92. Hartverscheurende keuzes
In 1999 aanvaardde ik Almachtige Gods werk van de laatste dagen, en al gauw werd ik verkozen tot kerkleider. Op een dag in december 2000, om twaalf uur ’s middags, was ik met mijn beide kinderen aan het eten toen vijf politieagenten het huis binnenstormden en de boel op zijn kop begonnen te zetten. Zonder huiszoekingsbevel doorzochten ze het huis. Mijn zoon was nog maar zes, en de beide kinderen klampten zich angstvallig en met bevende handen aan mijn kleren vast. Uiteindelijk vonden de agenten een bijbel en een door mij bijgehouden dagboek met godsdienstoefeningen. Ze trokken aan me, duwden me en probeerden me in de politieauto te krijgen. De kinderen huilden en riepen: “Mama! Ga niet weg!” Op dat moment begonnen er plotseling tranen over mijn gezicht te rollen, omdat ik niet wist of ik ooit zou kunnen terugkeren om hen weer te zien. Mijn hart was vol verdriet. Later werd ik een verhoorkamer van de Openbare Veiligheidsdienst binnengebracht en aan een metalen stoel geboeid. Meerdere mensen staarden me woest aan. Ik was doodsbang en bad onophoudelijk tot God om vertrouwen. Ik dacht aan Gods woorden: “De tijd is aangebroken dat ik je op de proef zal stellen: zul je mij je trouw aanbieden? Kun je mij tot het eind van de weg getrouw volgen? Wees niet bang; wanneer ik je steun, wie zou deze weg ooit kunnen blokkeren?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). Gods woorden gaven me vertrouwen, en toen ik bedacht dat God mijn toeverlaat is, was ik minder bang. Hoe wreed de agenten ook waren, ze waren in Gods handen. Ik zwoer dat hoe ze me ook martelden, ik geen Judas zou zijn en God niet zou verraden. Ik beloofde op mijn leven om standvastig te staan in mijn getuigenis voor God!
Een van de agenten begon het verhoor: “Wie heeft je bekeerd om in Almachtige God te geloven? Wie is je leider? Waar wordt het geld van de kerk bewaard?” Ik zei: “Ik weet niets.” De directeur van de Nationale Veiligheidsbrigade zei: “We hebben je huis vandaag gevonden omdat we al bewijs hebben van je geloof. We kunnen je laten veroordelen, zelfs al zeg je niets. Maar als je ons vertelt wat je weet, mag je nu meteen naar huis.” Ik liet niets los. Toen zei hij: “Je kinderen zijn zo jong. Het zou heel erg zijn als hun moeder er niet was om voor hen te zorgen. Als hun leraren en klasgenootjes erachter komen dat hun moeder in de gevangenis zit, zullen ze worden getreiterd en geminacht. Zou dat hen geestelijk niet enorm schaden? Zou je dat kunnen verdragen? Je zou je kinderen toch niet afwimpelen omwille van je geloof?” Hem dit te horen zeggen herinnerde me onmiddellijk aan de angstige blikken van de kinderen toen ik gearresteerd was, en meteen begon mijn hart te bonzen. Alles wat er vandaag was gebeurd zou de kinderen enorm traumatiseren en beïnvloeden! Als ik werd veroordeeld, wie zou er dan voor hen zorgen? Vooral mijn zoon, die altijd ziekelijk was geweest: wat zou hij moeten doen als ik er niet was om voor hem te zorgen? Zouden ze het kunnen verdragen om gediscrimineerd en uitgelachen te worden door leraren en klasgenoten? Bij deze gedachten stroomden mijn tranen onophoudelijk, en snel bad ik tot God: “God! Ik ben bezorgd om mijn kinderen en ik voel me gebroken. Bescherm alstublieft mijn hart zodat ik kalm kan zijn, me op u kan verlaten en standvastig kan staan in mijn getuigenis.” Na het bidden dacht ik aan deze woorden van God: “Ondanks het feit dat je hier voor mij staat en dingen voor mij doet, denk je van binnen nog steeds aan je vrouw, je kinderen en je ouders thuis. Zijn al die dingen jouw eigendom? Waarom vertrouw je ze niet aan Mijn handen toe? Vertrouw je Mij niet? Of ben je soms bang dat ik ongepaste regelingen voor jou zal treffen? Waarom maak je je altijd zorgen over je vleselijke familie? Je hunkert altijd naar je geliefden! Heb ik een bepaalde plaats in jouw hart?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 59). Gods woorden verlichtten onmiddellijk mijn hart. God is de Schepper, en ieders lot staat onder Zijn heerschappij en beheer. Wat er ook zou gebeuren met mijn beide kinderen lag in Zijn handen; het was nutteloos om me zorgen te maken. Ik moest op God vertrouwen en hen aan Zijn handen toevertrouwen. Bij deze gedachte kalmeerde ik en maakte me niet meer zo veel zorgen om hen. Ik wist dat de politie de kinderen gebruikte om mij te chanteren en over te halen de kerk te verraden. Zij waren degenen die mij illegaal hadden gearresteerd, mijn normale gezinsleven hadden vernietigd en nu zeiden dat mijn geloof me belette om voor mijn kinderen te zorgen. Was dat niet het verdraaien van de feiten, het op de kop zetten van de waarheid? Toen dit in me opkwam, diende ik hen van repliek: “Komt dat door mijn geloof of doordat jullie me hier opgesloten houden? Mensen die in God geloven lezen Gods woord en proberen goede mensen te zijn; ze doen niets onwettigs. Waarom arresteren jullie de hele tijd gelovigen?” Toen ik dat zei, bulderden ze het uit. Een van de agenten zei: “Wat ben je naïef. Als iedereen in God geloofde, wie zou er dan naar de Chinese Communistische Partij luisteren? Over wie zou de Partij dan de leiding hebben? We kunnen daarom niet toestaan dat jullie geloven, en wie wel gelooft wordt gearresteerd!” Ik was woedend. Het herinnerde me aan iets wat God heeft gezegd: “Hoe zou de koning van de duivels die mensen vermoordt, zonder maar met een oog te knipperen, in een duistere samenleving zoals deze, waar de demonen meedogenloos en onmenselijk zijn, het bestaan van een God kunnen tolereren die liefdevol, vriendelijk en tevens heilig is? Hoe zou hij de komst van God kunnen verwelkomen en toejuichen? Deze lakeien! Zij betalen vriendelijkheid terug met haat, al heel lang geleden zijn zij God als vijand gaan bejegenen, zij mishandelen God, zij zijn beestachtig tot in het extreme, zij hebben geen greintje achting voor God, zij plunderen en roven, hun geweten is helemaal zoek, zij zijn onverenigbaar met welke vorm van geweten dan ook, en zij verleiden de onschuldigen tot gevoelloosheid. Voorvaderen van de alouden? Geliefde leiders? Zij keren zich allemaal tegen God! Hun bemoeienis heeft alles onder de hemel in een toestand van duisternis en chaos achtergelaten! Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken!” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). Gods woorden lieten me het wezen van de Partij zien. Ze is pervers en tegen de Hemel gekant. Het is God die alle dingen heeft geschapen, die deze mensheid heeft geschapen, en het is God die de hele mensheid steunt en behoudt. Het aanbidden van God wordt door de Hemel voorgeschreven en door de aarde erkend, maar de Partij staat het mensen niet toe in God te geloven en Hem te volgen. Ze bevordert atheïsme en evolutie om mensen te misleiden. Ze beweert zelfs schaamteloos dat “er beslist geen God in de wereld is” en dat “het geluk van de mensen volledig door de Partij gegeven is”. Ze wil dat de mensen diep dankbaar zijn, naar haar luistert en haar gehoorzaamt. De Partij is ongelooflijk boosaardig en verachtelijk! In de laatste dagen kwam God persoonlijk naar de aarde om de mensheid te redden. Hij drukte miljoenen woorden uit. Wat de Partij het meest vreest, is dat mensen het woord van God zullen lezen en de waarheid zullen begrijpen, dat ze de Partij zullen doorzien en, niet langer door haar beheerst, zich tot God zullen wenden. Daarom doet de Partij wat ze maar kan om christenen te arresteren. Tevergeefs hoopt ze Gods werk de kop in te drukken en haar doel te bereiken van eeuwige beheersing van de mensheid. Toen ik eenmaal hun vervolging persoonlijk had meegemaakt, zag ik hun demonische essentie van haat jegens de waarheid en vijandelijkheid tegen God. Ik verachtte uit het diepst van mijn hart deze boosaardige troep demonen die zich tegen God verzette. Ik nam me voor om God vastberaden te volgen en standvastig te staan in mijn getuigenis voor God, hoeveel ik ook zou lijden.
Later wist mijn man mij op borgtocht vrij te krijgen. Hij betaalde iemand om dat voor elkaar te krijgen. Op de dag van mijn invrijheidstelling zei een agent: “Gezien je huidige houding blijf je gegarandeerd geloven. We houden je in de gaten, en zodra we zien dat je naar bijeenkomsten gaat of het evangelie verspreidt, kom je hier weer terecht!” Om te kunnen blijven geloven en mijn plicht normaal te kunnen blijven vervullen, zag ik me gedwongen om herhaaldelijk te verhuizen. Mijn man was in die tijd adjunct-hoofd van de gemeente, en sinds ik wegens mijn geloof was gearresteerd was elke kans op promotie voor hem verkeken. In april 2007 kwam hij op een avond thuis en zei: “Binnenkort gaan er partijkaders gepromoveerd worden in de stad. Door jouw geloof ben ik de laatste paar keer dat ik een kans maakte niet door het politieke antecedentenonderzoek gekomen. Ik heb tegen mijn leider gezegd dat ik dit keer deel wil uitmaken van het bestuur, en hij zei dat hij me zou voordragen op voorwaarde dat jij je religie opgeeft.” Verder zei hij: “Je hoeft alleen maar op te houden met geloven, dan kunnen we een goed leven leiden en onze kinderen een stabiele thuisbasis bieden. Als je erop staat je geloof aan te houden, moeten we scheiden. Ik wil hier niet meer in worden meegesleurd. Denk erover na!” Het was erg pijnlijk voor me om hem dat alles te horen zeggen. Als we zouden scheiden, zou dat onze kinderen zo veel schade toebrengen! Hij was altijd goed voor me geweest, en onze kinderen waren gehoorzaam. Hij had een baan, ik had werkzaamheden en ons leven was echt gelukkig. Ons prachtige gezin werd verwoest door de vervolging door de Chinese overheid. Toen ik hierover nadacht, voelde ik me onpasselijk, alsof mijn hart aan stukken werd gescheurd. Ik bad tot God: “God, ik kan u niet verlaten, maar ik kan mijn man en mijn kinderen niet vaarwel zeggen. Ik weet niet wat ik moet doen. Verlicht mij alstublieft, zodat ik uw wil kan begrijpen.” Toen dacht ik aan Gods woord: “Er is geen verband tussen een gelovige echtgenoot en een ongelovige echtgenote en er is geen verband tussen gelovige kinderen en ongelovige ouders. Dit zijn twee soorten mensen die volledig onverenigbaar zijn. Voorafgaand aan het ingaan van de rust, heeft men bloedverwanten, maar als men eenmaal de rust is ingegaan, heeft men niet langer noemenswaardige bloedverwanten” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, God en de mens zullen gezamenlijk de rust ingaan). Ik overdacht Gods worden en begreep dat gelovige mensen en ongelovige mensen twee soorten mensen zijn met een verschillende essentie. Ze hebben een verschillende kijk op het leven en hun waarden zijn verschillend. Ik bevond me op het juiste levenspad van geloof, dat van het nastreven van de waarheid. Mijn man bevond zich op het pad van een officiële loopbaan, een pad om in de rangen op te klimmen en geld te verdienen. Om naar promotie toe te werken, veronachtzaamde hij een jarenlang huwelijk en de gevoelens van onze kinderen, en koos in plaats daarvan voor een scheiding. Dat kwam doordat in zijn hart zijn status en toekomst belangrijker voor hem waren geworden dan de kinderen en ik. Al beweerde hij dat hij de kinderen een stabiele thuisbasis wilde bieden en een gelukkig leven wilde, het was allemaal een illusie. Voorheen was hij goed voor me geweest omdat het zijn persoonlijke belangen niet had geraakt. Nu waren mijn geloof en arrestatie van invloed op zijn officiële loopbaan en stonden in de weg van zijn promotie en salarisverhoging, dus wilde hij scheiden. Het leek erg kil toen ik dat bedacht. Ik zag in dat er tussen mensen geen echte liefde bestaat, alleen maar bedrog en uitbuiting. Mijn man wist heel goed dat de Communistische Partij een boosaardige partij was, maar hij bleef zich erachter scharen, verplichtte me om mijn geloof op te geven en zette me zelfs onder druk met scheiding. We hadden verschillende zienswijzen en bevonden ons op verschillende paden, en zelfs als we samenbleven, zouden we niet gelukkig zijn. Toen ik dit besefte, wist ik wat me te doen stond. De volgende ochtend gingen we naar de Afdeling Burgerzaken om de papieren voor onze scheiding te regelen. Onderweg zei hij: “Weet je, ik wil niet scheiden, maar er is geen keuze. Zorg goed voor jezelf.” Toen ik dit hoorde, welden er plotseling tranen in me op. Ik dacht aan alle tegenspoed en de bespotting door anderen die ik na de scheiding zou moeten verduren, en ik werd overweldigd door pijn. Ik bad snel tot God en vroeg Hem mijn hart te beschermen. Ik dacht aan Gods woorden: “Je moet lijden voor de waarheid, je moet jezelf ten behoeve van de waarheid opofferen, je moet vernedering voor de waarheid verdragen en je moet meer lijden ondergaan om meer van de waarheid te verkrijgen. Dit is wat je zou moeten doen. Je mag de waarheid niet wegwerpen omwille van het genot van harmonie in het gezin en je moet een leven vol waardigheid en integriteit niet verliezen om tijdelijk plezier te hebben. Je moet alles najagen wat mooi en goed is en een levensweg nastreven die zinvoller is. Als je zo’n alledaags en werelds leven leidt en geen enkel doel hebt om na te streven, komt dat dan niet neer op het verspillen van je leven? Wat kun je winnen in zo’n leven? Je moet alle genot van het vlees opgeven omwille van één waarheid en niet alle waarheden weggooien omwille van een beetje plezier. Mensen als deze hebben geen integriteit of waardigheid; hun bestaan heeft geen betekenis!” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, De ervaringen van Petrus: zijn kennis van tuchtiging en oordeel). Door Gods woorden begreep ik: hoe goed het leven ook mag zijn in het vlees, hoeveel mensen je ook benijden en bewonderen, dat alles betekent niets. Alleen het nastreven van de waarheid en het vervullen van de plicht van een schepsel kunnen Gods goedkeuring wegdragen. Alleen dit is een leven van integriteit en waardigheid, en het is het meest betekenisvolle en waardevolle van alle levens. Het was echt bevrijdend om dit te denken, en ik handelde de scheidingsprocedure zonder bezorgdheid af.
In mei 2011 werd ik, terwijl ik in een bijeenkomst zat, opnieuw gearresteerd. Het waren dezelfde agenten als tien jaar geleden. Ze vonden mijn identiteitsbewijs, riepen mijn naam en zeiden: “In de afgelopen tien jaar zijn we vaak genoeg naar je huis geweest zonder je te vinden. Nu hebben we echt beet. Deze keer laten we je niet gaan!” Terwijl ze dit zeiden, deden ze mij de boeien om en plaatsten me in de politieauto. In de auto dacht ik aan de drie zusters die eerder waren gearresteerd en een hele maand bruut waren gemarteld door de politie. Een van hen had permanent letsel aan haar linkerarm opgelopen omdat ze haar te lang aan haar armen hadden laten hangen. Mijn hart bonsde hevig toen ik daaraan dacht. Ik was bang dat ik zou worden geslagen tot ik invalide was of zou sterven. Dringend riep ik God aan in mijn hart: “God! Bescherm me alstublieft en leid me door deze omgeving. Al word ik doodgeslagen, ik zal nooit een Judas zijn.” Na mijn gebed dacht ik aan Gods woorden: “Je moet weten dat je hele omgeving door Mij wordt toegestaan en gearrangeerd. Heb dit duidelijk voor ogen en stel Mijn hart tevreden in de omgeving die Ik je heb gegeven. Wees niet bang voor dit en dat, de Almachtige God der heerscharen zal zeker met je zijn; Hij is jullie steun en toeverlaat, en Hij is jullie schild” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 26). Het was waar. Mijn leven en dood lagen volledig in Gods handen, en mijn leven kon me niet worden afgenomen als God het niet toestond. Ik dacht aan Job die zijn beproevingen doorstond. God liet Satan het leven van Job niet schaden, en Satan kon niet ingaan tegen wat God had gezegd. Dit gaf mijn hart enige vrede en gaf mij het vertrouwen om onder ogen te zien wat er zou gebeuren.
Later werd ik verhoord door het hoofd van de Openbare Veiligheidsdienst. Hij zei: “Dit is momenteel een grote, essentiële zaak voor onze stad. Je bent tien jaar geleden gearresteerd, en in 2009 gaf iemand aan dat je het evangelie aan het verspreiden was. Meerdere pogingen om je te arresteren zijn mislukt. Deze keer hebben we je op een bijeenkomst gepakt, dus al zeg je niets, we kunnen je hoe dan ook zeven tot tien jaar geven. Wanneer je eenmaal bent veroordeeld, zullen je beide kinderen niet tot de universiteit worden toegelaten, en ze zullen nooit een overheidsbaan krijgen. En iedereen zal hen discrimineren omdat ze een moeder zoals jij hebben. Hun verwoeste toekomst zal jouw schuld zijn. Ze zullen je de rest van hun leven haten! Zelfs al denk je niet aan jezelf, denk aan de toekomst van je kinderen. Als je met ons meewerkt, ons vertelt wie de leider boven je is en ons het geld van de kerk geeft, laten we je gaan.” Toen ik hem dat hoorde zeggen, had ik een gevoel van enorme walging. Het is de Communistische Partij die christenen nietsontziend vervolgt. Ze gebruikten zelfs de toekomst van mijn kinderen om mij te bedreigen en me te dwingen de kerk en God te verraden, en beweerden vervolgens dat het mijn geloof was dat hun toekomstperspectief verwoestte. Dat was een volledige verdraaiing van de feiten!
Die dag verhoorden ze me aanhoudend tot na twee uur ’s nachts. Toen ze zagen dat ik niet zou praten, stuurden ze me naar het huis van bewaring. Een agent zei: “Dit keer word je veroordeeld en ga je naar de gevangenis!” De cel was donker en vochtig. Mijn reumatiek en mijn door acute reuma veroorzaakte hartklachten werden steeds erger, en al mijn gewrichten deden pijn. Elke nacht moest ik twee uur op wacht staan, en na een poosje te staan kreeg ik hartkloppingen en pijn op de borst. Het was afschuwelijk. Ik dacht eraan dat de agent had gezegd dat ik zeven tot tien jaar zou krijgen en begon te berekenen hoeveel dagen er in zeven jaar zaten, en vervolgens hoeveel dagen in tien jaar. Het zouden duizenden dagen en nachten zijn. Hoe zou ik het doorstaan? Zou ik hier nog levend wegkomen? Toen ik hierover dacht, kon ik niet vermijden dat de tranen over mijn gezicht stroomden en voelde ik dat duisternis mijn hart in bezit nam. Ik besefte dat ik me niet in de juiste gesteldheid bevond, dus deed ik een dringend gebed. Ik vroeg God mijn hart te beschermen en mij het geloof te geven om deze omstandigheden te verdragen. Ik herinnerde me Gods woorden: “Wie in deze uitgestrekte wereld, is persoonlijk door mij onderzocht? Wie heeft persoonlijk de woorden van mijn geest gehoord? Zoveel mensen tasten zoekend rond in de duisternis, zo velen bidden te midden van tegenspoed, zo velen zijn hongerig en koud en kijken in hoop toe; zo velen zijn gebonden door Satan, toch weten zoveel mensen niet tot wie ze zich moeten wenden, zo velen verraden mij te midden van hun geluk, zo velen zijn ondankbaar en zo velen zijn loyaal aan de bedrieglijke plannen van Satan. Wie van jullie is Job? Wie is Petrus? Waarom heb ik herhaaldelijk Job genoemd? Waarom heb ik zo vaak naar Petrus verwezen? Hebben jullie ooit nagegaan wat mijn verwachtingen voor jullie zijn? Je zou er vaker over na moeten denken” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Gods woorden aan het hele universum, hfst. 8). Na Gods woorden te overdenken begreep ik dat God Job en Petrus goedkeurde omdat zij echt geloofden en zich onderwierpen. Job onderging beproevingen, verloor zijn rijkdom en zijn kinderen en zijn hele lichaam was bedekt met zweren, en toch bleef hij in staat Gods naam te prijzen en te zeggen: “Jehova heeft gegeven en Jehova heeft genomen. De naam van Jehova zij gezegend” (Job 1:21). Dit vernederde Satan. En Petrus werd omwille van God ondersteboven gekruisigd, gehoorzaam tot de dood, en legde een klinkend getuigenis af. En ikzelf? Ik had zo veel begieting en voeding verkregen uit Gods woorden, maar zodra er een klein beetje lijden voor me dreigde, wilde ik wegrennen. Waar was mijn geloof? Waar was mijn gehoorzaamheid? Ik was niet in de verste verten wat God vereist. Hoe kon ik voor God getuigen, zo sterk als ik me aan mijn leven vastklampte? Hierover had ik veel spijt en voelde ik me erg schuldig, en ik bad tot God: “God! Ik ben bereid mezelf in uw handen te leggen. Hoeveel jaar ik ook krijg en hoeveel ik ook lijd, ik wil standvastig staan in mijn getuigenis voor u en Satan vernederen.” Verrassend genoeg werd ik vrijgelaten na alles op te offeren en bereid te zijn om standvastig te blijven. Later kwam ik erachter dat mijn ex-man, die bang was dat mijn gevangenschap gevolgen zou hebben voor de toelating van onze kinderen tot de universiteit, iemand had omgekocht om mij vrij te krijgen.
Op de dag van mijn vrijlating reed mijn ex-man naar het huis van bewaring om mij te ontmoeten. Hij zag hoe anders ik eruitzag na zo veel gewicht te hebben verloren en vroeg: “Je bent na een maand al zo dun geworden, je zou het niet meerdere jaren hebben volgehouden. Deze keer ga je toch ophouden met geloven?” Toen ik niet antwoordde, drong hij aan: “Kom op, zul je ophouden te geloven?” Ik zei heel bedaard: “Ik blijf geloven! Geloof hebben is door de Hemel voorgeschreven en door de aarde erkend, en ik zal mijn hele leven blijven geloven.” Toen hij me dit hoorde zeggen, sloeg hij kwaad op het stuur, zuchtte, schudde zijn hoofd en gooide er toen uit: “Ik moet het jouw God nageven! De Partij probeert wat ze kan om de harten van mensen te winnen, maar zal dat nooit kunnen, terwijl jullie gelovigen erop staan te geloven zonder dat het jullie materieel wat oplevert, en zelfs na een reeks arrestaties. Jullie God is niet de eerste de beste!” Ik dankte God voor zijn leiding om standvastig te staan in mijn getuigenis.
Een paar dagen nadat ik weer thuis was gekomen, kwam mijn zoon uit school en zei plechtig tegen me: “Mama, vandaag moet u een besluit nemen. Als u me als uw zoon wilt houden, moet u uw geloof opgeven. Als u bij uw religie blijft, ga ik het huis uit en ziet u me nooit terug.” Ik was verbluft. Mijn zoon en ik waren altijd zo hecht geweest, en hij had zich nog nooit tegen mijn geloof gekeerd. Waarom zei hij dit vandaag? Het was erg pijnlijk en ik voelde dat dit pad van geloof echt vol tegenslag was, en vol pieken en dalen. Er moesten de hele tijd keuzes worden gemaakt. Ik vond deze beslissing te zwaar, dus bad ik tot God en vroeg Hem mij te sturen om Zijn wil te begrijpen. Na het gebed dacht ik aan een passage uit Gods woorden: “Elke stap van het werk dat God bij mensen verricht, lijkt vanbuiten interacties tussen mensen te zijn, alsof het voortkomt uit menselijke regelingen of menselijke verstoring. Maar achter elke stap van het werk en alles wat gebeurt is een weddenschap die Satan aangaat ten overstaan van God, en die vereist dat mensen standvastig staan in hun getuigenis voor God. Neem bijvoorbeeld de beproeving van Job: achter de schermen ging Satan een weddenschap met God aan, en wat Job overkwam betrof de daden van mensen en de verstoring van mensen. Achter elke stap van het werk dat God bij jullie verricht zit Satans weddenschap met God – hierachter zit een strijd” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen houden van God is werkelijk geloven in God). Gods woorden hielpen me begrijpen dat, hoewel het leek alsof mijn zoon me vroeg te kiezen, het in feite Satan was die mij verzocht en mij aanviel om te zien of ik voor mijn familieband met mijn zoon zou kiezen of voor God. Ik moest standvastig staan in mijn getuigenis om Satan te beschamen. Toen ik hierover nadacht, zei ik tegen mijn zoon: “Ik kan geen afstand nemen van God. Ervoor kiezen God te verlaten zou zijn zoals jouw keuze om mij vandaag te verlaten. Het zou onrechtvaardig zijn en God teleurstellen. Ik zal God altijd volgen. Dat is mijn keuze!” Toen hij me dat hoorde zeggen, vertrok hij in tranen. Ook ik was op dat moment overstuur, maar ik wist dat ik de juiste beslissing had genomen!
Ongeveer een half uur later kwam hij terug en zei: “Mama, ik had het bij het verkeerde eind. Ik had u niet moeten dwingen die keuze te maken. Mijn vader zegt dat als u weer gepakt wordt, u nooit meer vrijkomt. Ik was bang dat u gepakt zou worden, dus wilde ik die tactiek gebruiken zodat u uw geloof zou opgeven.” Zijn uitleg vervulde me van walging voor die tegen God gekante demon, de Communistische Partij. Alleen maar omdat ik in God geloofde arresteerde en vervolgde de Partij mij, maakte mijn gezin kapot en sleepte mijn man en kinderen erbij. Hoe meer de Partij me vervolgt, hoe meer ik er afstand van zal nemen en met ijzeren wil God zal volgen!