De app van De Kerk van Almachtige God

Luister naar Gods stem en verwelkom de wederkomst van Heer Jezus!

We nodigen alle zoekers van de waarheid uit om contact met ons op te nemen.

Het Woord verschijnt in het vlees

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Paginabreedte

0 zoekresulta(a)t(en)

Geen resultaten gevonden

De vierentwintigste uitspraak

Mijn tuchtiging komt over alle mensen, maar blijft tegelijkertijd ook op afstand van alle mensen. Ieders leven is gevuld met liefde en haat tegenover mij, en niemand heeft mij ooit gekend – bijgevolg is de houding van de mens tegenover mij warm en koud tegelijk, niet in staat om normaal te zijn. Toch heb ik altijd voor de mens gezorgd en hem beschermd, en het is alleen omwille van zijn domheid dat hij niet in staat is om al mijn daden te zien en mijn gretige bedoelingen

te begrijpen. Ik ben de Leidende van alle landen, en de Hoogst Verhevene onder alle mensen; maar de mens kent mij simpelweg niet. Ik heb vele jaren onder de mensen geleefd en het leven in de wereld van de mensen ervaren, maar de mens heeft mij altijd genegeerd en mij behandeld alsof ik iemand van een andere planeet ben. Bijgevolg, omwille van de verschillen in gezindheid en taal, behandelen mensen mij als een vreemde op straat. Mijn kleding is ook te eigenaardig, zo lijkt het, en daarom heeft de mens niet het nodige zelfvertrouwen om mij aan te spreken. Alleen dan voel ik de verlatenheid van het leven onder de mensen, en alleen dan ervaar ik de onrechtvaardigheid van de wereld van de mens. Ik wandel langs de voorbijgangers, ik observeer al hun gezichten. Het is alsof er een ziekte onder hen leeft, die hun gezichten vervult met melancholie; en er leeft tuchtiging onder hen, wat hun bevrijding tegenhoudt. De mens slaat zichzelf in de boeien, en vernedert zichzelf. De meeste mensen creëren een verkeerd beeld van zichzelf tegenover mij, zodat ik hen zou toejuichen, de meeste mensen doen hun best om zich meelijwekkend voor te stellen voor mij, zo dat ze mijn hulp zouden verkrijgen. Achter mijn rug bedriegen alle mensen mij en zijn ze mij ongehoorzaam. Heb ik ongelijk? Is dit niet de overlevingsstrategie van de mens? Wie heeft mij ooit uitgeleefd in zijn leven? Wie heeft mij ooit verhoogd boven anderen? Wie is ooit gehoorzaam geweest aan de Geest? Wie heeft ooit sterk gestaan in zijn getuigenis over mij tegenover Satan? Wie heeft ooit waarheid gekoppeld aan zijn ‘trouw’ aan mij? Wie is ooit geëlimineerd door de grote rode draak omwille van mij? Mensen hebben gekozen om met Satan samen te werken, ze zijn experts in het verzet tegenover mij, ze zijn de uitvinders van weerstand aan mij, en ze zijn afgestudeerd in mij om de tuin leiden. Omwille van zijn eigen lotsbestemming zoekt de mens de aarde af; als ik hem wenk, blijft hij ongevoelig voor mijn kostbaarheid en blijft halsstarrig op zichzelf vertrouwen, niet bereid om een last te zijn voor anderen. De ambities van de mens zijn kostbaar, en zijn nog nooit iemands ambities volledig vervuld geweest: ze storten in voor mij, ze vallen om zonder geluid.

Ik spreek elke dag, en elke dag doe ik ook nieuwe dingen. Wanneer de mens niet uit al zijn krachten put, zal hij het moeilijk hebben om mijn stem te horen en mijn gezicht te zien. De geliefde kan dan wel mooi zijn, en Zijn spreken zacht, maar het is voor de mens niet gemakkelijk Zijn prachtige gezicht te zien of Zijn stem te horen. Door de eeuwen heen is het voor niemand makkelijk geweest mijn gezicht te zien. Ik sprak ooit tegen Petrus en verscheen aan Paulus, en niemand anders – met uitzondering van de Israëlieten, heeft ooit echt mijn gezicht gezien. Vandaag ben ik persoonlijk onder jullie gekomen om onder de mensen te leven. Ervaren jullie dit niet als zeldzaam en kostbaar? Willen jullie niet het beste maken van jullie tijd? Willen jullie het op deze manier aan jullie voorbij laten gaan? Kan de tijd in jullie gedachten ineens stilstaan? Of kan de tijd achterwaarts gaan? Of kan de mens opnieuw jong worden? Kan het gezegende leven van vandaag ooit wederkeren? Ik geef de mens geen toepasselijke ‘beloning’ voor zijn ‘verspilling’. Ik kan alleen volharden in mijn werk, vrij van al het andere, en ik laat de tijd niet stil staan omdat de mens te druk is, of omwille van zijn gehuil. Al vele duizenden jaren is niemand in staat geweest om mijn kracht te verdelen, of mijn oorspronkelijk plan te verstoren. Ik zal de ruimte overstijgen, en de tijd overspannen, en de kern van mijn plan oppakken boven zowel als te midden van alle dingen. Niemand krijgt een voorkeursbehandeling van mij, en niemand is in staat geweest om de ‘beloning’ in mijn handen te verkrijgen. Mensen hebben hun monden geopend tot mij te bidden, en toch, achteloos over al het andere hebben ze hun armen uitgestrekt om eisen aan mij te stellen, niemand onder hen heeft mij ooit geraakt, en ze zijn allemaal teruggedrongen door mijn ‘harteloze’ stem. De meeste mensen geloven nog steeds dat ze ‘te jong’ zijn, en dus wachten ze op mij om grote genade te tonen, om hun een tweede keer barmhartigheid te tonen, en ze vragen of ik hen wil toestaan de achterdeur te nemen. Maar hoe kan ik achteloos mijn plan in de war sturen? Kan ik de aarde doen stoppen met draaien opdat de mens zijn jeugd kan bewaren, zo dat hij nog een paar jaar langer op aarde kan leven? Het menselijk brein is zo complex, en toch lijkt het alsof er ook dingen in ontbreken. Bijgevolg komen er vaak ‘wonderlijke manieren’ om mijn werk opzettelijk te onderbreken in de gedachten van de mens naar boven.

Hoewel ik dikwijls de zonden van de mens heb vergeven, en hem speciale gunsten heb getoond omwille van zijn zwakheid, heb ik hem ook dikwijls de gepaste behandeling gegeven omwille van zijn onwetendheid. Het is simpelweg zo dat de mens nooit mijn goedheid heeft weten te appreciëren, met als gevolg dat hij is gezonken tot zijn uiteindelijke huidige staat: onder het stof, zijn kleren aan flarden, zijn haar hangt over zijn hoofd als onkruid, zijn gezicht aangekoekt met smerigheid, zijn voeten beslagen met zelfgemaakte schoenen, zijn handen zijn als de klauwen van een dode arend, zwak afhangend langs zijn zijden. Als ik mijn ogen open doe en kijk is het alsof de mens net uit de bodemloze put is geklauterd. Ik kan niet anders dan boos zijn: ik ben altijd verdraagzaam geweest tegenover de mens, maar hoe kan ik de duivel toestaan om te komen en gaan wanneer en waar hij wil in mijn heilige koninkrijk? Hoe kan ik een bedelaar toestaan om gratis te eten in mijn huis? Hoe kan ik een onreine geest verdragen als een gast in mijn huishouden? De mens is altijd ‘streng voor zichzelf’ geweest en ‘mild tegenover anderen’, en toch is hij nooit hoffelijk geweest tegenover mij, zelfs niet een klein beetje, want ik ben de God in de hemel, en dus behandelt hij mij anders, en hij heeft nog nooit enige affectie voor mij getoond. Het is alsof de ogen van de mens bijzonder scherpzinnig zijn: zodra hij mij tegenkomt, verandert de blik op zijn gezicht onmiddellijk en voegt hij een beetje uitdrukking toe aan zijn koude, onverstoorbare gezicht. Ik leg niet de gepaste beperkingen op aan de mens omwille van zijn houding tegenover mij, maar kijk gewoon eens naar de lucht van boven het universum en vervul vandaar mijn werk op aarde. Volgens wat de mens zich herinnert heb ik nooit goedheid getoond aan niemand, noch heb ik iemand verkeerd behandeld. Want de mens zet geen ‘lege stoel’ klaar voor mij in zijn hart, en als ik tegen beter weten in toch in hem vertoef, gooit hij mij er zonder poespas uit, en maakt dan excuses met mooie woorden en vleierij, en zegt hij dat hij te ontoereikend en onbekwaam is om zichzelf aan te bieden ten gunste van mij. Wanneer hij spreekt, trekt er vaak een ‘donderwolk’ over zijn gezicht, alsof ieder moment het noodlot kan toeslaan. En toch vraagt hij mij om te vertrekken, zonder stil te staan bij de mogelijke gevaren. Ook al geef ik de mens van mijn woorden en de warmte van mijn omhelzing, het lijkt alsof hij geen gehoororgaan heeft, en hij geeft niet de minste aandacht aan mijn stem, in plaats daarvan grijpt hij naar zijn hoofd terwijl hij ervandoor gaat. Ik laat de mens achter, een beetje teleurgesteld, maar ook een beetje toornig. Intussen verdwijnt de mens onmiddellijk in de ravage van stormen en sterke golven. Kort daarna schreeuwt hij het uit naar mij, maar hoe kan hij de beweging van de wind en de golven beïnvloeden? Langzaamaan verdwijnt elk spoor van hem, totdat hij niet meer terug te vinden is.

Voor de tijd begon, keek ik naar alle landen van boven het universum. Ik plande een grootse onderneming op aarde: de schepping van een mensheid naar mijn hart, en het bouwen van een koninkrijk op aarde zoals dat in de hemel, zodat mijn macht de hemelen kan vullen en mijn wijsheid zich kan verspreiden door heel het universum heen. En dus, duizenden jaren later, ga ik door met mijn plan, en toch kent niemand mijn plan of management op aarde, laat staan dat ze mijn koninkrijk op aarde zien. Dus, de mens jaagt schaduwen na, en komt voor mij staan en tracht mij te bedotten, hij wil een ‘stille prijs’ betalen voor mijn zegeningen in de hemel. Zo daagt hij mijn toorn uit en dus breng ik oordeel over hem, maar nog steeds wordt hij niet wakker. Het is alsof hij onder de grond aan het werk is, zonder enig idee wat er boven de grond gebeurt en hij jaagt niets anders na dan zijn eigen vooruitzichten. Onder alle mensen heb ik er niet een gezien die onder mijn schijnend licht leeft. Ze leven in een wereld van duisternis, en lijken er aan gewend te zijn om in een waas te leven. Wanneer het licht komt, blijven zij ver weg, en het is alsof het licht hun werk onderbreekt; bijgevolg zien ze er een beetje geërgerd uit, alsof het licht hun rust heeft verstoord en ze nu niet meer rustig kunnen slapen. Vervolgens verbruikt de mens al zijn krachten om het licht weg te jagen. Het lijkt alsof het ook licht aan bewustzijn ontbreekt, en het doet de mens ontwaken, en wanneer de mens wakker wordt, sluit hij de ogen weer, overweldigd door woede. Hij is enigszins ontevreden over mij, maar in mijn hart weet ik hoe het in elkaar zit. Langzaamaan doe ik het licht harder schijnen om er voor te zorgen dat alle mensen in mijn licht leven, zodat ze snel gewend worden in het licht te zijn, en meer nog, het licht gaan koesteren. Dan is mijn koninkrijk onder de mensen gekomen, alle mensen dansen van vreugde en vieren feest, de aarde is plotseling vervuld van gejuich, en vele duizenden jaren van stilte zijn doorbroken door de komst van het licht …

26 maart 1992

Vorige:De drieëntwintigste uitspraak

Volgende:De vijfentwintigste uitspraak

Mogelijk vindt u dit ook interessant