78. Wat ik heb geleerd doordat ik werd ontslagen
Het woord van God zegt: “De gezindheden van mensen kunnen niet door mensen zelf worden veranderd; ze moeten het oordeel en de tuchtiging, en de beproevingen en loutering, van Gods woorden ondergaan, of door Zijn woorden worden gesnoeid en gedisciplineerd. Pas dan zijn ze in staat tot onderwerping en trouw aan God en kunnen ze ophouden plichtmatig te zijn richting Hem. Het is door de loutering van Gods woorden dat de gezindheden van mensen veranderen. Alleen door blootlegging, oordeel, discipline en snoei door Zijn woorden zullen ze niet langer overhaast durven handelen, maar zullen ze in plaats daarvan stabiel en beheerst worden. Het belangrijkste punt is dat ze in staat zullen zijn zich te onderwerpen aan Gods huidige woorden en aan Zijn werk. Zelfs als het niet overeenstemt met menselijke opvattingen, zullen ze deze opvattingen opzij kunnen zetten en zich bewust kunnen onderwerpen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Mensen wier gezindheid is veranderd, zijn zij die zijn binnengegaan in de werkelijkheid van Gods woorden). Gods woorden zijn heel praktisch. Alleen als we door Gods woorden worden geoordeeld, getuchtigd, behandeld en gesnoeid kunnen we onze satanische gezindheid veranderen en gehoorzaamheid en trouw aan God bereiken. Vroeger voerde ik mijn plichten uit met een verdorven gezindheid. Steeds was ik bezig mijn reputatie en status te beschermen. Nadat ik was ontslagen, leerde ik over mijn verdorven gezindheid door het oordeel en de openbaring van Gods woorden. Ik had berouw en verachtte mezelf, en toen ik een andere plicht kreeg, deed ik het beter dan voorheen.
In augustus werd ik gekozen tot kerkleider en werd ik samen met enkele andere broeders en zusters verantwoordelijk voor het werk van de kerk. Ik gaf voornamelijk opvolging aan begietingswerk en nam ook deel aan de besluitvorming voor kerkprojecten. We verdeelden de verantwoordelijkheden, maar ik wist dat het werk van de kerk één alomvattend geheel is en dat ik moest samenwerken met broeders en zusters om de belangen van de kerk te bewaken en mijn plichten naar behoren uit te voeren. Aanvankelijk was ik heel aandachtig tijdens onze wekelijkse vergaderingen. Ik nam actief deel aan het gesprek en deed aanbevelingen. Toen werd op een dag in oktober het begieten van een nieuwkomer bijna opgehouden doordat ik niet tijdig opvolging had gegeven. De hogere leiders snoeiden en behandelden me streng. Ik dacht: er was een probleem met mijn werk, daarom was ik degene die werd behandeld. Als zich meer problemen voordoen, zullen de leiders me doorzien en zeggen dat ik geen praktisch werk kan doen en word ik ontslagen. Hoe kan ik dan nog mijn gezicht vertonen? Wie zou er nog tegen me opkijken? Ik moet me meer inzetten voor het werk waarvoor ik verantwoordelijk ben en mag geen fouten meer maken.
Na een tijdje werd de omvang van mijn verantwoordelijkheden groter. In sommige dingen was ik niet goed, dus het kostte veel tijd om de relevante principes onder de knie te krijgen. Maar er moesten op elke bijeenkomst met medewerkers erg veel dingen worden besproken en besloten en dat kostte veel tijd. Ik vroeg me af of het na een tijdje nadelig zou zijn voor het werk waarvoor ik verantwoordelijk was. Als het werk waarvoor ik verantwoordelijk was niet doelmatig was en zich meer problemen voordeden, zou ik zeker worden ontslagen. En wat zouden de anderen dan van me denken? Andere mensen gaven opvolging aan andere kerkprojecten. Ik vond dat zij hun gesprekken maar moesten hebben, maar ik had het erg druk. Bovendien ging het me niet aan of zij hun werk af kregen en het zou mij geen lof opleveren. Maar ik was direct verantwoordelijk voor problemen die zich op mijn terrein voordeden, dus ik moest alleen op mijn eigen verantwoordelijkheden letten. Daarna stak ik meer tijd en inspanningen in het voornaamste werk waarvoor ik verantwoordelijk was en behandelde ander werk als een last. Als er over werk van de kerk moest worden gesproken en besloten, gaf ik mijn mening over alles wat met mijn werk te maken had, maar ik wijdde me alleen aan mijn eigen taken als er dingen buiten mijn terrein aan de orde kwamen. Ik luisterde niet aandachtig naar de gesprekken, dus als mijn standpunt of besluit vereist was, stemde ik in met alle anderen. Als belangrijke kwesties dringend besproken en besloten moesten worden, negeerde ik ze en gedroeg ik me onverschillig zodra ik zag dat ze geen verband hielden met mijn plicht.
Na een tijdje hoorde ik steeds van broeders en zusters dat sommige dingen niet goed waren afgehandeld en dat ze waren behandeld door onze leiders, en ook dat persoonlijke regelingen niet overeenstemden met de principes, en nadelig waren voor het werk van de kerk. Sommige dingen vereisten dat iedereen besliste en ervoor tekende. Omdat ze niet naar behoren waren afgehandeld, schaadde dit uiteindelijk de belangen van de kerk. Ook werd er niet goed toegezien op de aankoop van goederen voor de kerk, wat leidde tot verlies van kerkgeld. Zulke dingen gebeurden steeds weer. Ik bedacht dat het maar goed was dat er geen grote problemen waren in mijn werk. Als een leider zou uitzoeken wie verantwoordelijk was, zou ik niet de schuld krijgen. Dat was de onverantwoordelijke houding die ik gedurende vrij lange tijd had ten aanzijn van mijn plicht en ik zag er geen kwaad in. Op een dag zei een zuster met wie ik werkte dat ik geen last op me nam in mijn plicht en het grote geheel niet zag. Ik had alleen aandacht voor mijn eigen werk en was niet proactief in het nemen van besluiten. Ze zei dat dat gevaarlijk was. Als ik het niet veranderde, zou ik vroeg of laat door God worden verstoten. Ze zei dat ik grondig moest nadenken over mijn houding tegenover mijn plicht. Na haar communicatie dacht ik nog steeds niet na over mezelf. In plaats daarvan redeneerde ik bij mezelf: heb je niet gezien hoeveel ik heb geleden? Het vergt veel om deze taak goed te doen. Als er problemen zijn met het werk waarvoor ik verantwoordelijk ben, ligt dat aan mij. Wat zullen de anderen dan van me denken? Ze zullen denken dat ik onbekwaam ben en geen praktisch werk kan doen. Bovendien, zijn er dan geen mensen die verantwoordelijk zijn voor die andere taken? Het zal geen verschil maken of ik deelneem aan deze besluiten. En dus was ik altijd onverschillig en onverantwoordelijk ten aanzien van het werk van de kerk geweest. Ik dacht niet na en deed geen poging mezelf te kennen.
In januari 2021 kwam een leider naar me toe en zei: “De broeders en zusters zeggen dat je geen last draagt in je plicht, dat je tijdens werkbesprekingen zelden je mening geeft, dat je geen wezenlijke aanbevelingen doet en dat je geen greintje verantwoordelijkheid voelt voor het werk van de kerk. Je bent niet geschikt als leider. Na overleg is iedereen het ermee eens dat je moet worden ontslagen.” Toen ik naar de leider luisterde, voelde ik me helemaal versuft en had ik het gevoel dat ik zou flauwvallen. Ik dacht: ik heb niet veel deelgenomen aan het algemene werk van de kerk, maar ik heb het elke dag ongelooflijk druk gehad met mijn eigen verantwoordelijkheden en ik heb zoveel geleden. Hoe kun je zeggen dat ik geen last draag? Is het niet genoeg dat ik zonder problemen mijn werk heb gedaan? Een tijd lang kon ik de uitkomst niet accepteren, maar ik geloofde nog dat alles wat God deed goed was, en dat ik me er nog niet van bewust was. Ik bad tot God en zocht Zijn leiding zodat ik kon nadenken en mezelf leren kennen.
Later zag ik een passage uit Gods woorden die me erg aangreep. Almachtige God zegt: “Het geweten en de rede moeten onderdeel uitmaken van de menselijkheid van een persoon. Beide zijn het fundamenteelste en belangrijkste. Wat voor iemand is de mens die geen geweten heeft en die het aan de rede van de normale menselijkheid ontbreekt? Over het algemeen zijn ze personen die menselijkheid missen, personen met een extreem gebrekkige menselijkheid. Gedetailleerder bekeken, welke kenmerken van verloren menselijkheid vertoont zo’n persoon? Probeer maar eens te analyseren welke eigenschappen zulke mensen hebben en welke specifieke kenmerken ze vertonen. (Ze zijn egoïstisch en gemeen.) Egoïstische en gemene mensen zijn nonchalant in hun daden en houden zich afzijdig van alles wat hen niet persoonlijk aangaat. Zij hebben geen oog voor de belangen van Gods huis en schenken geen aandacht aan Gods wil. Ze nemen de last niet op zich om hun plichten te vervullen of om voor God te getuigen en ze hebben geen verantwoordelijkheidsgevoel. Wanneer ze iets doen, waar denken ze dan aan? Hun eerste overweging is: weet God dat ik dit doe? Is het zichtbaar voor andere mensen? Als andere mensen niet zien dat ik me volledig inzet en ijverig werk, en als God het ook niet ziet, dan heeft het voor mij geen zin deze moeite eraan te besteden of hiervoor te lijden. Is dit niet extreem egoïstisch? Het is ook een lage instelling. Wanneer ze op deze manier denken en handelen, speelt hun geweten dan enige rol? Is hun geweten hierdoor iets te verwijten? Nee. Er zijn mensen die geen enkele verantwoordelijkheid nemen, ongeacht de plicht die ze aan het vervullen zijn. Ook melden ze de problemen die ze bespeuren ook niet onmiddellijk aan hun meerderen. Wanneer ze zien dat mensen bemoeizuchtig zijn en storen, kijken ze de andere kant op. Wanneer ze kwaadaardige mensen slechte dingen zien doen, proberen ze hen niet tegen te houden. Ze beschermen de belangen van Gods huis niet en denken niet na over wat hun plicht en verantwoordelijkheid is. Wanneer ze hun plicht vervullen, doen zulke mensen geen echt werk; het zijn hielenlikkers die het heel graag gerieflijk hebben; ze spreken en handelen alleen voor hun eigen ijdelheid, reputatie, status en belangen en zijn alleen bereid om hun tijd en inspanning te besteden aan dingen waar ze zelf voordeel van hebben. De handelingen en bedoelingen van zo iemand zijn voor iedereen duidelijk: ze komen tevoorschijn zodra zich er een gelegenheid aandient om hun gezicht te tonen of om een of andere zegening te ontvangen. Maar wanneer er geen gelegenheid is om hun gezicht te laten zien, of zodra er een tijd van lijden aanbreekt, verdwijnen ze uit het zicht als een schildpad die zijn kop intrekt. Heeft dit soort mens een geweten en gezond verstand? Nee. Voelt een mens zonder geweten en gezond verstand, die zich zo gedraagt, zelfverwijt? Zulke mensen voelen geen zelfverwijt; hun geweten dient geen enkel doel. Ze hebben nooit de verwijten van hun geweten gevoeld – kunnen ze de verwijten of de discipline van de Heilige Geest dan voelen? Nee, dat kunnen ze niet” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Door je hart aan God te geven, kun je de waarheid verkrijgen). Ik voelde hoe Gods woorden zich in mijn hart boorden. Ik was precies wat God beschreef. Ik was onoplettend en afstandelijk geweest ten aanzien van mijn plicht en had geen aandacht geschonken aan iets wat buiten mijn verantwoordelijkheid viel. Ik hield me alleen bezig met mijn eigen werk. Het enige waar ik aan dacht was of mijn verlangen naar reputatie en status bevredigd kon worden. Het werk van de kerk had ik totaal niet beschermd. Terwijl iedereen in die tijd aan gesprekken deelnam om besluiten te nemen, vond ik dat successen buiten mijn eigen verantwoordelijkheid mijn aanzien niet zouden verhogen. Als die dingen niet goed werden afgehandeld, zou ik niet de schuld krijgen, en dus nam ik er niet aan deel als ik het kon vermijden. Ik deed alleen plichtmatig mee en stemde in met alle anderen. Dat was nonchalant en onverantwoordelijk. Ik was heel ijverig en werkte hard in het werk dat op mijn terrein lag, bang om te worden gesnoeid en behandeld als er een probleem mee was, of dat ik zou worden ontslagen en absoluut te schande zou worden gemaakt. Om goed voor mijn eigen werk te zorgen en mijn status en imago bij anderen te behouden, behandelde ik besluitvorming als een last en tijdverspilling die me verhinderde om mijn eigen werk te doen. Toen ik nadacht over mijn gedrag, zag ik in dat ik mijn plicht had uitgevoerd met de bedoeling om mezelf tevreden te stellen en dat ik alleen voor mezelf had geleden. Ik had geen last of gevoel van verantwoordelijkheid op me genomen om het algemene werk of de belangen van de kerk te beschermen. Was ik niet verstoken geweest van menselijkheid? Ik was zo’n belangrijke taak volkomen onwaardig. Pas toen accepteerde ik mijn ontslag helemaal. Hoewel ik besefte dat mijn daden niet overeenstemden met Gods wil, begreep ik nog steeds mijn eigen aard niet. Ik wist niet wat nu precies had geleid tot het ontbreken van een last voor mijn plicht, mijn fixatie op reputatie en status en mijn onverschilligheid tegenover de belangen van de kerk. Daarna kwam ik met dit probleem in gebed voor God en vroeg Hem om me de weg te wijzen om de wortel en het wezen van mijn probleem te begrijpen en mijn satanische gezindheid te zien, zodat ik mezelf kon haten vanuit de grond van mijn hart.
Daarna las ik een passage uit de woorden van de Almachtige God: “Antichristen hebben geen geweten, verstand of menselijkheid. Niet alleen zijn ze schaamteloos, maar ze hebben nog een kenmerk: ze zijn buitengewoon egoïstisch en laaghartig. De letterlijke betekenis van ‘egoïstisch en laaghartig’ is niet moeilijk te begrijpen. Het betekent dat een persoon alleen maar op winst uit is. Als iets hun eigen belangen betreft, zullen ze zich er met hart en ziel voor inzetten, zullen ze lijden en er een prijs voor betalen, en er gedachten en energie in steken. Als iets geen verband houdt met hun eigen belangen, zullen ze een oogje dichtknijpen en er geen notitie van nemen; ze laten anderen doen wat ze willen – zelfs als iemand hinder of verstoringen veroorzaakt, zullen ze het negeren en denken: het heeft niets met mij te maken. Een aardige manier om dit te zeggen is dat ze zich met hun eigen zaken bemoeien, maar het is nauwkeuriger om te zeggen dat dit soort persoon laaghartig, min en gemeen is – we kenmerken hen als ‘egoïstisch en laaghartig’. Hoe uiten het egoïsme en de laaghartigheid van antichristen zich? Bij alles wat hun status of reputatie ten goede kan komen, spannen ze zich in om datgene te doen of te zeggen wat nodig is. Als ze ervoor moeten lijden, doen ze dat graag. Maar het werk voor Gods huis of werk dat Gods uitverkorenen helpt in het leven te groeien, negeren ze volkomen. Zelfs als kwaadwillenden hinder en verstoringen veroorzaken en allerlei kwaad bedrijven en daardoor het werk van de kerk ernstig schaden, houden ze zich er niet mee bezig en vragen er niet naar, alsof het niets met hen te maken heeft. En als iemand de slechte daden van een kwaadwillende ontdekt en rapporteert, zeggen ze dat ze niets gezien hebben en doen alsof ze van niets weten. Maar als iemand hen rapporteert en onthult dat zij geen echt werk doen en alleen roem, gewin en status najagen, worden ze witheet van woede. In allerijl worden vergaderingen belegd om een reactie te bespreken, er wordt onderzoek gedaan om te ontdekken wie wanneer achter hun rug om is gegaan, wie de aanvoerder was, en wie erbij betrokken was. Ze zullen niet eten of slapen tot ze de zaak tot op de bodem hebben uitgepluisd en volledig hebben afgewikkeld. Ze zijn zelfs pas tevreden als ze iedereen hebben uitgeschakeld die bij de melding betrokken was. Is dit niet op en top egoïstisch en laaghartig? Doen ze kerkwerk? Ze handelen puur voor hun eigen macht en status en houden zich met hun eigen zaak bezig. Voor welk werk ze ook verantwoordelijk zijn, antichristen staan nooit stil bij de belangen van Gods huis. Ze gaan alleen na of hun eigen belangen geraakt worden, en denken alleen aan de paar taken die direct in hun voordeel zijn. Voor hen is het primaire werk van de kerk slechts iets wat zij in hun vrije tijd doen. Ze nemen het totaal niet serieus. Ze doen pas iets als ze tot handelen aangespoord worden, doen alleen wat ze leuk vinden en werken er alleen aan om hun eigen macht en status te behouden. In hun ogen zijn het werk dat door Gods huis wordt geregeld, het verspreiden van het evangelie en het binnengaan van het leven door Gods uitverkorenen niet belangrijk. Het maakt niet uit welke moeilijkheden andere mensen hebben in hun werk, welke problemen ze hebben geïdentificeerd en aan hen gemeld, hoe oprecht hun woorden zijn: antichristen besteden er geen aandacht aan. Zij bemoeien zich er niet mee, het is alsof ze er niets mee te maken hebben. Het maakt niet uit hoe groot de problemen zijn die in het kerkwerk optreden, zij zijn volkomen onverschillig. Zelfs als het probleem recht voor hun neus wordt neergelegd, pakken ze het slechts oppervlakkig aan. Alleen als de Boven hen rechtstreeks snoeit en opdracht geeft om een probleem op te lossen, doen ze met tegenzin wat werk om de Boven wat te laten zien. Al snel gaan ze weer verder met hun eigen zaken. Als het op het werk van de kerk aakomt, en belangrijke zaken in bredere context, hebben ze geen interesse en negeren ze die zaken Ze negeren zelfs de problemen die ze ontdekken en geven oppervlakkige antwoorden of hummen ze maar wat als je ze naar problemen vraagt. Slechts met grote tegenzin gaan ze erop in. Is dit niet op en top egoïstisch en laaghartig?” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Uitweiding vier: Samenvatting van het karakter van antichristen en hun gezindheidsessentie (deel 1)). Gods woorden boorden zich in mijn hart. Antichristen werken alleen voor hun eigen reputatie en status, en zijn ijverig in alles wat hun eigen belangen dient. Ze kunnen daarvoor lijden en al hun mentale en fysieke energie uitputten. Ze negeren alles wat hen geen voordeel biedt. Ze zijn bijzonder egoïstisch en verachtelijk. Ik zag in dat ik mij had gedragen zoals een antichrist, en dat ik alleen had gewerkt voor mijn eigen reputatie en status. “Laat de dingen voor wat ze zijn als ze je niet persoonlijk raken” en “Hoe minder problemen, hoe beter” waren satanische denkbeelden waar ik me aan hield. Ik had alleen aandacht geschonken aan het werk waar ik verantwoordelijk voor was en dat van invloed kon zijn op mijn reputatie en status, en ik negeerde werk dat niet binnen mijn verantwoordelijkheid viel. Dat leidde tot ernstige verliezen voor het werk en geld van de. Ik zag in dat ik een egoïstisch, zelfzuchtig en ontaard iemand was geweest en dat ik geen vertrouwen waard was. Achteraf zag ik in dat er in die tijd een reeks problemen waren gerezen in het werk van de kerk en dat de leiders de andere broeders en zusters behandelden omdat ze het werk niet naar behoren hadden gedaan. Ik werd niet direct bekritiseerd, maar ik was ook kerkleider en had een verantwoordelijkheid die ik niet kon ontlopen. Als ik ijverig werkbesprekingen had bijgewoond en eraan had deelgenomen, had ik misschien sommige van de problemen ontdekt. Maar om mijn gezicht en status te redden, wijdde ik me alleen aan mijn eigen beperkte verantwoordelijkheden en dacht ik totaal niet aan het algemene werk of de belangen van de kerk. Toen ik mijn verschillende overtredingen in mijn plicht en de onherstelbare verliezen die ik het werk van de kerk had toegebracht inzag, was ik vervuld van spijt en zelfverwijten. God verhief mij en toonde me genade door me zo’n belangrijke plicht toe te vertrouwen en me een kans te geven om mezelf te verfijnen zodat ik de waarheid sneller kon begrijpen. Ik had jarenlang de begieting en het voedsel van Gods woorden genoten, maar ik betaalde dat terug met ondankbaarheid en wilde mijn plicht niet naar behoren doen of Gods liefde belonen. Het enige waar ik aan dacht was hoe ik mijn eigen imago en status en mijn eigen kleine terrein kon beschermen, zodat ik niet zou worden behandeld. Ik was nonchalant en onverantwoordelijk met dit belangrijke werk en keek werkloos toe hoe de belangen en het werk van de kerk werden geschaad. Ik was onverschillig en was volslagen gewetenloos. Kon ik nog wel menselijk worden genoemd? Als een familie een hond voert, zal de hond altijd trouw zijn. Ik was echt zelfs slechter dan een dier. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik voelde dat ik Gods genade onwaardig was. Op dat moment kwam ik voor God en bad: “O, God. Ik dacht alleen aan mijn eigen reputatie en status in mijn plicht zonder hoe dan ook het werk van de kerk te beschermen. Ik was verstoken van menselijkheid en ik was egoïstisch en zelfzuchtig. Mijn ontslag is de komst van uw rechtvaardigheid en bovenal is het uw liefde en uw redding van mij. Ik ben bereid om berouw te tonen.”
Daarna las ik een passage uit Gods woorden: “Wat is de norm die wordt gebruikt om de handelingen en het gedrag van een mens te evalueren als goed of kwaad? De norm is of ze in hun gedachten, onthullingen en handelingen beschikken over het getuigenis van het in de praktijk brengen van de waarheid en van het uitleven van de waarheidswerkelijkheid. Als je deze werkelijkheid niet bezit en deze niet uitleeft, dan ben je zonder twijfel een kwaaddoener. Hoe kijkt God tegen kwaaddoeners aan? Je gedachten en uiterlijke handelingen getuigen niet voor God, en dat deze Satan niet beschamen of verslaan. Integendeel, ze beschamen God en zitten vol tekenen van het onteren van God. Je getuigt niet van God, je zet je niet in voor God, je neemt je verantwoordelijkheid niet omwille van God en je vervult je plichten niet omwille van God. In plaats daarvan handel je in je eigen belang. Wat betekent ‘in je eigen belang’? Om precies te zijn, betekent het: ter wille van Satan. Daarom zal God uiteindelijk zeggen: ‘Ga weg van mij, u die zonde begaat.’ In Gods ogen zullen je handelingen niet als goede daden worden beschouwd, maar als slechte daden. Niet alleen zullen ze Gods goedkeuring niet wegdragen, ze zullen ook worden veroordeeld. Wat probeert iemand met zo’n geloof in God te bereiken? Zou zo’n geloof uiteindelijk niet tot niets leiden?” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). Uit Gods woorden begreep ik dat Zijn gezindheid rechtvaardig is en geen belediging duldt. God kan diep in het hart van mensen zien en als mensen hun plichten uitvoeren met andere intenties dan God tevreden te stellen, de getuigenis van het praktiseren van de waarheid missen, zichzelf in elk opzicht behagen en hun eigen reputatie en status nastreven, wordt dit niet geprezen door God. Hoezeer mensen hierin ook lijden, God viert het niet. Ze worden door God veroordeeld als een slecht mens. Mijn intenties in mijn plicht waren verkeerd. Ik wilde niet God behagen, maar runde mijn eigen onderneming. Ik was bereid om te lijden en me in te spannen voor het werk waarvoor ik verantwoordelijk was, maar dat was om mijn status en imago in de ogen van anderen te beschermen. Ik wilde bewonderd worden omdat ik leek te lijden en hard te werken, en de lof van mensen en een plaats in hun hart verdienen. Door Gods genade kon ik dienen als leider en kreeg ik die kans om mezelf te verfijnen. Leiders zijn verantwoordelijk voor het algemene werk van de kerk en er zijn genoeg problemen, moeilijkheden en kwesties die opgelost moeten worden. Daarvoor moeten ze veel naar de waarheid en principes zoeken. Ze kunnen fouten maken in het werk en ze kunnen worden gesnoeid en behandeld, maar door voortdurende beoordeling, correctie en reflectie zullen ze veel winnen. Het is allemaal praktische kennis, of het nu gaat om Gods rechtvaardige gezindheid of hun eigen verdorven gezindheid. God staat mensen toe de waarheid te verwerven door een plicht uit te voeren, maar ik dacht niet aan Gods wil en nam mijn plicht niet serieus. Ik behandelde hem als een ongemak en miste zoveel kansen om de waarheid te verwerven. Deed ik echt mijn plicht als ik in zo’n belangrijke plicht niet verantwoordelijk was of met anderen samenwerkte, en geen rol speelde bij besluiten nemen en leiding geven? Ik misleidde en bedroog God. Ik deed kwaad!
Later las ik een passage uit Gods woorden: “Voor iedereen die zijn plicht vervult, hoe diepgaand of oppervlakkig zijn begrip van de waarheid ook is, is de eenvoudigste manier van praktiseren om de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan: in alles de belangen van Gods huis voor ogen houden, zelfzuchtige verlangens, persoonlijke bedoelingen, motieven, trots en status loslaten, en de belangen van Gods huis vooropstellen – dat is wel het minste dat men zou moeten doen. Wanneer iemand bij het vervullen van zijn plicht zelfs dat niet eens kan, hoe kun je dan zeggen dat hij zijn plicht doet? Op zo’n manier vervult iemand zijn plicht niet. Je moet eerst rekening houden met de belangen van Gods huis, rekening houden met Gods wil en met het werk van de kerk. Deze zaken moet je altijd voorop stellen. Pas daarna kun je over de stabiliteit van je status denken of over hoe anderen jou zien. Heb je niet het idee dat het wat makkelijker wordt als je het in deze stappen verdeelt en enkele concessies doet? Als je dit enige tijd in de praktijk brengt, zul je gaan voelen dat God tevreden stellen niet zo moeilijk is. Als je verder je verantwoordelijkheden kunt vervullen; je verplichtingen en plicht kunt vervullen; je egoïstische verlangens, bedoelingen en motieven opzij kunt zetten; Gods bedoelingen in acht kunt nemen; en voorrang kunt geven aan de belangen van Gods huis, het werk van de kerk en de plicht die je behoort te vervullen, dan zul je, na dit een tijdje te hebben ervaren, voelen dat het goed is om je op deze manier te gedragen, dat mensen op een eerlijke en zuivere manier moeten leven en dat ze geen laf, smerig, laag bestaan moeten leiden maar in plaats daarvan rechtschapen en rechtvaardig moeten zijn. Je zult voelen dat dit het beeld is dat men moet uitleven. Geleidelijk zal het verlangen in je hart om je eigen belangen te bevredigen verminderen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). Gods woorden gaven me een beoefeningspad. De belangen van de kerk moeten voorrang krijgen in onze plichten. We moeten Gods onderzoek accepteren en ons richten op het zoeken naar de waarheid, onze reputatie, status en persoonlijke belangen opzijzetten en het werk van de kerk in elk opzicht beschermen. Dat is de enige manier om in overeenstemming met Gods wil te handelen en openhartig en eerzaam te leven. Ik had altijd gedacht dat deelnemen aan de besluitvorming voor het werk van de kerk mijn eigen werk zou ophouden, maar dat is een absurd idee. Zolang je je richt op het zoeken naar de principes van de waarheid, gevoel voor prioriteit houdt en kritieke taken uitvoert, zal het werk niet worden opgehouden. En door deel te nemen aan de besluitvorming zul je meer principes begrijpen, wat je plicht en jouzelf ten goede komt. Gods huis laat elke kerk enkele leiders kiezen om samen verantwoordelijk te zijn voor het werk van de kerk, zodat ze elkaar kunnen aanvullen, controleren en in het gareel houden. Vooral bij sommige ingewikkelde kwesties waarbij ze optreden als besluitvormer kan dit verliezen voor het werk van de kerk als gevolg van eigenmachtige besluitvorming en een gebrek aan inzicht voorkomen. Maar ik was nonchalant en nalatig in zo’n belangrijke plicht. Ik was echt geen vertrouwen waard en verdiende het om te worden ontslagen en verstoten. Toen ik me dat realiseerde, besloot ik dat iets in de toekomst onder mijn verantwoordelijkheid en plicht zou vallen als het bij het werk van de kerk hoorde of haar belangen betrof, of het nu tot mijn hoofdverantwoordelijkheid behoorde of niet. En dat ik mijn best moest doen om het werk van de kerk veilig te stellen.
Later werd ik tot leider voor een andere kerk gekozen. Ik wist dat dit Gods verheffing was. Ik was egoïstisch en verachtelijk geweest, maar de kerk vertrouwde me toch zo’n belangrijke plicht toe. Ik zwoer dat ik hem naar behoren zou uitvoeren en niet egoïstisch alleen aan mijn eigen werk zou denken. Ik was een van de drie leiders in die kerk en elk van ons was verantwoordelijk voor een deel van het werk. Ik merkte in het werk waarvoor ik verantwoordelijk was veel dingen op die ik niet begreep en die tijd en moeite zouden kosten om te leren. Ik had elke dag een vol werkschema en soms had ik het gevoel dat ik niet genoeg tijd had. Op een dag kwam een zuster met wie ik samenwerkte naar me toe en zei dat ze wilde dat ik haar zou helpen met wat problemen. Ik dacht: enkele dagen geleden controleerde een hogere leider mijn werk en zei dat er veel was dat ik niet naar behoren had gedaan. Mijn tijd is zo kostbaar. Wat zal de leider van me denken als ik haar ga helpen en mijn werk vertraging oploopt en ik daardoor geen resultaten boek? Zal ze zeggen dat ik onbekwaam ben en geen praktisch werk kan doen? Zal ik weer worden ontslagen? Bij die gedachte besefte ik dat ik weer aan mijn reputatie en status dacht, dat het werk van de kerk een geheel is en ik het niet kan verdelen. Als ik alleen me alleen bezighield met mijn eigen verantwoordelijkheden en al het andere negeerde, zou ik dan niet egoïstisch en verachtelijk zijn en mijn eigen belangen beschermen? Dat mocht ik niet doen. Ik moest mijn eigen belangen opzijzetten en samen met deze zuster de problemen van de kerk oplossen. En dus stemde ik ermee in om haar te helpen om de problemen aan te pakken. Toen ik dat deed, voelde ik me rustig en voelde ik de vrijheid die voortkomt uit het praktiseren van de waarheid. Hoewel mijn ontslag heel pijnlijk voor me was, leerde ik ook een waardevolle les. Het gaf me een praktisch besef van Gods rechtvaardige gezindheid die geen belediging duldt. Daarnaast heb ik mijn onjuiste opvattingen en achteloze houding ten aanzien van mijn plicht enigszins gecorrigeerd. Ik dank God dat Hij me heeft gered.