67. Na de verbanning van mijn vader
Een paar jaar geleden was ik ver van huis bezig met mijn plicht, toen ik plotseling te horen kreeg dat mijn vader als boosdoener was aangemerkt en uit de kerk was verbannen. Er werd gezegd dat hij geen positieve rol in de kerk had gespeeld door opvattingen en negativiteit te verspreiden en het enthousiasme van mensen voor hun plichten in te tomen. De broeders en zusters communiceerden talloze keren met hem en pakten hem aan, maar hij verwierp het allemaal en stond vijandig tegenover de mensen die hem ontmaskerden en aanpakten. Het nieuws overdonderde me echt. Ik wist dat hij humeurig was maar vond dat hij een goede menselijkheid had, liefdevol was voor de broeders en zusters en hen altijd hielp met hun moeilijkheden in het leven. Al onze buren zeiden dat hij heel behulpzaam en liefdevol was. Waarom werd hij dan plotseling verbannen omdat hij slecht was? Sinds hij in 2001 het werk van God van de laatste dagen had aanvaard, had hij steeds het evangelie verspreid en zijn plicht vervuld. Hij had in stapels brandhout en op kerkhoven geslapen om aan arrestatie door de CCP te ontkomen. Hij had veel geleden en hoewel hij niets opvallends had gedaan, had hij jarenlang hard gewerkt. Hoe kon hij er nou zomaar uitgeschopt worden? Ik vroeg me af of de kerkleider het misschien verkeerd had aangepakt. Waarom kreeg hij niet de kans om berouw te tonen? Een tijd lang was iedere gedachte aan mijn vader heel pijnlijk en had ik medelijden met hem.
Ongeveer een jaar later kwam ik terug in mijn geboorteplaats om mijn plicht te doen. Toen ik mijn vader zag, vond ik het eerst nog heel erg voor hem en wilde ik alles voor hem doen wat ik kon. Hij zorgde ook heel goed voor mij. Maar geleidelijk besefte ik dat er iets niet klopte aan zijn manier van praten. Hij zei voortdurend negatieve dingen, waardoor mensen God verkeerd konden gaan begrijpen en zich van Hem konden verwijderen en depressief konden worden. Neem bijvoorbeeld mijn moeder. Ze was kerkleider geweest, maar ze was ontslagen omdat ze weinig kaliber had en geen praktisch werk deed en zich daarom een poosje in een negatieve gesteldheid bevond. Mijn vader communiceerde niet over Gods wil om haar te helpen, maar zei: “Het is niet veilig in Gods huis en iedereen wordt op een dag wel ontslagen. Wist God niet dat je te weinig kaliber had? God heeft dit met opzet zo voor je geregeld: je als leider kiezen en dan ontslaan zodat je lijdt. Jouw geringe kaliber is door God bepaald. Als God je geen goed kaliber geeft, doe je je plicht nooit goed!” Nadat hij dat had gezegd verslechterde de gesteldheid van mijn moeder. Ik was heel boos toen ik hoorde wat hij had gezegd en vond hem heel onredelijk. Het was een normale afwisseling van een plicht in de kerk, maar hij zei dat God iemand met opzet liet lijden. Dat is gewoon onzorgvuldig. De kerk regelt en wijzigt de plichten van mensen op basis van hun sterke punten. Aan de ene kant doet ze dit zodat het werk van de kerk zich soepel ontwikkelt en succesvoller is. Aan de andere kant kunnen mensen zo hun eigen kaliber en gestalte leren kennen, zodat ze een passende plicht en functie kunnen vinden en hun sterke kanten beter kunnen gebruiken en hun steentje kunnen bijdragen. Deze regeling is helemaal volgens de principes en komt het werk van de kerk en het binnengaan in het leven van de mensen ten goede. Mijn moeder was ontslagen uit haar leidinggevende functie, maar ze deed nu een andere plicht die bij haar paste en kon deze mislukking aanwenden om zichzelf te leren kennen en haar les te leren. Dat was toch goed? Hoe kon mijn vader de waarheid nou zo verdraaien? Ook was er een broeder in de kerk die zijn baan had opgezegd om zijn plicht fulltime te kunnen doen. Toen zijn plicht niet te zwaar was, vond hij een bijbaantje om wat geld te verdienen. Het was hard werken en terwijl hij zijn plicht deed, verdiende hij de kost. Hij had nog nooit zulk fysiek zwaar werk gedaan en als hij uitgeput was voelde hij zich echt neerslachtig. Toen mijn vader daarachter kwam, zei hij tegen de broeder: “Mijn gezin had het vroeger redelijk goed, maar sinds we in God geloven brengen we voortdurend offers. Nu hebben we nauwelijks geld en moet ik hard werken. Je geeft al genoeg op, maar op een dag heb je misschien spijt…” Ik schrok toen ik hem dat hoorde zeggen. Waarom zou hij zo met de broeder communiceren? Als mensen alles opgeven om zich voor God in te zetten, kan het zijn dat ze misschien niet erg rijk zijn en wat lijden, maar wat ze ontvangen is waarheid en leven. Dat is iets dat door geen geld vervangen kan worden. Wat mijn vader had gezegd kwam niet overeen met de waarheid. Onze levens waren niet veel zwaarder dan eerst. Al die keren dat mijn vader moeite had om werk te vinden of problemen had in zijn leven, had God een pad voor hem geopend en hem aan een geschikte baan geholpen om de kost te blijven verdienen. Voordat hij was gaan geloven, rookte en dronk hij altijd en ging het heel slecht met zijn gezondheid. Als hij zijn rijstkom vasthield, trilden zijn handen. Hij stopte met drinken toen hij in God ging geloven en besteedde zijn tijd aan zijn plicht en aan communicatie met de broeders en zusters, waarna het steeds beter ging met zijn gezondheid. Iedereen zei dat hij er zo goed uitzag, als herboren. Ons gezin had zoveel genade van God ontvangen, maar daar had mijn vader het niet over. In plaats daarvan verdraaide hij de zaken en klaagde hij en liet mensen opzettelijk God verkeerd begrijpen en de schuld geven. Opzettelijk verstoorde hij hun relatie met God, leidde hen bij God vandaan en liet hen God verraden.
Er waren veel van dat soort dingen. Nadat ik met mijn studie was gestopt om mijn plicht in de kerk fulltime te vervullen, zei hij steeds: “Je zet je zozeer in, zonder jezelf een uitgang te gunnen. Op een dag zul je daar spijt van krijgen.” Dat klonk me niet goed in de oren. Het was goed en juist voor een schepsel om zijn plicht in de kerk te vervullen. Het was mijn verantwoordelijkheid en mijn verplichting. Ik heb mijn studie uit vrije wil opgegeven. Dat ik in staat was in God te geloven, Hem te volgen en mijn plicht te doen in de kerk kwam door Gods genade voor mij. En door al die jaren dat ik mijn plicht deed in de kerk, begreep ik enkele waarheden en kreeg ik dingen die ik in de wereld daarbuiten nooit had kunnen krijgen. Ik weet waar mensen in het leven naar moeten streven en begrijp veel dingen in de wereld nu een stuk beter. Ik volg geen slechte seculiere trends zoals ongelovige jongeren. Dit zijn heel juist de dingen die ik heb opgedaan, die ik op school nooit had kunnen meekrijgen. Maar mijn vader maakte je inzetten voor je plicht voor God tot iets negatiefs. Was dat geen verspreiding van negativiteit en dood? Ik kaatste terug: “Ik krijg er geen spijt van! Ik heb misschien een paar jaar niet gestudeerd en in plaats daarvan mijn plicht gedaan, maar ik heb veel waarheden geleerd en zoveel opgedaan. Dat had ik nooit uit boeken kunnen halen. Wat je zegt komt niet overeen met de waarheid.” Ik schrok toen hij ontvlamde en hij zijn vuist kwaad balde alsof hij me ging slaan. Op dat moment besefte ik dat mijn vader niet de persoon was die ik dacht dat hij was. Ik had hem altijd beoordeeld op zijn uiterlijke goede daden, niet op de principes van de waarheid. Ik had altijd gevonden dat mijn vader zo bezorgd en zorgzaam was voor mij, liefdevol naar buiten toe naar andere broeders en zusters, als iemand wiens menselijkheid niet slecht was. Maar achter zijn aardige gedrag school iets duisters in zijn hart. Hij had enorme opvattingen over God en Zijn werk. Zijn woorden leken troostrijk en begripvol, alsof hij rekening hield met onze mogelijkheden, maar in feite verspreidde hij opvattingen over God, zodat mensen God verkeerd zouden begrijpen en Hem de schuld zouden geven. Zijn woorden aanvaarden zou ertoe leiden dat we opvattingen en onbegrip over God zouden ontwikkelen, of zelfs ons geloof zouden opgeven, onze plicht zouden verzaken, ons niet meer zouden inzetten voor God en terug de wereld in zouden gaan. Het was echt misleidend!
Later las ik enkele van Gods woorden die betrekking hadden op mijn vaders gedrag. Almachtige God zegt: “Degenen onder de broeders en zusters die altijd lucht geven aan hun negativiteit zijn hielenlikkers van Satan en hinderen de kerk. Ooit moeten zulke mensen worden verdreven en verstoten. Als mensen in hun geloof in God geen hart van verering voor God hebben, geen hart van gehoorzaamheid jegens God hebben, dan zullen ze niet alleen helemaal geen werk voor Hem kunnen doen, maar zullen ze daarentegen degenen worden die Zijn werk hinderen en die zich tegen Hem verzetten. In God geloven zonder Hem te gehoorzamen of te vereren, en in plaats daarvan weerstand tegen Hem bieden, is voor een gelovige de grootste schande. Als gelovigen in hun spreken en gedrag net zo nonchalant en ongeremd zijn als ongelovigen, dan zijn ze zelfs nog slechter dan ongelovigen; ze zijn archetypische demonen. […] Iedereen die door Satan is verdorven, heeft een verdorven gezindheid. Sommigen hebben niets anders dan een verdorven gezindheid, terwijl anderen anders zijn: ze hebben niet alleen een verdorven satanische gezindheid, maar hun natuur is ook uiterst kwaadaardig. Niet alleen onthullen hun woorden en daden hun verdorven, satanische gezindheid; deze mensen zijn bovendien de authentieke duivel Satan. Hun gedrag onderbreekt en hindert Gods werk, het verstoort het intreden van de broeders en zusters in het leven en het schaadt het normale leven van de kerk. Vroeg of laat moeten deze wolven in schaapskleren verwijderd worden; er moet een onverbiddelijke houding, een houding van afwijzing worden aangenomen tegenover deze hielenlikkers van Satan. Alleen zo staat men aan de kant van God, en wie daar niet in slaagt, wentelt zich met Satan in het slijk” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Een waarschuwing aan hen die de waarheid niet beoefenen). “Mensen die geen vooruitgang nastreven, willen altijd dat anderen even negatief en lui zijn als zijzelf. Wie de waarheid niet in praktijk brengt, is jaloers op wie dat wel doet en probeert altijd degenen te misleiden die warhoofdig zijn en geen onderscheidingsvermogen hebben. De dingen die deze mensen spuien, kunnen er de oorzaak van zijn dat je degenereert, omlaagglijdt, een abnormale gesteldheid ontwikkelt en van duisternis vervuld wordt. Ze veroorzaken dat je ver weg raakt van God, het vlees koestert en jezelf uitleeft. Mensen die de waarheid niet liefhebben en die zich altijd plichtmatig gedragen tegenover God hebben geen zelfbewustzijn, en de gezindheid van zulke mensen verleidt anderen tot zonde en tot verzet tegen God. Ze beoefenen de waarheid niet en staan ook anderen niet toe die te beoefenen. Ze koesteren de zonde en verachten zichzelf niet. Ze kennen zichzelf niet en weerhouden anderen ervan zichzelf te kennen; ze weerhouden anderen er ook van naar de waarheid te verlangen. Degenen die door hen misleid worden, kunnen het licht niet zien. Ze vervallen tot duisternis, kennen zichzelf niet, begrijpen de waarheid niet goed en raken steeds verder van God verwijderd” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Een waarschuwing aan hen die de waarheid niet beoefenen). Ik dacht hierover na en begreep dat mensen die steeds opvattingen en negativiteit verspreiden onder de broeders en zusters aan Satan toebehoren. Zulke mensen treden op als Satans lakeien, ze verstoren en misleiden mensen en weerhouden hen ervan vóór God te komen. Dat mijn vader dergelijke dingen zei – en maar bleef zeggen – was geen teken van een kortstondige verdorvenheid of negativiteit en zwakte. Hij zei dat omdat hij de waarheid en God in zijn aard en wezen haatte. Zodra er iets gebeurde, kwam hij met een gezichtspunt dat volkomen in strijd was met Gods woorden en de waarheid. Het waren allemaal opvattingen over God om mensen ertoe te brengen Hem verkeerd te begrijpen, de schuld te geven en te verraden. Ik zag dat hij de waarheid helemaal niet nastreefde. Hij vervulde zijn plicht alleen om zegeningen te verkrijgen, maar toen hij geen materiele zegeningen meer kreeg voor zijn lijden en inzet, voelde hij zich tekortgedaan en was zelfs vol wrok en vijandigheid tegenover God. Hij kon het pad van het geloof niet volgen en wilde anderen strikken om zich van God af te keren, God te verraden en samen met hem God te confronteren. Zijn woorden stonden bol van Satans listen, allemaal om het plichtsbesef van mensen te ondermijnen en hun relatie met God te verwoesten. Hij was enkel Satans hielenlikker en behoorde toe aan de duivel. Een normaal goedhartig mens zou zoiets niet opzettelijk doen, hoe negatief en zwak hij zich ook voelde. Alleen een satanische demon zou zoveel vijandigheid voelen tegenover God. Ik vond mijn vader steeds beangstigender, hij was geen goed mens, maar een kwaaddoener.
Ik las nog een passage van Gods woorden: “Misschien heb je gedurende je jaren van geloof in God nooit iemand vervloekt of nooit een slechte daad begaan, maar kun je, in je omgang met Christus, toch de waarheid niet spreken, niet eerlijk handelen, en niet het woord van Christus gehoorzamen; in dat geval zeg ik dat je de meest duistere en kwaadaardige persoon ter wereld bent. Misschien ben je uitzonderlijk hartelijk en toegewijd aan je familieleden, vrienden, vrouw (of man), zonen en dochters en ouders, en maak je nooit misbruik van anderen. Echter, als je niet met Christus verenigbaar bent, als je niet in harmonie met Hem in wisselwerking kunt zijn – zelfs als je al het jouwe uitput om je naasten te helpen of zorgvuldig te zorgen voor je vader, moeder en gezinsleden – dan zeg ik dat je nog steeds slecht bent, en bovendien vol van sluwe listen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die onverenigbaar zijn met Christus zijn beslist tegenstanders van God). Dit hielp me inzien dat we goede mensen niet van slechte kunnen onderscheiden door hoe ze naar buiten toe met anderen omgaan, maar door hun houding ten opzichte van God en de waarheid. Het maakt niet uit hoe aardig ze oppervlakkig zijn en wat er over hen wordt gedacht, als ze in wezen de waarheid en God haten, zijn ze een boosdoener en Gods vijand. Hoewel mijn vader naar buiten toe hartelijk was, broeders en zusters hielp als het hen aan iets ontbrak, nooit gierig was en kosten noch moeite spaarde om de broeders en zusters thuis te ontvangen en hoewel hij er uitzag als een goed en vriendelijk mens, verafschuwde hij in aard en wezen de waarheid; hij haatte die. Hij wist duidelijk dat God onze verkeerde ideeën over geloven om zegeningen te verkrijgen al had blootgelegd, maar toen God een omgeving regelde die niet strookte met zijn eigen opvattingen, die zijn verlangen naar zegeningen niet bevredigde, werd hij gemeen en raakte hij vervuld van opvattingen over God, veroordeelde Hem en haatte Hem zelfs. In al die jaren had hij nooit over zichzelf nagedacht en de waarheid gezocht, maar bleef hij oordelen over Gods werk en zijn opvattingen over Hem verspreiden. De bedoelingen in zijn woorden waren doordrongen van Satans listen, waardoor mensen onbewust negatief en zwak werden. Dat was heel duister. God beoordeelt mensen op hun wezen, op hun houding tegenover God en de waarheid. Maar ik beoordeelde mijn vader op zijn uiterlijke presentatie. Omdat ik zag dat hij zich goed gedroeg, geloofde ik dat hij een goed mens was en dat de kerk hem niet had moeten uitstoten en daarom wilde ik voor hem opkomen. Ik begreep de waarheid niet en gebruikte Gods woorden niet als mijn voorschrift. Ik was zo dwaas. Toen ik dit begreep, vond ik dat de kerk beslist gelijk had om mijn vader te verstoten. Hij haatte God en de waarheid, dus het was zijn eigen schuld dat hij uit de kerk was verbannen. Ik had geen medelijden meer met hem. Ik voelde me vrij.
Toen gebeurde er iets anders waardoor ik nog meer van hem begreep. Mijn vader hoorde over het ontslag van een zuster die hem had aangepakt. Hij genoot van het nieuws en met een hatelijke schittering in zijn ogen klemde hij zijn kaken op elkaar en zei: “Weet je nog hoe je me hebt aangepakt? Je zei dat ik niet principieel was in mijn plicht, dat ik de waarheid niet in praktijk bracht. Nu ben jij aan de beurt!” Hij had een felle blik in zijn ogen en zijn gezicht zag er eng uit. Ik zag dat hij geen enkel mededogen had. Toen hij werd aangepakt, ging hij niet op zoek naar de waarheid om een les te leren, maar haatte hij die persoon jarenlang omdat zijn trots gekrenkt was. Dit bewees nog eens extra voor me dat mijn vader in wezen een kwaadaardig hart had en een boosdoener was die de waarheid haatte. Hij was een boosdoener die zijn ware aard liet zien en het was beslist goed dat hij uit de kerk was verbannen.
Later liet Gods huis de kerken nagaan of er mensen ten onrechte waren verwijderd of verbannen, of dat er onder hen mensen waren die oprecht berouw hadden. De kerk kon overwegen om zulke personen volgens de principes te rehabiliteren. De nieuwe leider kende de situatie van mijn vader niet. Ze zag mijn vaders oppervlakkige enthousiasme en bereidheid om thuis broeders en zusters te ontvangen en dat hij hen hielp werk te vinden, heel zorgzaam was en dat hij een paar offers had gebracht. Daarom dacht ze dat hij misschien ten onrechte uitgestoten was en wilde ze hem terugnemen in de kerk. Ik schrok toen ik de leider dit hoorde zeggen, want in mijn hart wist ik dat zijn uitwijzing volledig in overeenstemming met de principes en geen vergissing was geweest. Ik zei meteen: “Je kunt mijn vader niet terug laten komen.” Omdat ze mijn vader niet kende, communiceerde ze alleen over hoe mensen kansen nodig hebben om berouw te tonen. Eerst wilde ik het over zijn specifieke gedrag hebben, maar ik twijfelde en zei niets. Ik dacht eraan hoe hij mijn vader mij al die jaren had grootgebracht. Als hij te weten zou komen dat ik zijn rehabilitatie in de weg stond, zou hem dat zoveel pijn doen en zou hij zo kwaad op me zijn. Bij die gedachte hield ik mijn mond, maar toen de leider wegliep, voelde ik me heel schuldig. Alleen mijn moeder en ik wisten duidelijk wat er met mijn vader aan de hand was en als ik me op dit cruciale moment niet uitsprak, beschermde ik het werk van de kerk niet. Die nacht lag ik in bed te woelen en dacht aan een passage van Gods woorden: “Wie is Satan, wie zijn demonen en wie zijn Gods vijanden, zo niet tegenstanders die niet in God geloven? Zijn zij niet degenen die ongehoorzaam zijn aan God? Zijn zij niet degenen die beweren geloof te hebben, maar die waarheid toch niet hebben? Zijn zij niet degenen die louter het verkrijgen van zegeningen nastreven, terwijl ze geen getuigenis kunnen geven van God? Je hebt tegenwoordig nog steeds omgang met die demonen en schrijft hun geweten en liefde toe, maar schrijf je in zo’n geval dan geen goede bedoelingen toe aan Satan? Speel je dan niet met demonen onder één hoedje? Als mensen vandaag de dag nog steeds geen onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad en blindelings liefdevol en vol mededogen blijven zonder enige bedoeling de wil van God te zoeken of zonder dat ze op de een of andere manier Gods bedoelingen als hun eigen bedoelingen kunnen koesteren, dan zal hun einde des te ellendiger zijn. Iedereen die niet in de God in het vlees gelooft, is een vijand van God. Als je geweten en liefde aan een vijand kan toeschrijven, mis je dan niet een gevoel van rechtvaardigheid? Als je verenigbaar bent met diegenen van wie ik een afkeer heb en met wie ik het niet eens ben en als je nog steeds liefde of persoonlijke gevoelens aan hen toeschrijft, ben jij dan niet ongehoorzaam? Ben je je dan niet opzettelijk aan het verzetten tegen God? Beschikt zo iemand over de waarheid? Als mensen geweten aan vijanden toeschrijven, liefde aan demonen en mededogen aan Satan, zijn ze dan niet opzettelijk Gods werk aan het ontwrichten?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, God en de mens zullen gezamenlijk de rust ingaan). Ik voelde me vreselijk toen ik Gods woorden overwoog. Ik wist heel goed dat mijn vader de waarheid haatte en zich tegen God verzette, dat hij in wezen een boosdoener was. Hij voldeed niet aan de principes van de kerk voor rehabilitatie. Maar ik wilde hem nog steeds dekken en afschermen en kon zijn slechte gedrag niet aan de kaak stellen. Ik was te sentimenteel. Ik leefde volgens satanische filosofieën als “Het hemd is nader dan de rok” en “De mens is niet onbezield; hoe kan hij vrij zijn van emoties?” Omdat hij mijn vader was, vond ik dat ik niet te harteloos mocht zijn en aardig moest zijn. Ik was bang dat mijn vader me zou haten als hij erachter kwam dat ik over zijn problemen had gesproken, dat hij me ondankbaar zou noemen en zou zeggen dat hij me tevergeefs zoveel jaren had grootgebracht. Ik bekeek de dingen niet volgens Gods woorden. Ik beschermde mijn vader op basis van emotie in plaats van het werk van de kerk te beschermen. Ik bood weerstand aan God en verraadde Hem in alles wat ik deed. Mijn vader had het wezen van een boosdoener en als hij terugkwam naar de kerk, zou hij het kerkelijk leven maar verstoren en het binnengaan van het leven van de broeders en zusters belemmeren. Zou ik zo niet een kwaaddoener helpen? Hoe meer ik erover nadacht, hoe slechter ik me voelde. Door mijn emoties te volgen, kon ik goed en kwaad niet van elkaar onderscheiden en had ik de principes van het mens-zijn uit het oog verloren.
Ik las een passage uit Gods woord: “Volgens welk principe, zo wordt er in Gods woorden gevraagd, dienen mensen anderen te behandelen? Heb lief wat God liefheeft en haat wat God haat: dit is het principe waar men zich aan moet houden. God heeft die mensen lief, die de waarheid nastreven en Zijn wil kunnen volgen. Dat zijn ook de mensen die wij horen lief te hebben. Degenen die Gods wil niet kunnen volgen, die God haten en tegen God in opstand komen – die mensen worden door God veracht en die moeten wij ook verachten. Dit vraagt God van de mens. Als je ouders niet in God geloven, als zij heel goed weten dat het geloof in God de juiste weg is, en dat het tot redding kan leiden, en toch onontvankelijk blijven, dan lijdt het geen twijfel dat zij mensen zijn die ziek zijn van de waarheid, die de waarheid haten, en het lijdt geen twijfel dat zij degenen zijn die God weerstaan en God haten – en God verafschuwt en veracht hen natuurlijk. Zou je zulke ouders kunnen verachten? Zij zouden zich tegen God kunnen gaan verzetten en God beschimpen – in dat geval zijn ze beslist demonen en Satans. Zou je hen ook kunnen verafschuwen en vervloeken? Dit zijn allemaal echte vragen. Als je ouders je verhinderen om in God te geloven, hoe moet je dan met ze omgaan? Zoals God vraagt, moet je liefhebben wat God liefheeft, en haten wat God haat. Gedurende het Tijdperk van Genade zei de Heer Jezus: ‘Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broeders?’ (Matteüs 12:48), en ‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder’ (Matteüs 12:50). Deze woorden bestonden al destijds in het Tijdperk van Genade, en nu zijn Gods woorden zelfs nog duidelijker: ‘Heb lief wat God liefheeft, en haat wat God haat.’ Deze woorden dringen door tot de kern, en toch zijn mensen vaak niet in staat hun ware betekenis te begrijpen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door je eigen verkeerde zienswijzen te kennen, kun je werkelijk transformeren). Gods woorden gaven me de principes die ik op mijn vader moest toepassen. Hij was mijn vader, maar in zijn aard en wezen was hij slecht. Hij haatte de waarheid en was Gods vijand. Hij zou de kerk alleen maar verstoren en de broeders en zusters kwaad doen. God haat zulke mensen; Hij verafschuwt ze en redt kwaaddoeners niet. Het zou wreed zijn tegenover de broeders en zusters om alleen aan mijn liefde en genegenheid voor mijn vader te denken; het zou de kerk schaden en ik zou aan de kant van een boosdoener staan in verzet tegen God en zou Zijn vijand zijn!
Later communiceerden mijn moeder en ik erover en we vonden allebei dat God ons testte, dat we de waarheid in praktijk moesten brengen en de belangen van de kerk moesten behartigen. Dekten en beschermden we mijn vader en brachten we zijn kwade gedrag niet aan het licht, dan deelden we in zijn kwaad en werden ook wij verdoemd en gestraft door God. Mijn vader was nog niet gerehabiliteerd, maar toen de broeders en zusters ons bezochten, verspreidde hij nog steeds woorden van negativiteit en dood die hen verstoorden. Als hij zou terugkomen, zou dat elke groep waarmee hij in contact kwam schaden en iedere kerk waarmee hij in contact kwam zou een kerk vol slachtoffers worden! Als ik mijn geweten negeerde en zou zwijgen, zou dat de broeders en zusters schaden en het werk van de kerk verstoren! Ik werd banger en besefte dat op dit cruciale moment mijn standpunt sterk te maken had met het beschermen van het werk van de kerk of het dekking geven aan een boosdoener. De kerkleider kende mijn vader niet en vond dat hij op het eerste gezicht een goed mens leek en overwoog hem een tweede kans te geven om naar de kerk terug te keren. Maar wij kenden hem wel, dus moesten we de waarheid in praktijk brengen en eerlijk zijn en zijn kwalijke gedrag naar waarheid aan onze leider melden. Een paar dagen later kwam de leider naar ons huis voor een bijeenkomst. Mijn moeder en ik spraken openhartig over het kwalijke gedrag van mijn vader en uiteindelijk werd hij niet uitgenodigd om terug te komen. Ik voelde me heel vredig toen ik dit in praktijk had gebracht.
Eerst had ik me door mijn vaders oppervlakkige gedrag laten inpalmen en kon ik geen oordeel over hem vormen. Ik kon geen onderscheid maken tussen een goed en een slecht mens. Door mijn vaders verbanning leerde ik enkele waarheden en verwierf ik wat onderscheidingsvermogen; ik zag duidelijk mijn vaders wezen als boosdoener. Ik overwon de beperkingen van sentimentaliteit en behandelde hem op basis van de principes van de waarheid. Dat was Gods bescherming en redding voor mij! Dank zij Almachtige God!