3. Gods woorden verdreven mijn misvattingen
In september 2019 aanvaardde ik het werk van Almachtige God van de laatste dagen. Later werd ik gekozen als groepsleider voor bijeenkomsten in de kerk en de broeders en zusters zeiden dat ik dingen snel begreep en een goed kaliber had. Niet lang daarna werd ik als evangeliediaken gekozen en voerde ik mijn plichten nog actiever uit dan voorheen. Elke dag was ik bezig het evangelie te prediken en bijeenkomsten te organiseren. Mijn broeders en zusters genoten van mijn communicatie en de kerkleider zei dat ik het goed deed. Dit maakte me erg gelukkig en ik vond dat mijn kaliber eigenlijk bijzonder goed was. Om meer bewondering te oogsten, las ik meer van Gods woorden en bekeek ik veel films van Gods huis en videolezingen van Gods woord. Maar ik was alleen tevreden met letters en doctrines begrijpen om daarmee te pronken en richtte me niet op Gods wil begrijpen of de waarheid in praktijk brengen. Tijdens bijeenkomsten communiceerde ik zo uitgebreid mogelijk, zodat anderen zouden denken dat ik meer begreep. Ik communiceerde zelfs over dingen die ik niet goed begreep om anderen te laten denken dat ik alles wist. Om een goed imago te op te bouwen in het hart van mijn leider, deed ik me heel sterk voor. Zo had ik in het begin opvattingen over Gods werk, maar ik dacht dat als ik die uitsprak, mijn leider zou denken dat ik de waarheid niet begreep. Daarom hield ik mijn opvattingen opzettelijk verborgen voor mijn leider. Het leek wel of ik een masker droeg. Wat anderen zagen, was een illusie.
Een paar maanden later werd ik tot kerkleider gekozen, voornamelijk belast met evangeliewerk. Dit werk vereiste kaliber, onderscheidingsvermogen en werkvaardigheid. Ik vond dat ik de enige was in de kerk met die kwalificaties en dus door God was aangesteld om deze plicht te vervullen. Door mijn regelmatige promoties vond ik mezelf anders dan anderen, het gretigst in het zoeken naar de waarheid, geliefd en bevoorrecht door God. Ook had ik het gevoel dat ik een speciaal persoon was in de kerk en dat ik onmisbaar voor haar was. Ik dacht zelfs dat de verantwoordelijkheid voor het evangeliewerk vergeleken kon worden met wachter zijn bij de ingang van de kerk, dat ik kon beslissen wie wel en wie niet binnen mocht treden. Langzamerhand werd ik steeds arroganter en vond ik dat boven de anderen stond, dat ik bevelen kon geven en dat mijn broeders en zusters mijn ‘handhavers’ waren die naar mij moesten luisteren. Tijdens het kerkwerk wilde ik altijd zelf beslissen en het laatste woord hebben. Ik vond dat ík het vermogen had om te werken, ík de principes beheerste en dat ik daarom niet de meningen of het advies van anderen hoefde te aanvaarden. Altijd keek ik op mijn broeders en zusters neer. Er was een groepsleider van gemiddeld kaliber waarvoor ik mijn neus ophaalde. Zonder te kijken of ze haar plichten goed vervulde, wilde ik haar eigenmachtig vervangen. Daar kwam nog bij dat ik mijn broeders en zusters als mijn ondergeschikten beschouwde en dacht dat ik hen kon bekritiseren zoals ik wilde. Zo had een zuster haar eigen manier van haar plichten praktiseren, maar ik vond niet dat ze dat goed deed en dus bekritiseerde ik haar zonder over principes te communiceren. Dit maakte haar zo negatief dat ze me niet meer als partner wilde. Later vroeg onze leider tijdens een bijeenkomst of er zich nog moeilijkheden hadden voorgedaan en deze zuster zei meteen: “Broeder Flavien heeft een probleem. Hij communiceert niet over de waarheid, bekritiseert mensen altijd en telkens als hij me bekritiseert, doet hij dat op een keiharde manier.” Daarna meldden diverse andere broeders en zusters dat ik mensen willekeurig aanpakte. Met Gods woorden legden ze mijn arrogante gedrag bloot.
Eigenlijk hadden sommige mensen het probleem van mijn arrogante gedrag al eens bij me aangesneden. Sommige broeders en zusters vonden me veel te streng als ik naar het werk van anderen informeerde en stuurden me berichten als: “Broeder, het was niet goed dat je zo sprak. Zo maak je de broeders en zusters negatief.” Mijn broeders en zusters hadden ook gezegd dat ik zo neerbuigend tegen anderen sprak, dat ik me niet op gelijke voet met mijn broeders en zusters stelde, dat sommigen van hen niet met me wilden praten en dat anderen zich zo aangevallen voelden dat ze hun plicht niet meer wilden. Nadat ik herhaaldelijk door mijn broeders en zusters was berispt en aangepakt, kreeg mijn trots een klap. Ik dacht altijd dat ik iemand was die geliefd en bevoorrecht was door God, maar toen ik zag hoe mijn broeders en zusters me ontmaskerden en afwezen, voelde ik me erg neerslachtig negatief. Ik verloor mijn motivatie om door te gaan met streven en tijdens het doen van mijn plicht deed ik alles routinematig, volgde de plichten van mijn broeders en zusters niet op en richtte me niet op het oplossen van de problemen waarmee ze te maken hadden. Het kon me niets schelen wat ze het meest nodig hadden.
Later stuurde een zuster me een passage uit Gods woord. Deze was bijzonder relevant voor mijn gesteldheid. God zegt: “Sinds de verderving van de mensheid door Satan, is de aard van mensen achteruitgegaan en hebben ze geleidelijk het vermogen om te redeneren verloren dat normale mensen hebben. Ze handelen nu niet meer als menselijke wezens in de positie van de mens, maar zitten vol wilde ambities; ze zijn de rang van de mens voorbijgestreefd, maar snakken er toch naar om nog hoger te komen. Waar verwijst dit ‘hoger’ naar? Ze wensen God te overstijgen, de hemel en al het andere te overstijgen. Wat is er de oorzaak van dat mensen blijk geven van zulke gezindheden? Alles welbeschouwd is de aard van de mens al te arrogant De meeste mensen begrijpen de betekenis van het woord ‘arrogantie’. Het is een kleinerende term. Als iemand arrogantie laat zien, denken anderen dat hij geen goede persoon is. Steeds wanneer iemand arrogant is, nemen anderen aan dat hij een kwaaddoener is. Niemand wil dit etiket opgeplakt krijgen. In werkelijkheid is echter iedereen arrogant en hebben alle verdorven mensen deze essentie. Sommige mensen zeggen: ‘Ik ben helemaal niet arrogant. Ik heb nooit een aartsengel willen zijn en ik heb ook nooit God of alle anderen willen overtreffen. Ik ben altijd iemand geweest die bijzonder gewetensvol is en zich goed heeft gedragen.’ Niet noodzakelijkerwijs. Deze woorden zijn onjuist. Zodra mensen qua aard en essentie arrogant zijn geworden, zijn ze vaak in staat God ongehoorzaam te zijn, weerstand aan Hem te bieden, Zijn woorden in de wind te slaan, met noties over Hem te komen, dingen te doen die Hem verraden en dingen te doen die henzelf verheffen en van henzelf getuigen. Jij zegt dat je niet arrogant bent, maar stel dat je een kerk kreeg die je mocht leiden, stel dat ik je niet behandelde en dat niemand in Gods familie je bekritiseerde of hielp. Na de kerk een tijdje geleid te hebben, zou je mensen voor je voeten brengen en zorgen dat ze zich voor jouw aanschijn aan je onderwerpen, zozeer zelfs dat ze je bewonderen en vereren. En waarom zou je dat doen? Dat zou worden bepaald door je aard; het zou niets anders zijn dan een natuurlijke onthulling. Je hebt het niet nodig om dit van anderen te leren, en anderen hoeven het je niet bij te brengen. Je hebt anderen niet nodig om je op te dragen dit te doen of om je te verplichten het te doen; dit soort situaties komt natuurlijk tot stand. Alles wat je doet is erop gericht dat mensen je verheerlijken, prijzen, aanbidden en zich aan je onderwerpen, en in alles naar je luisteren. Toestaan dat je een leider bent, heeft als vanzelf deze situatie tot gevolg, en die kan niet worden veranderd. En hoe komt deze situatie tot stand? Ze wordt bepaald door de arrogante aard van de mens. De manifestatie van arrogantie is rebellie en verzet tegen God. Als mensen arrogant, vol eigendunk en zelfingenomen zijn, zijn ze geneigd om hun eigen onafhankelijke koninkrijk te vestigen en dingen op hun manier te doen. Ze halen ook mensen naar zich toe in hun eigen handen en trekken ze in hun omarming. Als mensen tot zulke arrogante dingen in staat zijn, bewijst dat gewoon dat de essentie van hun arrogante aard die van Satan is; het is die van de aartsengel. Als hun arrogantie en eigendunk een bepaald niveau bereiken, hebben ze geen plaats meer in hun hart voor God en wordt God terzijde geschoven. Ze willen dan God zijn, mensen hen laten gehoorzamen en dan worden ze de aartsengel. Als je zo’n satanische arrogante aard bezit, zal God geen plaats in je hart hebben. Zelfs als je in God gelooft, zal God je niet meer erkennen, je als kwaaddoener zien en je verstoten” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, De arrogante aard van de mens is de wortel van zijn verzet tegen God). Na het lezen van Gods woorden dacht ik na over hoe ik me tot dusver had gedragen. Vanaf het moment dat ik in God begon te geloven, had iedereen me bewonderd en aangemoedigd. Ze zeiden dat ik een goed kaliber had en goed communiceerde. Ook werd ik diverse keren gepromoveerd, waardoor ik me speciaal voelde, beter dan de andere broeders en zusters, en dat ik gekwalificeerd was om de leiding over hen te nemen. Door mijn arrogante en zelfingenomen aard en mijn ambitie om status na te streven, dacht ik dat ik iemand was in wie God vreugde schepte en die door Hem was bevoorrecht. Ik dacht dat ik bijzonder en beter was dan anderen, dus begon ik mijn positie te gebruiken om anderen te berispen en te beperken. Ik probeerde zelfs mijn broeders en zusters te controleren en ze naar me te laten luisteren. Ik gedroeg me net als de aartsengel! Ik had een te hoge dunk van mezelf. Nadat mijn broeders en zusters me hadden ontmaskerd en afgewezen, besefte ik dat ik niet zo volmaakt was als ik dacht. Ik had aangenomen dat ik ver boven anderen stond en dat God me gunstig gezind was, maar dat was puur mijn verbeelding.
Een aantal dagen later las ik twee passages uit Gods woord, waarin antichristen worden ontmaskerd en geanalyseerd. God zegt: “Antichristen zullen elke prijs betalen om status te verkrijgen, hun ambitie te bevredigen en hun doel, de kerk beheersen en god te zijn, te bereiken. Ze werken vaak tot diep in de nacht en worden bij het krieken van de dag wakker, werken tot laat door en repeteren hun preken in de kleine uurtjes, en ze noteren ook de briljante dingen die anderen hebben gezegd, allemaal om zichzelf toe te rusten met de doctrine die ze nodig hebben om verheven preken te houden. Ze peinzen elke dag over hoe ze deze verheven preken kunnen houden, overwegen welke van Gods woorden het nuttigst zijn om te kiezen en bewondering en lof zullen opwekken onder Gods uitverkoren volk, en leren die woorden daarna uit het hoofd. Vervolgens overwegen ze hoe ze die woorden kunnen interpreteren op een manier die hun scherpzinnigheid en genialiteit aantoont. Om Gods woord echt in hun hart te prenten, streven ze ernaar Zijn woord nog een aantal keer te beluisteren. Ze doen dit alles met de inspanningen van studenten die strijden om een plek op de universiteit. Wanneer iemand een goede preek houdt, of een preek die enige illuminatie verschaft, of een preek die enige theorie biedt, zal een antichrist die verzamelen en bijeenbrengen en er zijn eigen preek van maken. Geen enkele inspanning is te groot voor een antichrist. Wat is dan het motief en de bedoeling van hun werk? Dat is in staat zijn Gods woorden te preken, ze duidelijk en gemakkelijk te kunnen zeggen, ze vloeiend te beheersen, zodat anderen kunnen zien dat de antichrist geestelijker is dan zijzelf zijn, Gods woorden meer koestert, God meer liefheeft. Op die manier kan een antichrist ervoor zorgen dat sommige mensen om hem heen hem gaan bewonderen en vereren. Een antichrist vindt dit de moeite waard en vindt dat het alle inzet, kosten en tegenspoed waard is” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt tien: Ze verachten de waarheid, schenden schaamteloos principes en negeren de regelingen van Gods huis (deel 7)). “De essentie van het gedrag van antichristen is om onophoudelijk verschillende manieren en methoden te gebruiken om hun doel – status en mensen voor zich winnen en ze hen te laten volgen en vereren – te bereiken. Het is mogelijk dat ze in het diepst van hun hart niet opzettelijk met God wedijveren om de mensheid, maar één ding is zeker: zelfs als ze niet met God om mensen willen wedijveren, dan verlangen ze nog steeds naar status en macht te midden van hen. Zelfs als ze op een dag beseffen dat ze met God wedijveren om status en zichzelf een beetje beteugelen, dan nog wenden ze verscheidene methoden aan om status en prestige na te streven; het is hen in hun hart duidelijk dat ze een rechtmatige status kunnen veiligstellen door de goedkeuring en bewondering van anderen te verkrijgen. Kortom, hoewel alles wat antichristen doen een vervulling van hun plicht lijkt te vormen, is de consequentie dat ze mensen bedriegen, dat ze mensen hen laten vereren en volgen. In dat geval is hun plicht op deze manier vervullen het verheffen en getuigen van zichzelf. Hun ambitie mensen te beheersen – en status en macht in de kerk te verwerven – zal nooit veranderen. Dit is door-en-door een antichrist” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt vijf: Ze misleiden, lokken, bedreigen en beheersen mensen). God zegt dat antichristen uiterlijk lijden inzetten om een illusie te scheppen om mensen te misleiden, zodat ze door anderen worden geprezen en aanbeden. Was dit niet wat ik was? Ik had altijd naar roem en status gestreefd en alles wat ik deed was om anderen tegen me op te laten kijken. Ik bracht zoveel tijd door met het lezen van Gods woord dat ik ’s nachts soms pas laat sliep. Maar het was mijn doel om meer doctrines te begrijpen, zodat ik beter voor de dag kon komen en anderen naar me op konden kijken en me konden waarderen. Gods woorden onthulden al de kenmerken die ik vertoonde. Ik had het gevoel dat ik al door God was veroordeeld, dat ik zou worden verstoten en ik was vervuld van angst. Maar ik durfde mijn broeders en zusters niet over mijn ware gesteldheid te vertellen, omdat ik bang was als antichrist te worden gezien en te worden verbannen. Ik probeerde mijn angst voor de anderen te verbergen, maar mijn hart was in doodsangst en ik voelde me alsof ik ter dood veroordeeld was. In diezelfde periode werd er een antichrist ontmaskerd en verbannen uit de kerk. Aan de buitenkant leek ze zich uit te putten voor God en Gods woord te zoeken om met andere broeders en zusters te communiceren, maar zelf bracht ze de Gods woord niet in praktijk. En gebeurde er iets wat niet met haar opvattingen strookte, dan verspreidde ze negativiteit, ontkende zelfs Gods werk van de laatste dagen en hinderde degenen die de ware weg onderzochten. Ik besefte dat enkele van mijn eigen kenmerken dezelfde waren als die van haar. Ik vond bijvoorbeeld ook vaak Gods woord om met mijn broeders en zusters te communiceren, maar zelf bracht ik Gods woord niet in praktijk. Als ik moeilijkheden had, vertrouwde ik op mijn eigen intelligentie en wijsheid om ze op te lossen in plaats van me te richten op het zoeken naar Gods wil of de waarheid in praktijk brengen. Bovendien had ik ook de kenmerken van een antichrist die Gods woorden hadden geopenbaard. Ik werd zelfs nog banger dat ik een antichrist zou worden en zou worden verbannen, want ik voelde dat ik een slechte aard had, dat ik mijn broeders en zusters makkelijk kon bedriegen en sturen en dat ik, net als die antichrist, vroeg of laat het werk van de kerk zou verstoren. Hieraan denken verergerde mijn angst. Ik voelde dat ik niet meer kon hopen op zegen. Daarom begon ik te klagen: “Ik negeerde de bezwaren van mijn familie om in God te geloven en mijn plicht te vervullen. Ik heb zelfs mijn toekomst opgegeven en mijn geboorteplaats verlaten om het evangelie op nieuwe plaatsen te verkondigen. Ik heb zo’n hoge prijs betaald, maar nu ga ik alsnog naar de hel om gestraft te worden. Had ik geweten dat het hier op uit zou draaien, dan had ik me niet zo ingespannen en had ik voor mijn dood ten minste nog kunnen genieten van wat lichamelijk geluk.” In die tijd dacht ik alleen maar aan mijn bestemming en had geen aandacht voor het zoeken naar Gods wil. Daarom was ik altijd op mijn hoede voor God en begreep ik Hem verkeerd. Uiteindelijk nam ik ontslag als leider, omdat ik dacht dat als ik met zo’n belangrijke plicht zou doorgaan, ik zeker ontmaskerd en verbannen zou worden. Ook was ik niet meer openhartig naar mijn broeders en zusters toe en werkte niet meer met hen samen, omdat ik hun kritiek en behandeling vreesde als ze mijn ware gezicht zouden zien. Mijn relatie met mijn broeders en zusters werd volkomen afstandelijk. Om terug te kunnen keren naar mijn ongelovige familie, gebruikte ik later het excuus dat ik naar huis ging om het evangelie te prediken. Geconfronteerd met de dwang en tegenwerking van mijn familie werd ik nog negatiever. Ik bleef weliswaar bijeenkomsten bijwonen, maar dat was voor de schijn. Ik was heel zwak en dacht dat ik het einde had bereikt en dus besloot ik de kerk te verlaten.
Nadat ik uit de kerk was gestapt, was mijn hart heel leeg. Ik bleef de hele dag in mijn kamer en had nergens meer zin in. Hoewel mijn familie me niet langer vervolgde en ik het fysiek best comfortabel had, was ik vol angst en voelde ik me erg schuldig. Ik was voortdurend bezorgd dat ik gestraft zou worden door God, omdat ik Hem had verraden. Ik was bang voor de hel en bang voor de dood – ik probeerde deze angst te overwinnen, maar tevergeefs. Ik las veel boeken over sociale wetenschap in de hoop daarin troost voor mijn ziel te vinden, maar niets kon mijn innerlijke kwelling verlichten. Het leek erop dat ik alleen maar passief de dood kon afwachten. Op een dag bad ik tot God en vroeg Hem om me uit mijn benarde toestand te leiden. Later begon ik naar hymnen te luisteren en Gods woorden te lezen. Zijn woorden schudden mijn geweten wakker en verlichtten me. God zegt: “Sommige mensen hebben de gezindheid van een antichrist en vertonen vaak de uitstortingen van bepaalde verdorven gezindheden, maar terwijl ze zulke uitstortingen hebben, denken ze ook na over zichzelf en kennen ze zichzelf, en kunnen ze de waarheid aanvaarden en in praktijk brengen, en na een bepaalde tijd kan er een verandering in hen worden waargenomen. Zij zijn mogelijke voorwerpen van redding” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt vier: Ze verheerlijken zichzelf en getuigen over zichzelf). “Er zijn mensen die, als ze Gods woorden lezen, vaak opvattingen en verkeerde ideeën ontwikkelen uit de openbaringen van God over de verdorven gesteldheden van mensen en Zijn veroordeling van mensen. Ze worden negatief en zwak, ze denken dat Gods woorden aan hen gericht waren, dat God hen opgeeft en hen niet zal redden. Ze worden zo negatief dat ze in tranen uitbarsten en God niet langer willen volgen. Dit is in werkelijkheid een misverstand over God. Als je de betekenis van Gods woorden niet begrijpt, zou je niet moeten proberen je van God een beeld te vormen. Je weet niet wat voor soort mens God aan hun lot overlaat, of onder welke omstandigheden Hij mensen opgeeft of onder welke omstandigheden Hij mensen aan de kant zet. Er gelden principes voor dit alles, en er is een context. Als je geen volledig inzicht hebt in deze gedetailleerde kwesties, zul je erg vatbaar zijn voor overgevoeligheid en zul je jezelf afbakenen op basis van een paar woorden van God. Is dat niet problematisch? Als God mensen oordeelt, wat is dan het voornaamste aspect waar Hij op afgaat? Waar God over oordeelt en wat Hij onthult is de verdorven gezindheid en de verdorven essentie van mensen. Hij veroordeelt hun satanische gezindheid en hun satanische aard, Hij veroordeelt de verschillende uitingen en gedragingen van hun opstandigheid en verzet tegen God. Hij veroordeelt hen omdat ze niet in staat zijn God te gehoorzamen, altijd tegenover God staan en altijd hun eigen motieven en doelen hebben. Maar zo’n veroordeling betekent niet dat God de mensen met een satanische gezindheid aan hun lot heeft overgelaten. Als dit je niet duidelijk is, heb je geen enkel vermogen om te aanvaarden, waardoor je een beetje bent als mensen die geestesziek zijn, die altijd aan God twijfelen en Hem verkeerd begrijpen. Dergelijke mensen zijn verstoken van het ware geloof, hoe kunnen ze God dan helemaal tot het einde volgen? Als je een enkel woord van veroordeling van God hoort, denk je dat mensen die veroordeeld zijn door God door God aan hun lot zijn overgelaten en niet meer gered zullen worden. Daardoor word je dan negatief en geef je je over aan wanhoop. Dan begrijp je God verkeerd. God heeft de mensen namelijk niet aan hun lot overgelaten. Ze hebben God verkeerd begrepen en zichzelf in de steek gelaten. Niets is gevaarlijker dan wanneer mensen zichzelf opgeven, zoals blijkt uit de woorden van het Oude Testament: ‘Dwazen sterven bij gebrek aan wijsheid’ (Spreuken 10:21). Er is geen gedrag dommer dan wanneer mensen zich overgeven aan wanhoop. Soms lees je Gods woorden die mensen lijken af te bakenen. Maar in feite bakenen ze niemand af, maar zijn ze de uitdrukking van Gods wil en mening. Het zijn woorden van waarheid en principe, ze bakenen niemand af. De woorden die God in tijden van woede of razernij uit, vertegenwoordigen ook Gods gezindheid. Het zijn woorden van de waarheid en ze behoren bovendien tot de principes. Dit moeten mensen begrijpen. Het doel van deze uitspraken van God is mensen de waarheid te laten begrijpen en principe te laten begrijpen, zeker niet om mensen af te bakenen. Deze woorden hebben niets te maken met de uiteindelijk bestemming en beloning van mensen, noch vertegenwoordigen ze de uiteindelijk straf van de mensen. Het zijn slechts woorden van oordeel en behandeling van mensen; Zijn woorden komen voort uit woede, omdat Hij teleurgesteld is in hen en deze woorden dienen om hen wakker te schudden, aan te moedigen; het zijn woorden vanuit het hart van God. En toch komen sommige mensen ten val en verzaken God vanwege een enkele uiting van oordeel door God. Dergelijke mensen weten niet wat goed is voor ze, ze zijn ongevoelig voor rede, ze accepteren de waarheid helemaal niet. […] Er zijn tijden wanneer God mensen mijdt en tijden wanneer Hij hen enige tijd opzijzet, zodat ze over zichzelf kunnen nadenken, maar God heeft hen niet verlaten; Hij geeft hen de kans om berouw te hebben. God laat alleen boosaardigen die veel slechte daden plegen, niet-gelovigen en antichristen werkelijk in de steek. Sommige mensen zeggen: ‘Ik voel dat het werk van de Heilige Geest niet in mij is, en ik heb al lange tijd geen verlichting van de Heilige Geest gehad. Heeft God mij verlaten?’ Dit is een misvatting. Er doet zich hier een probleem voor in de gezindheid: mensen hebben een temperament, ze volgen altijd hun eigen redenering, zijn altijd belachelijk en verstoken van verstand – is dat geen probleem in gezindheid? Je zegt dat God je heeft verlaten, dat Hij je niet zal redden; heeft Hij dus je einde bepaald? God heeft alleen maar een paar boze woorden tot je gericht. Hoe kun je zeggen dat Hij je heeft opgegeven, dat Hij je niet meer wil? Er zijn momenten waarop je het werk van de Heilige Geest niet kunt voelen, maar God heeft je het recht niet ontnomen om Zijn woorden te lezen. Ook heeft Hij je einde niet bepaald, of je pad naar de redding afgesloten – dus waarom ben je zo van streek? Het zit niet goed met je gesteldheid, er is een probleem met je motieven, er zijn dingen aan de hand met je ideologische standpunt, je geestesgesteldheid is verwrongen – en als je niet probeert deze dingen recht te zetten door de waarheid te zoeken, en telkens God verkeerd begrijpt en de schuld geeft, en de verantwoordelijkheid naar God toe schuift, en zelfs zegt: ‘God wil me niet, dus geloof ik niet langer in Hem’, is dat dan niet bespottelijk van je? Ben je dan niet onredelijk?” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door zijn opvattingen op te lossen kan men het juiste pad van geloof in God inslaan (1)). Gods woorden spraken tot mijn hart. Ik begreep dat God me niet had opgegeven, veroordeeld of mijn uitkomst had vastgesteld. In feite wist God hoe verdorven ik was door Satan. God stond toe dat mijn broeders en zusters me op het juiste moment ontmaskerden en gebruikte Zijn woorden om mijn verdorven gezindheid en het verkeerde pad dat ik was ingeslagen te onthullen, want alleen zo kon ik kennis over mezelf krijgen. Dit was een enorme kans voor me om te veranderen. Gods oordeel, kastijding, snoeien en behandeling waren niet om me te veroordelen of uit te drijven, maar om me te redden. God hoopte dat ik mezelf echt zou leren kennen en echt berouw zou krijgen. Maar ik gebruikte mijn individuele vooroordelen en opvattingen om Gods wil verkeerd te begrijpen. Ik geloofde dat God me beslist niet wilde, omdat ik de kenmerken van een antichrist vertoonde en dat ik gedoemd was hetzelfde lot te ondergaan als degenen die vernietigd moesten worden. Ik geloofde dat als iemand met de gezindheid van een antichrist zoals de mijne in de kerk zou blijven, hij vroeg of laat het werk van de kerk zou verstoren. Maar eigenlijk waren al mijn kenmerken normaal in Gods ogen. Ik had de kenmerken van de gezindheid van een antichrist vertoond maar was nog geen antichrist geworden. God verstoot en straft hen die de essentie van een antichrist hebben. Ze zijn niet in staat berouw te tonen, omdat hun aard en essentie slecht zijn en ze de waarheid verafschuwen en haten. Wat ze ook verkeerd doen, ze geven het nooit hun fouten toe en zullen tot aan hun dood toe alles in het werk stellen om hun prestige en status te behouden. Ik kon me nog steeds realiseren dat ik diep verdorven was; ik wist wat mijn fout was en had dus nog de kans om berouw te tonen. Ik had alleen maar de gezindheid van een antichrist; ik was geen antichrist die zelfs het geringste beetje waarheid niet kon aanvaarden of die de waarheid verachtte. God had me niet veroordeeld op grond van mijn blootgelegde verdorvenheid, maar had me in afwachting van mijn berouw zoveel mogelijk geprobeerd te redden. Maar ik had geleefd met opvattingen die tegen God indruisen en had Hem verkeerd begrepen in de overtuiging dat God me zou verstoten. Daarom had ik ontslag genomen en de kerk verlaten, bezorgd dat ik, als ik in de kerk bleef, het werk ervan zou blijven verstoren en een nog grotere straf zou moeten ondergaan. Ik begreep Gods wil niet en kende Gods liefde en Gods rechtvaardige gezindheid niet. Ik dacht dat omdat God me niet meer wilde, al mijn inspanningen tevergeefs waren. Zonder lichamelijke genot in deze wereld zou ik niets hebben. Als ik nu terugkijk op wat ik deed, schaam ik me diep. Vele malen had ik gezworen dat ik God heel mijn leven zou volgen, maar zodra ik geconfronteerd werd met veroordeling en ontmaskering, werd ik passief, ontkende ik Gods redding, verloor mijn geloof in God en koos er zonder aarzeling voor om terug te keren naar de wereld voor lichamelijk genot. Waar was mijn geweten! Ik voelde de diepste berouw. Nu ik Gods wil begreep, had ik weer hoop op leven. Het voelde alsof ik uit de dood was opgestaan. Ik liet al mijn persoonlijke plannen los, inclusief studie en werk, en begon nauwgezet over Gods woord na te denken, hymnen te zingen, te luisteren naar voordrachten van Gods woord en Gods wil te zoeken in Zijn woorden. Het was alsof ik helemaal opnieuw het pad van geloof in God opging. Beetje bij beetje ontving ik Gods genade opnieuw en voelde ik de vreugde Gods aanwezigheid. Ik vond innerlijke rust en vreugde en ook een hernieuwd verlangen in mijn hart om terug te keren naar de kerk. Maar ik wist niet of Gods huis me zou accepteren. Daarom bad ik tot God en vroeg Hem Zich over me te ontfermen en me te redden.
Een paar weken later las ik een passage van Gods woord, waardoor ik Zijn wil wat beter begreep. God zegt: “Een aantal jaren na het begin van deze fase van het werk, was er een man die in God geloofde, maar de waarheid niet wilde nastreven. Hij wilde alleen maar geld verdienen en een partner vinden, leven als een rijkaard, en dus verliet hij de kerk. Na een aantal jaar rond te zwerven, is hij nu teruggekeerd. Hij voelde een diepe spijt in zijn hart en heeft mateloos gehuild. Dit bewijst dat zijn hart God niet geheel heeft verlaten, wat een positieve zaak is; hij heeft nog kans en hoop om te worden gered. Zou hij niet meer hebben geloofd en gelijk zijn geworden aan de ongelovigen, dan zou het volkomen met hem gedaan zijn geweest. Als hij oprecht berouw kan hebben, is er nog hoop voor hem. Dit is zeldzaam en kostbaar. Hoe God ook handelt, de mensen behandelt, of zelfs haat, veracht of vervloekt, als er een dag komt waarop ze hun houding kunnen veranderen, put ik daar veel troost uit. Het betekent dat mensen nog steeds dat kleine beetje ruimte voor God in hun hart hebben, hun menselijk verstand niet volledig kwijt zijn, hun menselijkheid niet volledig kwijt zijn, nog steeds de intentie hebben in God te geloven en nog enige intentie hebben God te erkennen en naar Hem terug te keren. Wat mensen betreft die God echt in hun hart hebben: wanneer ze Gods huis ook hebben verlaten, als ze terugkeren en nog steeds genegenheid hebben voor deze familie, zal ik enige emotionele binding beginnen te voelen en daar enige troost uit putten. Als ze echter nooit terugkeren, zal ik dat jammer vinden. Als ze terug kunnen keren en echt berouw kunnen hebben, dan in het bijzonder zal mijn hart met voldoening en troost vervuld raken. Dat deze man nog steeds in staat was terug te keren, laat zien dat hij God niet vergeten was. Hij kwam terug omdat hij in zijn hart nog steeds naar God verlangde. Het was heel ontroerend om elkaar te ontmoeten. Wanneer hij wegliep was hij vast en zeker behoorlijk negatief en was hij in een slechte gesteldheid. Maar wanneer hij nu terugkeert, bewijst dit dat hij nog steeds geloof in God heeft. Of hij voorwaarts kan blijven gaan of niet is echter een onbekende factor omdat mensen zo snel kunnen veranderen. In het Tijdperk van Genade had Jezus medelijden met de mensen en schonk ze genade. Ging er één schaap van de honderd verloren, dan liet Hij de negenennegentig achter om op zoek te gaan naar dat ene schaap. Deze regel vertegenwoordigt noch een bepaalde mechanische handeling, noch een voorschrift, maar toont veeleer Gods dringende intentie om mensen redding te brengen, en ook Zijn diepe liefde voor hen. Het is geen manier van doen, het is een soort gezindheid, een soort mentaliteit. Het feit dat sommige mensen voor zes maanden of een jaar de kerk verlaten, en, hoeveel zwakheden of misvattingen ze ook hebben, toch in staat zijn om later tot de werkelijkheid te ontwaken, kennis op te doen en zich te bekeren en weer op het rechte pad te komen, troost me in het bijzonder en verschaft me een klein beetje plezier. In deze wereld van plezier en pracht en praal, in dit boze tijdperk, in staat zijn God te erkennen en terug te keren op het juiste pad is iets wat heel wat troost en opwinding brengt. Neem bijvoorbeeld het opvoeden van kinderen: of ze nu gehoorzaam zijn of niet, hoe zou je je voelen wanneer ze je niet zouden erkennen en het huis zouden verlaten om nooit meer terug te keren? Diep van binnen zou je je nog steeds zorgen om ze maken en je zou je altijd afvragen: ‘Wanneer zal mijn zoon terugkeren? Ik wil hem zien. Hij is tenslotte mijn zoon en het is niet voor niets dat ik hem heb opgevoed en liefgehad.’ Zo heb je altijd gedacht. Je hebt altijd naar die dag uitgekeken. Iedereen voelt wat dit betreft hetzelfde, om nog maar te zwijgen van God – koestert Hij niet nog grotere hoop dat de mens zijn weg terug zal vinden na het spoor bijster te zijn geraakt, dat de verloren zoon zal terugkeren? Mensen zijn tegenwoordig klein van gestalte, maar de dag zal komen dat ze Gods wil zullen begrijpen, tenzij ze niet geneigd zijn tot waar geloof, tenzij ze niet-gelovigen zijn, in welk geval ze Gods bekommernis niet waard zijn” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). Gods woorden ontroerden me en de tranen stroomden over mijn wangen. Het voelde alsof God persoonlijk tegen me sprak, net zoals een moeder tot haar kind spreekt. God redde me toen ik het wanhopigst was en liet me zien hoe echt Zijn liefde is. Ik begreep dat God mensen niet gemakkelijk mensen veroordeelt of neerslaat. God is in de laatste dagen vlees geworden om de mensheid te redden. God had me nooit echt verlaten, zoals ik had aangenomen. Integendeel, door mijn verdorven gezindheid en het verkeerde pad dat ik was ingeslagen had Hij Zijn gezicht voor me verborgen. Dat was Gods rechtvaardigheid en heiligheid om me te disciplineren en te veranderen. God wachtte tot ik berouw zou tonen, maar ik had veel opvattingen en misverstanden over God. Ik nam altijd een persoonlijk standpunt in en stelde mijn eigen opvattingen in de plaats van Gods wil, alsof ik de waarheid begreep. Hoewel ik zo opstandig was, wist God wat mijn zwakheid was en waar ik zou struikelen en fout zou gaan. Gods liefde was groter dan ik me ooit kon voorstellen. Stap voor stap leidde God me tot ik ontwaakte. Ik besefte dat Gods bedoeling om mensen te redden oprecht was. Zolang mensen Zijn naam bewaren en Zijn pad volgen, zal God altijd een reddende hand uitsteken. God is verantwoordelijk voor ieders leven, maar mensen moeten actief de verantwoordelijkheden van geschapen wezens vervullen. God houdt niet van lafaards zoals ik; Hij houdt van vastberaden mensen. Zolang ik oprecht berouw had en ernaar streefde de waarheid te zoeken en mezelf te veranderen, was het nog niet te laat. Ik had nog steeds een kans mijn verdorven gezindheid te veranderen en gered te worden. Toen ik Gods wil eenmaal begreep, werd mijn gesteldheid van negativiteit en onbegrip teruggedraaid.
Later las ik nog een passage van Gods woord, waardoor ik Gods oordeelswerk wat begon te begrijpen. God zegt: “Vandaag oordeelt God over, tuchtigt en veroordeelt Hij jullie, maar je moet weten dat het doel van jouw veroordeling is dat je jezelf kent. Hij veroordeelt, vervloekt, oordeelt en tuchtigt zodat jij jezelf kunt kennen, zodat je gezindheid kan veranderen en zodat je bovendien je waarde mag kennen, en mag zien dat alle daden van God rechtvaardig zijn en in overeenstemming met Zijn gezindheid en de vereisten van Zijn werk, dat Hij werkt volgens Zijn plan voor het heil van de mens, en dat Hij de rechtvaardige God is die de mens liefheeft, hem redt, over hem oordeelt en hem tuchtigt. Als je alleen weet dat je een lage status hebt, dat je verdorven en ongehoorzaam bent, maar niet weet dat God Zijn heil wil openbaren door het oordeel en de tuchtiging die Hij je vandaag oplegt, dan kun je geen ervaring opdoen en ben je al helemaal niet in staat om voort te blijven gaan. God is niet gekomen om te doden of te vernietigen, maar om te oordelen, te vervloeken, te tuchtigen en te redden. Totdat Zijn managementplan van zesduizend jaar ten einde komt – totdat Hij de uitkomst van elke categorie van de mens openbaart – zal Gods werk op aarde redding ten doel hebben; het doel ervan is louter het grondig compleet maken van wie Hem liefhebben, en hen onderwerpen onder Zijn heerschappij. Hoe God mensen ook redt, alles wordt gedaan door ze te laten breken met hun oude satanische aard. Dat wil zeggen: Hij redt ze door ze naar het leven te laten streven. Als ze dat niet doen, zullen ze geen manier hebben om Gods heil aan te nemen. Redding is het werk van God Zelf, en naar het leven streven is iets wat de mens moet ondernemen om het heil te aanvaarden. In de ogen van de mens is het heil de liefde van God, en kan de liefde van God geen tuchtiging, oordeel en vervloekingen zijn. Het heil moet liefde, mededogen en bovendien woorden van troost omvatten, evenals grenzeloze zegeningen die God uitstort. Mensen geloven dat God mensen redt door hen te roeren met Zijn zegeningen en genade, zodat zij hun hart aan God kunnen geven. Dat wil zeggen: het feit dat Hij de mensen roert, betekent dat Hij ze redt. Dit soort redding vindt plaats door het aangaan van een overeenkomst. Alleen wanneer God hem het honderdvoudig toekent, is de mens bereid zich aan Gods naam te onderwerpen, zijn best voor Hem te doen en Hem eer te bewijzen. Dit is niet Gods bedoeling met de mensheid. God is op aarde komen werken om de verdorven mensheid te redden; daarin schuilt geen onwaarheid. Als dat wel zo was, was Hij Zijn werk beslist niet persoonlijk komen doen. In het verleden bestond Zijn middel om redding te brengen onder meer uit het tonen van de grootste liefde en barmhartigheid, zodanig dat Hij Zich helemaal aan Satan gaf in ruil voor de hele mensheid. Het heden lijkt in niets op het verleden: de redding die jullie tegenwoordig wordt geschonken, gebeurt in de tijd van de laatste dagen, tijdens de classificatie van ieder naar zijn aard. Het middel om jullie heil te bewerkstelligen is niet liefde of barmhartigheid, maar wel tuchtiging en oordeel zodat de mens grondiger kan worden gered. Alles wat jullie krijgen, is dus tuchtiging, oordeel en genadeloze klappen, maar weet dit: in deze harteloze klappen gaat geen greintje straf schuil. Ongeacht hoe hard mijn woorden misschien zijn, wat jullie overkomt zijn maar een paar woorden die misschien als totaal harteloos op jullie overkomen, en hoe kwaad ik misschien ook ben, wat er op jullie regent zijn nog steeds woorden van onderricht, en ik ben er geenszins op uit om jullie iets aan te doen of ter dood te brengen. Is dit niet allemaal een feit? Weet dat alles tegenwoordig, van rechtvaardig oordeel tot harteloze loutering en tuchtiging, ten behoeve van het heil is. Ongeacht of tegenwoordig iedereen naar zijn soort wordt geclassificeerd, en of de categorieën van de mens worden blootgelegd, het doel van al Gods woorden en werk is het redden van degenen die echt van God houden. Rechtvaardig oordeel wordt gebracht om de mens te zuiveren, en harteloze loutering vindt plaats om de mens te reinigen; harde woorden of kastijding vinden beide plaats om te zuiveren en zijn omwille van de redding” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Jullie moeten de zegeningen van status opzijzetten en Gods bedoeling om de mens redding te brengen, begrijpen). Na het lezen van Gods woorden zag ik in dat ik Gods oordeelswerk niet begreep. Toen ik Gods werk voor het eerst aanvaarde, was dat meer om te genieten van Gods liefde, Zijn genade en de illuminatie en verlichting van de Heilige Geest. Ik was tevreden om alleen maar Gods genade te genieten. Ik dacht dat ik een kleine baby in Gods handen was, iemand die door God werd gekoesterd, dat ik speciaal en volmaakt was en dat ik niet zo streng door God geoordeeld moest worden. Toen Gods strenge woorden mijn verdorvenheid en mijn gezindheid van een antichrist ontmaskerden, dacht ik daarom dat God me zou verstoten. Maar eigenlijk begreep ik Gods wil niet. Mensen waren te diep verdorven door Satan. Alleen het strenge oordeel en de harde tuchtiging van God konden de verdorven gezindheden van de mensen veranderen en ons volledig van de heerschappij van Satan redden. Ik was zo diep verdorven geweest door Satan, zo arrogant en zelfingenomen, dat ik het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden nodig had om me wakker te schudden. Alleen dit soort werk kon me het lelijke voorkomen van mijn verdorvenheid door Satan doen inzien; alleen daardoor kon ik mezelf gaan haten en Satan verzaken. Zonder dit werk zou ik nog steeds denken dat ik volmaakt was en geliefd door God en zou ik me nooit omkeren om de waarheid zoeken of over mezelf na te denken. Tot mijn dood zou ik het verkeerde pad van de antichrist zijn opgegaan. Ik geloofde in God, maar wilde helemaal niet lijden. Ik wilde door God verwend worden en als een baby voor altijd Gods genade en zegeningen genieten. Hoe kon ik zo ooit door God worden gezuiverd? Mijn onwetendheid en zelfzucht zorgden ervoor dat ik God verkeerd begreep, me van Hem afkeerde en Hem verraadde. Ik zag niet dat achter Zijn oordeel Zijn liefde en verlossing lag. Ik had een zware prijs betaald voor mijn onwetendheid en zelfzucht. Nadat ik me het enorme belang van Gods oordeelswerk en tuchtiging had gerealiseerd, kreeg ik opnieuw het vertrouwen om God te volgen en Gods werk weer te ervaren. Ik begreep dat Gods werk, of het nu overeenkwam met mijn opvattingen of niet, allemaal werd gedaan om me te zuiveren, mijn verdorven gezindheid te veranderen en me volledig uit de heerschappij van Satan te redden. Gods oordeel en tuchtiging is Zijn beste manier om de mens te redden.
Daarna las ik meer woorden van God en begreep ik Gods eisen. God wilde dat ik een waar geschapen wezen was, Zijn soevereiniteit en voorziening aanvaardde, mijn eigen plicht vervulde, Hem leerde kennen en getuigenis voor Hem aflegde. Eigenlijk had ik dezelfde status als mijn broeders en zusters. God had me bepaalde gaven of talenten gegeven of een kans om als leider te dienen, maar dat maakte mijn status niet hoger dan die van mijn broeders en zusters. Ik was nog steeds een geschapen wezen en nog steeds een verdorven persoon die Gods redding nodig had. Deze gaven en talenten waren door God gegeven en daarom had ik niet zo mogen pronken. Ik had mijn inspanningen beter kunnen richten op het goed vervullen van mijn plicht om God tevreden te stellen. Toen ik dat allemaal besefte, had ik een beoefeningspad en voelde me opgelucht. Nu wilde ik snel terug naar de kerk om mijn plichten voort te zetten. Deze keer was mijn voornemen om God te volgen en mijn plicht te vervullen sterker. Ik verwijderde alles wat niets met het geloof in God te maken had van mijn computer en telefoon en besloot al het andere opzij te zetten en Hem te volgen. Een paar dagen later keerde ik terug naar de kerk en pakte het verspreiden van het evangelie weer op. Ik was God zo dankbaar. Tijdens het doen van mijn plicht werkte ik bewust samen met mijn broeders en zusters. Ieder keer als ik op een probleem stuitte, vroeg ik mijn broeders en zusters om hun mening, suggesties en medewerking. Ik hoefde niet langer het laatste woord te hebben en drong mijn meningen niet meer op aan mijn broeders en zusters. In plaats daarvan besprak ik de dingen met iedereen. Ook wilde ik niet meer pronken om hen tegen me op te laten kijken of proberen hen te controleren. Ik wilde geen macht meer. Integendeel, ik leerde samen met mijn broeders en zusters de principes van de waarheid te zoeken. Door dit in praktijk te brengen, voelde ik me veel meer op mijn gemak, iets wat ik nooit eerder had gevoeld.
Sinds deze ervaring heb ik mijn verdorven gezindheden enigszins leren begrijpen. Ik heb ook enkele inzichten gekregen in Gods werk en Zijn wil om de mensheid te redden. Ook kreeg ik een dieper geloof. Ik denk echt dat Gods oordeel en tuchtiging geen kwesties zijn van veroordeling en vernietiging maar juist van Zijn liefde en redding. Zoals in Gods woorden staat: “Gods tuchtiging en oordeel het licht is en het licht van de redding van de mens en dat er geen betere zegen voor de mens is, en geen grotere genade of betere bescherming” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). God zij gedankt!