30. Is vriendelijkheid een toepasselijk criterium voor goede menselijkheid?
Toen ik klein was, zeiden mensen altijd dat ik verstandig en welgemanierd was, kortom een braaf kind. Ik werd zelden boos op anderen en maakte nooit moeilijkheden. Nadat ik toetrad tot het geloof was ik ook heel vriendelijk tegen de andere broeders en zusters. Ik was tolerant, geduldig en liefdevol. Ik weet nog dat ik enkele oudere leden leerde hoe ze computers moesten gebruiken, en ik ze het geduldig steeds opnieuw uitlegde. Hoewel ze het soms langzaam leerden en ik me een beetje ergerde, deed ik mijn best om niet ongeduldig te lijken uit angst dat anderen zouden zeggen dat ik geen liefdevolle vriendelijkheid had. Als gevolg daarvan zeiden broeders en zusters vaak dat ik goede menselijkheid had en mijn leider koos me om nieuwkomers te begieten, en zei dat alleen vriendelijke, geduldige mensen die plicht goed konden doen. Ik was heel zelfvoldaan toen ik dat hoorde en was er nog meer van overtuigd dat vriendelijk en aardig zijn een teken van goede menselijkheid was.
Later werden zuster Li Ming en ik aan elkaar gekoppeld als leiders in de kerk. Nadat we een tijd hadden samengewerkt, merkte ik dat Li Ming alles op haar manier wilde doen en een beetje opvliegend was. Als iets niet naar haar zin ging, werd ze vaak kwaad. Ook was ze niet transparant in haar werk en was ze vaak bedrieglijk. Ze gedroeg zich niet volgens de principes en beschermde het werk van de kerk niet. Ze bleef een tijd lang haar mobiele telefoon gebruiken om broeders en zusters te bereiken. Ik wist dat de politie ze daardoor kon volgen en dat het problemen kon geven voor de kerk. Ik overwoog meerdere keren om haar tegen te houden, maar toen ik erover wilde beginnen, hield ik me in. Ik dacht dat ze als ik haar direct op haar probleem wees zou kunnen denken dat ik uiterlijk wel aardig leek, maar nogal genadeloos was in mijn woorden en daden en daardoor moeilijk om mee om te gaan. Nadat ik erover had nagedacht besloot ik de middenweg te kiezen en haar gewoon te vragen of ze haar mobiele telefoon wel of niet gebruikte. Toen ze niet wilde toegeven dat ze dat deed, wist ik dat ze loog, maar ik ontmaskerde haar niet en hield haar niet tegen uit angst dat het tot tweedracht tussen ons zou leiden en ze een minder hoge dunk van me zou krijgen. Later merkte ik dat Li Mings problemen steeds ernstiger werden. Op een keer vertelden enkele broeders en zusters me dat haar man altijd over doctrine praatte om op te scheppen op bijeenkomsten, geen praktische problemen oploste en anderen vertelde hoeveel hij had geleden en opgeofferd in zijn plicht om hun bewondering te krijgen. Na onderzoek werd besloten dat hij niet geschikt was als leider en ontslagen moest worden. Toen ik Li Ming hierover vertelde raakte ze heel geïrriteerd en ze zei dat de evaluatie van de broeders en zusters onjuist en oneerlijk tegenover haar man was. Ze vroeg zelfs waarom we alleen haar man onderzochten en niet degenen die het hadden gemeld. Ik was geschokt. Ik had nooit gedacht dat Li Ming zo’n slechte houding zou hebben. Ik probeerde de boel te sussen en zei tegen haar: “Kalmeer je hart en zoek Gods wil in deze kwestie. Probeer je niet te laten meeslepen door je emoties.” Maar ze luisterde helemaal niet naar me en wilde niet toegeven. Door Li Mings halsstarrige tegenwerking bleef het probleem van haar man onopgelost. Daarna berispte Li Ming de broeders en zusters op een bijeenkomst en maakte zelfs een zuster aan het huilen. Li Mings probleem begon erg ernstig te worden. De anderen hadden haar man objectief en eerlijk geëvalueerd en hadden alleen feiten genoemd, maar omdat dit haar belangen bedreigde, werd ze boos en viel ze tegen ze uit. Ze had boosaardige menselijkheid. Ik wilde haar probleem melden bij onze hogere leider, maar toen dacht ik: zou ik dan geen verklikker zijn en haar een dolk in de rug steken? Ook zal de leider haar zeker bij zich roepen om te communiceren als ik haar aangeef. Als ze erachter komt dat ik haar heb aangegeven, wat zal ze dan van me denken? Zal ze dan niet zeggen dat ik haar achter haar rug verdacht maak en slechte menselijkheid heb? Toen ik dat besefte, besloot ik het niet te melden, maar ik voelde me een beetje terneergeslagen, wanhopig en alsof een dwingeland het op me had voorzien.
Toen andere mensen haar later aangaven, werd Li Ming ten slotte ontslagen. Achteraf ontmaskerde de hogere leider me en zei: “Terwijl je oppervlakkig gezien met iedereen overweg lijkt te kunnen, heb je geen loyaliteit jegens God. Waarom heb je Li Ming niet ontmaskerd en tegengehouden toen je haar probleem opmerkte? Hoe kon je zo’n wezenlijk probleem niet melden? Wil je het werk van de kerk niet beschermen?” Pas toen ik was behandeld door mijn leider, werd ik wakker en begon ik tot God te bidden en na te denken. Ik kwam een passage uit Gods woorden tegen die luidt: “Er moet een norm zijn voor het hebben van een goede menselijkheid. Het houdt niet in dat men de middenweg bewandelt, zich niet aan principes houdt, ernaar streeft niemand te beledigen, bij iedereen in een goed blaadje probeert te staan, glad en gewiekst is tegenover iedereen die men ontmoet, en ervoor zorgt dat iedereen goed over je spreekt. Dit is niet de norm. Wat is dan de norm? Het is in staat zijn zich te onderwerpen aan God en de waarheid. Het is principes hebben en verantwoordelijkheid nemen met betrekking tot hoe men zijn plicht en allerlei mensen, gebeurtenissen en dingen benadert. Dit is voor iedereen duidelijk; iedereen weet dit in zijn hart. Bovendien onderzoekt God de harten van de mensen nauwkeurig en kent Hij hun ware situatie, van ieder van hen; wie ze ook zijn, niemand kan God misleiden. Sommige mensen scheppen er altijd over op dat ze een goede menselijkheid bezitten – ze spreken nooit kwaad over anderen, schaden nooit andermans belangen, begeren nooit het eigendom van andere mensen, en verkiezen zelfs verlies te lijden boven het profiteren van anderen wanneer er een geschil over belangen is. En alle anderen denken dat het goede mensen zijn. Wanneer ze echter hun plichten in Gods huis vervullen, zijn ze sluw en glad, en maken ze altijd plannetjes voor zichzelf. Er is geen enkele zaak waarbij ze de belangen van Gods huis in overweging nemen, noch iets waarbij ze Gods dringende zorg delen en denken wat God denkt, noch iets waarbij ze hun eigen belangen opzij kunnen zetten omwille van hun plichten. Ze geven nooit hun eigen belangen op. Zelfs wanneer ze kwaadaardige mensen kwaad zien doen, leggen ze hen niet bloot; ze hebben totaal geen principes. Wat voor soort menselijkheid is dit? Het is geen goede menselijkheid. Schenk geen aandacht aan wat zulke mensen zeggen, maar kijk naar wat ze uitleven, wat ze laten zien, met welke houding ze hun plichten vervullen en hoe hun innerlijke gesteldheid is en waar ze van houden. Als hun liefde voor hun eigen roem en gewin hun trouw aan God overtreft, als hun liefde voor hun eigen roem en gewin de belangen van Gods huis overtreft of als hun liefde voor hun eigen roem en gewin de consideratie die ze tonen voor God overtreft, bezitten zulke mensen dan menselijkheid? Dit zijn geen mensen met menselijkheid” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Door je hart aan God te geven, kun je de waarheid verkrijgen). Door Gods woorden besefte ik dat iemands menselijkheid niet kan worden beoordeeld op grond van uiterlijke kenmerken zoals of ze een zachtmoedig humeur hebben, achter iemands rug over hem praten, of harmonieus met anderen kunnen omgaan, maar meer op hun houding tegenover God en de waarheid, of ze verantwoordelijk zijn in hun plicht en of ze naast God staan en zich bij problemen gedragen in overeenstemming met de waarheid en de principes. Vroeger dacht ik dat ik redelijke menselijkheid had. Ik was naar buiten toe vriendelijk en had een aardig karakter, maar toen ik merkte dat Li Ming haar mobiele telefoon gebruikte om broeders en zusters te bereiken, wat de veiligheid van de kerk in gevaar bracht, was ik bang dat het onze relatie zou bederven als ik haar er direct op aansprak. Daarom herinnerde ik haar er tactvol en subtiel aan. Toen ze haar gedrag niet toegaf, ontmaskerde ik haar niet en hield ik haar niet tegen. Ik dacht bij mezelf: als er iets misgaat, kan ze niet zeggen dat ik haar er niet aan heb herinnerd. Deze handelswijze veranderde mijn imago niet en onthief me van de verantwoordelijkheid als er iets misging. Ik dacht alleen aan mijn eigen belangen, status en imago, terwijl ik gaan aandacht schonk aan het werk van de kerk of de veiligheid van de broeders en zusters. Wat was ik egoïstisch en verraderlijk. Toen ik zag hoe emotioneel Li Ming werd en uitviel tegen de anderen over het probleem met haar man, had ik dat meteen aan onze hogere leider moeten melden, maar ik was bang dat ze zou denken dat ik haar verraadde, dus hield ik mijn mond. Dit had een negatief effect op het werk van de kerk en was schadelijk voor de broeders en zusters. Waar was mijn menselijkheid? Toen ik mijn daden overdacht in het licht van Gods woorden van oordeel en ontmaskering, voelde ik me heel schuldig. Ik dacht altijd dat ik goede menselijkheid had, maar door de openbaring van Gods woorden en doordat ik werd ontmaskerd door de feiten, veranderde mijn zelfbeeld volkomen. Naar buiten toe was ik vriendelijk, maar achter die vriendelijkheid zat een verachtelijke bedoeling. Ik gaf alleen om mijn persoonlijke belangen en beschermde het werk van de kerk helemaal niet. Ik toonde valse vriendelijkheid en probeerde iedereen te behagen. Ik was een onoprecht vroom en verraderlijk iemand. Daarna durfde ik me niet voor te doen als iemand met goede menselijkheid.
Later stuitte ik op een andere passage uit Gods woorden. “De essentie achter ‘goed’ gedrag, zoals benaderbaar en beminnelijk zijn, kan in één woord worden beschreven: veinzerij. Zulk ‘goed’ gedrag komt niet voort uit de woorden van God en is evenmin het resultaat van het praktiseren van de waarheid of het handelen volgens principes. Waardoor wordt het voortgebracht? Het komt voort uit de motieven van de mensen, uit hun plannen, uit hun voorwenden, uit hun doen alsof, uit hun bedrog. Wanneer mensen zich vastklampen aan deze ‘goede’ gedragingen, is het doel de dingen te krijgen die zij willen; zo niet, dan zouden zij zichzelf nooit op deze manier benadelen en in strijd leven met hun eigen verlangens. Wat betekent het om tegen hun eigen verlangens in te leven? Het betekent dat hun ware aard niet zo braaf, onschuldig, zachtmoedig, vriendelijk en deugdzaam is als mensen wel denken. Zij leven niet naar geweten en verstand; in plaats daarvan leven zij om een bepaald doel of verlangen te verwezenlijken. Wat is de ware aard van de mens? Hun ware aard is warhoofdig en onwetend. Zonder de door God gegeven wetten en geboden zouden de mensen niet weten wat zonde is. Is dit niet hoe de mensheid vroeger was? Pas toen God de wetten en geboden uitvaardigde, kregen de mensen enig begrip van zonde. Maar nog steeds hadden zij geen idee van goed en kwaad, of van positieve en negatieve dingen. En hoe zouden zij dan op de hoogte kunnen zijn van de juiste beginselen van spreken en handelen? Zouden zij kunnen weten welke manieren van handelen, welke goede gedragingen, in de normale mensheid te vinden zouden moeten zijn? Zouden zij kunnen weten wat werkelijk goed gedrag voortbrengt, welke weg zij zouden moeten volgen om een menselijke gelijkenis na te leven? Dat zouden ze niet kunnen. Vanwege de satanische aard van de mensen, vanwege hun instincten, konden ze alleen maar doen alsof en een toneel uitvoeren om fatsoenlijk en met waardigheid te leven – en daardoor ontstond bedrog zoals verfijnd, verstandig, zachtaardig en hoffelijk zijn, de ouderen respecteren en voor de kinderen zorgen, en beminnelijk en benaderbaar zijn; zo ontstonden deze trucs en technieken van bedrog. En toen die eenmaal ontstonden, klampten de mensen zich selectief vast aan één of twee van deze misleidingen. Sommigen kozen ervoor om beminnelijk en benaderbaar te zijn, sommigen kozen ervoor om verfijnd, verstandig en zachtaardig te zijn, sommigen kozen ervoor om hoffelijk te zijn, om de ouderen te respecteren en voor de kinderen te zorgen, sommigen kozen ervoor om al deze dingen te zijn. En toch definieer ik mensen met zulk ‘goed’ gedrag maar met één term. Wat is die term? ‘Gladde stenen’. Wat zijn gladde stenen? Het zijn die gladde stenen aan de oever van de rivier, waarvan door jaren en jaren van stromend water alle scherpe randjes zijn afgeschuurd en gepolijst. En hoewel het geen pijn doet om er op te stappen, kunnen mensen erover uitglijden als ze niet voorzichtig zijn. Qua uiterlijk en vorm zijn deze stenen erg mooi, maar als je ze eenmaal mee naar huis hebt genomen, zijn ze onbruikbaar. Je kunt het niet verdragen om ze weg te gooien, maar het heeft ook geen zin om ze te houden – dat is wat een ‘gladde steen’ is. Voor mij zijn mensen met deze schijnbaar goede gedragingen halfslachtig. Aan de buitenkant doen ze alsof ze goed zijn maar ze aanvaarden de waarheid helemaal niet, ze zeggen mooi klinkende dingen maar doen niets echt. Ze zijn niets anders dan gladde stenen. Als je met hen communiceert over de waarheid en de principes, zullen ze met je praten over welgemanierd en beleefd zijn. Als je met hen praat over het onderscheiden van antichristen, zullen ze spreken over respect voor ouderen en zorg voor jongeren, en verfijnd en verstandig zijn. Als je tegen hen zegt dat er principes moeten zijn voor iemands gedrag, dat we de principes in onze plicht moeten zoeken en niet willekeurig mogen handelen, welke houding nemen ze dan aan? Ze zullen zeggen: ‘Handelen in overeenstemming met de principes van de waarheid is iets anders. Ik wil gewoon verfijnd en verstandig zijn en ik wil dat anderen mijn acties goedkeuren. Zolang ik respect heb voor ouderen en zorg voor jongeren, en de goedkeuring van andere mensen heb, is dat genoeg.’ Ze geven alleen om goed gedrag, ze richten zich niet op de waarheid” (Het Woord, Deel VI, Over het nastreven van de waarheid, Wat het betekent om de waarheid na te streven (3)). Door Gods woorden besefte ik dat vriendelijkheid en toegankelijkheid, die als goed worden beschouwd door de traditionele cultuur, in wezen slechts een voorwendsel zijn. Wie zich zo gedraagt, houdt slechts de valse schijn op om de bewondering van mensen te krijgen en ze te misleiden en hun respect en lof te krijgen. Het is allemaal samenspanning en misleiding en zulk gedrag maakt een bedrieger van je. Ik besefte ook dat de reden dat ik nog zo egoïstisch en bedrieglijk was, hoewel ik al die jaren probeerde een goed mens te zijn, was omdat er slechte bedoelingen achter dit alles scholen. Ik wilde een goede indruk op mensen maken, zodat ze me zouden respecteren en prijzen. Ik was van jongs af aan door de traditionele cultuur geconditioneerd en opgevoed om waarde te hechten aan goed gedrag. Ik dacht dat ik de lof van de mensen om me heen zou verdienen als ik me goed gedroeg. Nadat ik tot het geloof was toegetreden, bleef ik proberen vriendelijk en toegankelijk te zijn en een goed imago en goede status onder de broeders en zusters te houden, vooral toen ik aan Li Ming werd gekoppeld. Ik merkte dat ze meerdere keren haar telefoon gebruikte en zich daarmee niet aan de principes hield, waardoor ze broeders en zusters in gevaar bracht en de belangen van de kerk negeerde. Daarom had ik haar moeten ontmaskeren en tegenhouden, maar ik was bang dat ze een slechte mening over me zou krijgen, dus ik liet het maar gaan. Ik zag duidelijk dat Li Ming haar man beschermde en zelfs de broeders en zusters onderdrukte, en dat dit geen eenvoudig geval van verdorvenheid was. Haar menselijkheid was boosaardig, ze was geen geschikte leider en had meteen aangegeven moeten worden. Maar in plaats daarvan besloot ik weer om stil te zijn om mijn status en imago te beschermen. Om mijn imago te beschermen beet ik de hand die me voedde. Ik beschermde de belangen van de kerk totaal niet. Ik besefte heel goed dat ik door te proberen vriendelijk en toegankelijk te zijn mezelf niet alleen niet hielp om mijn verdorven gezindheid te veranderen, maar me in feite steeds verraderlijker maakte. Ik probeerde me goed te gedragen in plaats van de waarheid te praktiseren, liet een vals beeld zien om mijn verachtelijke bedoelingen te verhullen en iedereen te laten denken dat ik de werkelijkheid van de waarheid bezat en liefdevol en vriendelijk was, zodat ze me ten onrechte vertrouwden en ik hun respect en goedkeuring kreeg. Ik bevond me op het pad van de onoprecht vrome farizeeën en verzette me tegen God. Ik zou worden verworpen en verstoten door God als ik zo doorging.
Later las ik nog twee passages uit Gods woorden. “En wat is het gevolg als mensen altijd aan hun eigen belangen denken, als ze altijd proberen hun eigen trots en ijdelheid te beschermen, als ze een verdorven gezindheid verraden, maar niet naar de waarheid zoeken om dit te herstellen? Het gevolg is dat ze geen intreden in het leven hebben, dat ze geen echte ervaringen en getuigenis hebben. En dit is gevaarlijk, nietwaar? Als je nooit de waarheid in praktijk brengt, als je geen ervaringen en getuigenissen hebt, dan zul je te zijner tijd worden ontmaskerd en verstoten. Welk nut hebben mensen zonder ervaringen en getuigenis in het huis van God? Ze kunnen niet anders dan elke plicht slecht vervullen; ze kunnen niets goed doen. Zijn ze niet gewoon afval? Als mensen de waarheid nooit praktiseren na jaren van geloof in God, behoren ze tot de niet-gelovigen, ze zijn slecht. Als je nooit de waarheid praktiseert, als je overtredingen steeds talrijker worden, dan is je einde bepaald. Het is duidelijk dat al je overtredingen, het verkeerde pad dat je bewandelt, en je weigering om je te bekeren – dat dit alles samenkomt in een groot aantal slechte daden; en dat je einde dus is dat je naar de hel gaat, dat je wordt gestraft. Denken jullie dat dit een triviale kwestie is? Als je niet gestraft bent, zul je niet beseffen hoe angstaanjagend dit is. Als de dag aanbreekt dat je echt voor rampspoed komt te staan en je met de dood wordt geconfronteerd, zal het te laat zijn voor spijt. Als je in je geloof in God de waarheid niet aanvaardt, als je al jaren in God gelooft, maar er geen veranderingen in je hebben plaats gevonden, dan is het uiteindelijke gevolg dat je wordt verstoten, dat je in de steek wordt gelaten” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). “Alleen wanneer mensen handelen en zich gedragen naar Gods woorden, hebben zij een ware grondslag. Als zij zich niet naar Gods woorden gedragen en zich alleen maar concentreren op het doen alsof zij zich goed gedragen, kunnen zij daar dan goede mensen door worden? Absoluut niet. Goed gedrag kan de essentie van mensen niet veranderen. Alleen de waarheid en de woorden van God kunnen de gezindheid, de gedachten en de meningen van mensen veranderen, en hun leven worden. […] Wat zou de basis moeten zijn voor het spreken en handelen van mensen? Gods woorden. Wat zijn de vereisten en normen van God voor het spreken en handelen van mensen? (Dat ze constructief zijn voor mensen.) Dat klopt. In de meest fundamentele zin moet je de waarheid vertellen, eerlijk spreken en anderen ten goede komen. Wat mensen zeggen moet op zijn minst opbouwend zijn, het mag mensen niet bedriegen, misleiden, belachelijk maken, bespotten, beledigen, honen, beperken, pijn doen of hun zwaktes blootleggen. Dit is de uitdrukking van normale menselijkheid. Het is de deugd van de menselijkheid. […] Ook wordt het in sommige bijzondere gevallen noodzakelijk de dwalingen van anderen rechtstreeks aan de kaak te stellen en ze aan te pakken en te snoeien, zodat zij kennis van de waarheid krijgen en zich willen bekeren. Alleen dan wordt het gewenste effect bereikt. Deze manier van beoefenen is van groot nut voor mensen. Het is een echte hulp voor hen, en het is constructief voor hen, nietwaar?” (Het Woord, Deel VI, Over het nastreven van de waarheid, Wat het betekent om de waarheid na te streven (3)). Ik schrok van Gods woorden. Als iemand besluit zijn eigen belangen te beschermen in de ene na de andere situatie, en nooit de waarheid praktiseert, zal hij steeds meer overtredingen opeenstapelen, en zal hij uiteindelijk grondig worden ontmaskerd en verstoten door God. Zelfs toen ik zag dat de veiligheid van mijn broeders en zusters werd bedreigd en het werk van de kerk eronder leed, beschermde ik niet de principes en het werk van de kerk, en probeerde ik in plaats daarvan een zogenaamd goed mens te zijn. Zelfs als ik het respect en de goedkeuring van anderen kreeg, was ik in Gods ogen een boosdoener en zou ik uiteindelijk door Hem worden veracht en gestraft. Ik was doodsbang toen ik me deze consequenties realiseerde, en ik was klaar om mijn ondoordachte streven recht te zetten. Gods woorden lieten me ook het juiste beoefeningspad zien. Alleen door volgens Gods woorden te handelen en te spreken kunnen we goed en opbouwend zijn voor anderen. Het maakt niet uit hoe we spreken, of we met harde of zachte stem spreken, of hoe tactvol we zijn met onze woorden. Hoofdzaak is dat we op een manier spreken die opbouwend is voor de broeders en zusters. Zolang het de juiste persoon en iemand die de waarheid kan aanvaarden is, moeten we hem helpen met liefde. Als ze de waarheid niet begrijpen en het werk schaden, kunnen we met ze communiceren om ze leiding en steun te geven. Als er na de communicatie geen echte verbetering is, kunnen we ze behandelen en snoeien en de essentie van het probleem blootleggen. Zelfs als het hardvochtig klinkt of de gevoelens van mensen lijkt te negeren, kun je met deze manier van optreden echt goed voor ze zijn en ze steunen. Als ze antichristen of boosdoeners zijn die het werk van de kerk verstoren, moeten we ze standvastig ontmaskeren en tegenhouden, of ze aangeven bij onze meerderen om het werk van de kerk te beschermen en te voorkomen dat de broeders en zusters worden verstoord en misleid. Alleen zo praktiseren we echt de waarheid en tonen we echte menselijkheid en vriendelijkheid. Ik corrigeerde ook een misvatting die ik had. Ik dacht dat iemand aangeven voor het niet nakomen van de principes verraderlijk, achterbaks of ontrouw was. Dat was een verkeerd idee. Door dat te doen bescherm je het werk van de kerk en het is een goede daad. Toen ik zag dat Li Ming ernstige problemen had die de broeders en zusters remde en schade toebracht, was het een kwestie van principe die het werk van de kerk betrof en moest ik dat meteen melden bij de hogere leiding of haar zelfs aangeven. Dat was geen verraad, maar het beschermen van het werk van de kerk. Toen ik dat besefte, verdwenen veel van mijn zorgen en voelde ik me veel meer gerustgesteld.
Later meldde iemand dat een broeder voortdurend lui was en beproevingen vermeed, en hij het nog steeds niet accepteerde nadat anderen hem er meerdere keren op wezen en hem behandelden. Op grond van de principes besloten we dat hij ontslagen moest worden en we zijn problemen duidelijk moesten analyseren zodat hij over zichzelf kon nadenken. Ik dacht toen: het kan beledigend zijn om iemands problemen voor hem te analyseren. Misschien laat ik mijn partner met hem communiceren en hou ik me erbuiten. Anders krijgt hij misschien een slechte indruk van me. Maar toen besefte ik opeens dat ik weer probeerde mijn status en imago te beschermen. Ik herinnerde me Gods woorden die luiden: “Voor iedereen die zijn plicht vervult, hoe diepgaand of oppervlakkig zijn begrip van de waarheid ook is, is de eenvoudigste manier van praktiseren waardoor de werkelijkheid van de waarheid kan worden binnengegaan, in alles de belangen van Gods huis voor ogen te houden, en zelfzuchtige verlangens en persoonlijke bedoelingen, motieven, trots en status los te laten. Stel de belangen van Gods huis voorop – dat is wel het minste dat iemand zou moeten doen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheid af te werpen). Gods woorden toonden me een beoefeningspad. Geconfronteerd met problemen moeten we onze verlangens en reputatie opzijzetten, voorrang geven aan de belangen van de kerk en Gods wil in acht nemen. Dat is de enige openhartige manier om te handelen en het zal worden geprezen door God. Toen ik Gods eisen eenmaal begreep, voelde ik me gemotiveerd en dus analyseerde ik het gedrag van de broeder tot in de details in overeenstemming met Gods woorden. Ik voelde me heel erg gerustgesteld toen ik zo had gepraktiseerd. Ik besefte dat we alleen echte rust en geluk kunnen bereiken door de waarheid te praktiseren.
Na deze ervaring was ik vol dankbaarheid jegens God. Gods woord hielp me om in te zien hoe absurd de nadruk op vriendelijkheid en toegankelijkheid van de traditionele cultuur is, en welke schade die mensen berokkent. Het gaf me ook de kans om de bevrijding en opluchting te ervaren als je de boeien van de traditionele cultuur afwerpt. Dank zij aan God voor Zijn redding.