Bevrijd van mijn worsteling om vooruit te komen

15 september 2020

Door Xinliang, Duitsland

Toen ik begon als hoofd van het begietingsteam, raadpleegden de daarbij betrokken broeders en zusters mij als ze problemen hadden. Ze hadden een hoge dunk van me. Als buitenlandse nieuwe gelovigen moesten worden begoten, vroegen de leiders mij specifiek voor die taak en gaven ze me de opdracht om de anderen in het team Duits te leren. Bijgevolg keek iedereen nog meer naar me op en wilden ze graag met mij over hun problemen praten. Het voelde alsof ik onmisbaar was voor het team. Ik hield ervan om te worden bewonderd en omringd door anderen.

Toen voegden de leiders zuster Fang toe aan ons team. Ze zou samen met ons nieuwkomers begieten. Na verloop van tijd wist ik dat ze een goed kaliber had. Ze kon helder communiceren over de waarheid, en als nieuwkomers vragen of problemen hadden, kon ze niet alleen relevante woorden van God vinden, maar ze gebruikte ook haar eigen ervaring in haar communicatie. Ze vonden de oplossingen die ze nodig hadden heel snel. Na verloop van tijd gingen broeders en zusters alleen naar zuster Fang als ze een obstakel tegenkwamen. Dat ontmoedigde mij. Ik dacht: sinds zij er is, kijkt iedereen naar haar op. Ze gaan naar haar met hun problemen. Denken ze dat ze bekwamer is dan ik? Maar ik ben de teamleider. Ze mag mijn plek niet innemen. Ik moet de glorie terugwinnen die mij rechtmatig toebehoort.

Op een dag voor een bijeenkomst had zuster Wang een document opgesteld in het Duits en het naar de groep gestuurd. Ze zei dat ze voor bepaalde delen vertaalsoftware had gebruikt. Ze vroeg of zuster Fang en ik het konden nakijken voor de bijeenkomst. Al lezende vond ik allerlei problemen met de vertaling en dacht: dit is mijn kans. Zuster Fang kent een beetje Duits, maar niet zo goed als ik. Nu moet ik iedereen laten zien dat ik bekwamer ben dan zij. Dus ik nam het document door, dat ik herzag en aanpaste. Ik dacht dat zodra de broeders en zusters zagen hoe mijn werk het zo helder en coherent had gemaakt, ze vast en zeker mijn talent zouden zien. Ik was de hele bijeenkomst bezig met dat document in plaats van echt te luisteren. Zelfs na de bijeenkomst was ik de hele avond bezig met alles opnieuw nakijken en ordenen. Mijn hoofd deed pijn en mijn ogen waren droog van de inspanning, maar als ik dacht aan de broeders en zusters die mijn werk achter de schermen zouden zien zodat ik hun bewondering zou terugwinnen, verdween mijn vermoeidheid. De volgende dag stuurde ik het document naar de groep, maar toen iedereen sprak over kwesties met betrekking tot het begieten van nieuwkomers, wendde iedereen zich tot zuster Fang met punten die ze niet begrepen. Niemand noemde mij als de persoon die de vertaling in orde had gemaakt. Ik was heel gefrustreerd en vroeg me af waarom ik sinds de komst van zuster Fang tweede viool speelde. Ze was niet beter dan ik. Ik zat aan de computer zonder een woord te zeggen en had geen zin om me in de discussie te mengen. Ik dacht er zelfs aan om die plicht maar helemaal niet meer te doen. Toen stelde een zuster me opeens een vraag. Ik wist niet hoe ik die moest beantwoorden, omdat ik de discussie helemaal niet had gevolgd. Omdat ik niets zei, kwam zuster Fang tussenbeide met haar eigen mening. Iedereen was het met haar eens. Mijn gezicht stond in brand. Ik haastte me om het relevante deel van het document te vinden. Pas toen besefte ik dat ze het meeste al hadden besproken, maar ik had het niet bijgehouden. Ik voelde me schuldig. Ik was de teamleider voor begieting, dus ik had het leerproces moeten leiden en de problemen van mensen in hun plicht moeten behandelen, maar ik vergeleek mezelf altijd met zuster Fang en dacht alleen aan hoe de anderen me zagen. Ik gaf me niet met hart en ziel aan mijn plicht. Hoe kon ik mijn plicht goed doen met zo’n houding?

Na de bijeenkomst dacht ik na over mijn recente gesteldheid. Sinds de komst van zuster Fang ging iedereen met problemen naar zuster Fang. Dat zat me helemaal niet lekker omdat ik vond dat mijn rol als leider en mijn glorie van me waren weggerukt. Ik probeerde alles om te pronken en om de positie terug te winnen die ik in de harten van anderen had gehad. Als ik niet kreeg wat ik wilde, was het alsof de wind me uit de zeilen werd genomen. Ik wilde zelfs stoppen. Was dat geen verraad van God? Toen ik besefte dat mijn gesteldheid niet goed was, vroeg ik God in stilte om hulp om mezelf te leren kennen. Gods woorden zeggen: “Als mensen de waarheid niet begrijpen of in praktijk brengen, leven ze vaak te midden van de verdorven gezindheid van Satan. Ze bestaan te midden van verschillende satanische valstrikken, pijnigen hun hersenen in het belang van hun eigen toekomst, trots, status en andere belangen van henzelf. Maar als je deze houding toepast op je plicht, op het zoeken en streven naar de waarheid, dan zul je de waarheid verkrijgen. […] Als je altijd hard aan de waarheid werkt, vaak voor God komt, vaak de waarheid zoekt, dan zul je de vruchten van de waarheid plukken en wat je naleeft zal een menselijke gelijkenis hebben, een normale menselijkheid en de werkelijkheid van de waarheid. Als je vaak plannen maakt voor, stilstaat bij, nadenkt over en je best doet – en zelfs je leven inzet – voor allerlei dingen die jou voordeel opleveren, en daarbij kosten noch moeite spaart, dan win je misschien het respect van mensen en verwerf je verschillende voordeeltjes en redenen om trots te zijn; maar wat is belangrijker, deze dingen of de waarheid? (De waarheid.) Mensen begrijpen deze boodschap, maar toch streven ze niet naar de waarheid en hechten alleen waarde aan hun eigen belangen en status. Begrijpen ze het dus werkelijk of is dit geveinsd begrip? In feite zijn ze oerdom. Ze zien zulke zaken niet helder. Wanneer ze in staat zijn om ze helder te zien, dan hebben ze een beetje gestalte verworven. Hiervoor moeten ze de waarheid nastreven, moeite doen voor het woord van God; ze mogen niet verward en slordig zijn. Als je de waarheid niet zoekt en er een dag komt waarop God zegt dat Hij uitgesproken is, dat Hij niets meer wil zeggen tegen de mensheid en niets meer wil doen, en dat de tijd is gekomen om het werk van de mens te beproeven, dan ben je voorbestemd om geëlimineerd te worden(‘Gods communicatie’). Gods woorden vond ik heel navrant. Ik dacht terug aan mijn recente gedrag. Hoewel ik mijn plicht leek te doen, beschermde ik eigenlijk alleen maar mijn eigen belangen en status. Toen ik zag dat zuster Fang me overtrof in kaliber en bekwaamheid, en dat de andere teamleden een hoge dunk van haar hadden, raakte ik in paniek omdat ik dacht dat mijn positie werd bedreigd. Ik begon in het geheim met haar te wedijveren, vergeleek mezelf met haar en wilde dat iedereen zou denken dat ik het werk beter kon doen dan zij. Ik wilde gewoon dat iedereen me weer zou bewonderen. Zo beschermde ik mijn persoonlijke status terwijl ik deed alsof ik mijn plicht deed. God had me verheven tot teamleider zodat ik voor Zijn wil kon zorgen en het werk van de kerk kon steunen. Ik hoopte ook dat ik door deze kans kon leren om de waarheid te gebruiken om problemen op te lossen en de waarheid te praktiseren in mijn plicht, zodat mijn verdorven gezindheid een beetje zou veranderen. Maar ik praktiseerde de waarheid helemaal niet. Ik bleef maar vechten voor naam en gewin. Het enige wat ik wilde, was zuster Fang overtreffen en worden bewonderd door de broeders en zusters. Ik negeerde mijn plicht volledig. Toen ik geen prestige en status kon verwerven, wilde ik het opgeven en God verraden. Daarmee verzette ik me tegen God. Op dat moment werd ik een beetje bang. Ik besefte dat mijn geest duister en gekweld was en dat ik het werk van de Heilige Geest was kwijtgeraakt, want alles wat ik deed, was walgelijk in de ogen van God, dus Hij had Zijn gezicht voor me verborgen. Als ik geen berouw toonde, zou Hij me elimineren. Toen ik dat besefte, kwam ik snel voor God en ik bad: “God, ik wil niet spreken en handelen voor mijn eigen prestige en status, maar ik lijk er niets aan te kunnen doen. Leid me alstublieft, zodat ik de waarheid in praktijk kan brengen.”

Daarna las ik een passage uit Gods woorden. Die liet me zien hoe ik dat allemaal kon loslaten. Gods woorden zeggen: “Degenen die in staat zijn de waarheid in de praktijk te brengen, kunnen Gods nauwlettende toezicht aanvaarden wanneer ze met dingen bezig zijn. Wanneer je Gods toetsing aanvaardt, wordt je hart gefatsoeneerd. Als je steeds uitsluitend dingen doet opdat ze door anderen worden gezien en Gods toetsing niet aanvaardt, is God dan nog wel in je hart? Zulke mensen hebben geen godvrezend hart. Doe dingen niet altijd voor jezelf en houd niet altijd rekening met je eigen belangen; denk niet aan je eigen status, prestige of reputatie. Houd ook geen rekening met de belangen van de mens. Je moet allereerst rekening houden met de belangen van Gods huis en die tot je eerste prioriteit maken. Je moet rekening houden met Gods wil en allereerst nagaan of je wel of niet onzuiver bent geweest bij het vervullen van je plicht, of je je uiterste best wel hebt gedaan om loyaal te zijn, of je je verantwoordelijkheden volledig hebt vervuld, of je jezelf geheel hebt gegeven, en of je wel of niet met heel je hart aandacht hebt geschonken aan je plicht en het werk van Gods huis. Die dingen moet je overwegen. Denk er vaak aan, dan zal het je makkelijker vallen om je plicht goed te vervullen(‘Geef je ware hart aan God, en je kunt waarheid verkrijgen’ in ‘De gesprekken van Christus van de laatste dagen’). Gods woorden zijn volkomen duidelijk. God heeft een plek in het hart van alle mensen die echt rekening houden met Zijn wil en Zijn kritische blik kunnen aanvaarden bij alles wat ze doen. Ze kunnen hun eigen imago, status en persoonlijke belangen loslaten, rekening houden met Gods belangen in alle dingen en zich met hart en ziel aan hun plicht geven. Dat is de soort persoon die God vreugde brengt. Toen ik er zo over nadacht, was zuster Fangs communicatie over de waarheid heel duidelijk. Ze kon problemen oplossen en haar suggesties waren beter voor ons werk dan die van mij. Dat kwam het kerkwerk en het leven van onze zusters en broeders echt ten goede. Het was goed voor ons werk als de anderen zuster Fang vaker om hulp vroegen dan mij, zodat iedereen samen kon leren en groeien. Dat was iets goeds. Maar in plaats van dat te overwegen, gaf ik alleen om mijn eigen belangen en positie. Toen de anderen opkeken naar zuster Fang, vond ik dat ze mijn plek had gestolen, dus in het geheim wedijverde ik met haar. Zo verstoorde en benadeelde ik de belangen van Gods huis. Ik voelde me vreselijk toen dat alles me duidelijk werd. Ik walgde echt van mezelf en wilde de waarheid praktiseren om God te behagen. Daarna deed ik bewust mijn best om niet te denken aan mijn imago en status. Als we communiceerden en studeerden, wilde ik geen indruk meer maken om beter te lijken dan zij. In plaats daarvan richtte ik me erop om tot rust te komen voor God en na te denken over hoe ik het beste kon communiceren. Ik kon er goed mee omgaan als ik zag dat broeders en zusters naar zuster Fang gingen met hun problemen. Ik vond dat het er niet toe deed wie ze vroegen, zolang het probleem maar werd opgelost. Als ik problemen had in mijn plicht, zocht ik haar ook op en luisterde ik naar wat ze te zeggen had. Ik voelde me kalmer toen ik dingen zo deed. De Heilige Geest hielp me in mijn plicht, wat enkele problemen oploste. Bijgevolg verbeterde het werk van het team. Ik was dankbaar voor Gods hulp.

Na deze ervaring dacht ik dat ik enige zelfkennis had en in zekere zin was veranderd, maar later gebeurde er iets waardoor ik over mezelf kon nadenken en mezelf beter kon begrijpen. Op een middag stuurde een leider me een bericht. Ze zei dat ze wilde dat zuster Fang met me samenwerkte aan een van mijn taken, om die zo snel mogelijk te voltooien. Daar was ik niet al te blij mee. Ik was er al die tijd verantwoordelijk voor geweest. Nu zuster Fang er opeens bij werd betrokken, had ik het gevoel dat de leider dacht dat zij beter was dan ik, en dat zuster Fang me kon helpen om efficiënter te werken. Als dat project een goed resultaat zou behalen, zouden zuster Fangs inspanningen niet onopgemerkt blijven. Ik wist dat ze efficiënt en slim was en dat zowel haar kaliber als haar werkvaardigheden beter waren dan die van mij. Bovendien mochten de anderen haar. Het voelde als een dreigende crisis. Als de leider zag dat zuster Fang het beter deed dan ik, zou ze haar mijn positie van teamleider kunnen geven. Toen ik dat dacht, kreeg ik een angstig gevoel vanbinnen. Ik besefte dat ik weer met zuster Fang wedijverde om status, maar als ik dacht aan de mogelijkheid dat ze mijn plek zou innemen, werd ik heel nerveus en doodsbang om mijn positie te verliezen. Ik dacht: ik moet meteen tegenover de leider bewijzen dat ik het kan. Ik deelde het project op in twee delen, zodat we allebei de helft konden doen. Zo kon de leider zien wie wat had gedaan en zou het duidelijk zijn wie het meest had bereikt. Het gevoel van rivaliteit dat ik niet had uitgeroeid, kwam zo weer naar boven.

Toen ik het werk opdeelde, communiceerde ik niet met zuster Fang over de details. Ik wilde niet alles wat ik wist met haar delen. Ik was bang dat ze het heel snel zou snappen. Ik stuurde haar alleen een kort bericht over de verdeling van het werk,waarna we individueel werkten. De dagen erna werkte ik non-stop aan het project. Ik dacht: als ik het snel en goed doe, zal de leider denken dat ik efficiënter en effectiever ben dan zuster Fang. Dan zal ik haar goedkeuring winnen en zal mijn positie veilig zijn. Als broeders en zusters gedurende die tijd hulp nodig hadden in hun plicht, deed ik wat ik kon om er tijd voor te maken. Hoe meer ballen ik omhoog kon houden, hoe meer ik mijn belang binnen het team zou bewijzen, dat ik alles kon doen. Dan zou er niets meer met me kunnen gebeuren. Ik hield ook zuster Fangs vooruitgang in de gaten omdat ik bang was dat ik achterliep. Ik kon nooit echt mijn rust vinden in mijn plicht en werd steeds angstiger. Ik had geen inzicht in de problemen die ik had, dus ik ging heel langzaam vooruit. Ik streefde alleen maar naam en status na. Als de leider niet had ontdekt wat er aan de hand was, had ik nooit over mezelf nagedacht. Na een week zonder echte vooruitgang vroeg de leider me naar de status en hoe het was gesteld met onze samenwerking. Ze wees me er ook op dat ik mijn hoofdtaken niet goed had gedaan en vroeg me waaraan ik had gewerkt. Ik kwam met enkele smoesjes. Ik zei dat ik mijn tijd niet goed had beheerd en dat het werk moeilijk was. In feite wist ik de reden: ik streefde opnieuw alleen maar naar naam en gewin, dus ik werkte niet goed samen met zuster Fang en mijn hart was niet op de juiste plek. Daarom was ik Gods hulp kwijtgeraakt. De leider doorzag mijn smoesjes en behandelde me omdat ik in mijn werk niet de juiste prioriteiten had gesteld. Ze vroeg me naar mijn gesteldheid. Ik deelde met haar wat ik onlangs had geopenbaard.

Ze las een passage uit Gods woorden voor, en besprak en ontleedde de aard en oorzaak van vechten voor naam en gewin. Zo kon ik mijn verdorven gezindheid beter begrijpen. Gods woorden zeggen: “Telkens wanneer het soort mensen dat antichrist is zich in een groep bevindt, is het eerste wat zij doen het winnen van het vertrouwen en de waardering van mensen. Ze zorgen ervoor dat meer mensen hen bewonderen, naar hen opkijken en hen vereren, om zo hun doel te bereiken van absolute macht en het laatste woord in de groep. […] Om status te verwerven, om aan de top te staan in een groep, doen ze wat er maar nodig is; ze sparen niets en niemand als hun status in het geding is. Natuurlijk zullen de antichristen elk middel gebruiken om dit te bereiken. Iedereen die welbespraakt is, die logisch spreekt, op een ordentelijke en goed georganiseerde manier, wordt het doelwit van hun jaloezie, van imitatie en bovendien van hun concurrentie. Zij die de waarheid nastreven en overtuiging hebben, die de broeders en zusters vaak helpen en ondersteunen, en hen uit hun negativiteit en zwakte voeren, worden eveneens het doelwit van hun concurrentie. Ook iedereen die bedreven is in een bepaalde taak en die enigszins bewonderd wordt door de broeders en zusters wordt het doelwit van hun concurrentie. Degenen van wie het werk productief is en die geprezen worden door de Boven zijn zelfs nog meer een doelwit voor hun concurrentie. En wat zegt hun kenmerk in elke groep? Zulke mensen willen niet noodzakelijk de hoogste status behalen of een mate van zeggenschap over mensen hebben; het is alleen zo dat ze een bepaalde gezindheid hebben, een bepaalde mentaliteit, die hen instrueert om zo te handelen. Wat is deze mentaliteit? Het is: ‘Ik moet concurreren! Concurreren! Concurreren!’ ‘Concurreren’. Dat is hun gezindheid. Hun gezindheid is er een die niemand kan intomen. Niemand kan deze beheersen; zelfs zijzelf kunnen dat niet – ze moeten concurreren(‘Antichristen ontmaskeren’). Ik dacht na over wat deze passage openbaart over deze gesteldheden. Mijn recente gesteldheid werd er perfect in beschreven. In mijn plicht wilde ik altijd een bepaalde status en dat anderen naar me opkeken. Toen het erop leek dat zuster Fang mijn plek zou innemen, behandelde ik haar als een tegenstander. Ik wedijverde in het geheim met haar, zodat ik mijn positie kon behouden. Ik wilde het werk opdelen om te zien wie van ons effectiever was, en ik wilde het helpen van broeders en zusters met hun problemen gebruiken om te laten zien dat ik toegewijder was dan zij, en dat ik de waarheid en het werk beter begreep, zodat iedereen zou zien dat ik een sterk en bekwaam teamlid was en ik mijn positie kon consolideren. Ik was geobsedeerd met hoe ik indruk kon maken en vergeleek mezelf met haar wanneer ik kon. Dat was precies de antichristelijke gezindheid die was geopenbaard door God. Toen ik erover nadacht, zag ik in dat de leider wilde dat we samenwerkten, zodat we efficiënter konden zijn en het project sneller konden voltooien. Maar ik was overweldigd door kleinzielige plannen en wilde mijn plicht gebruiken om mezelf te bewijzen. Het werk van de kerk kwam niet eens in me op. Ik gaf me niet met hart en ziel aan Gods opdracht. In plaats daarvan dacht ik aan niets anders dan mijn eigen imago. Ik maakte plannen om zuster Fang tegen te werken om mijn plek veilig te stellen, maar dat vertraagde ons werk. Zo deed ik mijn plicht toch niet? Ik was duidelijk volledig onderhorig aan Satan en saboteerde het werk van de kerk.

Ik las andere passages uit Gods woorden: “Antichristen kunnen zich in elke groep bevinden en kunnen nep zijn of harde werkers, maar één ding schuilt altijd in het diepst van hun hart: status. Bij alles wat ze doen, moeten ze met anderen wedijveren om status, om trots, om voordeel. De meest gebruikelijke manifestatie is het wedijveren om een goede reputatie, om een gunstig oordeel, om een plek in de harten van mensen, zodat deze mensen hen vereren en hoogachten en van hen de spil maken waar ze om draaien. Dit is het pad dat de antichristen bewandelen – en dit zijn precies de dingen waar de antichristen om wedijveren.” “Als je status en prestige werkelijk koestert, er sterk aan gehecht bent, het niet over je hart kunt verkrijgen ze op te geven, als je altijd het gevoel hebt dat het leven zonder status en prestige geen vreugde of hoop kent, dat je je hele leven voor status en prestige moet leven, dat deze twee dingen je moeten leiden, dat je zelfs als je uiteindelijk je doelen niet bereikt, niet volledig kunt opgeven en helemaal tot het einde moet volharden zolang er de geringste hoop is – als je zulke gedachten hebt, is het onwaarschijnlijk dat je erg veeleisend voor jezelf zult zijn met betrekking tot wat je beoefent, en ben je er vatbaar voor een oogje dicht te knijpen wat je beoefening betreft. […] een dergelijk streven naar status beïnvloedt je vermogen om een aanvaardbaar schepsel van God te zijn, en beïnvloedt natuurlijk je vermogen om je plicht te vervullen volgens aanvaardbare maatstaven. Waarom zeg ik dit? Niets is voor God walgelijker dan het nastreven door mensen van status, want het nastreven van status is een verdorven gezindheid; het ontstaat uit de verdorvenheid van Satan en zou in Gods optiek niet moeten bestaan. God heeft niet voorbestemd dat het aan de mens moet worden gegeven. Als je altijd meedingt naar en vecht om status, als je die continu koestert, als je die altijd voor jezelf wilt bemachtigen, zit daarin dan niet een beetje van de natuur van verzet tegen God? Status is niet voorbestemd voor mensen door God; God voorziet mensen van de waarheid, de weg en het leven, en zorgt er uiteindelijk voor dat ze aanvaardbare schepsels van God worden, kleine en onbeduidende schepsels van God – niet mensen die status en prestige hebben en door duizenden mensen worden vereerd. Daarom, vanuit welk perspectief het ook wordt bezien, leidt het nastreven van status naar een dood spoor. Hoe redelijk je excuus om status na te streven ook is, dit pad is nog altijd het verkeerde pad en wordt niet door God geprezen. Hoe hard je het ook probeert en hoe groot de prijs ook die je betaalt – als je status begeert, zal God je die niet geven. Als status niet door God wordt gegeven, zul je niet slagen als je vecht om die te verkrijgen, en als je blijft vechten, zal er maar één uitkomst zijn: de dood! Dit is een doodlopende weg, dat snap je toch?(‘Antichristen ontmaskeren’). Nadat ik dat in Gods woorden had gelezen, was ik doodsbang. Ik streefde de waarheid niet na in mijn plicht, maar ik had in plaats daarvan gevochten voor naam en status om mijn eigen verlangens te bevredigen. Ik volgde het pad van een antichrist. Ik vroeg me af waarom ik er zo op was gericht om die dingen na te streven. De reden was mijn verdorvenheid door Satan. Al van kleins af aan had ik dingen gehoord zoals: ‘De mens worstelt zich omhoog, water stroomt omlaag’, en: ‘Een soldaat die er niet van droomt een generaal te worden is een slechte soldaat.’ Ik was ondergedompeld in deze doctrines van Satan, waardoor ik vond dat ik niets waard was als ik tevreden was met middelmatigheid. Ik wilde overal bovenaan staan. Anders had ik geen waarde. Dat was de basis van mijn persoon geworden. Ik kon mezelf er niet van weerhouden om die satanische filosofieën te volgen zelfs nadat ik was gaan geloven. Als ik iemand zag die me kon overtreffen, ging ik ertegen in en zocht ik manieren om mezelf te bewijzen. Ik wilde een plek in de harten van mensen hebben, zodat iedereen zich om me zou verdringen. Ik dacht dat dat betekende dat ik waardig was. Met zo’n perspectief en doelstelling kon ik mijn plicht niet doen vanuit de plek van een geschapen wezen. In plaats daarvan deed ik alsof ik mijn plicht deed, terwijl ik wedijverde met God om status. Ik beledigde Gods gezindheid en weerstond Hem. Ik wist dat God me vroeg of laat zou elimineren als ik geen berouw toonde. De gedachte daaraan maakte me heel bang. Ik zag dat het pad dat ik volgde ongelooflijk gevaarlijk was. Ik bad meteen tot God en toonde berouw. Of ik teamleader kon blijven, of zuster Fang me zou vervangen, ik zou alles aanvaarden. Ik dacht altijd dat het slechts een beetje verdorvenheid liet zien, dus ik nam het niet al te serieus. Maar door het oordeel en de openbaring van Gods woorden besefte ik hoe ernstig het was. Dat gaf me de vaste wil om die verdorvenheid kwijt te raken. Ik begon woorden van God te lezen die mensen ontmaskeren die dergelijke dingen nastreven. Eén passage in het bijzonder maakte veel indruk op me en hielp me om een pad te vinden. “Als een van schepselen moet de mens zijn eigen positie behouden en zich gewetensvol gedragen en plichtsgetrouw waken over wat hem is toevertrouwd door de Schepper. En de mens moet niet uit de pas gaan lopen of dingen doen die zijn bereik te boven gaan of dingen doen die walgelijk zijn in de ogen van God. De mens moet niet proberen groot of uitzonderlijk te zijn of boven anderen te staan, noch moet hij God proberen te worden. Zo zouden mensen niet moeten willen zijn. Groot of uitzonderlijk willen worden is absurd. God willen worden is nog schandelijker; het is walgelijk en verachtelijk. Wat prijzenswaardig is en waar de schepselen zich boven alles aan zouden moeten houden, is een waarachtig schepsel te worden; dit is het enige doel dat alle mensen moeten nastreven(Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke I). Gods woorden vrolijkten mijn hart op en hielpen me om Zijn wil te begrijpen. Een geschapen wezen moet er niet naar streven om groots te zijn, om een supermens te zijn. We moeten onze plek innemen als een schepsel van God en gestaag uitvoeren wat God ons heeft toevertrouwt. Dat is de juiste doelstelling en de enige die God goedkeurt.

Als ik daarna merkte dat ik weer wilde vechten voor naam en gewin, spande ik me in om tot God te bidden en mezelf te verzaken. Ik ging naar zuster Fang om met haar te praten over problemen in onze plicht. Toen ik me echt openstelde tegenover haar, ontdekte ik dat ze enkele heel goede ideeën had over hoe we dingen konden doen. We staken de koppen bij elkaar en hadden snel een plan van aanpak. Zuster Fang deed ook de moeite om een samenvatting van haar ervaring met mij te delen, zodat ik efficiënter kon worden. Ik schaamde me, maar ik was ook ontroerd. Zo’n partner was echt heel nuttig voor me. Ik haatte mezelf omdat ik zo blind was geweest, alleen voor naam en gewin had gevochten en zo veel kansen had gemist om de waarheid te verwerven. Daarna maakte ik me geen zorgen meer dat zuster Fang me zou vervangen als teamleider. Ik werd veel kalmer en effectiever in mijn plicht. Toen we eenmaal samenwerkten als team, was dat project af voor ik het besefte. Na die ervaring voelde ik echt dat God bij me is, en dat Hij veel situaties had opgezet om mijn verdorven gezindheid te reinigen en te transformeren. Met Zijn woorden oordeelde Hij over mij en onthulde, verlichtte en leidde Hij me, zodat ik enige zelfkennis kon vergaren. Ik was overweldigd door dankbaarheid voor God, en ik besloot om mijn plicht goed te doen en Hem te behagen.

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Geef een reactie