst zag ik toen ik er bijna was drie auto’s die in de buurt geparkeerd stonden. Ik was een beetje ongerust. Er stonden daar gewoonlijk niet zoveel auto’s. Ik vertelde het de broeders en zusters meteen toen ik aankwam en we beseften dat onze bijeenkomst niet veilig meer was. We begonnen te overleggen over nieuwe locaties. Al gauw kwamen er vier onbekenden het terrein op en zeiden dat ze van de Nationale Veiligheidsbrigade waren en het huis doorzochten op verstopte explosieven. Ze duwden ons met geweld op de sofa en fouilleerden ons. Toen ze niets vonden, zetten ze mij en een andere broeder in een van hun auto’s. Ze brachten ons naar het politiebureau, waar de politie ons naar de kelder bracht en apart opsloot. Deze onverwachte arrestatie leek wel een droom en ik had geen idee hoe de politie me zou behandelen. Ik was een beetje bang en bad voortdurend tot God en vroeg Hem me geloof te geven. Ik dacht aan een gezang van Gods woorden dat we vaak zongen. “De transcendentie en de grootheid van de Almachtige.” “Alles van deze wereld verandert snel met de gedachten van de Almachtige en onder Zijn ogen. Dingen waarvan de mensheid nooit heeft gehoord, zijn er plotseling, terwijl dingen die de mensheid al lang bezit stilletjes verdwijnen. Niemand kan de verblijfplaats van de Almachtige doorgronden, nog minder kan iemand bevroeden hoe transcendent en groots de levenskracht van de Almachtige is” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het zuchten van de Almachtige). Ik zei dit gebed tot God: “Almachtige God, ik dank en prijs u. U heerst over alles in het heelal en mijn lot ligt in uw handen. U stond de politie toe om me vandaag te arresteren. Hoe ze me ook martelen en hoe erg ik ook zal lijden, ik wil standvastig staan in mijn geloof en u nooit verraden en een Judas worden.”
Toen het 16.00 uur werd, bracht de politie me naar een afgelegen complex met een rij gebouwen van vier verdiepingen op het terrein, dat eruit zag als een hotel. Veel broeders en zusters hadden gezegd dat de politie gevangenen naar hotels stuurde voor geheime verhoren en martelingen. Onwillekeurig vroeg ik me af of ze op het punt stonden om mij ook te martelen. Het was een nogal verlaten plek. Als ze me vermoordden, zou niemand ervan weten. Mijn angst werd groter toen ik daaraan dacht en in stilte riep ik steeds weer God aan. Ze brachten me naar een kamer op de derde verdieping en het hoofd van de recherche zei op gemaakt vriendelijke toon: “Hoe heet je? Waar woon je?” Ik vroeg hem: “Waarom heeft u me gearresteerd? Waarom heeft u me hier gebracht?” Hij zei: “Dit is een wettige opvoedingscursus, speciaal gericht op het opvoeden en bekeren van gelovigen. We hebben je opgepakt omdat we alles van je weten. Anders zouden we iemand anders pakken. De Kerk van Almachtige God is een belangrijk nationaal doelwit en moet uitgeroeid worden. Gelovigen in Almachtige God moeten gearresteerd worden.” “Staat godsdienstvrijheid niet in de grondwet?” vroeg ik. Hij zei smalend: “Godsdienstvrijheid? Die heeft zijn grenzen. In je geloof moet je naar de partij luisteren en haar regels opvolgen om onze steun te krijgen. Door in Almachtige God te geloven verzet je je tegen de partij. Wat kunnen we anders doen dan je arresteren?” Ik antwoordde: “We lezen alleen de woorden van Almachtige God en delen het evangelie om te getuigen van God. We hebben ons nooit met politiek bemoeid. Hoe kunt u beweren dat we ons verzetten tegen de partij? Almachtige God zegt: ‘God doet niet mee met de politiek van mensen, maar het lot van een land of natie wordt bestuurd door God. God bestuurt deze wereld en het hele heelal. Het lot van de mens en het plan van God zijn nauw verbonden, en geen enkel mens, land of natie is van de soevereiniteit van God ontheven. Als de mens zijn lot wil kennen moet hij voor God verschijnen. God zal hen die Hem volgen en aanbidden laten gedijen en zal hen die zich tegen Hem verzetten en Hem afwijzen in verval doen geraken en laten uitsterven’ (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Bijlage 2: God heeft soevereiniteit over het lot van de gehele mensheid). Gods woorden zijn heel duidelijk. Hij heerst over het heelal en heeft het lot van alle naties en volkeren in Zijn handen, maar God bemoeit Zich niet met politiek. De geïncarneerde God is voornamelijk op aarde gekomen in de laatste dagen om de waarheid uit te drukken en het oordeelswerk te doen, zodat mensen de waarheid kunnen begrijpen, hun verdorven satanische gezindheden afwerpen en gered worden.” De agent viel me ongeduldig in de rede voor ik was uitgesproken en zei van alles om De Kerk van Almachtige God te belasteren. Hij raadde me aan om mijn geloof op te geven. Wat hij ook zei, ik bleef kalm voor God en vroeg Hem me te beschermen tegen Satans listen.
Op de derde dag rond het middaguur lieten ze me weer naar de vergaderzaal komen. Een politieman stelde zich voor en zei dat hij inspecteur bij de Nationale Veiligheidsbrigade was, belast met opvoeding en bekering. Hij vroeg mijn naam, adres en informatie over de kerk. Ik weigerde te praten, en hij liet me mijn linkerhand op de tafel leggen met de palm naar boven. Terwijl hij rookte, liet hij as in mijn hand vallen en zei: “Je zou moeten weten dat we er met de huidige technologie wel achter komen of je praat of niet. Ben je achterlijk? Ik gaf je een kans. De punt van mijn sigaret is zo’n 800 graden. Wil je weten hoe dat voelt?” Hij nam twee diepe trekken en brandde toen mijn handpalm met de gloeiendhete punt. Toen ik hem terugtrok door de pijn, hield een andere agent mijn arm met kracht omlaag. Ik voelde een brandende pijn in mijn handpalm toen hij de punt van zijn sigaret er steeds weer op duwde. Het zweet liep over mijn voorhoofd. Ik voelde me een beetje zwak en zei mijn eigen naam. Toen hielden ze op me te martelen, maar lieten me video’s zien en roddels lezen die De Kerk van Almachtige God verwierpen en belasterden.
Op de vijfde dag rond het middaguur lieten ze me nieuwsuitzendingen zien over de zaak in Shandong Zhaoyuan en vroege me wat ik ervan vond. Ik zei: “Zij zijn niet van De Kerk van Almachtige God. Niemand in mijn kerk zou zoiets doen. We hebben principes als we het evangelie delen. We delen het alleen met goedhartige mensen die geloven dat er een God is, niet met slechte mensen. Afschuwelijke mensen zoals Zhang Lidon voldoen bij lange na niet aan onze normen om het evangelie te delen. God beschouwt ze niet als gelovigen en de kerk zou ze nooit erkennen.” Toen hij zag dat mijn geloof niet wankelde, zei hij: “We hebben jullie leiders al gearresteerd en zullen alles uit ze krijgen als we ze verhoren. We hoeven onze tijd niet met jou te verdoen. We wilden je redden omdat je zo jong bent.” Ik dacht: het zijn allemaal leugens. Ze willen alleen maar dat ik God verraad. Wat ze ook zeggen, ik zal nooit broeders en zusters uitleveren. Ik zal nooit God verraden. Na zeven uur die avond liet een psycholoog van de hersenspoelingcursus me mijn gedachten over de cursus opschrijven. Ik schreef: “Het incident in Zhaoyuan was niet het werk van een gelovige in Almachtige God maar van een kwade demon. Hij zal door God worden gestraft om wat hij deed.”
Even na negen uur kwam de inspecteur van de Nationale Veiligheidsbrigade binnen. Hij was heel ontevreden over wat ik had geschreven. Hij tilde me van mijn kruk met de ene hand, sloeg me herhaaldelijk met de andere en schopte me toen tegen de grond. Toen sleurde hij me naar het bed en begon me te slaan. Na een paar klappen raapte hij een houten kleerhanger op, sloeg me ermee op mijn hele lichaam en eiste informatie over de kerk. Ik hield mijn mond. Woedend beval hij me al mijn kleren uit te trekken. Toen ik zag dat hij zo buiten zinnen was, werd ik bang. Ik bad onophoudelijk in stilte tot God en vroeg Hem me geloof en kracht te geven. Hij rukte aan me, dwong me me uit te kleden en sloeg me nog een paar keer met de kleerhanger. Toen liet hij me door twee instructeurs vasthouden op het bed. Ik dacht dat de instructeurs waren ingehuurd door de politie, maar wel een geweten hadden en niet zouden toelaten dat de politie een tiener martelde. Ik had het mis. Ze drukte me stevig neer, zodat ik geen beweging kon maken. Als een gek brandde de inspecteur van de Nationale Veiligheidsbrigade mijn tepels met zijn sigaret, zodat ze in een oogwenk verschroeid waren en de geur van verbrand vlees de ruimte vulde. Ik was doordrenkt van het zweet door de pijn en trapte voortdurend met mijn benen. Toen begon hij aan mijn genitaliën terwijl hij schreeuwde: “Praat je nog of niet?” Terwijl ik luidkeels schreeuwde van de pijn, werd ik beheerst door één gedachte: ik mag God niet verraden. In mijn hart bad ik zonder ophouden tot God en smeekte Hem om me kracht en geloof te geven zodat ik de martelingen van de boosaardige politieman kon doorstaan.
Ik bleef mijn mond houden, en de politieman zei woest: “Je zult pas braaf zijn als ik je harder aanpak.” Hij draaide zich om, pakte een thermosfles en gooide een beker heet water over me heen. Ik schreeuwde van de pijn. Hij zei gevoelloos: “Wil je nog praten?” Ik zei onbevreesd: “Ik weet niets.” Hij werd woedend toen hij dat hoorde en gooide nog twee bekers heet water op mijn buik. Hij zag dat ik niet zoveel pijn had als daarvoor, voelde aan mijn buik en schreeuwde dat het water niet heet was. Toen keerde hij zich om en gaf bevel om een ketel water te koken. Toen kreeg hij een gemene grijns op zijn gezicht en zei: “Zo meteen zul je merken hoe het voelt als er kokend water op je lichaam wordt gegoten.” Onwillekeurig werd ik bang toen ik dat hoorde en ik bedacht dat het hete water daarvoor kouder was geweest. Als er echt kokend water op me werd gegoten, zou ik het dan kunnen verdragen? Zenuwachtig en bang bad ik in stilte tot God: “Almachtige God, geef me geloof en kracht. Ik wil standvastig staan in mijn getuigenis en u niet verraden of broeders en zusters uitleveren.” Na mijn gebed dacht ik aan Gods woorden: “Geloof is een bruggetje dat uit één enkele balk bestaat: zij die zich aan het leven vastklampen en de dood vrezen, zullen het moeilijk vinden om over te steken, maar zij die bereid zijn hun leven te geven, kunnen er met zelfverzekerde pas en onbezorgd overheen gaan” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 6). Ik dacht na over Gods woorden en besefte dat ik ten prooi viel aan Satans listen als ik angstige en bange gedachten had, en ik zag in dat ik geen echt geloof in God had. Ik moest mijn leven op het spel zetten en ieder moment op God steunen om standvastig te staan in mijn getuigenis. Dat inzicht gaf me het vertrouwen dat ik nodig had om de marteling die me wachtte onder ogen te zien.
Toen stak hij een sigaret aan en nam twee diepe trekken, ging voor me staan en zei terwijl hij gemeen grijnsde: “Wacht maar, het water kookt bijna.” Terwijl hij dat zei, duwde hij de punt van zijn sigaret op mijn borst, op de plek die was verschroeid door het water. Ik probeerde me steeds terug te trekken vanwege de pijn. Het water begon zeven of acht minuten later te koken. Toen ik zag dat het water borrelde en er stoom uit de ketel kwam, begon mijn hoofdhuid te tintelen. Ik zat te beven en al mijn haren stonden overeind. Hij pakte de ketel, deed het deksel erop en kwam dicht bij me staan. Ik voelde de stoom op mijn lichaam. Toen duwde hij de hete waterketel tegen mijn buik. Ik voelde een verzengende pijn en onwillekeurig schreeuwde ik het uit. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om nogmaals te vragen of ik zou praten. Toen hij zag dat ik stil bleef, pakte hij een beker, goot die vol met water en gooide het op mijn borst. Het deed zo’n pijn dat ik opsprong en hij bleef heet water op me gooien tot de ketel leeg was. Ik kon niet ophouden met beven en de hele voorkant van mijn lichaam zat vol brandblaren. De grootste waren zo groot als een ei. De instructeurs konden het niet aanzien en wilden weggaan. Hij liep direct naar de deur, deed die op slot en schreeuwde: “Ga niet weg. Blijf hier en kijk hoe ik hem laat zien hoe het ervoor staat.” Toen zei hij dat ze nog meer water moesten koken. Ik kon mijn angst niet beheersen toen ik dat hoorde. Er was meer, en als ik er na de eerste ketel zo aan toe was, wat zouden nog meer brandwonden dan met me doen? Zou ik sterk kunnen blijven? Ik riep voortdurend God aan en vroeg Hem om geloof en kracht. Toen dacht ik aan deze woorden van God: “De machthebbers zien er misschien wreed uit aan de buitenkant, maar wees niet bang want dit is zo omdat jullie weinig geloof hebben. Zo lang jullie geloof groeit, zal niets te moeilijk zijn” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 75). Dat de politie me martelde, gebeurde met Gods toestemming. God wilde mijn geloof vervolmaken. Hoe boosaardig en gewelddadig ze ook waren, het lag toch in Gods handen. Zolang ik bad en op God steunde, wist ik dat God me de weg zou wijzen om Satans martelingen te overwinnen. Ik was niet meer zo bang en had het vertrouwen om de marteling onder ogen te blijven zien.
De tweede ketel kookte al gauw. Hij kwam ermee naar me toe, vulde een beker met heet water, kwam ermee voor me staat en begon het op mijn onderlichaam te gieten. Ik schreeuwde van de pijn en trok me onwillekeurig terug. Hij deed een paar stappen naar voren en bleef me ondervragen, maar ik weigerde nog steeds om te antwoorden. Hij hield een beker vol heet water onder mijn genitaliën en vroeg: “Praat je nog of niet?” Ik zei geen woord. Hij rukte de beker omhoog zodat mijn genitaliën helemaal ondergedompeld waren. Ik gilde van de pijn en onwillekeurig trok ik me sidderend terug. Ik kon het echt niet meer verdragen en bad onophoudelijk om God om kracht te vragen zodat ik Hem niet zou verraden. Toen dacht ik aan iets wat de Heer Jezus zei: “Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden” (Matteüs 16:25). Als ik de anderen uitleverde en God verraadde om lichamelijk lijden te vermijden, wist ik dat dat Gods gezindheid zou beledigen. Dan zou ik naar de hel gaan en tot in de eeuwigheid lijden. Toen ik dat begreep, besloot ik dat ik hoe erg ik ook leed op mijn tanden zou bijten en God nooit zou verraden. De boosaardige politieman goot nog twee bekers heet water over mijn genitaliën en bleef me ondervragen. Ik keek omlaag en zag dat de buitenste huidlaag op mijn genitaliën eraf was gebrand en de twee instructeurs konden het niet aanzien. Hulpeloos zeiden ze: “Praat nou maar, jongen. Wat heeft het voor zin om zo te lijden?” Ik gaf geen kik. De assistent van de officier kwam op dat moment binnen. Hij was een ogenblik verbluft toen hij me zag. Hij draaide zijn hoofd opzij, kwam naar me toe en zei: “Beken nou maar. We hebben er een heleboel van jullie gepakt. Als jij het niet doet, doet een ander het wel. We geven je een kans.” Ik liet mijn hoofd zakken en zei niets. Toen hij zag dat ik zweeg, schreeuwde de politieman woedend: “Achteruit, jullie. Ik wil weleens zien hoelang hij het volhoudt.” Toen goot hij weer een beker vol heet water en gooide het over mijn borst zodat ik het uitschreeuwde en opsprong van de pijn. Toen hij heet water op me gooide, barstten de blaren op mijn lichaam open en de huid kleefde aan me. Er vormden zich al gauw nieuwe blaren, de pijn was ondragelijk. Ik begon een beetje zwakker te worden. Ik dacht: ze hebben veel broeders en zusters gearresteerd. Ook als ik niet praat, doet iemand anders dat waarschijnlijk wel. Waarom zou ik dit allemaal moeten doorstaan? Ik kan ze gewoon een klein beetje vertellen, zodat ik niet zo hoef te lijden. Ik zag dat de politieman niet van plan was om te stoppen en ik had geen idee of ik wat hij voor me in petto had aan zou kunnen. Maar als ik praatte, zou ik een Judas zijn. Toen dacht ik aan deze woorden van God: “Voor hen die mij in het geheel niet trouw zijn gebleven in tijden van verdrukking zal ik niet meer genadig zijn, want mijn genade reikt maar zover. Ik kan bovendien geen sympathie opbrengen voor degenen die mij eens hebben verraden, nog minder wil ik geassocieerd worden met mensen die de belangen van hun vrienden verraden. Dit is mijn gezindheid, wie de persoon ook maar mag zijn” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Bereid voldoende goede daden voor voor je bestemming). God wilde niets weten van mensen die de belangen van hun vrienden verraden. Als ik praatte, zou ik dan niet God verraden? Ik mocht niets zeggen. Absoluut niet. Ik zei in stilte dit gebed: “God, dank u dat u me verlicht en me belet om mijn broeders en zusters te verraden. Hoe erg ik ook moet lijden, ik zal nooit een Judas zijn.”
Toen hij zag dat ik zweeg, stak de inspecteur van de Nationale Veiligheidsbrigade een sigaret op en zei met een boosaardige grijns: “Laten we rustig aan doen. We hebben alle tijd.” Onderwijl blies hij rook in mijn neus. Daarna pakte hij de beker en goot heet water over mijn hoofd. Ik ontweek het onwillekeurig, zodat het water over mijn rechteroor op mijn rug liep. Ik schreeuwde van de pijn en mijn rug leek wel in brand te staan. Hij gooide nog een aantal bekers omlaag vanaf mijn buik en spetterde water op mijn dijen. Er verschenen direct blaren waar hij het water liet vallen. Toen de ketel leeg was, liet hij er weer een opzetten door de instructeurs. De derde kookte na enkele minuten. Toen ik de stoom uit de ketel zag komen, kon ik niet ophouden met beven. Grijnzend pakte hij de ketel en zei: “Perfect.” Toen hield hij hem weer tegen mijn lichaam en zei dreigend: “Praat je nou nog of niet?” Ik gaf geen antwoord, dus hij bleef de ene beker kokend water na de andere op me gieten. Ik werd overmand door de pijn. Ik zag in dat hij niet van plan was om te stoppen en ik wist niet hoelang ik het nog kon volhouden. Ik had zoveel pijn; ik wilde sterven, zodat ik niet langer zo zou hoeven lijden en ik niemand zou verraden door mijn vleselijke zwakheid. Ik keek rond in de kamer of er een hard voorwerp was waarmee ik mezelf van kant kon maken, maar er stond alleen een tafel en de wanden waren van hout. Ik dacht niet dat ik zou sterven als ik één keer mijn hoofd zou stoten, en dan zou ik nog meer martelingen moeten ondergaan. Ik dacht dat ik nu even ja kon zeggen. Dan zouden ze me meenemen om andere huizen aan te wijzen. Buiten kon ik uit de auto springen, mijn dood tegemoet. Terwijl ik dat dacht, bleef de agent me vragen of ik zou praten en ik knikte. Ik dacht dat ze me meteen zouden meenemen om huizen aan te wijzen, maar tot mijn verbazing vroeg hij me om over de kerk te vertellen. Er kwamen meer dan tien agenten van beneden. Ik voelde me op dat moment nogal angstig. Ik had alleen geknikt, dus als ik niets zei, zouden ze me dan nog wreder martelen? Ik bedacht dat ik alleen de naam van een kerk en de plek waar die ongeveer was kon noemen. Tot mijn verbazing: ik gaf hem een vinger, maar hij wilde de hele hand. Hij bestookte me met meer vragen over de kerk, en ik had er spijt van dat ik Satan die gelegenheid had gegeven. Zou ik geen Judas zijn als ik zo doorging? Ik deed of ik van niets wist toen hij me over andere dingen vroeg. Hij bereikte niets met me, dus hij liet me teruggaan naar mijn kamer. In mijn kamer dacht ik bij mezelf: waarom probeerde ik te sterven? Wil God dat ik sterf? Is dat geen teken van zwakte? Toen herinnerde ik me een gezang van Gods woorden: ‘Probeer van God te houden, hoe groot je lijden ook is’. “Tegenwoordig hebben de meeste mensen die kennis niet. Ze geloven dat het lijden zonder waarde is, ze worden verworpen door de wereld, hun leven thuis is in moeilijkheden, ze zijn niet geliefd door God en hun vooruitzichten zijn somber. Het lijden van sommige mensen bereikt een hoogtepunt en hun gedachten keren zich tot de dood. Dit is geen ware liefde voor God. Zulke mensen zijn lafaards, ze hebben geen doorzettingsvermogen, ze zijn zwak en machteloos! […] Dus moeten jullie tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het laatste toe lopen, en zelfs bij jullie laatste ademhaling moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en van de genade van God afhangen; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen). Terwijl ik nadacht over Gods woorden, zag ik in hoe laf, zwak en onbekwaam ik was. Ik wilde sterven vanwege mijn vleselijke zwakte, omdat ik bang was om te lijden. Zo kon ik God niet loven. Dat was geen ware getuigenis. Voor mijn arrestatie had ik God gezworen dat ik als ik ooit zou worden gearresteerd en vervolgd door de Chinese Communistische Partij standvastig wilde staan in mijn getuigenis zoals andere broeders en zusters. Ik zou nooit God verraden en een Judas zijn. Maar als me iets overkwam en ik werd geconfronteerd met martelingen door de politie, dacht ik alleen aan hoe ik uit die situatie kon komen. Ik dacht niet aan hoe ik standvastig kon staan in mijn getuigenis en God tevreden kon stellen. Ik besefte dat ik geen waar geloof of onderwerping aan God had. De agenten martelden me zodat ik God zou verraden en mij getuigenis zou verliezen. Als ik daaraan ontkwam door te sterven, zou ik dan niet het mikpunt van Satan worden? Bij die gedachte was ik vervuld van spijt om mijn zwakte. Hoe kon ik zo loslippig zijn geweest? God gaf me een kans om standvastig te staan in mijn getuigenis, maar ik greep die niet aan. Dit was pijnlijk en teleurstellend voor God. Ik besloot dat ik niet zou meegaan als ze wilden dat ik huizen zou aanwijzen. Hoe ze me ook martelden, ik zou op God steunen en standvastig staan in mijn getuigenis.
De volgende morgen om half 7 zag de directeur van de gemeentelijke antisektedienst hoe ernstig gewond ik was en liet me naar het ziekenhuis brengen, zodat ze niet verantwoordelijk zouden worden gehouden. Op weg naar het ziekenhuis waarschuwde hij me dreigend: “Zeg geen woord in het ziekenhuis, anders zul je de gevolgen moeten dragen.” Toen ik dat hoorde, werd ik ongelooflijk kwaad. Ze intimideerden me en wilden me de waarheid niet laten vertellen nadat ze me zo erg pijn hadden gedaan. Het was boosaardig en verachtelijk. De dokter vroeg hoe ik aan al die brandwonden kwam en ik wist dat hij niets kon doen, al vertelde ik hem de waarheid. Ik zei dat het kwam door een gebroken thermosfles. Hij zei ongelovig: “Komt dit allemaal door een gebroken thermosfles?” De agent trok de dokter direct terzijde en fluisterde kort tegen hem, waarna de dokter mijn wonden begon te verbinden en zei dat ik moest worden opgenomen. De agent zei dat het een bijzondere situatie was en dat ik niet kon blijven en liet me een formulier tekenen waarmee ik de aansprakelijkheid volledig op me nam. Toen bracht hij me meteen terug naar het hersenspoelingcentrum. Mijn verwondingen waren te ernstig om de lessen te kunnen volgen. Dat beviel de politie niet en ze stuurden twee mensen om me te bewaken en me elke dag te hersenspoelen. Ze probeerden me met harde en zachte tactieken mijn geloof te laten opgeven.
Zeventien dagen later, nog voor mijn wonden waren geheeld, stuurden ze me terug naar de lessen. Ze hadden een professor en een psycholoog die deden of ze vriendelijk waren, aardige dingen zeiden en probeerden mijn vertrouwen te winnen en aan de praat te krijgen. Ik riep steeds weer God aan en vroeg Hem me te beschermen tegen Satans listen. Ik deelde getuigenis van God met ze. Ze werden kwaad toen ze zagen dat ik er niet in trapte. De dagen daarop lieten ze me boeken lezen die ze hadden geschreven en waarin onze kerk werd belasterd en ze lieten me enkele godslasterlijke video’s zien. Al die leugens die ze uit hun duim hadden gezogen maakten me kwaad en misselijk. Ik luisterde naar geen woord van wat ze zeiden.
Op een ochtend kwam het afdelingshoofd mijn kamer binnenstormen met een paar instructeurs. Toen ik dat zag, werd ik een beetje bang, dus ik zei in stilte een gebed en vroeg God om me wijsheid te geven zodat ik die vreselijke agenten tegemoet kon treden. Hij zei dreigend: “We hebben gisteren een vergadering gehad over de Strijd van Honderd Dagen tegen de Kerk van Almachtige God. Er zal zwaar gestraft worden. Het zal nog erger zijn voor jonge, ongetrouwde mensen zoals jij. Vooral degenen die niet toegeven zoals jij zullen direct voor het vuurpeloton komen. Ze zullen je hoofd eraf schieten, je hersens eruit schieten.” Ik raakte een beetje in paniek toen hij dat zei, maar toen dacht ik aan de woorden van de Heer Jezus: “Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden” (Matteüs 16:25). Ik wist dat het een eer zou zijn om als martelaar voor God gedood te worden en dat God het zou gedenken. Maar God verraden uit angst voor de dood zou zijn gezindheid beledigen en Zijn weerzin opwekken. Zelfs als mijn lichaam bleef leven, zou het dood zijn in Gods ogen. Mijn ziel zou door God worden geëlimineerd en ik zou worden gestraft in de hel. Door de eeuwen heen zijn talloze gelovigen vervolgd en gemarteld. Ze stonden allemaal standvastig in hun getuigenis voor God. Als ik de marteldood stierf, betekende dat dat God mij verhief. Ik was bereid om me te onderwerpen aan Gods regelingen en standvastig te staan in mijn getuigenis, al werd het mijn dood. Toen ik bleef zwijgen, dreigde de agent: “Wil je naar huis of naar de gevangenis?” Ik wilde heel graag naar huis, maar ik wist dat de prijs daarvoor zou zijn dat ik berouwbrieven moest tekenen en mijn banden met de kerk moest verbreken. Ik zei heel beslist: “De gevangenis.” Hij sperde zijn ogen open van woede, wees naar me en zei: “Zo te zien heb je niet echt geleden.” Toen stormde hij kwaad weg.
Daarna vonden ze een dominee om me te hersenspoelen. Zodra hij binnenkwam, zei hij: “Jongen, je bent nog jong. Luister naar me. Je bent op de verkeerde weg.” Hij sloeg de Bijbel open bij Mattheüs 24:23-24 en zei: “Jullie zeggen dat de Heer Jezus al is teruggekeerd, maar kijk wat er in de Bijbel staat: ‘Als iemand dan tegen jullie zegt: “Kijk, Christus is hier of daar,” geloof het dan niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan. Zij zullen grote tekenen en mirakelen aan de dag leggen, zodat zij – als dat mogelijk was – zelfs de door God uitverkozen mensen om de tuin zouden leiden.’ Wie zegt dat de Heer is gekomen vergist zich. Je kunt hier niet mee doorgaan.” Ik pakte de Bijbel en antwoordde: “De Heer Jezus waarschuwde ons dat wanneer Hij terugkeert in de laatste dagen valse Christussen en valse profeten grote tekenen en wonderen zullen laten zien om de mensen te misleiden. Hij zei ons op onze hoede te zijn. Als u zegt dat al het nieuws over de komst van de Heer vals is, ontkent u dan niet het feit van de terugkeer van de Heer zelf? Valse Christussen bezitten niet de waarheid. Ze misleiden mensen alleen met tekenen en wonderen. Almachtige God vertoont die dingen niet. Hij drukt alleen de waarheid uit en doet zij oordeelswerk om de mensheid volledig te reinigen en te redden. Almachtige God is de teruggekeerde Heer Jezus, de enige ware God.” Toen hij zag dat ik er niet in was getrapt, zei hij allerlei godslasterlijke dingen. Ik antwoordde kwaad: “Het belasteren van de Heilige Geest zal niet worden vergeven, in dit leven noch het volgende.” Daarop zei hij tegen me: “Je bent echt een koppige jongen. Kom bij zinnen, jongen. Zeg gewoon wat ze willen en beken. Je zult er spijt van krijgen als je echt wordt opgesloten.” Ik zei: “Ik zal er geen spijt van krijgen. Ik raad u met klem aan om de ware weg te zoeken. Verzet u niet langer tegen God. Als u een vreselijke zonde begaat, is het te laat.” Geërgerd zei hij: “Je bent hopeloos. Je bent te koppig.” Toen stond hij met tegenzin op en ging weg.
Enkele dagen later probeerde het hoofd van de recherche me te dwingen om dingen na te zeggen om God te verloochenen en te belasteren. Toen ik weigerde, zei hij agressief: “Ben je bang voor vergelding? God bestaat niet, dus waar zou die vandaan moeten komen? Maken degenen die het hebben opgegeven het niet prima?” Ik zei: “Dat ze niet meteen sterven wijst niet op een goede afloop. God straft mensen niet onmiddellijk.” Hij greep me kwaad beet en sloeg me een paar keer, maar ik zei nog steeds geen woord. Ik dacht aan iets wat de Heer Jezus zei: “Daarom zeg ik u: elke zonde en elke godslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan niet worden vergeven” (Matteüs 12:31). Dankzij de kracht van deze woorden weifelde ik helemaal niet. Er verstreken een paar uur zonder dat ik iets zei. Woedend sleurde hij me aan mijn haar terug naar de slaapzaal. Toen zei hij dreigend: “Geen eten voor hem tot hij praat.” Ik bad in mijn hart tot God en deze woorden van de Heer Jezus schoten me te binnen. “De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God” (Matteüs 4:4). Gods woorden zijn ons voedsel voor het leven. Zelfs zonder eten zou ik niet sterven als God het niet toestond. Tot mijn verbazing stopte een schoonmaakster me die avond een gestoomd broodje toe. Ik voelde echt dat het hart en de ziel van mensen in Gods handen liggen. Daarna liet de politie me elke dag hun kantoor schoonmaken en toevallig lag er een exemplaar van Het Woord verschijnt in het vlees op een bureau. Ik wierp er af en toe een blik in als ik mijn schoonmaakwerk deed en Gods woorden gaven me geloof en kracht. De politie overstelpte me voortdurend met atheïstische dwalingen, maar dankzij de leiding van Gods woorden had dat totaal geen effect op me.
Op een dag lieten ze twee professoren van alles proberen om me te hersenspoelen en in verleiding te brengen. Ze zeiden: “Als je niet bijdraait en de drie brieven ondertekent, krijg je vijf jaar gevangenisstraf en zul je later moeite hebben om een vrouw te vinden. Hoe kun je je jeugd zo verspillen? Is het dat waard?” Dat had wel effect op me. Ik dacht aan hoe jong ik was en vroeg me af of ik daar echt jarenlang zou lijden. Toen ik erover nadacht, besefte ik dat ik in Satans listen trapte, dus haastig zei ik dit gebed: “O, God. Ik was bijna in Satans list getrapt. Bescherm me, zodat ik standvastig kan staan in mijn getuigenis.” Nadat ik had gebeden, dacht ik aan een regel uit een gezang van Gods woorden: “Jonge mensen zouden niet zonder de waarheid moeten zijn, en evenmin zouden ze hypocrisie en onrechtvaardigheid moeten koesteren. Ze zouden standvastig de juiste houding moeten innemen. Ze zouden niet maar voort moeten kabbelen, maar de geestdrift moeten hebben om offers te brengen en te strijden voor gerechtigheid en waarheid” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Woorden voor jong en oud). Ik wist dat ik elke pijn moest kunnen verdragen om de waarheid te verwerven. Ik mocht God niet verraden voor tijdelijk comfort. Ik moest standvastig staan in mijn getuigenis en God tevreden stellen, wat de politie ook met me deed. Toen ik niets wilde zeggen, gingen ze machteloos weg. Die middag kwam de dominee terug en zei met een onoprechte glimlach: “Ik hoorde dat je naar de gevangenis gaat. Dat kun je niet doen. Het leven daar is onmenselijk. Denk je dat zo’n klein ventje als jij het aankan?” Hij pakte zijn telefoon en liet me wat foto’s zien van christenen die waren mishandeld en zei: “Moet je ze zien. Sommige van hen hebben 10 jaar gekregen, sommige 20 jaar. Sommige zijn gestorven in de gevangenis. Ik zie dat je een echte gelovige bent. Teken gewoon wat ze willen, dan kun je je geloof praktiseren als je eruit komt. Je hoeft niet zo te lijden. Teken nu en ik doe een goed woordje voor je. Anders heb je geen schijn van kans.” Ik was bezorgd en dacht dat als ik echt werd veroordeeld, de politie me in de gevangenis kon martelen wat ze wilden. Dan stond me nog zoveel meer pijn te wachten. Onwillekeurig was ik bang, maar ik wist dat ik God zou verraden en het teken van het beest zou dragen als ik die brieven ondertekende. Ik bad en riep God aan in mijn hart en vroeg Hem om geloof, zodat ik standvastig kon staan in mijn getuigenis. Ik zei tegen de dominee: “Ik teken niet.” Hij ging geërgerd weg.
De directeur van de gemeentelijke antisektedienst probeerde ook me de drie brieven te laten ondertekenen en zei kwaad tegen me: “Ik zie al twee maanden geen verandering. Ik verwacht nu een bepaalde houding van je. Je mag naar huis als je zegt dat je niet meer gelooft, maar je wordt direct naar de gevangenis gestuurd als je zegt dat je dat wel doet. Ben je nog een gelovige?” Ik stond echt in tweestrijd. Als ik ja zei, ging ik naar de gevangenis, en wie weet wat voor marteling me daar wachtte. Maar als ik nee zei, zou ik God verraden. Ik bad, vroeg God om me moed te geven en voelde dat ik klaar was om standvastig te staan in mijn getuigenis. Toen herinnerde ik me een gezang van Gods woorden: “Jezus kon Gods opdracht – het werk van de verlossing van de hele mensheid – voltooien omdat Hij alle aandacht schonk aan Gods wil, zonder enige plannen of regelingen voor Zichzelf te maken. Hij was in staat van Gods managementplan het exacte middelpunt te maken, bad altijd tot de hemelse Vader en zocht de wil van de hemelse Vader. Hij bad en zei: ‘God de Vader! Volbreng dat wat uw wens is en handel niet naar mijn wensen, maar naar uw plan. De mens mag dan zwak zijn, maar waarom zou u om hem geven? Hoe kan de mens uw bezorgdheid waardig zijn, de mens die als een mier in uw hand is? In mijn hart wens ik alleen uw wil te volbrengen, en ik wil dat u in mij kunt doen wat u zou doen in overeenstemming met uw eigen wensen’” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Hoe te dienen in overeenstemming met Gods bedoelingen). De Heer Jezus leed toen Hij op weg was om te worden gekruisigd. Hij was zwak in het vlees, maar kon zich richten op het voltooien van Gods opdracht. Hij onderwierp zich aan Gods regelingen ondanks de lichamelijke pijn. En Petrus was bereid om tot de dood te gehoorzamen voor zijn liefde voor God, om voor God ondersteboven gekruisigd te worden. Wat had mijn onbeduidende lijden te betekenen? Gods woorden versterkten mijn geloof en ik was niet langer bang. Ik besloot dat ik standvastig zou staan in mijn getuigenis, ook wel ging ik naar de gevangenis. Ik zei heel beslist: “Dan ga ik naar de gevangenis.” Kwaad antwoordde hij: “Pak je spullen. Morgen ga je naar de gevangenis.” Toen sloeg hij de deur dicht en liep nijdig weg. Tot mijn verbazing kwamen twee dagen later vier agenten van mijn plaatselijke politiebureau en zeiden dat ze me naar huis brachten. Op dat moment voelde ik hoe wonderbaarlijk Gods werk echt is en ik voelde zijn zorgzaamheid en genade voor mij. De politie bracht me terug naar de stad, nam een mondelinge verklaring op en zei dat ik me elke week op het bureau moest melden. Met Gods leiding kon ik later uit de streek vluchten en mijn plicht weer doen.
Dat ik werd gearresteerd en gemarteld door de politie is in mijn geheugen gebrand. Ik heb gezien hoe gewelddadig en onmenselijk de Communistische Partij is. Ik heb hun tegen God gekeerde wezen gezien. Ik voel een diepe haat voor die demonen. Ik had ook de kracht en het gezag van Gods woorden ervaren. Door beproevingen en tegenslagen bleef God Zijn woorden gebruiken om me de weg te wijzen en geloof en kracht te geven. Ik zag in dat alleen God ons liefheeft en dat alleen Gods woorden ons leven kunnen zijn. Mijn geloof in God werd nog groter. Dank aan Almachtige God.