7. Gods woorden zijn onze enige lens om anderen te zien
Gaan Sheila en ik al lang met elkaar om en ik kende haar goed. Als we bij elkaar kwamen, praatte ze altijd met me over haar huidige gesteldheid. Dan zei ze dat ze altijd achterdochtig was jegens anderen en het zich aantrok wat anderen van haar dachten. Ze zei ook dat ze erg bekrompen kon zijn en altijd analyseerde wat mensen bedoelden. Ze kon van streek raken door iemands minste gezichtsuitdrukking of toon, of zelfs een terloopse opmerking. Ze wilde niet zo zijn, maar ze kon het niet helpen. Ze zei vaak dat ze ernstig verdorven en bedrieglijk was en verstoken was van menselijkheid, dat ze het vreselijk vond dat ze reputatie en status zo belangrijk vond, en ze huilde terwijl ze praatte. Als ik zag hoe bedroefd ze was en hoe ze zichzelf verachtte, dacht ik dat ze echt wilde veranderen. Misschien was deze verdorven gezindheid ernstig. Het was haar achilleshiel en het zou niet makkelijk zijn om te veranderen, het zou tijd kosten. Dus ik vond dat ik medeleven moest tonen. Hoe druk ik het ook had met mijn plicht, als ze wilde kletsen liet ik mijn werk even liggen en luisterde ik hoe ze haar hart luchtte, en vaak moedigde ik haar aan, troostte haar en communiceerde met haar. Maar ik begreep niet waarom Sheila, hoewel ze redelijk leek in haar communicatie en zichzelf goed kende, als anderen haar op haar problemen wezen dacht dat ze haar verachtten en negatief werd. Dat gebeurde keer op keer en veranderde nooit. Bovendien had ze met veel mensen over dit probleem gesproken, had ze vaak openhartig gepraat en hadden veel mensen met haar gecommuniceerd. Maar na een aantal jaren had ze nog niet het minste teken van verbetering getoond.
Ik herinner me dat een supervisor een keer een probleem met het begieten van nieuwkomers besprak en zei dat we niet zorgzaam en geduldig genoeg waren geweest met de nieuwkomers, en niet meteen met ze communiceerden en ze steunden als ze geen bijeenkomsten bijwoonden, wat onverantwoordelijk was. De supervisor zei dit tegen alle begietingswerkers en richtte zich niet tot iemand in het bijzonder. Maar Sheila zei dat de supervisor haar aan de kaak stelde en gezichtsverlies liet lijden, en ze wilde niet spreken tijdens de bijeenkomst. Een andere keer communiceerde een broeder over zijn gesteldheid, en zei dat als hij te maken had met anderen van slecht kaliber hij ze soms niet eerlijk behandelde. Hij communiceerde vervolgens over zijn ervaring en hoe hij was verbeterd en intrede had verkregen. Maar toen Sheila dat hoorde, dacht ze dat hij het over haar had en dat de broeder kleinerend sprak over haar kaliber en op haar neerkeek. Ze was daarna meerdere dagen negatief, ontwikkelde een vooroordeel tegen de broeder en meed en negeerde hem. Een andere keer, toen we het werk bespraken, wees de supervisor op een klein probleem met de manier waarop Sheila nieuwkomers begoot, en ze begon opeens te huilen en rende naar buiten en kwam pas een hele tijd later terug. Ze zat stil aan de zijkant terwijl de tranen over haar gezicht stroomden alsof haar groot onrecht was aangedaan. Toen ik de uitdrukking op haar gezicht zag, kon ik mijn hart niet tot rust brengen en de bijeenkomst werd verstoord. Uiteindelijk moest de supervisor haar wel troosten en bemoedigen, waarna ze eindelijk rustig werd. Later communiceerde de leider met haar en wees haar erop dat ze te veel belang hechtte aan reputatie en status, en het middelpunt moest zijn van ieders zorg en aandacht om haar plicht te doen. Dat kon ze nog minder accepteren: Enerzijds zei ze dat de kritiek van de supervisor bevooroordeeld en oneerlijk was, terwijl ze ook zei dat ze een moeilijke natuur had en wilde veranderen, maar dat het haar niet lukte. Ze zei ook: “Ik ben niet te redden. Waarom heb ik zo’n natuur? Waarom is iedereen beter dan ik en gezegend met minder ingewikkelde gedachten? Waarom heeft God me geen goede natuur gegeven?” Toen ik haar dat allemaal hoorde zeggen dacht ik: “Wat afschuwelijk en onredelijk van haar. Hoe kan ze God de schuld geven?” Maar toen bedacht ik dat ze misschien onlangs een slechte gesteldheid had gehad en ze die dingen alleen zei omdat haar reputatie en status waren bedreigd. Als haar gesteldheid verbeterde zou ze misschien niet meer zo zijn.
Maar later besefte ik dat ze, met wie ze ook was, zich altijd geremd voelde door hun uitdrukkingen. Als ze dacht dat iemand koel tegen haar was of als zijn toon haar niet aanstond, concludeerde ze dat diegene het op haar had gemunt. In mijn eigen omgang met haar was ik zeer voorzichtig, altijd bang dat ik haar zou beledigen en haar negatief zou maken en haar plichten zou vertragen. Het was verstikkend om met Sheila om te gaan en ik wilde haar vaak ontlopen. Maar toen herinnerde ik me dat ik ook verdorven was en niet altijd kritisch naar anderen moest kijken. Ik moest zorgzaam zijn en rekening houden met de worstelingen van anderen en tolerant en mededogend zijn. En dus dwong ik mezelf om normaal met haar om te gaan en deed ik mijn best om haar niet te beledigen.
Omdat Sheila de waarheid helemaal niet aanvaardde, onredelijk was en de kerk verstoorde, stuurde de leider haar weg en vroeg haar zich af te zonderen en na te denken. Ik was erg verrast toen ik het nieuws hoorde, want hoewel Sheila te veel dacht aan reputatie en status en vaak argwanend was jegens anderen, was zo nog best bereid om openhartig te zijn en te communiceren, en leek ze de waarheid te zoeken. Dus waarom moest ze worden afgezonderd? Pas later tijdens een bijeenkomst, toen de leiders de evaluaties van Sheila voorlazen en haar gedrag analyseerden aan de hand van Gods woorden, kreeg ik enig onderscheidingsvermogen jegens haar. Almachtige God zegt: “Mensen die onredelijk en moedwillig lastig zijn, denken bij hun handelen alleen aan hun eigen belangen en doen wat ze maar willen. Hun woorden zijn niets dan absurde argumenten en ketterijen, en ze zijn niet voor rede vatbaar. Hun venijnige gezindheid stroomt over. Niemand durft met hen om te gaan en niemand is bereid om met hen over de waarheid te communiceren, uit angst onheil over zichzelf af te roepen. Andere mensen zitten op hete kolen telkens wanneer ze hen iets toevertrouwen, bang dat als ze één woord zeggen dat hen niet bevalt of niet overeenstemt met hun wensen, ze het zullen aangrijpen en buitensporige beschuldigingen zullen uiten. Zijn zulke mensen niet kwaadaardig? Zijn het geen levende demonen? Allen met een venijnige gezindheid en een wankel verstand zijn levende demonen. En wanneer iemand met een levende demon omgaat, kan hij door een moment van onachtzaamheid onheil over zichzelf afroepen. Zou het geen groot probleem zijn als zulke levende demonen in de kerk aanwezig waren? (Jazeker.) Nadat deze levende demonen hun driftbuien hebben gehad en hun woede hebben geuit, kunnen ze een tijdje als een mens spreken en zich verontschuldigen, maar daarna zullen ze niet veranderen. Wie weet wanneer hun humeur zal omslaan en ze weer een driftbui zullen krijgen en hun absurde argumenten zullen spuien. Het doelwit van hun driftbui en uitbarsting is telkens anders, evenals de bron en achtergrond van hun uitbarsting. Dat wil zeggen, alles kan hen doen ontbranden, alles kan hen ontevreden maken en alles kan hen doen reageren met driftbuien en weerbarstig gedrag. Hoe verschrikkelijk! Hoe lastig! Deze gestoorde kwaadaardige mensen kunnen op elk moment hun verstand verliezen; niemand weet waartoe ze in staat zijn. Ik heb de grootste haat voor zulke mensen. Ieder van hen moet worden weggezuiverd – ze moeten allemaal worden verwijderd. Ik wens niet met hen om te gaan. Ze zijn verward in hun denken en beestachtig in hun gezindheid, ze zijn vervuld van absurde argumenten en duivelse woorden, en wanneer hen iets overkomt, blazen ze daarover op een onstuimige manier stoom af. […] Ondanks dat ze zich duidelijk bewust zijn van hun eigen talrijke problemen, zoeken ze nooit de waarheid om ze op te lossen, noch bespreken ze zelfkennis in hun communicatie met anderen. Wanneer hun eigen problemen worden genoemd, leiden ze de aandacht af, komen ze met valse tegenbeschuldigingen, schuiven ze alle problemen en verantwoordelijkheden op anderen af, en klagen ze zelfs dat de reden voor hun gedrag is dat anderen hen slecht behandelen. Het is alsof hun driftbuien en zinloze lastigheid door anderen worden veroorzaakt, alsof het de schuld van behalve zij is, zij gewoon geen andere keus hebben dan zo te handelen en zij zich legitiem verdedigen. Telkens wanneer ze ontevreden zijn, beginnen ze hun wrok te uiten en onzin uit te kramen, en houden ze vast aan hun absurde argumenten alsof alle anderen ongelijk hebben, alsof zij de enige goede mensen zijn en verder iedereen een schurk is. Hoeveel driftbuien ze ook hebben of hoeveel absurde argumenten ze ook spuien, ze eisen dat er goed over hen wordt gesproken. Zelfs wanneer ze verkeerd handelen, verbieden ze anderen hen te ontmaskeren of te bekritiseren. Als je ook maar een klein probleem van hen aanwijst, zullen ze je in eindeloze geschillen verstrikken en kun je een vreedzaam leven wel vergeten. Wat voor persoon is dit? Dit is iemand die onredelijk en moedwillig lastig is, en degenen die dat zijn, zijn kwaadaardige personen” (Het Woord, Deel V, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers (26)). Zodra iemand iets zegt wat hun belangen bedreigt, praten zulke mensen onredelijk en maken ze een scène. Hun gezindheden zijn zo boosaardig dat anderen bang worden om ze te beledigen en te confronteren. Ze verstoren de broeders en zusters en het kerkleven ernstig. Sheila was al die tijd al zo. Als anderen op haar problemen wezen, stond ze er niet bij stil of wat ze zeiden waar was, dacht ze niet na, en concentreerde ze zich op hun toon en houding. Als die haar niet bevielen, draaide ze door en was ze kwaad op ze en vormde ze zich een slechte mening over ze, omdat ze dacht dat ze het op haar gemunt hadden en op haar neerkeken, of ze uitte haar ongenoegen door te huilen. Dat remde andere mensen die haar altijd moesten mijden of haar haar zin moesten geven. Onze supervisor nam de problemen in ons begietingswerk door om ons te helpen ons te verbeteren en onze plicht beter te doen, maar Sheila dacht dat de supervisor het op haar had voorzien en over haar eerdere fouten begon, dus ze vormde zich een slechte mening over de supervisor. en huilde voortdurend alsof haar onrecht was aangedaan, wat de hele bijeenkomst verstoorde en iedereen van streek maakte. Toen een broeder communiceerde over zijn gesteldheid, en zei dat hij mensen niet eerlijk kon behandelen, dacht ze dat hij haar minachtte en op haar neerkeek, en dus negeerde ze hem, en begon zelfs te huilen om haar ongenoegen te uiten. Daarom durfden mensen haar niet te confronteren of te beledigen en konden ze alleen voorzichtig met haar praten, haar sussen en zich naar haar voegen. Pas dan wilde ze haar plicht doen. Sheila had zich al jaren zo gedragen. Ze vormde zich een slechte opinie over iedereen die haar reputatie en status beschadigde of haar belangen bedreigde. Ze zei zelfs dat de houding van mensen tegenover haar de reden was dat ze negatief was, wat een absoluut onredelijke omkering van de waarheid was. Was zij niet een van die onredelijke mensen die God had ontmaskerd? Pas toen ik dat besefte, zag ik in dat achterdocht jegens anderen en te veel aan haar reputatie denken niet Sheila’s enige problemen waren. Ze aanvaardde de waarheid helemaal niet en was een ergerlijk en onredelijk iemand. Ik bedacht dat toen ik zag dat Sheila vaak sprak over haar gesteldheid, openhartig was over haar verdorvenheid, zichzelf analyseerde op bijeenkomsten en zelfs in tranen uitbarstte van spijt als ze over haar verdorvenheid sprak ik dacht dat ze echte kennis over zichzelf moest hebben en een zoeker van de waarheid moest zijn. Wat was er mis met mijn inzicht?
Na dat ik over Gods woorden had gecommuniceerd met mijn broeders en zusters leerde ik later eindelijk haar zogenaamde ‘zelfkennis’ enigszins onderscheiden: “Het eerste wat er bij sommigen uit hun mond komt als ze communiceren over hun zelfkennis, is: ‘Ik ben een duivel, een levende Satan, iemand die zich tegen God verzet. Ik ben ongehoorzaam aan Hem en ik verraad Hem. Ik ben een adder, een slecht mens die vervloekt moet worden.’ Is dit ware zelfkennis? Deze mensen spreken alleen in algemeenheden. Waarom geven ze geen voorbeelden? Waarom kunnen ze de beschamende dingen die ze hebben gedaan niet voor het voetlicht brengen voor analyse? Sommige mensen zonder onderscheidend vermogen horen hen aan en denken: dat is pas echte zelfkennis! Jezelf kennen als de duivel, als Satan, en zelfs jezelf vervloeken – wat een hoogte hebben zij bereikt! Veel mensen, nieuwe gelovigen in het bijzonder, worden nogal makkelijk misleid door dit soort praatjes. Ze denken dat de spreker zuiver is en verstand heeft van spirituele zaken, dat dit iemand is die de waarheid liefheeft en geknipt is voor het leiderschap. Maar als ze een tijdje met die persoon omgaan, merken ze dat dit niet zo is. Het blijkt niet degene te zijn die ze zich hadden voorgesteld, maar een buitengewoon vals en misleidend mens, bedreven in vermomming en imitatie. Dat komt voor hen als een grote teleurstelling. Hoe kun je bepalen of mensen zichzelf werkelijk kennen? Je kunt niet simpelweg uitgaan van wat ze zeggen – het gaat erom te bepalen of ze in staat zijn de waarheid te beoefenen en te aanvaarden. Degenen die de waarheid werkelijk begrijpen, hebben niet alleen werkelijke kennis van zichzelf, maar zijn bovenal in staat de waarheid te beoefenen. Ze spreken niet alleen over hun werkelijke inzichten, maar zijn ook in staat om echt te doen wat ze zeggen. Dat wil zeggen, hun woorden en daden zijn volledig op elkaar afgestemd. Als wat ze zeggen logisch en sympathiek klinkt, maar zij er niet naar handelen en naar leven, dan zijn ze daarin farizeeërs geworden. Dan zijn het huichelaars, absoluut geen mensen die zichzelf werkelijk kennen. Veel mensen klinken heel steekhoudend als ze de waarheid communiceren, maar merken het niet wanneer hun verdorven gezindheid naar buiten komt. Zijn dit mensen die zichzelf kennen? En als mensen zichzelf niet kennen, begrijpen ze de waarheid dan wel? Alle mensen die zichzelf niet kennen, begrijpen de waarheid niet, en iedereen die met holle woorden over zelfkennis spreekt, heeft een valse spiritualiteit. Dit zijn leugenaars. Sommige mensen klinken heel begrijpelijk als ze woorden van doctrine verkondigen, maar de gesteldheid van hun geest is gevoelloos en afgestompt. Ze zijn niet scherpzinnig, en ze reageren op geen enkel vraagstuk. Er wordt dan wel gezegd dat ze gevoelloos zijn, maar soms, als je ze hoort spreken, lijkt hun geest behoorlijk scherp. Als er bijvoorbeeld iets gebeurt, komen ze onmiddellijk tot zelfkennis: ‘Zojuist kwam er een idee in mij op. Ik dacht erover na en realiseerde me dat het sluw was, dat ik God bedroog.’ Sommige mensen zonder onderscheidend vermogen zijn jaloers als ze dit horen en zeggen: ‘Dit soort mensen heeft het meteen door als hun verdorvenheid tot uiting komt en kan daar open over communiceren. Zij reageren erg snel, hun geest is scherp, ze zijn veel beter dan wij. Dit is echt iemand die de waarheid nastreeft.’ Is dit een nauwkeurige manier om mensen te beoordelen? (Nee.) Op basis waarvan moet dan wél beoordeeld worden of mensen zichzelf werkelijk kennen? Het mag niet alleen gaan om wat er uit hun mond komt. Je moet ook kijken naar wat zich werkelijk in hen manifesteert, en de eenvoudigste methode daarvoor is te kijken of ze de waarheid kunnen beoefenen – dat is het allerbelangrijkste. Hun vermogen om de waarheid te beoefenen bewijst dat ze zichzelf werkelijk kennen, want wie zichzelf werkelijk kent, toont berouw, en alleen als mensen berouw tonen, kennen ze zichzelf werkelijk” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen zelfkennis helpt om de waarheid na te streven). Door Gods woorden te lezen ontdekte ik dat zij die zichzelf echt kennen de waarheid kunnen aanvaarden, zich schamen nadat ze hun verdorvenheid hebben onthuld, en daarna oprecht berouw tonen en veranderen. Anderen zeggen daarentegen al de juiste woorden, noemen zichzelf demonen of Satan, alsof ze diepgaande zelfkennis hebben, maar geconfronteerd met snoeien aanvaarden ze die helemaal niet, denken ze niet na, en zullen ze zich herhaaldelijk verdedigen en schijnbaar oprechte argumenten verzinnen. Hoeveel zelfkennis zulke mensen ook lijken te hebben, het is allemaal een list. Ik dacht aan hoe Sheila altijd met mensen praatte over haar gesteldheid en zei dat ze te veel inzat over aanzien en werd geremd door de houding van mensen. Ze zei ook dat ze verraderlijk en achterdochtig jegens anderen was. Oppervlakkig gezien leek ze heel oprecht en openhartig, kon ze haar eigen verdorvenheid opmerken en nadenken over zichzelf, en huilde ze soms zelfs als ze sprak. Het leek alsof ze echt berouw had en zichzelf verachtte. En dus dacht ik dat ze een zoeker van de waarheid was. Maar ze had al jaren over deze gedragingen gesproken, en toch leek ze niet te veranderen. Alleen door de openbaring van Gods woorden zag ik in dat Sheila’s zogenaamde zelfkennis maar komedie was. Ze aanvaardde niet echt de waarheid en dacht niet na over haar verdorvenheid. Ze uitte vaak verschillende diepzinnig klinkende maar loze verklaringen over zichzelf, en zei dat ze een slechte menselijkheid had en verraderlijk, boosaardig en een antichrist was en naar de hel gestuurd moest worden. Het leek alsof ze een diepgaande zelfkennis had, maar als anderen haar op haar problemen wezen of haar snoeiden of behandelden, accepteerde ze dat niet in het minst en was ze zelfs weerspannig, rancuneus, ergerlijk en onredelijk. Dan begon ze te huilen en te discussiëren over goed en fout, verstoorde ze anderen zodat ze niet meer konden bijeenkomen en normaal hun plicht doen. Ze verstoorde het kerkleven en het werk van de kerk ernstig. Vroeger begreep ik de waarheid niet en had ik geen onderscheidingsvermogen. Daardoor werd ik misleid door haar uiterlijke gedrag, en dacht ik zelfs dat ze een zoeker van de waarheid was. Wat was ik verward en dom. Pas later besefte ik dat Sheila niet met anderen over haar gesteldheid sprak omdat ze de waarheid zocht om haar problemen op te lossen en haar gesteldheid te verbeteren, maar alleen omdat ze iemand wilde om haar ongenoegen tegen te uiten, iemand die haar troostte en hielp haar lijden te verlichten. Tegen hoeveel mensen ze ook haar hart luchtte, ze was altijd verstorend. Als ze niet was weggestuurd en haar gesteldheid niet was geanalyseerd, had ik haar niet kunnen onderscheiden. Dan had ik haar als een zuster behandeld met tolerantie en geduld en was ik misschien onbewust door haar misleid. Toen besefte ik hoe belangrijk het is om mensen te zien in het licht van Gods woorden.
Later las ik een passage uit Gods woorden die me enige onderscheiding van Sheila’s motieven en haar tactieken om te misleiden gaf. Almachtige God zegt: “Hoe kan je zien of iemand de waarheid liefheeft? Aan de ene kant moet je kijken of deze persoon op basis van Gods woord zichzelf kan leren kennen, over zichzelf kan nadenken en oprechte wroeging kan voelen; aan de andere kant moet je kijken of deze persoon de waarheid kan aanvaarden en in praktijk brengen. Als hij de waarheid kan aanvaarden en in praktijk brengen, is het iemand die de waarheid liefheeft en die aan Gods werk kan gehoorzamen. Als hij de waarheid alleen erkent, maar nooit aanvaardt of in praktijk brengt, zoals sommigen zeggen: ‘Ik begrijp de hele waarheid, maar kan haar niet in praktijk brengen’, bewijst dit dat het niet iemand is die de waarheid liefheeft. Sommige mensen geven toe dat Gods woord de waarheid is en dat ze een verdorven gezindheid hebben, en zeggen ook dat ze bereid zijn berouw te tonen en zichzelf te hervormen, maar daarna veranderen ze helemaal niet. Hun woorden en daden blijven hetzelfde als voorheen. Als ze het hebben over zichzelf kennen, lijkt het alsof ze een grap vertellen of een slogan roepen. Ze denken niet na en leren zichzelf helemaal niet in het diepst van hun hart kennen en bovenal hebben ze geen berouwvolle houding. Ze zijn al helemaal niet op een eenvoudige manier open over hun verdorvenheid om echt over zichzelf na te denken. Ze pretenderen liever dat ze zichzelf kennen door het proces te doorlopen en net te doen alsof. Het zijn geen mensen die zichzelf werkelijk kennen of de waarheid aanvaarden. Als zulke mensen het hebben over zichzelf kennen, doen ze net alsof; ze houden zich bezig met schijn en bedrog en valse spiritualiteit. Sommige mensen zijn bedrieglijk en als ze zien dat anderen hun zelfkennis communiceren, denken ze: alle anderen zijn open en analyseren hun eigen bedrog. Als ik niks zeg, denkt iedereen dat ik mezelf niet ken. Dan moet ik maar doen alsof! Waarna ze hun eigen bedrog als zeer ernstig omschrijven en dramatisch toelichten en dan lijkt hun zelfkennis bijzonder diep. Iedereen die het hoort, denkt dat ze zichzelf werkelijk kennen en kijkt vervolgens met afgunst naar hen, waardoor zij zich op hun beurt geweldig voelen, alsof ze zichzelf zojuist met een aureool hebben getooid. Deze manier van zelfkennis die is bereikt door te pretenderen, is, gekoppeld aan schijn en bedrog, uitermate misleidend voor anderen. Kunnen ze een gerust geweten hebben als ze dit doen? Is dit geen schaamteloos bedrog? Als mensen slechts lege woorden spreken over zichzelf kennen, dan zullen ze, hoe verheven of goed die kennis ook lijkt, toch een verdorven gezindheid blijven openbaren, net als voorheen, zonder ook maar iets te veranderen. Dat is geen echte zelfkennis. Als mensen met opzet zo kunnen pretenderen en bedriegen, bewijst dat dat ze de waarheid helemaal niet aanvaarden en gewoon net als de ongelovigen zijn. Door op deze manier over hun zelfkennis te spreken, volgen ze slechts de trend en zeggen ze wat bij iedereen in de smaak valt. Is hun zelfkennis en zelfanalyse niet bedrieglijk? Is dit ware zelfkennis? Absoluut niet. Het komt doordat ze niet recht uit het hart open zijn en zichzelf analyseren, en slechts een beetje vals en bedrieglijk praten over zelfkennis om de schijn op te houden. Wat nog erger is dat ze, om zich te laten bewonderen en benijden, opzettelijk overdrijven om hun problemen ernstiger te laten lijken als ze hun zelfkennis bespreken, wat inhoudt dat hun openheid vermengd is met persoonlijke intenties en doelen. Als ze dit doen, voelen ze zich niet schuldig, hun geweten komt niet in het nauw nadat ze een valse voorstelling van zichzelf hebben gegeven en hebben gefraudeerd, ze voelen niets nadat ze tegen God zijn opgestaan en Hem hebben bedrogen en ze bidden niet tot God om hun fout toe te geven. Zijn deze mensen niet onbuigzaam? Als ze zich niet schuldig voelen, kunnen ze dan ooit wroeging voelen? Kan iemand zonder oprechte wroeging het vlees verzaken en de waarheid in praktijk brengen? Kan iemand zonder oprechte wroeging echt berouw tonen? Zeker niet. Als ze zelfs geen wroeging voelen, is het dan niet absurd om over zelfkennis te spreken? Is dit niet gewoon schijn en bedrog?” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen zelfkennis helpt om de waarheid na te streven). Ze was er dol op om over haar gesteldheid te praten met anderen en gebruikte Gods woorden om op bijeenkomsten over zichzelf na te denken. Ze beschreef zichzelf in de ernstigste bewoordingen. Uiterlijk leek ze een diepgaande zelfkennis te hebben en bijzonder berouwvol en vol zelfverachting te zijn, maar dat was allemaal een act die ze opvoerde voor anderen om ze te laten denken dat ze de waarheid aanvaardde en kennis had van zichzelf. Deze zogenaamde zelfkennis was haar manier om anderen te bedriegen en om de tuin te leiden, waardoor ze dachten dat ze zich moedig blootgaf, zodat ze haar niet alleen niet zouden onderscheiden, maar ook veel respect voor haar zouden hebben. En elke keer als Sheila verdorvenheid vertoonde, riep ze Gods openbaring van antichristen op om zichzelf te beschrijven, en zei ze dat ze naar reputatie en status streefde, de weg van de antichrist bewandelde, dat het verlangen naar status haar leven beheerste en dat dit verlangen haar dood zou worden als ze geen berouw toonde. Maar zodra een situatie haar reputatie en status bedreigde, verviel ze in haar oude gewoonten, en dus had ze geen enkele verandering bereikt, hoewel ze al jaren over haar gesteldheid communiceerde. De leiders hadden haar vaak op haar problemen gewezen en met haar gecommuniceerd, maar ze luisterde niet en veranderde niet. Ze werd zelfs weerspannig, discussieerde onophoudelijk en bedacht schijnbaar oprechte argumenten. Als ze zag hoe anderen hun ego’s opzij konden zetten en de waarheid konden zoeken, leerde ze niet van hun sterke punten en dacht ze dat ze gewoon waren geboren met een goede natuur en dat ze de waarheid niet kon praktiseren en altijd achterdochtig was jegens mensen omdat God haar geen goede natuur had geschonken. Ze verachtte haar satanische gezindheid niet en gaf in plaats daarvan God de schuld, voelde zich vol verwijten jegens Hem en zei dat Hij niet rechtvaardig was. Hieruit bleek dat Sheila’s essentie die van een demon was en ongelooflijk absurd en onredelijk was. Zonder de openbaring van Gods woorden zou ik haar hebben behandeld als een zoeker van de waarheid.
Later kwam ik tijdens een bijeenkomst deze passage in Gods woorden tegen. “Alleen zij die de waarheid liefhebben, behoren tot Gods huis. Alleen zij zijn echte broeders en zusters. Denk je dat al degenen die vaak naar bijeenkomsten gaan broeders en zusters zijn? Niet per se. Welke mensen zijn dan geen broeders en zusters? (Zij die de waarheid zat zijn, die de waarheid niet aanvaarden.) Mensen die de waarheid niet aanvaarden en er zat van zijn, zijn allemaal slechte mensen. Ze zijn allemaal mensen zonder geweten of rede. God redt niemand van hen. Deze mensen hebben geen menselijkheid; ze zijn nalatig in hun werk en ongeremd in hun gedrag. Ze leven volgens satanische filosofieën, passen listige manoeuvres toe en gebruiken, verleiden en bedriegen anderen. Ze aanvaarden geen greintje van de waarheid en zijn Gods huis alleen binnengedrongen om zegeningen te verkrijgen. Waarom noemen we hen niet-gelovigen? Omdat ze de waarheid zat zijn en die niet aanvaarden. Zodra de waarheid wordt gecommuniceerd, verliezen ze hun interesse. Ze zijn er zat van, ze kunnen er niet tegen om erover te horen, ze vinden het saai en kunnen niet blijven zitten. Het zijn duidelijk niet-gelovigen en ongelovigen. Wat je ook doet, beschouw hen niet als broeders en zusters. […] Als ze niet geïnteresseerd zijn in de waarheid, hoe kunnen ze de waarheid dan in praktijk brengen? Waar leven ze dan naar? Het staat buiten kijf dat ze volgens de filosofieën van Satan leven; ze zijn altijd sluw en geslepen. Ze leiden geen leven van normale menselijkheid. Nooit bidden ze tot God of zoeken ze de waarheid. Op alles passen ze menselijke trucjes, tactieken en levensfilosofieën toe, wat een vermoeiend en pijnlijk bestaan oplevert. […] Zij die de waarheid niet liefhebben, geloven niet echt in God. Zij die de waarheid helemaal niet kunnen aanvaarden, kunnen geen broeders en zusters worden genoemd. Alleen zij die de waarheid liefhebben en kunnen aanvaarden, zijn broeders en zusters. Maar wie zijn degenen die de waarheid niet liefhebben? Dat zijn allemaal ongelovigen. Zij die de waarheid in het geheel niet aanvaarden zijn het zat en hebben de waarheid verlaten. Om preciezer te zijn: het zijn allemaal ongelovigen die in de kerk zijn geïnfiltreerd. Als ze in staat zijn allerlei kwaad te doen en het werk van de kerk te verstoren en te ontregelen, zijn ze de lakeien van Satan. Ze moeten worden verwijderd en verstoten. Ze kunnen niet als broeders en zusters worden behandeld. Iedereen die hen liefde toont is extreem dom en onwetend” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). Door Gods woorden begreep ik dat echte broeders en zusters degenen zijn die de waarheid liefhebben en kunnen aanvaarden. Ze putten zich echt uit voor God en hebben getuigenissen van het praktiseren van de waarheid. Misschien kunnen ze niet spreken over diepgaande zelfkennis, maar ze houden van de waarheid en praktiseren zoveel van Gods woorden als ze begrijpen. Hoewel ze soms overtredingen kunnen begaan, verdorvenheid vertonen en negatief worden, omdat ze de waarheid zoeken, kunnen ze die als ze worden gesnoeid of behandeld of op mislukkingen stuiten, van God ontvangen, de waarheid zoeken en over zichzelf nadenken. Als ze hun problemen herkennen, kunnen ze die langzaamaan corrigeren en beter worden. Alleen zulke mensen zijn echte broeders en zusters. Maar degenen die de waarheid niet aanvaarden en zelfs verachten, kunnen geen broeders en zusters worden genoemd. Als ze slechte menselijkheid hebben en allerlei slechte dingen doen die het werk van de kerk verstoren, zijn ze boosdoeners en antichristen en verdienen ze nog minder om een broeder of zuster genoemd te worden. Zelfs als ze in de kerk blijven, zijn ze maar valse gelovigen die zijn geïnfiltreerd in Gods huis. Hoelang ze ook geloven, ze zullen uiteindelijk worden ontmaskerd en verstoten door God. Ogenschijnlijk leek Sheila geen ernstig kwaad te hebben begaan, maar alles wat ze deed, verstoorde de gedachten van mensen en belemmerde ze in hun plichten, en dat had ze al die tijd al gedaan. Hoe anderen ook met haar communiceerden en haar steunden, ze veranderde nooit in het minst, en discussieerde zelfs, twistte en gedroeg zich onredelijk. Hieruit bleek dat Sheila de waarheid helemaal niet aanvaardde en van nature de waarheid zat was. Ze is van het slag van de duivel en niet een van onze zusters. Vroeger begreep ik dit aspect van de waarheid niet en had ik geen onderscheidingsvermogen. Ik dacht dat mensen moesten worden behandeld als broeder en zuster zolang ze geloofden in God en Zijn naam herkenden. Dan zou ik blindelings met ze sympathiseren en ze tolereren, domweg goed voor ze zijn en ze steunen zonder te onderscheiden. Als gevolg daarvan waren veel van mijn inspanningen vergeefs. Wat was ik dom en verward.
Nu Sheila is afgezonderd heb ik gezien hoe rechtvaardig God is. Wie niet de waarheid zoekt en onredelijk handelt, kan geen vaste voet krijgen in de kerk en zal uiteindelijk worden ontmaskerd door God. Ik leerde ook Gods goede bedoelingen begrijpen: God heeft situaties geregeld om me lessen te laten leren. Ik moet beginnen die aan te grijpen. Ik moet voortaan meer tijd en energie in de waarheid steken, en dingen zien en doen door de lens van Gods woorden.