79. Voor slechts 300.000 yuan

Door Li Ming, China

Op 9 oktober 2009 rond 21.00 uur, toen mijn vrouw, dochter en ik een bijeenkomst hadden, werd er plotseling dringend op de deur geklopt. Ik haastte me om onze boeken met Gods woorden te verbergen, en net toen mijn vrouw de deur opendeed, stormden er zeven politieagenten binnen. Een van hen schreeuwde: “We zijn van de Nationale Veiligheidsbrigade. Je gaat met ons mee!” Ze duwden me in een politieauto en drie agenten bleven achter om ons huis te doorzoeken. Ik kwam er later achter dat ze ongeveer een half uur nadat ze mij hadden meegenomen ook mijn vrouw in hechtenis hadden genomen.

In de auto dreigden ze me: “Je leider is al gearresteerd. Zolang je ons alles vertelt wat je weet, zullen we het je niet moeilijk maken.” Ze zeiden ook enkele dingen die de kerk belasterden. Ik was erg boos toen ik al die leugens van hen hoorde, maar ik voelde ook wat angst, omdat ik niet wist hoe ze me gingen martelen. In mijn hart bad ik tot God en ik vroeg Hem om over mij te waken, zodat ik, hoe ik ook leed, geen Judas zou worden en God niet zou verraden. Ze brachten me naar de Nationale Veiligheidsbrigade en twee agenten in burger trokken me naar een kamer op de bovenverdieping en duwden me daar op een bank. De chef vroeg me: “Wanneer ben je religieus geworden? Waar houden jullie je bijeenkomsten? Wie is jullie leider? Hoeveel mensen gaan er naar je kerk?” Ik antwoordde niet. Hij haalde een paar foto’s uit zijn zak en vroeg me of ik de mensen herkende die erop stonden, waarop ik antwoordde: “Nee.” Toen zei hij: “De Almachtige God waarin je gelooft, is uitdrukkelijk verboden in China. Het Centraal Comité heeft lang geleden besloten dat alle ondergrondse kerken moeten worden weggevaagd, dus je kunt maar beter nu beginnen met praten!” Hij ging door en eiste te weten waar een bedrag van 300.000 yuan (ongeveer $ 45.000) van de kerk was. Een van de agenten sloeg op de tafel en schreeuwde met zijn ogen wijd opengesperd: “We hebben de bonnen en we weten dat je 300.000 yuan hebt. Geef dat geld nu aan ons!” Toen ik die woeste blik op zijn gezicht zag, werd ik boos en ik antwoordde: “Dat is niet jouw geld. Waarom eis je het op? Waarom wil je het afpakken?” De twee agenten stormden op me af en begonnen me recht in mijn gezicht te slaan. Dat bleven ze af en aan doen, van 10 uur ’s avonds tot middernacht. Mijn gezicht en hoofd waren helemaal opgezwollen, mijn oren suisden en mijn hele lichaam deed pijn. Ik ging op de grond liggen, sloot mijn ogen en bad in stilte tot God. Ik vroeg Hem om mij kracht te geven en over mijn hart te waken, zodat ik, zelfs als ik zou worden doodgeslagen, nooit het geld van de kerk zou opgeven, nooit een Judas zou zijn. De politie zag dat ik niets zei, dus brachten ze me naar een detentiecentrum en lieten me daar ’s nachts geboeid aan een ijzeren hek achter.

Daarna stopten ze me in een huis van bewaring. In de daarop volgende dagen heeft de politie me drie keer verhoord om uit te zoeken waar het geld van de kerk werd bewaard, en ik heb ze niets verteld. Even na 8 uur in de ochtend van 17 oktober bracht de politie me terug naar de Nationale Veiligheidsbrigade, boeiden mijn handen en voeten aan een ijzeren stoel in een verhoorkamer en wilden toen beslist weten waar dat geld was. Ik zei nog steeds niets. Een agent pakte een dubbele laag dun gesneden bamboe en begon me daarmee op mijn hoofd en bovenlichaam te slaan, en probeerde daarmee met geweld mijn mond open te krijgen. Mijn hoofd werd heen en weer geslagen. Toen hij er niet in slaagde mijn mond open te wrikken, draaide hij hard aan mijn oren en trok ze daarbij heel hard omhoog met de woorden: “Ik stelde je verdomme een vraag! Ben je doof of zo? Denk je dat je me kunt negeren? Ik zal je slaan als je stoer doet, en dan zullen we zien wie er echt stoer is!” Terwijl hij dit zei, trok hij aan het haar bij mijn oren. Toen rukte hij het haar boven op mijn hoofd heen en weer. Ik voelde alsof mijn hoofdhuid eraf werd gerukt en voelde me erg duizelig. Ze kwelden me onophoudelijk tot ongeveer 22.00 uur die avond en toen ze zagen dat ik pertinent weigerde te spreken, zeiden ze venijnig: “Dat was het voor vandaag, maar je kunt er vanavond maar beter goed over nadenken en ons morgen wat antwoorden geven!” Ik had striemen over mijn hele lichaam van hun afranselingen en mijn rug brandde van de pijn. Omdat ik niet wist wat ze de volgende dag voor me gepland hadden, voelde ik me een beetje zwak. Dus bad ik in stilte: “Almachtige God! Bescherm me alstublieft en geef me vertrouwen, zodat ik geen Judas zal worden of u zal verraden, zelfs als dat mijn dood betekent.”

De volgende avond kwam de kapitein van de Nationale Veiligheidsbrigade me ondervragen. Hij keek me dreigend aan en schreeuwde: “Het bewijs ligt recht voor onze neus, maar je wilt het niet toegeven. Ik stel voor dat je verstandig wordt en het vertelt, anders zul je boeten!” Toen hij zag dat ik nog steeds niet praatte, werd hij zo kwaad dat hij opstond en met een duivelse blik op zijn gezicht zijn vuisten balde. Ik wist echt niet hoe ik het zou opnemen als hij me met die vuisten zou slaan! Ik zei snel een gebed: “Almachtige God! Blijf bij me en neem mijn angst weg. Leid me om te getuigen.” Na mijn gebed herinnerde ik me iets wat God zei: “De machthebbers zien er misschien wreed uit aan de buitenkant, maar wees niet bang want dit is zo omdat jullie weinig geloof hebben. Zo lang jullie geloof groeit, zal niets te moeilijk zijn(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 75). Hoe wreed de politie ook mag zijn, ook zij zijn in Gods handen. Ze kunnen me niets aandoen zonder Gods toestemming, dus ik wist dat ik mij op God moest verlaten om te getuigen. Deze gedachte versterkte mijn geloof en ik voelde me niet meer zo bang. Juist toen keek een kale agent me aan en brulde: “We hebben nog wat trucjes achter de hand als je niet praat! We nemen je mee naar het provinciebureau en die jongens kunnen je mond zeker open krijgen.” Maar ik zei nog steeds niets, hoe ze me ook bedreigden.

Een paar dagen later namen ze me mee naar een andere verhoorkamer van de Nationale Veiligheidsbrigade. Alle vier de muren waren bedekt met hele dikke sponzen en er stond een ijzeren stoel in het midden van de kamer. Een agent zette me in de stoel neer, maakte mijn handen en voeten eraan vast en ondervroeg me vervolgens over de verblijfplaats van het geld van de kerk. Hij vroeg me fel: “Ga je die 300.000 overhandigen of niet? Denk je dat het goed komt als je niets zegt? Ik heb alle tijd van de wereld voor jou!” Hij pakte een van die stukken bamboe en begon me heel hard op mijn bovenlichaam te slaan terwijl hij schreeuwde: “Ben je doof of zo? Heb je me gehoord?” Toen rukte hij met volle kracht mijn oren omhoog en trok hard aan het haar op mijn slapen. Hij pakte het haar bovenop mijn hoofd beet en schudde mijn hoofd zo hard als hij kon heen en weer. Het deed ondraaglijk pijn, alsof mijn hoofdhuid op het punt stond open te splijten. Daarna begonnen ze me weer met het stuk bamboe te slaan en ik kreeg gezwollen, bloederige plekken over mijn hele lichaam. De pijn was echt moeilijk te verdragen. Ik had een diepe hekel aan die politieagenten en was ook nogal bang, omdat ik niet wist hoeveel ze me zouden blijven martelen en of ik het zou kunnen weerstaan. Ik bad tot God: “O God, Satan martelt me meedogenloos, probeert mijn vastberadenheid te breken zodat ik U zal verraden en ze het geld van de kerk kunnen stelen. God, ik ben bang dat ik het fysiek niet aankan. Bescherm me alstublieft en geef me geloof.” Na mijn gebed dacht ik aan een hymne van Gods woorden, genaamd “Wees niet ontmoedigd, wees niet zwak. Ik zal je dingen onthullen. De weg naar het koninkrijk is niet zo vlak; niets is zo eenvoudig! Jullie willen dat zegeningen makkelijk komen, nietwaar? Iedereen zal tegenwoordig bittere beproevingen moeten doorstaan. Zonder dergelijke beproevingen zal het liefhebbende hart dat jullie voor Mij hebben niet sterker worden en zullen jullie geen werkelijke liefde voor Mij hebben. Zelfs als deze beproevingen slechts bestaan uit geringe omstandigheden, zal iedereen ze toch moeten doorstaan. Het is alleen zo dat de heftigheid van de beproevingen zal variëren. Beproevingen zijn een zegening van Mij. Hoeveel van jullie knielen vaak voor Mij en smeken om Mijn zegeningen? Dwaze kinderen! Jullie denken altijd dat een paar gunstige woorden gelden als Mijn zegening, maar jullie geloven nooit dat bitterheid Mijn zegening is(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 41). Toen ik Gods woorden overdacht, besefte ik dat het ervaren van onderdrukking en ontbering betekent dat God ons geloof vervolmaakt. God hoopte dat ik van Hem kon getuigen tegenover Satan. Hoeveel ik ook in het vlees zou lijden, ik mocht niet toegeven aan Satan, maar ik moest getuigen voor God en Hem tevreden stellen. Toen ik er zo over nadacht, had ik niet het gevoel dat het zo moeilijk was. Ik klemde gewoon mijn tanden op elkaar en weerstond hun marteling. Ze bedreigden me toen ze zagen dat ik nog steeds niet sprak nadat ze me 10 of 15 minuten hadden geslagen: “Je zegt geen woord – je bent niet bang voor de gevangenis? Als je achter de tralies belandt, is dat een permanente smet. Je kinderen zullen nooit in overheidsdienst kunnen komen of lid kunnen worden van de partij. Zo verpest je hun toekomst!” Hun woorden raakten me niet, omdat ik in mijn hart wist dat het lot van mensen volledig in Gods handen ligt. De toekomst van mijn kinderen was onderworpen aan Gods heerschappij en regelingen, en de politie had daar niets over te zeggen. Op dat moment belde een van de agenten mijn dochter en ik hoorde haar stem aan de andere kant: “Papa! Gaat het goed met jou en mama daar?” Ik zei tegen haar: “Het gaat goed met ons, maak je geen zorgen. Blijf gewoon thuis en zorg voor je broer.” Toen de agent zag dat dit niet werkte, gooide hij het over een andere boeg en zei: “Ik zal eerlijk tegen je zijn. Je zwager en ik komen uit dezelfde stad en we werken in dezelfde eenheid. Bovendien hebben je dorpssecretaris en ik samen in het leger gediend. Ik heb rondvraag gedaan over jou en iedereen zegt dat je een goede kerel bent, dus vertel ons gewoon wat je weet en we laten je vrij.” Ervan overtuigd dat dit een truc van Satan was, bad ik in stilte tot God en vroeg Hem om mijn hart te bewaken. Toen ik niet antwoordde, vervolgde de agent: “Je vrouw heeft al gepraat, dus vertel ons gewoon wat we willen weten. Waar zijn die 300.000?” Ik zei: “Ik heb niets te zeggen.” Toen ze merkten dat uitlokken niet werkte, begonnen ze me weer te martelen.

Op een nacht lieten ze me niet eten of slapen, en zodra ik mijn ogen sloot, begonnen ze me met het stuk bamboe op mijn hoofd te tikken. Als mijn rug een beetje gebogen was, sloegen ze er hard op los. Het was oktober, dus de nachten waren erg koud en ik droeg niets anders dan een overhemd met een pak. Vroeg in de ochtend kreeg ik het zo koud dat ik rillingen over mijn hele lichaam kreeg. Een van de agenten schreeuwde: “Denk maar niet dat je het gemakkelijk zult hebben als je niet praat. Je zult in ellende sterven!” Toen ik dit hoorde, verzwakte ik enigszins. Ik wist niet hoe lang ze me zouden martelen en of ik het zou kunnen volhouden. Ik bad voortdurend tot God en vroeg Hem om mij te leiden en over mij te waken. Ook nam ik me voor God nooit te verraden, wat me ook te wachten stond. De politieagenten die op dat moment dienst hadden, waren heel warm gekleed en hadden allemaal kou gevat. Ik had daar helemaal geen last van, hoewel ik alleen mijn dunne overhemd droeg en de hele nacht door hen werd gemarteld. Ik dankte God voor Zijn zorg. Een agent hoestte en gromde tegen me: “Deze verkoudheid die ik heb is allemaal jouw schuld!” Toen kwam een van hen naar me toe en sloeg me zo hard op de linkerkant van mijn gezicht dat ik sterretjes zag. Ik had het gevoel dat de hele kamer draaide. Een andere agent stond aan de kant te lachen, waarna hij naar me toe kwam en me heel hard op de rechterkant van mijn gezicht sloeg, schreeuwend: “Ga je nog praten of hoe zit het? Waar is dat geld? We zijn allemaal ziek geworden dankzij dit verhoor. We slaan je gewoon dood en stoppen ermee!” Terwijl hij dit zei, drukte hij de handboeien heel hard in mijn polsen en duwde er vervolgens een paar keer krachtig met zijn ellebogen op, totdat ze diep in mijn vlees zaten. Ik had het gevoel dat mijn handen op het punt stonden af te breken. Ze werden al snel zwart en blauw – ik had vreselijke pijn, mijn hele lichaam trilde en ik zweette hevig. Dat soort pijn tart elke beschrijving. Op dat moment had ik het gevoel dat ik aan het einde was van wat ik aankon, dus ik bad keer op keer tot God en vroeg Hem om me te beschermen zodat ik standvastig kon blijven. Toen hij mijn gepijnigde blik zag, sprak een agent die aan de zijkant stond me spottend toe: “Je gelooft toch in God? Laat die God van jou je dan komen redden!” Ik wist dat Satan me op de proef stelde. Ik dacht dat de Communistische Partij marteling wilde gebruiken om mij ertoe te brengen God te verraden en te verloochenen, maar hoe meer de Partij mij vervolgde, des te duidelijker zag ik het boosaardige gezicht van de haat en het verzet tegen God, en des te vastberadener was ik om te volharden in mijn geloof en God te volgen. Toen bad ik: “God! Dat de Communistische Partij me vandaag zo wreed martelt, laat u gebeuren zodat ik kan zien dat het de duivel Satan is, dat het Uw vijand is. Ik ben bereid het te verzaken en het met heel mijn hart af te wijzen, en ik ben vastbesloten om U te volgen!”

Daarna stampte een agent een paar keer heel hard met de hak van zijn schoen op mijn handboeien, waardoor ze diep in het vlees van mijn polsen vast kwamen te zitten. Het was zo’n intense pijn dat ik niet eens kon ademen. Een uur later begonnen mijn handen zwart te worden en waren de aderen over mijn hele lichaam opgezwollen. Mijn hoofd voelde alsof het op barsten stond en zelfs mijn hart deed pijn. Ik had pijn in mijn hele lichaam die ik niet eens kan beschrijven. Ik was bang dat ik mijn handen niet meer zou kunnen gebruiken als het zo doorging. Ik dacht aan mijn bejaarde vader die zorg nodig had en aan mijn dochter en zoon die nog onder onze hoede waren. Hoe zou ik voor hen, oud en jong, kunnen zorgen, als ik mijn handen zou verliezen? Misschien kon ik de agenten wat onbelangrijke dingen vertellen? Maar toen besefte ik dat verraad zou betekenen dat ik voor eeuwig een zondaar zou worden. Toch kon ik die marteling echt niet meer aan, en wilde ik gewoon dood om een einde te maken aan het lijden. Op die manier zou ik God ook niet verraden. Ik wilde mezelf op de hoek van de tafel spietsen om te sterven en er een einde aan te maken. In tranen deed ik mijn laatste gebed tot God: “Almachtige God! Door Uw genade kon ik Uw werk van de laatste dagen ervaren. Ik wil zo snel nog niet sterven, maar ik kan de martelingen van Satan echt niet meer aan en ik ben bang dat ik U uiteindelijk zal verraden. Ik wil U geen pijn doen.” Tijdens mijn gebed kwamen enkele woorden van God in me op: “jullie moeten tijdens deze laatste dagen een getuigenis aan God afleggen. Ongeacht hoe groot jullie lijden is, moeten jullie tot het laatste toe lopen, en zelfs bij jullie laatste ademhaling moeten jullie nog steeds trouw zijn aan God en van de genade van God afhangen; alleen dit is God echt liefhebben en alleen dit is de sterke en klinkende getuigenis(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen). Gods woorden versterkten mijn geloof. God liet me door die pijn gaan om mijn geloof te vervolmaken, maar omdat ik Gods wil niet begreep, stond ik er niet bij stil hoe ik van God kon getuigen tegenover Satan. Ik dacht er alleen maar aan hoe ik aan die situatie kon ontsnappen. Wat egoïstisch van mij! Ik wist dat ik op die manier niet kon sterven – zolang ik nog ademhaalde, moest ik getuigen van God! Ik bad: “God, mijn leven ligt in Uw handen en ik wil mij onderwerpen aan Uw plan voor mij. Geef me alstublieft geloof en bescherm me zodat ik sterk kan blijven.” De politieagenten zagen dat ze niets uit me zouden krijgen en zeiden dreigend: “Denk er vanavond maar eens goed over na, morgen komen we terug om je wat vragen te stellen.”

Op dat moment had ik drie dagen en twee nachten zonder slaap doorgebracht. Ik stond door uitputting op instorten, mijn hart deed zeer en mijn hele lichaam deed ondraaglijk veel pijn. De gedachte dat de politie me de volgende dag verder zou ondervragen, hield me de hele nacht wakker. Onophoudelijk bad ik tot God: “O God! Ik ben bang dat de politie me morgen zal blijven martelen en dat ik het fysiek niet aan zal kunnen. God, bescherm me alstublieft en geef me geloof en kracht. Ik wil getuigen en Satan vernederen.” Na mijn gebed herinnerde ik me iets uit Gods woorden: “Wanneer je geconfronteerd wordt met lijden, moet je in staat zijn je niet druk te maken over het vlees en geen klachten te uiten tegen God. Wanneer God Zich voor je verbergt, moet je het geloof kunnen hebben om Hem te volgen, om je vorige liefde te behouden zonder deze te laten haperen of verdwijnen. Wat God ook doet, je moet je aan Zijn plan onderwerpen en bereid zijn je eigen vlees te vervloeken in plaats van klachten over Hem te uiten. Wanneer je voor beproevingen staat, moet je God tevredenstellen, hoewel je misschien bitter zult wenen of zult aarzelen om afstand te doen van een geliefd object. Alleen dit is ware liefde en geloof(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Ik dacht na over Gods woorden en zag in dat Hij dit met mij liet gebeuren om te testen of ik echt geloof had of niet, en om mij de kans te geven om van God te getuigen. Ik dacht aan Job die door Satan op de proef werd gesteld, al zijn bezittingen en zijn kinderen verloor, en zweren kreeg over zijn hele lichaam. Toch gaf Job God niet de schuld, maar prees Zijn naam en legde een klinkende getuigenis af van God. Petrus werd ook vervolgd en was volkomen bereid om ondersteboven gekruisigd te worden omwille van God, God liefhebbend en zich aan Hem onderwerpend tot het punt dat hij zijn leven opgaf. Maar na wrede marteling door enkele politieagenten dacht ik alleen maar aan mijn eigen vlees. Ik wilde al ontsnappen na een beetje lijden. Ik had geen echt geloof in en gehoorzaamheid aan God, laat staan enige getuigenis. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik me schaamde en ik bad: “God, mijn leven is waardeloos. Wat de politie hierna ook met me doet, hoeveel lichamelijk leed ik ook moet doorstaan, ik wil niet meer alleen aan mezelf denken. Ik wil mezelf in Uw handen leggen en mij onderwerpen aan Uw orkestraties en regelingen.” Na dat gebed gebeurde er iets geweldigs – alle pijn in mijn lichaam verdween gewoon en ik voelde me ineens een stuk lichter. Ik heb God hartelijk bedankt. De volgende dag kwam de politie rond 8 uur ’s ochtends terug om me te ondervragen. Ze eisten dat ik vertelde waar het geld was, maar hoe ze me ook ondervroegen, ik zei alleen dat ik het niet wist. Ze hielden nog een aantal ondervragingsrondes en toen ze nog steeds geen bruikbare informatie uit me konden krijgen, lieten ze me achter met een laatste opmerking: “Begin je maar te verheugen op de gevangenis!” Ik dacht bij mezelf dat ik God nooit zou verraden, zelfs niet als ik tot het einde van mijn dagen in de gevangenis zou moeten blijven.

Nadat ze me een maand hadden vastgehouden, gaven ze me uiteindelijk een jaar heropvoeding door middel van arbeid. De aanklacht was “het gebruik van een sekteorganisatie om de handhaving van de wet te ondermijnen”. Toen ik zag hoe erg de Communistische Partij gelovige mensen haat, moest ik denken aan iets dat God zei: “Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vleesgeworden God volslagen verborgen blijft: hoe zou de koning van de duivels die mensen vermoordt, zonder maar met een oog te knipperen, in een duistere samenleving zoals deze, waar de demonen meedogenloos en onmenselijk zijn, het bestaan van een God kunnen tolereren die liefdevol, vriendelijk en tevens heilig is? Hoe zou hij de komst van God kunnen verwelkomen en toejuichen? Deze lakeien! Zij betalen vriendelijkheid terug met haat, al heel lang geleden zijn zij God als vijand gaan bejegenen, zij mishandelen God, zij zijn beestachtig tot in het extreme, zij hebben geen greintje achting voor God, zij plunderen en roven, hun geweten is helemaal zoek, zij zijn onverenigbaar met welke vorm van geweten dan ook, en zij verleiden de onschuldigen tot gevoelloosheid. Voorvaderen van de alouden? Geliefde leiders? Zij keren zich allemaal tegen God! Hun bemoeienis heeft alles onder de hemel in een toestand van duisternis en chaos achtergelaten! Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken! […] Waarom zo’n ondoordringbaar obstakel voor het werk van God optrekken? Waarom diverse trucjes gebruiken om Gods volk te misleiden? Waar is de ware vrijheid en de wettelijke rechten en belangen? Waar is de billijkheid? Waar is de troost? Waar is de warmte? Waarom misleidende plannen gebruiken om Gods volk voor de gek te houden? Waarom de komst van God met dwang onderdrukken? Waarom God niet vrij laten rondgaan op de aarde die Hij heeft geschapen? Waarom God opjagen tot Hij nergens een rustplek voor Zijn hoofd heeft? Waar is de warmte onder de mensen?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). De Communistische Partij probeert de indruk te wekken dat ze vol deugdzaamheid en moraal is. Terwijl ze de hele tijd hoog van de toren blazen over religieuze vrijheid, gebruiken ze in het geheim tactieken om Gods uitverkoren volk te arresteren en te vervolgen, in de ijdele hoop dat ze gelovigen uit de weg kunnen ruimen. De mensheid is door God geschapen en het is juist en natuurlijk dat wij geloven en God aanbidden, maar de Communistische Partij arresteert en onderdrukt ons op koortsachtige wijze en probeert ons ertoe te brengen God te ontkennen en te verraden. Ik zag in dat de Communistische Partij aan de macht hetzelfde is als Satan aan de macht – de partij haat de waarheid en haat God. Het is in wezen Satan de duivel die vijandig tegenover God staat. Voorheen kon ik de demonische essentie van de Communistische Partij nooit zien, maar die arrestatie gaf me enig inzicht en ik kon die essentie verzaken en uit mijn hart verdrijven. Ik werd ook vastberadener in mijn vertrouwen om God te volgen.

Ik werd op 9 november 2009 naar een werkkamp gebracht. De politie stelde twee andere gevangenen aan om mij in de gaten te houden. Ze zijn nooit van mijn zijde geweken en ik moest me zelfs bij hen melden om naar het toilet te gaan. De gevangenisbewakers lieten me met niemand praten, bang dat ik het evangelie met iemand zou delen, en ik moest elke dag de gevangenisregels opzeggen. Als ik fouten maakte tijdens het opzeggen, moest ik voor straf staan. Ik deed van ’s ochtends vroeg tot’ s avonds laat extreem zwaar werk, dag in dag uit, en als ik mijn taken niet kon afmaken, werd ik uitgescholden en geslagen en moest ik voor straf staan. Wat ze me te eten gaven, was erger dan de smurrie die je een varken zou geven. Per maaltijd kreeg ik niet meer dan een gestoomd broodje en wat waterige soep waar alleen een stukje wortel ter grootte van een pink in zat. Ik werkte altijd op een lege maag. Elke keer als ik me ellendig en depressief voelde, bad ik tot God of neuriede ik stilletjes enkele lofzangen van Gods woorden voor mezelf. Zo ben ik dat jaar in de gevangenis doorgekomen.

Nadat ik de gevangenis had verlaten, waarschuwde de politie me: “Een jaar lang mag je niet ver van huis gaan. Je moet klaarstaan om op te komen draven zodra we je bellen.” Toen ik thuiskwam, hoorde ik dat de politie mijn vrouw na haar arrestatie ook onophoudelijk had ondervraagd over de bewaarplek van het geld van de kerk. Ze vertelde hen niets en werd na 23 dagen vrijgelaten uit een detentiecentrum. Toen de politie geen informatie kon krijgen over waar het geld was, gingen ze twee keer naar ons huis om het te doorzoeken, waarbij ze ook onze plafonds openwrikten en onze twee kinderen aan de tand voelden over ons geloof. Ze gingen zelfs naar de school van onze zoon om hem lastig te vallen. Onze kinderen werden zo bang dat ze constant op scherp stonden en zich nooit veilig voelden. Dat die agenten zelfs een paar kinderen niet met rust konden laten om wat geld in handen te krijgen, vervulde me met haat tegen die demonen van de Communistische Partij. Na mijn vrijlating verhinderde politietoezicht me Gods woorden te lezen of bijeenkomsten bij te wonen. Ik had geen andere keuze dan de stad te verlaten om het evangelie te verkondigen en mijn plicht te doen. Tot op de dag van vandaag zit de politie me achterna, en ze blijven druk uitoefenen op mijn familieleden en broeders en zusters met wie ik vroeger contact had om informatie te krijgen over mijn verblijfplaats.

Ik heb lichamelijk geleden door deze vervolging en beproeving, maar ik heb werkelijk Gods liefde ervaren. Toen ik werd gemarteld, telkens als ik op het randje stond, waren het Gods woorden die me geloof en kracht gaven en me lieten zien hoe ik sterk kon staan. Het waren ook Gods woorden die ervoor zorgden dat ik Satans trucs doorzag en Satans verleidingen een voor een wist te overwinnen. Door dit alles kon ik de kracht en het gezag van Gods woorden zien en dat alleen God de mensheid kan redden. Mijn geloof in God groeide. Ik zag ook duidelijk het kwaadaardige gezicht van de Communistische Partij, dat ze God haat en Hem tegenwerkt. Ik was in staat om dit te verzaken en uit de grond van mijn hart af te wijzen. Ongeacht hoeveel vervolging en beproevingen ik in de toekomst nog moet ondergaan, ik zal absoluut mijn plicht doen om God tevreden te stellen!

Vorige: 78. Wat ik heb geleerd doordat ik werd ontslagen

Volgende: 81. Zonder spijt gekozen

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

52. Vaarwel, allemansvriend!

Door Li Fei, SpanjeVoordat ik in God geloofde, dacht ik altijd dat allemansvrienden geweldig waren. Ze hadden een zachtaardige gezindheid,...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek