90. Geloof vervolmaakt door beproevingen en tegenspoed
Mijn moeder kreeg gezondheidsproblemen in 1993 en het gevolg was dat mijn hele familie in de Heer Jezus ging geloven. Daarna herstelde ze op wonderbaarlijke wijze, en sindsdien ging ik elke zondag met haar naar de kerk. In de lente van 2000 bereikte het heuglijke nieuws van de terugkeer van de Heer ons huis. Door de woorden van Almachtige God te lezen raakten we ervan overtuigd dat Hij de teruggekeerde Heer Jezus is en we aanvaardden het werk van de laatste dagen van Almachtige God. We begonnen elke dag de woorden van Almachtige God te lezen en genoten van het bewateren en de voeding die ze bieden. Dat gaf me echt geestelijk voedsel. Als ik bedacht hoeveel mensen die naar de komst van de Heer verlangden nog niet Gods stem hadden gehoord of de terugkeer van de Heer hadden verwelkomd, wist ik dat ik Gods wil in acht moest nemen en het evangelie van het koninkrijk met ze moest delen. Ik begon al gauw mijn plicht te doen en het evangelie te delen. Maar tot mijn verbazing werd ik daardoor gearresteerd door de CCP.
Toen ik in januari 2013 op een bijeenkomst was met zes andere broeders en zusters stormden plotseling meer dan twintig politieagenten binnen. Twee van hen renden naar voren met getrokken pistool en schreeuwden: “Geen beweging. Jullie zijn omsingeld.” Twee anderen hadden stroomstokken en schreeuwden: “Handen omhoog en gezicht naar de muur.” Een van de agenten met een pistool zei: “We volgen je nu al een paar weken. Jij bent Xiaoxiao.” Ik schrok hevig toen ik dat hoorde. Hoe wisten ze mijn alias? En hij zei dat ze me al een paar weken hadden gevolgd. Wisten ze dan waar ik de laatste tijd was geweest? Waren al die broeders en zusters ook gearresteerd? Ik kon die gedachte niet verdragen en bad in stilte voor de anderen. Gezien alle voorbereidingen die de politie had getroffen, wist ik dat ze me niet gauw zouden laten gaan. Ongerust riep ik God aan. Toen schoten deze woorden van God me te binnen: “Je moet niet bang zijn voor van alles en nog wat; hoeveel moeilijkheden en gevaren je ook kunt tegenkomen, je kunt standvastig blijven tegenover mij, zonder dat je door een of andere hindernis wordt tegengehouden, zodat mijn wil ongehinderd kan worden uitgevoerd. Dat is je plicht […]. Wees niet bang; wanneer ik je steun, wie zou deze weg ooit kunnen blokkeren?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). Gods woorden gaven me een gevoel van rust. Ik wist dat alles in Zijn handen lag, zelfs die agenten. God was mijn toeverlaat, dus ik moest tot Hem bidden en op Hem steunen. Toen ik inzag dat ik al die tijd door de politie was gevolgd zonder het te merken en de kerk zoveel problemen had bezorgd, haatte ik mezelf dat ik zo dom en traag van begrip was geweest. Ik kon op dat moment alleen maar bidden voor mijn broeders en zusters. Vastberaden zei ik dit gebed: “Hoe erg de politie me ook martelt, ik zal mijn broeders en zusters nooit verraden. Ik zal geen Judas zijn en God verraden.” Na dat gebed was ik niet meer zo bang. Ik was vervuld van geloof en kracht.
De agenten keerden het hele huis ondersteboven en gedroegen zich als bandieten. Ze namen onze mobiele telefoons, acht videospelers, vier tablets, tientallen evangelieboeken en 10.000 yuan in beslag. Ze namen mij en twee andere zusters mee naar de huiskamer en dwongen ons om te hurken. Toen begon het geluid van de agenten die de broeders onophoudelijk sloegen uit een van de slaapkamers te komen. Verontwaardigd vroeg ik: “We geloven alleen in God. We hebben niets illegaals gedaan. Waarom arresteert u ons?” Een van de agenten zei vol haat: “Gelovig zijn is verboden, het is een misdaad. Als de Communistische Partij zegt dat je een wet overtreedt, dan overtreed je een wet. De partij staat niet toe dat je in God gelooft, maar toch waag je het dat te doen in hun gebied. Zo verzet je je tegen de partij. Je wil zeker dood.” Ik zei: “Wordt godsdienstvrijheid niet wettelijk gegarandeerd?” Lachend zeiden ze: “Je weet helemaal niks. Godsdienstvrijheid is alleen maar voor de show, zodat buitenlanders het zien. Maar dit is wat jullie gelovigen krijgen.” Terwijl hij dat zei, gaf hij me een klap in mijn gezicht en een vrouwelijke agent schopte tegen mijn arm. Ik was woedend en moest aan deze woorden van God denken: “Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken!” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). Dat de Communistische Partij de baas is, betekent eigenlijk dat Satan de baas is. Al hun wetten zijn bedoeld om te misleiden. Ze zeggen tegen buitenstaanders dat er vrijheid van geloof is, maar in werkelijkheid mag niemand in God geloven en de juiste weg kiezen. Ze staan niets positiefs toe. Ze arresteren en mishandelen christenen op enorme schaal. Die agenten zijn gewoon bandieten en schurken in uniform. Het was belachelijk dat ik had geprobeerd met ze te redeneren. Toen ze me in de politieauto zetten, zag ik dat er meer dan een tiental politieauto’s om ons heen stonden.
Toen we naar de Nationale Veiligheidsbrigade van het district waren gebracht, zei een agent tegen me: “Met jou hebben we een grote vis binnengehaald. We weten alles van je. We weten elke stad en elk district waar je de afgelopen paar weken bent geweest. Je moet wel een kerkleider zijn, anders hadden we niet zo’n groot team gemobiliseerd om je te vangen. We zullen je niet hier verhoren. Daar hebben we een ‘leuk plekje’ voor. Ik ben alleen bang dat het je te veel wordt.” Toen besefte ik pas dat ze me aanzagen voor een leider van de kerk. Ik voelde me een beetje opgelucht, want nu wist ik dat de echte leiders wat veiliger zouden zijn. Maar ik maakte me nog wel zorgen. Ik wist dat ik er niet makkelijk vanaf zou komen als ze dachten dat ik een kerkleider was. Ik wist niet hoe ze me zouden martelen. Ik bad tot God om me geloof en kracht te geven en me te helpen standvastig te staan in mijn getuigenis. Na 11 uur die avond zetten ze me in een politieauto om me naar dat ‘leuke plekje’ te brengen. In de auto zei een agent: “Jullie weten niet hoe jullie die gelovigen in Almachtige God moeten behandelen. Je moet ze echt hard aanpakken om iets uit ze te krijgen. We moeten doen wat ook maar werkt, anders bekennen ze misschien niet.” De andere agent zei: “O ja, natuurlijk. We hebben gehoord dat jullie het ultieme trucje hebben voor die gelovigen. Daarom laten we het aan jullie over.” Toen ik dat hoorde, vroeg ik me af wat voor marteling ze voor me in petto hadden. In stilte bad ik tot God en deze woorden van de Heer Jezus schoten me te binnen: “Wees niet bang voor hen die wel het lichaam maar niet de ziel kunnen doden. Wees liever bang voor hem die in staat is én ziel én lichaam om te laten komen in de Gehenna” (Matteüs 10:28). “Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden” (Matteüs 16:25). Gods woorden gaven me kracht in mijn geloof. Ik wist dat mijn leven in Gods handen lag, dat mijn ziel in Zijn handen lag. Ik besloot me te onderwerpen aan Gods orkestraties en Hem nooit te verraden, al werd het mijn dood.
Ze brachten me naar het districtsbureau van de politie en zodra we in de verhoorkamer waren, hoorde ik het geluid van een broeder die bitter huilde. Een agent gaf opdracht om de bewakingsapparatuur uit te zetten en twee anderen deden me handboeien om met mijn rechterarm achter mijn schouder gedraaid en mijn linkerarm omhoog getrokken achter mijn rug. Ze rukten de handboeien op en neer en het voelde alsof mijn armen elk moment zouden breken. Daarna duwden ze een armleuning van de tijgerstoel tussen mijn armen en mijn rug. Het voelde alsof mijn armen uiteen werden gerukt. Het deed zo’n pijn dat het zweet over mijn gezicht stroomde. Een agent trok aan de handboeien en zei: “Doet het erg pijn? Hoe voelt dat?” Een ander zei lachend: “Waarom werk je niet als escortgirl? Dan zouden we je niet arresteren.” Daarop barstte de rest in lachen uit. Ik werd misselijk van hun volslagen schaamteloosheid. Ik had nooit gedacht dat zoiets smerigs uit de mond van een politieagent kon komen. Ze waren nog minder dan beesten. Toen zei een van hen: “Laten we dit verhoor niet te haastig doen. Ten slotte zal ze ons maar wat graag vertellen wat ze weet. Laat haar van nu af aan niet eten, slapen of naar de wc gaan. Laten we eens kijken hoelang ze het volhoudt.” Toen trok hij hard aan mijn armen en draaide ze terwijl ze geboeid waren tot aan een ijzeren reling ter hoogte van je middel. Ik kon niet knielen of staan en mijn rug en benen begonnen al gauw pijn te doen. Ze lieten me niet slapen of zelfs mijn ogen dichtdoen. Zodra mijn ogen dicht vielen, begonnen ze op de tafel te slaan, tegen de stoel te trappen of op de ijzeren reling te beuken. Of anders schreeuwden ze in mijn oor of maakten ze allerlei rare geluiden om me bang te maken. Daardoor was ik voortdurend op mijn hoede en kreeg ik geen moment rust. Ik bad in stilte en riep onophoudelijk God aan. Toen dacht ik aan deze woorden van Almachtige God: “Je moet lijden voor de waarheid, je moet jezelf ten behoeve van de waarheid opofferen, je moet vernedering voor de waarheid verdragen en je moet meer lijden ondergaan om meer van de waarheid te verkrijgen. Dit is wat je zou moeten doen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). Gods woorden gaven me vertrouwen. Het was elk lijden waard om de waarheid te verwerven en ik moest volhouden, hoe erg ik ook leed. Ik was vastbesloten om standvastig te staan in mijn getuigenis en Satan te vernederen.
De volgende morgen kwamen zes of zeven agenten me verhoren over waar het geld van de kerk was en wie de hoogste leiders waren. Ze sloegen me hard toen ik ze niets wilde vertellen. Toen ze weggingen, kwamen er meteen anderen om me dezelfde vragen te stellen. Ze ondervroegen me non-stop, 24 uur per dag. Na vier dagen was mijn hele lichaam opgezwollen en mijn kuiten waren zo gezwollen dat ze net zo dik waren als mijn dijen. Ik was uitgehongerd en uitgeput. Een vrouwelijke agent zag dat ik indutte en schopte tegen mijn voeten zo hard ze kon. Ik had geen gevoel meer in mijn hele onderlichaam en ik had ondraaglijke pijn in mijn rug, alsof hij was gebroken. Mijn ogen waren gezwollen en staken vreselijk. Ik had het gevoel dat mijn oogballen er elk moment uit konden komen. Het was ongelooflijk pijnlijk. De gedachte dat ik even mijn ogen kon sluiten of mijn benen rust kon geven klonk als pure luxe. Ik wist niet hoelang ze me nog zouden martelen. Ik voelde dat mijn lichaam niet meer kon hebben en dat ik het niet veel langer meer zou volhouden. Ik voelde me ongelooflijk zwak in mijn hart. Ik bad tot God om geloof en kracht. Toen dacht ik aan deze woorden van God: “Hebben jullie ooit de zegeningen aanvaard die voor jullie werden voorbereid? Hebben jullie ooit de beloften nagestreefd die voor jullie gemaakt zijn? Onder leiding van mijn licht zullen jullie de wurggreep van de duistere machten doorbreken. Te midden van het donker zullen jullie de begeleiding van het licht niet verliezen. Jullie zullen de meesters over alle dingen zijn. Jullie zullen ten overstaan van Satan overwinnaars zijn. Als het land van de grote rode draak ten onder gaat, zullen jullie onder de veelheid aan mensen staan als bewijs van mijn overwinning. Jullie zullen standvastig en onwankelbaar zijn in het land van Sinim. Door jullie lijden zullen jullie mijn zegeningen erven, en jullie zullen mijn licht van heerlijkheid door het hele universum uitstralen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Gods woorden aan het hele universum, hfst. 19). “In het verleden werd Petrus omwille van God ondersteboven gekruisigd. Maar je moet uiteindelijk God tevreden stellen en al je energie omwille van Hem aanwenden. Wat kan een geschapen wezen namens God doen?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Interpretaties van de mysteriën van “Gods woorden aan het hele universum”, hfst. 41). Gods woorden gaven me moed en maakten me sterker. Ik was wreed gemarteld, maar God was aan mijn zijde gebleven en Hij had me de weg gewezen met Zijn woorden. Ik wist ook dat ik zo’n tegenspoed doormaakte opdat God mijn geloof kon vervolmaken en dat ik zegevierend getuigenis moest geven voor de grote rode draak. Als ik God verraadde uit angst voor lichamelijk lijden, zou mijn leven geen betekenis meer hebben. Het zou een grote vernedering zijn. Ik dacht aan al die apostelen en profeten die door de eeuwen heen waren vervolgd en de dood hadden getrotseerd. Ze hadden allemaal hun geloof in God behouden en hadden krachtig getuigenis voor Hem gegeven. Ik werd door de politie gemarteld en geschonden met Gods toestemming. Mijn gestalte was klein en ik kon niet tippen aan de heiligen van vroeger, maar had het geluk om de kans te krijgen om die getuigenis te geven voor God. Ik was bereid mijn leven op het spel te zetten om standvastig te staan in mijn getuigenis voor God en Gods hart een beetje troost te brengen. Toen ik nadacht over Gods woorden leek dat ook mijn lichamelijke pijn flink te verlichten. Toen de inspecteur zag dat ik indutte, pakte hij mijn haar en rukte mijn hoofd naar voren en achteren en sloeg me op mijn hoofd en borst met zijn vuist. Ze lieten me ook de wc niet gebruiken en zeiden dat ik pas om een bepaalde tijd mocht gaan. Als ik naar de wc ging, stonden een paar mannelijke agenten naast het toilet en zeiden allerlei smerige dingen. Ik schaamde me zo. Ik had het gevoel dat ik dood wilde. Toen dacht ik aan deze woorden van God: “Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘Want onze lichte last, die maar voor even is, creëert voor ons een veel zwaarder gewicht van glorie, dat voor eeuwig is.’ Jullie allen hebben deze woorden eerder gehoord, maar niemand van jullie begreep de ware betekenis ervan. Tegenwoordig zijn jullie je diep bewust van hun echte belang. Deze woorden zullen in de laatste dagen door God worden vervuld, en ze zullen worden vervuld in hen die wreed zijn vervolgd door de grote rode draak in het land waar deze opgerold ligt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God, en dus worden de mensen in dit land blootgesteld aan vernedering en vervolging vanwege hun geloof in God, en deze woorden worden als gevolg daarvan vervuld in jullie, deze groep mensen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Is het werk van God zo eenvoudig als de mens zich voorstelt?). De verlichting van Gods woorden maakte me duidelijk dat het feit dat ik werd vernederd en gemarteld betekende dat ik leed voor de rechtvaardigheid. Het was Gods genade die me de kans gaf om getuigenis te geven. Het was een eer voor me. Maar als ik een beetje schaamte voelde of een beetje lichamelijke pijn onderging, verloor ik mijn geloof in God en dacht zelfs aan de dood. Ik hechtte te veel waarde aan het persoonlijk verwerven van glorie of vernedering. Wat was dat nou voor getuigenis? Ik had besloten dat ik standvastig zou staan in mijn getuigenis voor God, al betekende het mijn dood, maar alleen vanwege een beetje lichamelijk lijden dacht ik eraan om er een eind aan te maken. Trapte ik niet in een van Satans listen? Probeerde Satan me niet zover te krijgen dat ik God verraadde? Ik kon me niet terugtrekken en Satans mikpunt worden. Ik moest blijven leven, standvastig staan in mijn getuigenis voor God en Satan beschamen. Toen ik Gods wil eenmaal begreep, zei ik dit gebed: “God ik ben klaar om mezelf in uw handen te leggen. Hoe Satan me ook martelt, ik zal standvastig staan in mijn getuigenis voor u en u nooit verraden. Ik zal uw orkestraties en regelingen volgen in alles.” Ik voelde me sterker na mijn gebed.
Terug in de verhoorkamer zetten de agenten een computer aan waarop ze foto’s van enkele zusters lieten zien die ik moest identificeren. Ze zeiden ook dat ze op 24 januari rond 14 uur broeders en zusters hadden gearresteerd op een flink aantal verschillende plekken. Het was een gecoördineerde operatie. Ik was zo kwaad. Toen ze zagen dat ik geen antwoord gaf, bedreigden ze me en probeerden ze me uit te lokken en zeiden dingen als: “We weten al alles over jullie Het heeft geen zin om je te verzetten. Alle anderen hebben al gepraat, dus wat voor zin heeft het om vol te houden voor hen? Zelfs als we je nu laten gaan, zal je kerk je er niet meer in laten. Wees verstandig en vertel ons wie de hoogste leiders zijn en waar het geld van de kerk wordt bewaard. Dan brengen we je op tijd naar huis om Nieuwjaar te vieren.” Ik zei nog steeds geen woord, dus ze schreeuwden tegen me: “Als je niet vertelt waar het geld van de kerk is, kleden we je uit, hangen je aan het plafond en slaan je tot moes. En we zullen van elke minuut genieten.” Toen ik dat hoorde, werd ik bang. Ik zag dat die duivels tot alles in staat waren en ik wist niet of ik het aankon. Ik was echt gespannen en wist niet wat ze die avond met me zouden doen. De ene na de andere golf van angst en verdriet overviel me en ik voelde me ongelooflijk hulpeloos. Haastig bad ik tot God en vroeg Hem om bescherming. Na mijn gebed dacht ik aan deze woorden van God: “Wanneer mensen bereid zijn om hun leven op te offeren, wordt alles een kleinigheid en kan niemand ze overmeesteren. Wat kan er belangrijker zijn dan het leven? Aldus kan Satan niets meer bewerkstelligen in de mensen, hij kan niets meer met de mens beginnen. Hoewel de definitie van het ‘vlees’ zegt dat het vlees verdorven is door Satan, is het zo dat niemand mensen kan overmeesteren als zij zich werkelijk overgeven en niet door Satan worden gedreven” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Interpretaties van de mysteriën van “Gods woorden aan het hele universum”, hfst. 36). Door de verlichting van Gods woorden begreep ik dat ik vreselijk bang was om te schande te worden gemaakt voor ik stierf. Satan greep mijn zwakheid aan om me God te laten verraden. Dat was zijn list. Als ik mijn leven op het spel kon zetten, wat zou ik dan niet aankunnen? Ik zag ook in dat het geen schande was dat ze me zo behandelden, maar dat de politie gewoon boosaardig en verachtelijk was. Mijn vlees is niets waard. Ik was bereid om mijn leven op te offeren om getuigenis te geven voor God en Satan te beschamen. Ik wist dat het het waard zou zijn als ik getuigenis kon geven voor God en dat ik dan niet voor niets had geleefd. Bij deze gedachte was ik niet bang meer. Ik was vervuld van kracht en geloof.
Rond 13 uur die middag begon mijn hart tekeer te gaan en had ik moeite met ademen. Mijn benen voelden slap en ik zakte in elkaar op de grond. Toen ze me zo zagen, zeiden ze: “Doe maar niet of je op het punt staat om dood te gaan. We laten je toch niet gaan Het Centrale Comité zegt dat het niet uitmaakt of we een gelovige doodslaan. Eén dode meer, betekent één gelovige minder. We zouden gewoon een kuil kunnen graven en je lijk erin gooien. Niemand zou het weten.” Later zagen ze dat het echt niet goed met me ging en uit angst dat ik zou sterven en ze hun spoor zouden kwijtraken, brachten ze me naar het ziekenhuis voor controle. De dokter zei dat ik uitgeput was en dat dat een probleem met mijn hart had veroorzaakt. Hij zei dat ik voedsel en rust nodig had. Maar het kon ze niet schelen of ik leefde of stierf. Een half uur nadat we terugkwamen uit het ziekenhuis, boeiden ze me weer aan de ijzeren reling. Omdat ze zagen dat hun harde aanpak tot niets leidde, schakelden ze over op een zachtere. Een van de agenten zei met geveinsde vriendelijkheid dat hij niet tegen geloof in de Heer was en dat zijn grootmoeder christen was. Hij zei ook dat hij geen vriendin had en omdat ik zo knap was, zou hij graag een vriendin vinden zoals ik. Toen zei een ander: “Als je niet aan jezelf denkt, denk dan tenminste aan je ouders. Het is bijna Chinees Nieuwjaar en iedereen is bij zijn familie. Maar jij moet hier lijden. Je ouders zouden zo verdrietig zijn als ze het wisten.” Een andere agent deed een duit in het zakje: “Ik heb een kind van ongeveer jouw leeftijd en ik vind het ook vreselijk om je zo te zien lijden. Vertel me wat je nodig hebt, ik heb het hier voor het zeggen. Ik kan je ook helpen een baan te vinden. Wat je ook weet, je kunt het gerust aan mij vertellen.” Hun schijnheilige gedrag maakte me misselijk en ik dacht aan Gods woorden: “Jullie moeten te allen tijde waakzaam zijn en wachten, en jullie moeten meer tot mij bidden. Jullie moeten de verschillende intriges en sluwe plannen van Satan herkennen, de geesten herkennen, mensen kennen en in staat zijn om allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen te onderscheiden” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 17). Satan probeerde mijn emoties en wat kleine gunsten te gebruiken om me om te kopen en me te verleiden om God te verraden. Het was schaamteloos en verachtelijk. Ik wist dat ik niet in Satans listen mocht trappen. Hoe ze me ook bedreigden en probeerden te verlokken, ik zei daarna geen woord meer. Ze kwamen om beurten in groepjes van zes of zeven man en verhoorden me acht dagen en nachten lang. Ze gebruikten intimidatie, dreigementen en marteling om een bekentenis uit me te krijgen, maar ze kregen geen enkele informatie uit me. Ten slotte zei een van de agenten: “Je bent ongelooflijk vasthoudend en je God is geweldig.” Toen ik dat hoorde, was ik zo gelukkig. Ik had gezien dat Satan beschaamd en verslagen was.
Daarna brachten ze me naar een detentiecentrum. Toen ik daar aankwam, onderzocht een vrouwelijke agent me naakt terwijl de camera aan stond. Toen ik in de cel kwam, keken alle andere gevangen me woest aan en de bewaarders jutten ze op en zeiden: “Dit is weer een gelovige. Zorg maar goed voor haar.” Nog voor ik me georiënteerd had, beval een gevangene me om een koude douche te nemen en ik stond te bibberen terwijl de ene na de andere teil koud water over me heen werd gegooid. De andere gevangenen stonden maar aan de kant te lachen. Ik moest elke dag tientallen emmers water sjouwen om de wc te reinigen, om schoon te maken en om etenstijd gaven ze me expres minder eten. Ik kreeg nooit genoeg. ’s Nachts trapten ze heel hard tegen mijn bed, zodat ik niet kon slapen. Het maakte me bang en liet mijn hart bonzen. Het was vreselijk. Later lieten ze me alleen op de koude betonvloer slapen. En dat niet alleen, de bewaarders stookten de hoofdgevangene en enkele moordenaars op om me te kwellen en de politie verhoorde en dreigde me voortdurend en zei: “Je bent een politieke misdadiger. Het kan niemand wat schelen als je doodgaat. Als je niet praat, houden we je hier voorgoed. Reken er niet op dat je hier ooit uit komt.” Het was vreselijk voor me om dat te horen. Elke dag van die vier maanden was een kwelling geweest en ik kon het echt niet langer verdragen. Ik wist niet wanneer er een eind aan zou komen. Ik voelde dat ik niet de kracht had om vol te houden. Ik was erg zwak. Ik verlangde naar de dood om aan de pijn te ontsnappen. In mijn pijn bad ik tot God en tijdens het bidden huilde ik bittere tranen. Ik dacht aan hoe God vlees werd en op aarde kwam om de waarheid uit te drukken en de mensheid te redden. Ik had genoten van het bewateren en het voedsel van Gods woorden, maar ik wilde deze wereld verlaten voor ik Gods liefde had vergoed. Ik was vol schuldgevoel en spijt. Ik voelde me vreselijk, alsof mijn hart een klap te verduren had gekregen. Toen dacht ik aan deze woorden van God: “Dus moeten jullie tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het laatste toe lopen, en zelfs bij jullie laatste ademhaling moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en van de genade van God afhangen; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen). “Aangezien je een menselijk wezen bent, moet je jezelf uitputten voor God en alle lijden verduren! Je moet het weinige lijden dat je tegenwoordig ondergaat blijmoedig en met vertrouwen aanvaarden en je moet een zinvol leven leiden, zoals Job en Petrus. […] Jullie zijn mensen die het juiste pad nastreven, degenen die verbetering zoeken. Jullie zijn mensen die opstaan in de natie van de grote rode draak, degenen die God rechtvaardig noemt. Is dat niet het meest zinvolle leven?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Praktijk (2)). Ik schaamde me echt toen ik aan deze woorden van God dacht. God werd vlees en kwam op aarde om zoveel waarheden uit te drukken om ons te voeden, en nu Hij mensen nodig had om getuigenis voor Hem te geven, wilde ik aan die situatie ontsnappen door de dood, alleen omdat ik een beetje vernedering had ondergaan en lichamelijk had geleden. Dat was geen echte gehoorzaamheid. Was ik niet opstandig jegens God? Ik dacht aan hoe Job zijn hele bezit en zijn kinderen had verloren en gekweld werd door ziekte, maar God nooit de schuld gaf. Hij bleef Gods naam prijzen en onderwierp zich aan God. Hij was een krachtige getuige voor God. En door de eeuwen heen hadden discipelen en profeten hun leven gegeven en hun bloed vergoten voor God. Ik had zoveel van God genoten, maar wat had ik voor Hem opgeofferd? Ik was zo egoïstisch en verachtelijk en maakte de prijs die God voor me had betaald niet waar. Ik was het zelfs niet waard om menselijk genoemd te worden. In berouw en in gebed kwam ik voor God en zei: “O God, ik had ongelijk. Ik mag niet aan de dood denken. Ik wil net zo zijn als Job en Petrus, en wat ik ook moet trotseren, ik wil standvastig in mijn getuigenis voor u staan.” Het gebed gaf me de kracht om tegemoet te zien wat er ook kwam. De hoofdgevangene werd al gauw overgeplaatst naar de gevangenis om haar straf uit te zitten en er werden een paar andere gevangenen binnengebracht die voor me begonnen te zorgen. Ze deelden wat dagelijkse benodigdheden met me en gaven me kleding voor het jaargetijde. Ik wist dat dit Gods orkestratie en regeling was. Zoals Gods woorden luiden: “Of ze nu levend of dood zijn, zullen verschuiven, veranderen, vernieuwen en verdwijnen in overeenstemming met Gods gedachten. Zo oefent God soevereiniteit uit over alle dingen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, God is de bron van het leven van de mens).
Later ontmoette ik een zuster in het detentiecentrum. Dat was echt hartverwarmend voor me. We schreven stiekem wat van Gods woorden over om elkaar moed in te spreken en te communiceren. Mijn hart was voldaan en vol vreugde. Toen kwam de politie op een dag in september opnieuw om me te verhoren. Zodra ik in de verhoorkamer kwam, namen ze mijn foto en ze zeiden dat ze die online zouden gebruiken om achter mijn identiteit te komen. Ze bedreigden me en zeiden: “Je zaak is zo goed als besloten. Denk maar niet dat je vrijkomt. Het beleid van de Communistische Partij ten aanzien van christenen is om een straf van één jaar om te zetten in drie jaar en een straf van drie jaar in zeven jaar. Ze kunnen ze doodslaan om de minste aanleiding en niemand wordt ter verantwoording geroepen. We zullen zien hoelang je het volhoudt.” Toen ik zag hoe boosaardig en verachtelijk de CCP is, haatte ik Satan de duivel nog meer. Ik zou absoluut nooit toegeven en God verraden. Ik zei ernstig tegen ze: “Vergeten jullie het maar. Ik ben niet van plan om vrij te komen. Zolang ik God kan kennen en in mijn leven standvastig kan staan in mijn getuigenis voor de Schepper, zal het het waard zijn, zelfs als ik hier sterf.” Toen stormde de politie woedend naar buiten.
Ik werd vrijgelaten in november 2013 nadat ik tien maanden illegaal door de autoriteiten was vastgehouden. Hoewel ik lichamelijk had geleden toen ik was gearresteerd door de Communistische Partij, hadden Gods woorden me al die tijd verlicht en me de weg gewezen om te zegevieren over Satans verleidingen en standvastig te staan in mijn getuigenis. Ik ervaarde echt de kracht en het gezag van Gods woorden en mijn geloof in God groeide. Ik zag ook duidelijk het duivelse wezen van de CCP in hun haat en vijandschap jegens God. Ik keerde het volledig de rug toe en wees het af en was nog meer vastbesloten om God te volgen. Dank Almachtige God.