Punt negen: Ze doen alleen hun plicht om zich te onderscheiden en hun eigen belangen en ambities te voeden; ze denken nooit aan de belangen van Gods huis en verraden die belangen zelfs in ruil voor persoonlijke glorie (deel 9)

II. De belangen van antichristen

D. Hun vooruitzichten en bestemming

4. Hoe antichristen met de titel ‘dienstdoener’ omgaan

Vandaag communiceren we verder over punt negen van de diverse uitingen van antichristen: ze doen alleen hun plicht om zich te onderscheiden en hun eigen belangen en ambities te voeden; ze denken nooit aan de belangen van Gods huis en verraden die belangen zelfs in ruil voor persoonlijke glorie. Bij dit punt is ons belangrijkste onderwerp voor communicatie een ontleding van de belangen van antichristen, en vandaag zullen we communiceren over het vierde subonderwerp binnen het vierde punt van de belangen van antichristen – hoe ze met de titel ‘dienstdoener’ omgaan – en zullen we ontleden hoe antichristen met deze titel omgaan. Degenen die God tot nu toe hebben gevolgd, zijn bekend met het woord ‘dienstdoener’, en de meesten van hen hebben deze titel in wezen in hun hart aanvaard. Wat hun subjectieve neigingen betreft, is er geen weerstand tegen deze titel. Wanneer het er echter concreet op aankomt te zeggen dat een bepaalde persoon een dienstdoener is, drukt die persoon voornamelijk weerzin en onwilligheid uit, voelt hij dat hem onrecht is aangedaan en wil hij eigenlijk niet zo genoemd worden en geen dienstdoener zijn. Afgaande op de uitdrukkingen van mensen zijn ze het er weliswaar mee eens dat ‘dienstdoener’ wat hun subjectieve neigingen betreft geen slechte titel is, maar vanuit een objectief perspectief bejegenen ze de titel ‘dienstdoener’ nog steeds met een zekere mate van discriminatie, vijandigheid en zelfs onwilligheid – dat zijn de sentimenten die ze ertegen koesteren. Ongeacht wat mensen van de titel ‘dienstdoener’ vinden, of ze die nu oprecht kunnen aanvaarden en een dienstdoener kunnen zijn of niet, en of hun opvatting van deze titel veel onzuiverheden en wensen van de mens met zich meebrengt of niet, zullen we vandaag eerst communiceren over wat een dienstdoener precies is, hoe de titel ‘dienstdoener’ in Gods ogen precies wordt gedefinieerd en gekenmerkt, wat de essentie is van deze dienstdoeners over wie God spreekt, en hoe God tegen het woord ‘dienstdoener’ aankijkt en hoe dat verschilt van hoe mensen ertegen aankijken, zodat jullie in je hart allemaal een accuraat begrip en een accurate opvatting van de titel ‘dienstdoener’ kunnen krijgen.

a. De definitie en oorsprong van de titel ‘dienstdoener’

Het woord ‘dienstdoener’ betekent letterlijk een persoon die werkt en inspanning verricht voor iets. Als we deze titel afmeten in het opzicht van positie, verwijst deze naar iemand die voor een tijdelijke periode wordt gebruikt. Dat wil zeggen, als mensen als dienstdoener worden beschouwd en een baan beginnen uit te voeren of werk in een bepaalde sector op zich nemen, dan is dit geen langdurige carrière of baan in een sector die ze op zich nemen, maar veeleer een tijdelijke. Ze worden tijdelijk ingezet om enige inspanning te verrichten en een tijdje dienst te doen in deze sector of baan. Ze hebben geen vooruitzichten of toekomst, en ze ontvangen geen materiële voordelen. Ze hoeven geen enkele verantwoordelijkheid te dragen; ze worden alleen voor hun arbeid betaald. Wanneer de taak die hun is toegewezen voltooid is, zijn ze niet langer nodig en incasseren ze gewoon hun loon en vertrekken. Kortom, het is tijdelijk en er wordt van hen gevraagd te werken wanneer ze nodig zijn. Dit is het letterlijke begrip van een dienstdoener. Als we het woord ‘dienstdoener’ interpreteren volgens de ideeën van de mensheid, dan worden dienstdoeners aangeduid als ‘contractarbeiders’ en ‘tijdelijke werkkrachten’, mensen die tijdelijk werken of inspanning verrichten voor een baan of sector. Hun enige binding is met de tijdsperiode waarin ze nodig zijn voor een baan, en zodra die tijd voorbij is, hebben ze geen enkele waarde meer. Dit komt doordat ze niet meer nodig zijn en geen gebruikswaarde meer hebben – hun waarde is in de loop van die tijd uitgeput. Dit is de letterlijke betekenis die mensen kunnen begrijpen en zien met betrekking tot het woord ‘dienstdoener’. Bevat de betekenis die menselijke taal kan uitdrukken, dat wil zeggen, de betekenis van de titel ‘dienstdoener’ zoals uitgesproken door God die mensen kunnen begrijpen, een betekenisniveau dat overeenstemt met de waarheid? Is er een betekenisniveau dat in overeenstemming is met normale menselijkheid en rationaliteit? Is er een betekenisniveau dat mensen als ware schepselen zouden moeten begrijpen? Is er een betekenisniveau met betrekking tot hoe God deze titel behandelt? (Nee.) Hoe weten jullie dat dat er niet is? Jullie staan met je mond vol tanden, jullie kunnen het niet uitleggen. Onder jullie bevinden zich universiteitsstudenten, masterstudenten, promovendi en professoren, en toch kan niemand van jullie dit duidelijk uitleggen, toch? (Dat klopt.) Dit is het verschil tussen kennis en de waarheid. Je kunt dan wel een goede opleiding hebben, je kent misschien de afzonderlijke termen ‘dienst’ en ‘doener’, en wanneer deze termen worden gecombineerd tot een woord om een type persoon en een groep mensen te beschrijven, kun je de essentie van deze mensen, hun uitingen en hun rang onder de hele mensheid begrijpen, maar wanneer je niet in staat bent dit woord te begrijpen vanuit het perspectief van de waarheid en het perspectief van een schepsel, waar komt jouw begrip dan precies vandaan? Wat is precies de essentie van dit woord dat jij bent gaan begrijpen? Is het niet een begrip van het woord ‘dienstdoener’ dat voortkomt uit deze verdorven mensheid, uit deze maatschappij en uit de kennis die de mensheid bezit? (Ja, dat is het.) Is de kennis van de mensheid verenigbaar met de waarheid of staat die vijandig tegenover de waarheid? (Die staat vijandig tegenover de waarheid.) Wanneer je dit begrip en deze opvatting van dit woord hebt, ben je dan tegen God gekant of sta je aan de kant van verenigbaarheid met God? Het is duidelijk dat wanneer je dit woord met jouw kennis, met jouw hersenen begrijpt en bevat, je onwillekeurig en onbewust tegen God bent gekant. Wanneer je jouw kennis gebruikt om dit woord te begrijpen, leiden de dingen die je hebt begrepen er onvermijdelijk toe dat je weerstand, afkeer, afschuw en zelfs haat voelt jegens het woord ‘dienstdoener’. Is hier sprake van enige onderwerping? Is er sprake van enige ware aanvaarding? (Nee.) Sommige mensen zeggen: “Ik aanvaard goede woorden, maar waarom zou ik dit slechte woord aanvaarden? Het is al goed genoeg dat ik er geen weerstand tegen voel. Ik aanvaard bijvoorbeeld positieve termen zoals ‘een kroon ontvangen’, ‘beloningen ontvangen’, ‘gezegend worden’, ‘het koninkrijk binnengaan’, ‘naar de hemel opvaren’, ‘niet naar de hel gaan’, ‘niet gestraft worden’ en ‘een eerstgeboren zoon zijn’. Dit is natuurlijk, het is de gewone reactie van de mens, en dit zijn dingen die mensen zouden moeten nastreven. Wat betreft negatieve termen zoals ‘kwaadaardige mensen’, ‘antichristen’, ‘gestraft worden’ en ‘naar de hel gaan’, vindt niemand het leuk om die te aanvaarden. Het woord ‘dienstdoener’ is neutraal, maar in overeenstemming met mijn begrip kan ik het niet aanvaarden, en het is al goed genoeg voor mij om het niet te verachten. Als ik het bereidwillig moet aanvaarden, me er bereidwillig aan moet onderwerpen en het bereidwillig van God moet aanvaarden, dan is dat gewoon onmogelijk.” Is dit niet hoe mensen denken? (Ja.) Is deze manier van denken juist of onjuist? (Die is onjuist.) Wanneer zijn jullie gaan beseffen dat het onjuist is? Zojuist, toch? Dat is een probleem. Je bent pas zojuist gaan beseffen dat dit onjuist is. Voordat je dit besefte, leek je oppervlakkig gezien de titel ‘dienstdoener’ al te hebben aanvaard, en had je die subjectief al aanvaard – en was deze aanvaarding oprecht of vals? (Die was vals.) Die was duidelijk niet oprecht, en je was ook niet volkomen bereid om die te aanvaarden. Er was hier sprake van valsheid, voorwendsel en tegenzin, en er was ook een gevoel dat je geen andere keuze had.

Waar we zojuist over hebben gecommuniceerd, zijn de ware reacties en uitingen van mensen met betrekking tot de titel ‘dienstdoener’. Ze tonen de meningen, gezichtspunten en het begrip van mensen over deze titel volledig aan, en onthullen ten volle dat de houding van mensen ten opzichte van deze titel er een is van tegenzin, discriminatie en afkeer, en een van weerstand vanuit het diepst van hun hart. Dit komt doordat mensen het verachten om dienstdoener te zijn, het woord ‘dienstdoener’ verachten, niet bereid zijn dienstdoener te zijn en het haten om dienstdoener te zijn. Dit is het begrip en de houding van mensen ten opzichte van deze titel. Laten we nu kijken naar hoe God precies tegen dienstdoeners aankijkt, hoe het woord ‘dienstdoener’ is ontstaan, wat in Gods ogen de essentie van deze titel is en wat de oorsprong ervan is. De letterlijke betekenis van ‘dienstdoener’ is, om de taal van de mensheid te gebruiken, een tijdelijke werkkracht, iemand die tijdelijk dienstdoet in een sector of baan, en die op tijdelijke basis nodig is. In Gods managementplan, in Gods werk en in Gods huis is deze groep mensen die dienstdoeners worden genoemd onmisbaar. Toen deze mensen naar Gods huis kwamen, naar de plaats van Gods werk, wisten ze niets van God of van het geloof in God, laat staan van Gods werk of Zijn managementplan. Ze begrepen niets; het waren slechts buitenstaanders, ongelovigen. Wanneer mensen die in Gods ogen ongelovigen zijn naar Gods huis komen, wat kunnen ze dan voor Hem doen? Men zou kunnen zeggen dat ze niets kunnen doen. Omdat mensen vol zijn van verdorven gezindheden en God helemaal niet kennen, en vanwege de aard-natuurlijke essentie van mensen, kunnen ze alleen maar doen wat God hun opdraagt. Ze volgen Gods werk tot waar het ook reikt, hun kennis reikt zover als Gods woorden hen brengen; ze kennen slechts Zijn woorden en hebben er helemaal geen begrip van. Deze mensen voeren elke taak die God van hen vereist passief uit – ze zijn volkomen passief, en niet actief. Hier betekent ‘passief’ dat ze niet weten wat God zal doen, ze niet weten wat God hen vraagt te doen, de betekenis of waarde van het werk dat God hen vraagt te doen kennen ze niet, en ze weten niet welk pad ze zouden moeten volgen. Wanneer ze naar Gods huis komen, zijn ze als machines die alleen functioneren op de manier waarop God ze bedient. Wat heeft God van hen nodig? Weten jullie dat? (Mensen zijn objecten voor God om de waarheid uit te drukken en te oordelen. Mensen zijn de objecten van Gods woorden.) Dit is één deel; mensen zijn objecten van Gods woorden. Wat nog meer? Hoe zit het met de gaven van mensen? (Ja.) Hoe zit het met het denken van de normale menselijkheid? (Ja.) God gebruikt je alleen als je het denken van de normale menselijkheid hebt. Als je zonder geweten en verstand bent, ben je niet eens gekwalificeerd om dienstdoener te zijn. Wat is er nog meer? (De vaardigheden en bijzondere talenten van mensen.) Deze zijn inbegrepen bij gaven en maken er ook deel van uit – de verschillende vaardigheden die mensen bezitten. Wat nog meer? (De vastberadenheid om met God mee te werken.) Dit maakt er ook deel van uit, het verlangen om te gehoorzamen en je te onderwerpen, en natuurlijk kan ook worden gezegd dat het het verlangen van mensen is om positieve dingen en de waarheid lief te hebben. Het verlangen om te gehoorzamen en je te onderwerpen is de vastberadenheid om met God mee te werken, maar wat is de meest gepaste manier om dit te zeggen? (Het verlangen om te gehoorzamen en je te onderwerpen.) Juist, het woord ‘verlangen’ is relatief breder en heeft een grotere reikwijdte. Als we het woord ‘vastberadenheid’ gebruiken, is de reikwijdte wat smaller. Bovendien is ‘verlangen’ relatief lichter van gradatie dan ‘vastberadenheid’, wat betekent dat wanneer je eenmaal een verlangen hebt, je geleidelijk verschillende soorten vastberadenheid ontwikkelt; vastberadenheid is specifieker, terwijl verlangen wat breder is. Wat de Schepper betreft, zijn dit de verschillende dingen die God van de verdorven mensheid nodig heeft. Dat wil zeggen: wanneer een buitenstaander die absoluut niets weet van God, Gods management, Gods essentie, Gods uitspraken en Gods gezindheid naar Gods huis komt, is hij als een machine, en wat hij voor God kan doen en in zijn medewerking aan Gods werk, heeft in wezen niets te maken met de norm die God vereist – de waarheid. De dingen van zulke mensen die God kan gebruiken, zijn de dingen die zojuist werden genoemd: ten eerste dat deze mensen de objecten van Gods woorden kunnen worden; ten tweede de gaven die deze mensen bezitten; ten derde dat deze mensen het denken van de normale menselijkheid bezitten; ten vierde de verschillende vaardigheden die deze mensen bezitten; ten vijfde – en dit is het allerbelangrijkste – dat deze mensen het verlangen hebben om Gods woorden te gehoorzamen en zich eraan te onderwerpen. Al deze dingen zijn cruciaal. Zodra iemand al deze dingen bezit, begint hij dienst te doen voor Gods werk en voor Zijn managementplan, en officieel op de goede weg te zijn, wat betekent dat hij officieel een dienstdoener in Gods huis is geworden.

Wanneer mensen Gods woorden, de waarheid of Gods bedoelingen niet begrijpen en God in het geheel niet vrezen, kan er voor eenieder van hen geen andere rol zijn dan die van dienstdoener. Dat wil zeggen, je bent een dienstdoener of je dat nu wilt of niet – je kunt niet aan deze titel ontkomen. Sommige mensen zeggen: “Ik heb mijn hele leven in God geloofd. Vanaf het moment dat ik in Jezus ging geloven tot nu toe zijn er tientallen jaren verstreken – ben ik echt nog steeds slechts een dienstdoener?” Wat vinden jullie van deze vraag? Aan wie stellen ze die? Ze zouden die aan zichzelf moeten stellen en over zichzelf moeten nadenken: ‘Begrijp ik Gods bedoelingen nu? Wanneer ik nu mijn plicht vervul, verricht ik dan slechts inspanning of beoefen ik de waarheid? Volg ik het pad van het nastreven en begrijpen van de waarheid? Ben ik de waarheidswerkelijkheid binnengegaan? Heb ik een Godvrezend hart? Ben ik iemand die zich aan God onderwerpt?’ Met deze dingen in gedachten moeten ze over zichzelf nadenken. Als ze aan deze criteria hebben voldaan, als ze standvastig kunnen blijven wanneer ze met Gods beproevingen te maken krijgen, en als ze God kunnen vrezen en het kwaad kunnen mijden, dan zijn ze uiteraard geen dienstdoener meer. Als ze zelfs niet aan één van deze criteria hebben voldaan, dan blijven ze ongetwijfeld een dienstdoener, en dit is iets onontkoombaars en onvermijdelijks. Sommige mensen zeggen: “Ik geloof al meer dan dertig jaar in God, en dan reken ik de jaren dat ik in Jezus geloofde nog niet eens mee. Sinds de tijd dat God vlees werd, verscheen, werkte en Zijn uitspraken begon te doen, ben ik een volgeling van God geweest. Ik behoorde tot de eersten die Gods werk persoonlijk hebben ervaren, en ik behoorde tot de eersten die woorden uit Zijn mond hebben gehoord. Er zijn sindsdien zoveel jaren verstreken, en ik geloof nog steeds in God en volg Hem nog steeds. Ik ben meerdere keren geconfronteerd met arrestatie en vervolging en ben zoveel gevaren tegengekomen, en God heeft me altijd beschermd en erdoorheen geleid; God heeft me nooit opgegeven. Ik vervul nu nog steeds mijn plicht, mijn omstandigheden worden steeds beter, mijn geloof neemt steeds meer toe en ik heb totaal geen twijfels over God – ben ik dan echt nog steeds een dienstdoener?” Aan wie vraag je dat? Vraag je het niet aan de verkeerde persoon? Je zou deze vraag niet moeten stellen. Je gelooft al zoveel jaar; weet je dan niet of je een dienstdoener bent of niet? Als je dit niet weet, waarom vraag je jezelf dan niet af of je de waarheidswerkelijkheid bezit, of je een Godvrezend hart hebt, en of je je gedraagt op een manier die het kwaad mijdt? God heeft al deze jaren gewerkt, al deze woorden gesproken; hoeveel heb je begrepen en ben je binnengegaan? Hoeveel heb je verkregen? Hoe vaak ben je gesnoeid, en hoeveel beproevingen en louteringen heb je aanvaard? Toen je deze aanvaardde, heb je toen standvastig in je getuigenis gestaan? Ben je in staat getuigenis af te leggen van God? Wanneer je te maken krijgt met beproevingen zoals die van Job, ben je dan in staat God te verloochenen? Hoe groot is jouw geloof in God precies? Is jouw geloof slechts een bepaalde overtuiging, of is het waar geloof? Stel jezelf deze vragen. Als je de antwoorden op deze vragen niet weet, ben je een verward iemand, en kan Ik zien dat je gewoon met de meute zult meelopen – je verdient het niet eens een dienstdoener genoemd te worden. Iemand die zo’n houding ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’ koestert en in zijn hart nog steeds volkomen verward is, is heel meelijwekkend. Hij weet niet eens wat hij is, terwijl God volkomen duidelijk en helder is in Zijn behandeling van alle mensen.

We hebben zojuist gecommuniceerd over wat precies Gods oorspronkelijke betekenis is met betrekking tot het woord ‘dienstdoener’. Wanneer mensen Gods huis binnengaan en in het begin de waarheid niet begrijpen en slechts verschillende verlangens of enige vastberadenheid om mee te werken bezitten, kan de rol die ze in die periode spelen alleen maar die van de dienstdoener zijn. Natuurlijk klinkt het woord ‘dienst’ niet al te prettig. Anders gezegd, het betekent dienen en werken ten dienste van Gods managementwerk om de mensheid te redden; het betekent inspanning verrichten. Deze mensen begrijpen geen enkele waarheid, noch begrijpen ze Gods bedoelingen, en ze kunnen geen enkele inspanning bijdragen aan of op enigerlei wijze meewerken aan het specifieke werk dat God verricht om de mensheid te redden en te managen, noch aan de verschillende werken die met de waarheid verband houden. Ze hebben slechts enkele vaardigheden en gaven, en ze kunnen alleen wat inspanning verrichten en een paar dingen zeggen voor bepaald werk van algemene aard en wat bijkomstig dienstwerk doen. Als dit de essentie is van het werk dat wordt gedaan door mensen die hun plicht vervullen, als ze alleen maar een dienende rol spelen, dan is het moeilijk voor hen om de titel ‘dienstdoener’ af te schudden. Waarom is het moeilijk om die af te schudden? Heeft dit iets te maken met Gods definitie van deze titel? Ja, absoluut. Het is heel gemakkelijk voor mensen om een beetje inspanning te verrichten en dingen te doen volgens hun natuurlijke vermogens en hun gaven en verstand, maar leven volgens de waarheid, de waarheidswerkelijkheid binnengaan en handelen in overeenstemming met Gods bedoelingen is heel zwaar; het vereist tijd, Gods begeleiding, Gods verlichting en Gods discipline, en meer nog vereist het de aanvaarding van het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden. Daarom, terwijl mensen werken aan het bereiken van deze doelen, is wat de meeste mensen kunnen doen en bieden datgene wat zojuist is genoemd: de objecten van Gods woorden zijn, bepaalde gaven bezitten en van enig nut zijn in Gods huis, het denken van de normale menselijkheid bezitten en in staat zijn elke taak die hun wordt opgedragen te bevatten en uit te voeren, bepaalde vaardigheden bezitten en in staat zijn hun speciale talenten in te zetten bij een bepaalde taak in Gods huis, en, het allerbelangrijkste, het verlangen hebben om te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Wanneer je dienstdoet in Gods huis, wanneer je inspanning verricht ten behoeve van Gods werk, zul je, als je ook maar een klein beetje verlangen hebt om te gehoorzamen en je te onderwerpen, niet negatief en laks worden. In plaats daarvan zul je er alles aan doen om jezelf te beteugelen en minder slechte dingen te doen, terwijl je meer goede dingen doet. Is dit niet de gesteldheid en toestand waarin de meeste mensen verkeren? Natuurlijk is er onder jullie een zeer kleine minderheid van mensen die deze toestand en dit kader al achter zich hebben gelaten. En wat is deze zeer kleine minderheid van mensen gaan bezitten? Ze zijn de waarheid gaan begrijpen, ze zijn de waarheidswerkelijkheid gaan bezitten. Wanneer ze tegen kwesties aanlopen, kunnen ze bidden en Gods bedoelingen zoeken, en kunnen ze handelen in overeenstemming met de waarheidsprincipes. Hun verlangen om te gehoorzamen en zich te onderwerpen blijft niet langer louter op het niveau van vastberadenheid, maar veeleer kunnen ze Gods woorden actief beoefenen, handelen volgens Gods vereisten en een Godvrezend hart hebben wanneer ze tegen kwesties aanlopen. Ze spreken of handelen niet onbedachtzaam, maar zijn in plaats daarvan behoedzaam en zorgvuldig. Vooral wanneer het feit dat ze gesnoeid worden op gespannen voet staat met hun eigen ideeën, oordelen ze niet over God, gaan ze niet met Hem in discussie en voelen ze geen weerstand in hun hart. Vanuit het diepst van hun hart aanvaarden ze werkelijk Gods identiteit, status en essentie. Is er enig verschil tussen deze mensen en dienstdoeners? Wat zijn die verschillen? Het eerste verschil is dat ze de waarheid begrijpen, en het tweede is dat ze sommige waarheden in praktijk kunnen brengen. Ten derde hebben ze enige kennis van God, en ten vierde zijn hun gehoorzaamheid en onderwerping niet langer slechts verlangens, maar zijn die getransformeerd in een subjectieve houding – ze zijn werkelijk onderworpen geworden. Ten vijfde – en dit is het belangrijkste en waardevolste van deze punten – is er in hen een Godvrezend hart ontstaan. Men kan zeggen dat degenen die deze dingen bezitten de titel ‘dienstdoener’ al hebben afgeschud. Dit komt doordat, afgaande op hun verschillende aspecten van intrede, evenals hun houding ten opzichte van de waarheid en het niveau van hun kennis van God, het niet langer zo simpel is dat ze een enkele professionele taak in Gods huis uitvoeren, en ze niet langer tijdelijke werkkrachten zijn die tijdelijk zijn opgeroepen om een beetje werk te doen. Dat wil zeggen, deze mensen zijn hier niet voor tijdelijke beloningen; ze worden niet gerekruteerd voor tijdelijke inzet en geobserveerd tijdens hun periode van inzet om te zien of ze dit werk op de lange termijn op zich kunnen nemen. Integendeel, ze zijn in staat de waarheid te beoefenen en hun plichten goed te vervullen. Daarom hebben deze mensen de titel, de aanduiding ‘dienstdoener’ afgeschud. Hebben jullie zulke mensen gezien? Er zijn zulke mensen in de kerk. Jullie willen weten wie deze mensen zijn en hoeveel het er zijn, maar dat kan Ik op dit moment niet zeggen; wanneer jullie de waarheid gaan begrijpen, zullen jullie in staat zijn hen te onderscheiden. Wat jullie moeten weten, is in wat voor omstandigheden jullie verkeren, welk pad vóór jullie ligt dat jullie volgen, en welk pad jullie zouden moeten volgen – dit zijn de dingen die jullie moeten weten.

Is het zo dat de titel ‘dienstdoener’ door God aan mensen wordt opgedrongen? Gebruikt God deze titel om mensen te kleineren, om mensen te rubriceren en te rangschikken? (Nee.) Hoe heeft God deze titel dan gedefinieerd? Dat God mensen een titel geeft, betekent niet dat Hij hun willekeurig een bijnaam geeft, en Hij definieert deze niet op basis van uiterlijk; deze titel is niet zomaar een titel. Iemands naam is slechts een aanduiding, een benaming, die geen echte betekenis heeft. Sommige Chinese ouders hopen bijvoorbeeld dat hun dochter slim en mooi zal zijn, dus gebruiken ze het karakter voor ‘mooi’ in haar naam, maar dat is slechts hoop, en het heeft niets te maken met haar essentie. Misschien is ze in werkelijkheid wel heel dom en wordt ze onaantrekkelijk naarmate ze opgroeit; wat heeft het dan voor zin om haar ‘mooi’ te noemen? Er zijn ook jongens die de naam ‘Chenglong’ of ‘Chenghu’ krijgen, waarbij karakters gebruikt worden die betekenen: als een draak of tijger worden – zijn zij nou echt geducht omdat ze zulke namen hebben? Het zijn misschien wel lafaards of nietsnutten. Dit is slechts de hoop die ouders voor hun kinderen koesteren; ze geven hun zulke namen, en deze namen hebben geen enkele relatie met hun essentie. De namen en titels van mensen dragen dus de verbeeldingen en goede wensen van mensen met zich mee, maar het zijn slechts benamingen en aanduidingen, en ze worden niet gegeven op basis van hun essentie. De titels en namen die God definieert, worden echter absoluut niet gegeven op basis van het uiterlijk van mensen, en ze zijn uiteraard evenmin gebaseerd op Gods eigen wensen. Wil God dat mensen dienstdoeners zijn? (Nee.) Hebben jullie ooit in Gods woorden gelezen dat God zegt: “Ik wil dat iedere mens een dienstdoener wordt en Ik wil niet dat er iemand gered wordt”? (Nee.) Wat wil God dan wel? Mensen hebben voorheen gezegd: “God wil dat iedereen gered wordt en wil niet dat iemand ten onder gaat.” Dit is een wens. De titel ‘dienstdoener’ kwam echter niet uit de lucht vallen. Het was net als toen God de namen ‘boom’ en ‘gras’ vaststelde. Bomen zijn grote en hoge dingen, en wanneer iemand een boom noemt, weet iedereen dat bomen groot en hoog zijn, en wanneer iemand gras noemt, weet iedereen dat gras klein en kort is, toch? (Ja.) Hoe zit het dan met de titel ‘dienstdoener’? Deze titel is ontstaan in overeenstemming met de essentie en uitingen van de mens, en in overeenstemming met de fase van Gods werk. Als mensen, in harmonie met Gods werk, geleidelijk aan de waarheid kunnen begrijpen, de waarheidswerkelijkheid kunnen binnengaan en onderwerping aan en vrees voor God kunnen bereiken, dan verandert op dat moment deze titel. Daarom heeft dat, zelfs als je een van de dienstdoeners bent, geen invloed op het vervullen van je plicht als schepsel en op het nastreven en beoefenen van de waarheid, laat staan op jouw onderwerping aan en vrees voor God.

Zijn er mensen die de titel ‘dienstdoener’ nooit van zich zullen afschudden? (Ja.) Wat voor soort mensen? Het soort mensen dat de waarheid niet nastreeft, dat de waarheid misschien wel begrijpt maar die niet in praktijk brengt, laat staan dat ze de waarheid liefhebben, en in hun hart voelen ze zelfs vaak weerzin tegen en afkeer van de waarheid. Waarom blijven ze in Gods huis als ze afkerig zijn van de waarheid? Ze willen enig voordeel behalen, ze verrichten enige inspanning en vertonen met wensdenken enkele goede gedragingen in Gods huis. Ze gebruiken de prijs die ze betalen, het geven en inzetten van zichzelf, evenals het slijten van een deel van hun jeugd en het besteden van een deel van hun tijd, in ruil voor welk voordeel ze ook maar willen behalen. Vanwege het pad dat deze mensen volgen, zijn ze uiteindelijk niet in staat de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan of onderwerping aan God bereiken, laat staan dat ze vrees voor God kunnen bereiken – ze zullen voor altijd gekenmerkt worden als dienstdoeners. Sommigen onder dit soort mensen in Gods huis kunnen tot het einde toe dienstdoen, en sommigen kunnen dat niet, en er is een klein verschil in menselijkheid tussen degenen die helemaal tot het einde toe kunnen dienstdoen en degenen die dat niet kunnen. Degenen die de waarheid niet nastreven maar helemaal tot het einde toe kunnen dienstdoen – dat wil zeggen, de mensen die in Gods huis enige inspanning kunnen wijden aan Gods werk terwijl het werk van Gods managementplan gedaan wordt – hebben een relatief goede en welwillende menselijkheid. Ze doen geen kwaad, ze veroorzaken geen verstoringen terwijl ze dienstdoen en ze worden niet uit de kerk verwijderd. Zulke mensen kunnen tot het einde toe dienstdoen, en zij zijn degenen die altijd dienstdoeners zullen zijn. Wat de anderen betreft: omdat hun menselijkheid erg slecht is, omdat ze een slecht karakter en weinig integriteit hebben, hinderen en verstoren ze tijdens hun dienstdoen veelvuldig de diverse werkzaamheden in Gods huis, en brengen ze schade toe aan veel van het werk van Gods huis. Ze weten niet hoe ze tot berouw moeten komen wanneer ze keer op keer worden gesnoeid of geïsoleerd, en vallen gewoon terug in hun oude, slechte gewoonten; ze begrijpen geen enkele waarheid, ze aanvaarden de waarheid niet, maar handelen in plaats daarvan baldadig, en zulke mensen worden geëlimineerd. Waarom worden ze geëlimineerd? Mensen als deze kunnen niet eens dienstdoen. Ze kunnen niet goed werken wanneer ze enige inspanning verrichten in Gods huis, en terwijl ze inspanning verrichten, doen ze ook kwaad, en laten ze Gods huis en de broeders en zusters de prijs betalen. De inzet van zulke mensen weegt niet op tegen de schade. Ze krijgen keer op keer de kans om na te denken, maar uiteindelijk blijft hun aard onveranderd en luisteren ze naar niets van wat wie dan ook te zeggen heeft. Zulke mensen verdienen het niet eens om in Gods huis dienst te verlenen, en ze zijn er ook niet toe in staat, en dus worden ze weggezuiverd.

Begrijpen jullie nu in grote lijnen deze titel ‘dienstdoener’? Is ‘dienstdoener’ een discriminerende titel die God aan de mensheid geeft? Gebruikt God deze titel opzettelijk om mensen te kleineren? Gebruikt God deze titel om mensen te onthullen en te beproeven? Gebruikt God deze titel om mensen te laten weten wat de mens precies is? Bedoelt God deze dingen? In feite bedoelt God geen van deze dingen. Het is niet Gods bedoeling om mensen te onthullen, of om mensen te kleineren en belachelijk te maken, noch is het Zijn bedoeling om deze titel ‘dienstdoener’ te gebruiken om mensen te beproeven. De enige betekenis die God aan de titel ‘dienstdoener’ hecht, is dat Hij typeringen maakt en deze titel vormt in overeenstemming met de prestaties en essentie van mensen, in overeenstemming met de rol die mensen spelen tijdens Gods werk, evenals wat mensen kunnen doen en waaraan ze kunnen meewerken. Uit deze betekenis kunnen we opmaken dat iedere mens in Gods huis dienstdoet voor Gods managementplan en op een bepaald moment deze rol van dienstdoener heeft vervuld. Kunnen we dit zeggen? (Ja.) Dat kunnen we inderdaad, en dat kunnen jullie nu allemaal begrijpen. God wil deze titel niet gebruiken om mensen te ontmoedigen of hun geloof te beproeven, laat staan om hen te kleineren of hen braver en gehoorzamer te maken, of om hen te laten weten wat hun identiteit en positie zijn, en nog veel minder wil God deze titel ‘dienstdoener’ gebruiken om mensen het recht te ontnemen om de plicht van een schepsel te vervullen. Deze titel wordt volledig bepaald in overeenstemming met de verschillende verdorven gezindheden die mensen openbaren en de ware gesteldheden van mensen terwijl ze God volgen. Daarom heeft deze titel absoluut niets te maken met wat de identiteit, status, positie en bestemming van mensen zullen zijn zodra Gods managementwerk ten einde komt. Deze titel komt volledig voort uit de behoeften van Gods managementplan en managementwerk, en is een ware toestand van de verdorven mensheid in Gods managementwerk. Wat betreft de mensen die als dienstdoeners diensten verlenen aan Gods huis en als machines worden gebruikt: of deze toestand helemaal tot het einde toe voortduurt of ten goede kan veranderen op hun reis terwijl ze God volgen, hangt af van hun streven. Als iemand de waarheid nastreeft, en gezindheidsverandering en onderwerping aan en vrees voor God kan bereiken, zal hij de titel ‘dienstdoener’ verre van zich werpen. En wat worden mensen zodra ze de titel ‘dienstdoener’ van zich hebben afgeworpen? Ze worden ware volgelingen van God, Gods volk en mensen van het koninkrijk, dat wil zeggen, ze worden het volk van Gods koninkrijk. Als je er, terwijl je God volgt, genoegen mee neemt om alleen maar inspanning te verrichten, te lijden en een prijs te betalen, je de waarheid niet nastreeft of de waarheid niet in praktijk brengt, jouw verdorven gezindheden helemaal niet veranderen, je de dingen nooit in overeenstemming met de principes van Gods huis doet, en je uiteindelijk niet in staat bent om onderwerping aan en vrees voor God te bereiken, dan zal deze titel ‘dienstdoener’, deze ‘kroon’, je perfect en als gegoten passen, en zul je die nooit van je af kunnen schudden. Als je nog steeds in deze gesteldheid verkeert wanneer Gods werk ten einde komt en je gezindheden nog steeds niet zijn veranderd, zal de titel ‘het volk van Gods koninkrijk’ geen enkele betrekking op jou hebben en zul je voor altijd een dienstdoener zijn. Hoe kunnen jullie deze woorden begrijpen? Jullie moeten begrijpen dat op het moment dat Gods werk eindigt, dat wil zeggen: wanneer alle mensen die God wil redden, zijn gered, wanneer het werk dat God wil doen volledig het effect en de doelen ervan heeft bereikt, God niet langer tot mensen zal spreken of hen zal begeleiden, Hij niet langer enig reddingswerk aan de mens zal verrichten, en Zijn werk precies daar zal eindigen, net als het pad van het geloof in God dat iedere mens volgt. In de Bijbel staat dit vers: ‘Hij die onrechtvaardig is, laat hem onrechtvaardig blijven, hij die smerig is, laat hem smerig blijven, hij die rechtvaardig is, laat hem rechtvaardig blijven en hij die heilig is, laat hem heilig blijven’ (Openbaring 22:11). Wat betekent dit? Het betekent dat op het moment dat God zegt dat Zijn werk voorbij is, dit erop wijst dat God niet langer Zijn werk van het redden van de mens en het tuchtigen en oordelen van de mens zal verrichten, God de mens niet langer zal verlichten of begeleiden, en Hij niet langer nauwgezet en met klem woorden tot de mens zal spreken om hem aan te sporen of te snoeien – God zal dit werk niet langer verrichten. Wat betekent dit? Het betekent dat de uitkomsten van alle dingen dan onthuld zullen worden, de uitkomsten van mensen dan zullen worden vastgelegd, en niemand in staat zal zijn dit te veranderen, en er geen kansen meer zullen zijn voor mensen om gered te worden. Dit is wat het betekent.

Wanneer iemand aan het einde van Gods werk de titel ‘dienstdoener’ van zich afwerpt, wanneer hij deze benaming, deze toestand van zich afwerpt, wijst dat erop dat deze persoon in Gods ogen niet langer een buitenstaander of een ongelovige is, maar veeleer een persoon van Gods huis en Gods koninkrijk. En hoe is deze titel ‘een persoon van Gods huis en Gods koninkrijk’ tot stand gekomen? Hoe verkrijgen mensen deze titel? Je wordt een persoon van Gods huis door de waarheid na te streven, de waarheid te begrijpen, te lijden en de prijs te betalen, en zo je plicht goed te vervullen, een bepaald niveau van gezindheidsverandering te bereiken, en in staat te zijn je aan God te onderwerpen en Hem te vrezen. Net als Job en Petrus hoef je niet langer door Satan te worden geschaad en verdorven, kun je in vrijheid in Gods koninkrijk en in Gods huis leven, hoef je niet meer met je verdorven gezindheden te worstelen, en ben je in Gods ogen een oprecht schepsel, een echte mens. Is dat niet iets om vreugdevol te vieren? Wat betekent dit? Het betekent dat het leven vol lijden en ontbering van iemand die door Satan is verdorven volledig ten einde is gekomen en hij een leven van vreugde, vrede en geluk begint te leven. Hij kan leven in het licht van het aangezicht van de Schepper, samenleven met God, en dit is iets om vreugdevol te vieren. Wat echter het andere soort mensen betreft dat er uiteindelijk niet in geslaagd is de titel ‘dienstdoener’ van zich af te werpen: wat betekent het voor hen als ze deze titel, deze ‘kroon’, nog steeds niet van hun hoofd hebben gehaald wanneer Gods werk eindigt? Het betekent dat ze buitenstaanders blijven en dat ze in Gods ogen nog steeds ongelovigen zijn. De reden hiervoor is dat ze de waarheid in het geheel niet aanvaarden of in praktijk brengen, ze geen gezindheidsverandering hebben bereikt, ze niet in staat zijn zich aan God te onderwerpen en ze geen Godvrezend hart hebben. Deze mensen moeten uit Gods huis worden geëlimineerd en ze hebben geen plaats in Gods koninkrijk. Als er geen plaats voor hen is in Gods koninkrijk, waar zijn ze dan? Ze bevinden zich buiten Gods koninkrijk en vormen een groep die afgezonderd is van het volk van God. Zulke mensen worden nog steeds ‘dienstdoeners’ genoemd, en dit wijst erop dat ze geen mensen van Gods huis zijn geworden, ze nooit volgelingen van God zullen zijn, God hen niet erkent en ze nooit meer zegeningen of genade van God zullen ontvangen. Natuurlijk wijst het er ook op dat ze geen kans hebben om samen met God in Zijn koninkrijk goede zegeningen te genieten of vrede en vreugde te verkrijgen – deze kans is verkeken. Is dit moment, wat hen betreft, dan iets om vreugdevol te vieren, of is het een droevige gebeurtenis? Dit is een droevige gebeurtenis. En wat betreft hun beloning voor het dragen van deze titel van ‘dienstdoener’ buiten Gods huis en buiten Gods koninkrijk, dat is een zaak voor later. In ieder geval is het verschil tussen de beloning die aan dienstdoeners wordt gegeven en de beloning die aan het volk van Gods koninkrijk wordt gegeven enorm groot; er zijn verschillen in positie, in beloning en dergelijke aspecten. Is het niet beklagenswaardig dat mensen zoals zij de waarheid niet hebben verkregen en geen gezindheidsverandering hebben kunnen bereiken terwijl God Zijn werk om mensen te redden heeft verricht? Het is zo beklagenswaardig! Dit zijn enkele woorden met betrekking tot de titel ‘dienstdoener’.

Er zijn mensen die zeggen: “Ik voel weerstand wanneer er over dienstdoeners wordt gesproken. Ik wil geen dienstdoener zijn en ik ben niet gelukkig als dienstdoener. Als ik tot God’s volk behoor, dan kan ik dat aanvaarden, zelfs als ik de onbeduidendste onder hen ben, en het is prima zolang ik maar geen dienstdoener ben. Ik heb geen ander streven en koester geen andere aspiratie in dit leven; ik kijk er alleen maar naar uit om de titel ‘dienstdoener’ kwijt te raken. Ik vraag niet veel.” Wat vinden jullie van zulke mensen? Is dit de houding van iemand die de waarheid nastreeft? (Nee.) Wat voor houding is dit? Is het geen negatieve houding? (Dat is het.) Wat betreft de titel ‘dienstdoener’: je hoeft er niet naar te streven die van je af te schudden, want deze titel wordt gegeven op basis van de mate van vooruitgang die je in je leven boekt en kan niet worden bepaald door wat je wilt. De titel hangt niet af van wat je wilt, maar van het pad dat je volgt en of je gezindheden zijn veranderd. Als je doel alleen maar is om ernaar te streven deze titel ‘dienstdoener’ van je af te werpen, laat Mij je dan de waarheid vertellen: zolang je leeft, zul je hem nooit van je af kunnen werpen. Als je je richt op het nastreven van de waarheid en gezindheidsverandering kunt bereiken, zal deze titel langzaam veranderen. Wordt de titel ‘dienstdoener’ door God aan mensen opgedrongen, vanuit deze twee punten bezien? Absoluut niet! Het is geen titel die God aan mensen opdringt, en ook geen benaming – het is een titel die wordt gegeven op basis van de mate van vooruitgang die mensen in hun leven boeken. Afhankelijk van hoeveel vooruitgang je in het leven boekt en de mate waarin je gezindheden veranderen, neemt je dienstdoenerschap af. Wanneer je op een dag in staat bent onderwerping aan en vrees voor God te bereiken, dan ben je, zelfs als je bereid bent een dienstdoener te zijn, geen dienstdoener meer. Dit wordt bepaald door je streven, je houding ten opzichte van de waarheid en het pad dat je volgt. Er zijn ook mensen die zeggen: “Ik wil deze titel ‘dienstdoener’ van me afschudden en ik wil er geen zijn, maar ik begrijp de waarheid niet en ben niet bereid de waarheid na te streven. Wat kan ik doen?” Is daar een oplossing voor? God bepaalt de uitkomsten van alle soorten mensen op basis van Zijn woorden en de waarheid – er is geen ruimte voor compromissen. Als je de waarheid liefhebt en het pad van het nastreven van de waarheid kunt inslaan, dan is dit iets om je over te verheugen; als je afkerig bent van de waarheid en ervoor kiest om het pad van het nastreven van de waarheid niet te volgen, is dit een reden om verdrietig te zijn. Dit zijn de enige twee paden – er valt geen middenweg te kiezen. De woorden die God uitspreekt zullen nooit voorbijgaan; hoewel alle dingen zullen voorbijgaan, kan niet één uitspraak van God voorbijgaan. Gods woorden zijn de criteria om over alle dingen een oordeel en vonnis te vellen; Gods woorden zijn de waarheid en kunnen nooit voorbijgaan. Wanneer deze wereld, de mensheid en alle dingen veranderen en voorbijgaan, zal geen enkel woord van God voorbijgaan; in plaats daarvan zullen al Zijn woorden in vervulling gaan. De uitkomsten van de mensheid en van alle dingen worden bepaald en onthuld door Gods woorden – niemand kan dit veranderen, en er kan over deze kwestie niet worden gediscussieerd. Daarom, wat betreft het feit dat God soeverein is over de uitkomsten van mensen en deze bepaalt: als mensen zich overgeven aan wensdenken, zijn ze absolute dwazen. Er is in deze kwestie geen tweede pad voor hen om te kiezen, aangezien God de mensen geen tweede pad heeft gegeven. Dit is Gods gezindheid, dit is Gods rechtvaardigheid, en mensen kunnen zich niet in deze kwestie mengen, zelfs als ze dat willen. Jij denkt dat je je in de ongelovige wereld bevindt, waar mensen wat geld kunnen uitgeven en hun connecties kunnen gebruiken om zaken te regelen, maar dat werkt niet bij God. Onthoud: hiermee kom je nergens bij God!

b. De manieren waarop antichristen met de titel ‘dienstdoener’ omgaan

Het onderwerp van de communicatie van vandaag is de ontleding van de houding van antichristen ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’. Hebben de meeste mensen geen positief begrip van deze titel, nu we klaar zijn met de communicatie over de definitie van de titel ‘dienstdoener’? Voelen jullie nog steeds weerstand of onwil ten opzichte van deze titel? (Nee.) Laten we dan nu bekijken hoe antichristen met de titel ‘dienstdoener’ omgaan, en welke houding ze ten opzichte daarvan aannemen. Wat antichristen het meest koesteren, zijn een hoge positie, hoog prestige en absolute macht. Als het gaat om enkele zeer gewone, eenvoudige titels op een lager niveau, en andere titels die mensen behoorlijk vernederend vinden, voelen antichristen ernstige weerstand en discriminatie in hun hart, en dat voelen ze in het bijzonder voor de titel ‘dienstdoener’. Ongeacht hoe tolerant en geduldig God is ten opzichte van deze groep mensen die bekendstaat als dienstdoeners, en ongeacht wat Gods uitleg en interpretatie van de titel ‘dienstdoener’ zijn, diep in hun hart kijken antichristen nog steeds neer op deze titel. Ze vinden dat deze titel te nederig is, en dat als ze zelf dienstdoeners zouden zijn, ze zich te veel zouden schamen om zich te vertonen. Ze denken dat op het moment dat ze deze titel krijgen, hun integriteit, trots en reputatie worden aangevochten en gekleineerd, dat hun waarde keldert en dat het leven geen zin meer heeft. Daarom zullen antichristen deze titel ‘dienstdoener’ hoe dan ook niet aanvaarden. Als je hun vraagt om naar Gods huis te gaan en dienst te doen voor Gods werk, zeggen ze: “De titel ‘dienstdoener’ is te denigrerend, en ik ben hoe dan ook niet bereid er een te zijn. Door me te vragen een dienstdoener te zijn, beledig je me. Ik ben niet in god gaan geloven zodat jij me kon beledigen – ik ben gekomen om zegeningen te ontvangen. Waarvoor heb ik anders mijn familie verlaten, mijn baan opgezegd en mijn wereldse vooruitzichten opgegeven? Ik ben niet gekomen om dienstdoener te zijn; ik ben niet gekomen om voor je te werken en je te dienen. Als je me zegt dat ik een dienstdoener moet zijn, geloof ik liever helemaal niet!” Is dit niet de houding van de antichristen? Er zijn zelfs antichristen die zeggen: “Als je me zegt dat ik een dienstdoener in gods huis moet zijn, wat heeft het dan voor zin dat ik in god geloof? Welke betekenis heeft het dan nog?” Wanneer ze een taak op zich nemen en een opdracht of taak in Gods huis aanvaarden, willen ze daarom eerst het volgende uitzoeken: “Zal ik, nadat ik deze taak op me heb genomen, kerkleider of een teamleider zijn, of zal ik gewoon een ondergeschikte zijn die anderen dient en voor hen werkt?” Voordat ze dit hebben uitgezocht, gaan ze voorlopig aan het werk. Tijdens deze periode observeren ze de woorden en uitdrukkingen van mensen, houden ze hun ogen en oren goed open en winnen ze informatie in uit verschillende bronnen. Ze willen weten of ze hier tijdelijk dienstdoen dan wel of ze deze taak op de lange termijn kunnen doen, of ze iemand zijn die kan worden gecultiveerd of iemand die slechts tijdelijk wordt gebruikt om een vacature te vullen. Als ze alleen maar worden gebruikt om een vacature te vullen, en er van hen wordt gevraagd te dienen voor de verdienste van anderen en voor de positie en macht van anderen, zullen ze dat absoluut niet doen. Het kan hun niet schelen of Gods huis hen nodig heeft om een plicht te vervullen, of hoe belangrijk de plicht die ze vervullen is voor het werk van Gods huis – ze geven niet om deze dingen. Zodra ze beseffen dat ze hier dienstdoen zonder de macht om de lakens uit te delen en beslissingen te nemen, worden hun handelingen plichtmatig, verwaarlozen ze hun plicht, handelen ze roekeloos, worden ze ook autocratisch en kunnen ze hun plicht zelfs de rug toekeren en op elk moment vertrekken; ze behandelen het werk van Gods huis en hun eigen plicht alsof het kinderspel is. Ze hebben een levensmotto dat luidt: ‘Ik ga niet zwoegen achter de schermen terwijl anderen in de schijnwerpers staan.’ Ze denken: ‘Ik ben geboren om leider te zijn. Ik ben geboren met de macht om de lakens uit te delen en beslissingen te nemen. Als ik die twee dingen zou verliezen, wat zou het leven dan nog voor zin hebben? Welke betekenis zou het dan nog hebben om in god te geloven? Waarom geloof ik in god? Heb ik geen kleine voordelen opgegeven om grote zegeningen te ontvangen? Als dit verlangen niet kan worden vervuld, volg ik zonder meer liever wereldse trends en ga ik zonder meer liever naar de hel!’ Wat is de stelregel van de antichristen? ‘Ik laat me op geen enkele manier door wie dan ook uitbuiten op zijn weg naar de top; ik ben degene die anderen uitbuit. Als mensen worden beloond op basis van hun bijdragen, zou ik bovenaan de lijst moeten staan. Alleen dan zal ik energiek werken en mijn uiterste best doen, anders kun je het vergeten om me zover te krijgen. Als je me vraagt om mezelf tot het uiterste te drijven, om jou van advies te dienen en om met hart en ziel te werken, maar ik uiteindelijk niets ontvang wanneer het tijd is om mensen te belonen op basis van hun bijdragen, dan kun je het vergeten me te vragen om voor jullie te werken, me voor jullie in te spannen en jullie te dienen!’ Zijn dit niet de ware onthullingen en manifestaties van de gezindheid van de antichristen? Ook al proberen ze niet opzettelijk de titel ‘dienstdoener’ van zich af te schudden, wat hun gezindheidsessentie betreft, schudden ze die voortdurend van zich af en zijn ze voortdurend aan het vechten, hard aan het werken en aan het worstelen om zichzelf van deze titel te ontdoen. Als een antichrist, wanneer hij enig werk op zich neemt, de kans krijgt om zich te onderscheiden en in het middelpunt te staan, of als hij het laatste woord heeft en beslissingen neemt, leider wordt, positie, invloed en prestige heeft, en een aantal mensen onder zich heeft, is hij enorm tevreden. Als op een dag iemand een probleem bij hem blootlegt en hem snoeit door te zeggen: “Er zijn veel dingen die je niet volgens de principes aanpakt, maar in plaats daarvan naar eigen goeddunken afhandelt. Dit is het gedrag van iemand die louter dienstdoet; je vervult je plicht niet”, kan de antichrist dat dan aanvaarden? (Nee.) Ten eerste zal hij zijn onschuld betuigen, het wegredeneren en zijn zaak bepleiten, en ten tweede zal hij onmiddellijk afkeer en weerstand voelen tegen het woord ‘dienstdoen’ en het absoluut niet aanvaarden. Hij zal zeggen: “Ik heb zo’n hoge prijs betaald en zoveel geleden. Ik begin vroeg met werken en eindig ’s avonds laat, ik kom slaap tekort en vergeet te eten, en toch zeggen jullie nog altijd dat ik dienstdoe? Zijn er echt mensen die op deze manier dienstdoen? Ik heb zo’n hoge prijs betaald en het enige wat ik ervoor terugkrijg is deze titel, deze definitie, ‘dienstdoener’. Waar kan ik dan nog naar uitkijken? Welke betekenis heeft het om in god te geloven? Welke motivatie is er? In dit soort god kun je beter niet geloven!” Hij verliest zijn enthousiasme. Na te zijn gesnoeid, weigeren antichristen niet alleen om het te aanvaarden, maar voelen ze ook weerstand en worden ze afkerig, en bovendien ontstaan er bij hen misverstanden. Wanneer ze daarna werken en hun plicht vervullen, is hun houding veranderd en denken ze: ‘Ik ben nu hoe dan ook een dienstdoener, wat ik ook doe, dus als ik dit werk doe, kan ik me maar beter inhouden, een plan achter de hand hebben en niet alles op alles zetten. Iedereen zegt dat god rechtvaardig is, dus hoe komt het dat ik het niet kan zien? Hoe is god rechtvaardig? Aangezien ik hoe dan ook een dienstdoener ben, wat ik ook doe, zal ik vanaf nu de manier waarop ik in god geloof veranderen; ik zal gewoon dienstdoen, en we zullen zien wie er bang is voor wie. Voor niets wat ik doe zal ik geprezen of erkend worden, dus het zij zo, dan verander ik mijn manier van leven en mijn manier van doen. Ik zal alles doen wat je me vraagt te doen, en ik zal mijn mond houden als ik ideeën heb – wie wil spreken, mag het doen. Als iemand me snoeit, zal ik het uiterlijk met hem eens lijken te zijn, en als iemand een fout maakt in zijn werk, zal ik niets zeggen, zelfs niet als ik het opmerk. Als iemand handelt zonder begrip van de principes, zal ik hem de principes niet vertellen, zelfs niet als ik ze begrijp. Ik zal gewoon toekijken hoe hij zich als een dwaas gedraagt, hem fouten laten maken zodat hij gesnoeid wordt net als ik, en zien of hij een staaltje kan verdragen van hoe het voelt om als dienstdoener gekenmerkt te worden. Aangezien jullie het me moeilijk hebben gemaakt, zal ik het jullie ook moeilijk maken en ervoor zorgen dat jullie er evenmin makkelijk van af komen!’ Alleen al het gesnoeid en gedisciplineerd worden zorgt ervoor dat ze zulke sterke emoties en gevoelens van weerstand ervaren – is dit een houding van het aanvaarden van de waarheid? (Nee.) Wat is er mis met dienstdoen? Is het slecht om dienst te doen voor God? Schaadt dienstdoen voor God jouw waardigheid? Is God het niet waard dat jij dienst voor Hem doet? Wat ben jij het dan waard dat God voor jou doet? Waarom ben je zo gevoelig voor en heb je zo’n weerstand tegen deze woorden? De Schepper heeft Zichzelf vernederd om een mens te worden die onder de mensen leeft en iedere verdorven mens dient, mensen die zich tegen Hem verzetten en Hem verwerpen. Waarom kunnen mensen dan niet een beetje dienstdoen omwille van Gods managementplan? Wat is daar mis mee? Is er iets schandelijks aan? Is er iets monsterlijks aan? Vergeleken met de nederigheid en verborgenheid van God, zullen mensen voor altijd verachtelijk en lelijk zijn. Is dat niet zo?

Verdorven mensen die de waarheid nastreven voelen zich nu misschien slechts even van streek wanneer ze de titel ‘dienstdoener’ horen, maar dit kan een motiverende factor worden die hen kan inspireren om de waarheid na te streven om tot onderwerping aan God te komen; ze zijn niet zo gevoelig voor deze titel die God aan mensen geeft. Maar dit is niet het geval bij antichristen. Ze zijn altijd zeer kritisch over de titels die God aan mensen geeft en trekken zich die persoonlijk aan. Er is maar weinig voor nodig voordat een uitspraak van God hun belangen schaadt en hen kwetst, en wanneer iets wat God zegt ingaat tegen hun bedoeling en verlangen om zegeningen te ontvangen, kwetst het hun gevoel van eigenwaarde. Op het moment dat hun gevoel van eigenwaarde en hun waardigheid worden gekwetst, oordelen ze over God, verwerpen ze Hem en verraden ze Hem; ze willen God verlaten, ze zijn onwillig om hun plicht te blijven vervullen, terwijl ze tegelijkertijd God vervloeken omdat Hij onrechtvaardig is en niet met mensen meevoelt. Sommige mensen zeggen zelfs dat God te moeilijk tevreden te stellen is, en dat niets wat ze doen goed is. Deze woorden, sentimenten en gezindheden komen allemaal van antichristen. Naast het feit dat ze in het geheel geen houding van onderwerping aan God hebben, zijn ze ook zeer kritisch als het gaat om de verschillende dingen die God zegt, en zijn ze nalatig en onverschillig ten opzichte van de verschillende vereisten van God. Ze verzetten zich voortdurend tegen deze titel ‘dienstdoener’ en zijn niet van plan die te aanvaarden of zich te onderwerpen, laat staan om Gods bedoeling te begrijpen. Het enige wat ze doen, is hardnekkig proberen deze aanduiding en identiteit, deze status en positie van ‘dienstdoener’ af te werpen, en ze zoeken in het geheel niet naar hoe ze met God kunnen meewerken om aan Gods bedoeling te voldoen, of hoe ze gezindheidsverandering kunnen bereiken, de waarheidswerkelijkheid kunnen binnengaan en zich aan God kunnen onderwerpen. Deze positieve dingen streven ze helemaal niet na, en zelfs wanneer ze als dienstdoeners worden ontmaskerd, barsten de verontwaardiging en onstuimigheid die ze voelen in één keer los. Hoe ernstig kan dit zijn? Sommige antichristen vervloeken God in het geheim op openbare plaatsen terwijl ze Hem achter gesloten deuren luidkeels vervloeken. Ze zeggen: “God is niet rechtvaardig. Ik kan net zo goed niet in dit soort god geloven!” Ze dagen God openlijk uit en gaan tegen Hem in. Alleen al dit woord ‘dienstdoener’ zorgt ervoor dat de essentie van de antichristen, die zich tegen God verzet en afkerig is van de waarheid, wordt onthuld. Hun boosaardige gezichten worden volledig ontmaskerd ten overstaan van het woord ‘dienstdoener’, en ze worden volkomen blootgelegd. Wat wordt er precies blootgelegd? Het feit dat ze niet in God geloven om Zijn redding te aanvaarden of om de waarheid te aanvaarden. Evenmin geloven ze in God omdat God de waarheid is of omdat God de Soeverein over alle dingen is. Nee, ze geloven in God omdat ze iets van Hem willen. Ze onderwerpen zich eraan naar Gods huis te komen omwille van hun eigen ambities en begeerten. Tevergeefs proberen ze zich door hun eigen middelen, inspanningen, harde werk en strijd van de massa te onderscheiden en zegeningen te ontvangen, of, nog beter, misschien wel een nog grotere beloning in hun volgende leven te ontvangen. Daarom is het woord ‘dienstdoener’ in hun ogen voor altijd iets denigrerends en een beledigende term, iets dat ze nooit kunnen aanvaarden. Sommige broeders en zusters denken: ‘Dienstdoen voor God is onze zegen. Het is een goede zaak, een eervolle zaak.’ Antichristen aanvaarden dit feit echter nooit en zeggen: “Dienstdoen voor god is onze zegen? Wat is dat voor uitspraak? Wat een onzin! Hoe is het een zegen om dat te doen? Hoe is dat plezierig? Wat valt er te winnen met dienstdoen voor god? Kun je geld, goud of schatten winnen door dienst te doen? Of kun je een huis en een auto krijgen? Iedereen die dienstdoet zal worden geëlimineerd; zijn er dienstdoeners die goede mensen zijn? Niemand die dienstdoet zal ooit iets winnen.” Het door broeders en zusters gecommuniceerde feit dat ‘dienstdoen voor God een zegen is voor de mensheid’ aanvaarden ze niet, en ze voelen er weerstand en afkeer tegen; ze luisteren liever naar iets anders.

Antichristen kunnen zich inspannen voor elke ambtenaar of iedereen met positie en prestige in de wereld, hen dienen en drankjes voor hen inschenken, en ze zullen het zelfs aanvaarden om voor deze mensen dienst te doen en zullen maar al te graag bereid zijn dit te doen. Alleen wanneer ze voor God dienst moeten doen, worden ze onwillig en terughoudend, vol klachten, weerstand en gevoelens. Wat voor schepselen zijn deze mensen? Zijn dit de uitingen die een volgeling van God zou moeten hebben? Dit zijn duidelijk uitingen van de essentie van de antichristen. Als antichristen de wereld in zouden gaan om een burgemeester, provinciegouverneur of prestigieuze politicus te dienen, zouden ze denken dat dit iets was wat eer bracht aan hun voorouders en wat hun familie trots maakte. Ze zouden onbeschrijflijk gelukkig zijn; ze zouden in de zevende hemel zijn. Als iemand hun vroeg wat hun baan was, zouden ze zeggen: “Ik dien de burgemeester. Ik ben de naaste bediende van de burgemeester, zijn persoonlijke lijfwacht!” Of ze zouden zeggen: “Ik verzorg de dagelijkse behoeften van de president!” Wat zouden ze dit trots zeggen. Ze zouden denken dat dit een mooie baan was en dat de hele familie in de glorie ervan zou delen. ’s Nachts zouden ze dromen en gelukkig wakker worden, en ze zouden niet verbergen wat ze deden, waar ze ook heen gingen. Hoe komt dat? Ze zouden hun baan niet als beschamend zien; ze zouden het idee hebben dat die eervol was, een baan die hen boven anderen plaatste, een baan die een aureool boven hun hoofd plaatste. Nadat zo iemand echter in God is gaan geloven, is hij, als hem wordt gevraagd dienst te doen voor Hem, niet bereid dat te doen; hij voelt weerstand en klaagt zelfs over God en vervloekt Hem, en hij kan God ook verraden en ontkennen. Als we deze twee dingen vergelijken, kunnen we zien dat antichristen antichristen zijn, dat ze deel uitmaken van de bende van Satan. Hoe ze Satan ook dienen, en hoe vuil, vermoeiend of vernederend dat werk ook is, ze beschouwen het als een eer. Wanneer ze echter dingen voor God doen in Zijn huis, ongeacht hoe zinvol, waardevol of nobel de dingen die ze doen zijn, of hoe verheven ze zijn door ze te doen, beschouwen ze deze dingen altijd als het vermelden niet waard. Ongeacht wat een grote zegen het is en hoe eervol het is om dienst te doen voor God en Gods werk, en wat een kostbare kans het is voor de mensheid, ze kunnen er gewoon niet blij mee zijn. Waarom niet? Er is slechts één reden: antichristen maken deel uit van de bende van Satan – ze zijn van Satan en zijn levende Satans, van nature God vijandig gezind. Als hun wordt gevraagd om God te dienen en dienst te doen voor God, kunnen ze daar gewoon niet gelukkig van worden. Ongeacht hoe Gods huis de waarheid met mensen communiceert of probeert mensen Gods bedoeling met betrekking tot de titel ‘dienstdoener’ te laten begrijpen, antichristen kunnen het niet van God aanvaarden of enige van de daarmee samenhangende waarheden aanvaarden, laat staan het feit of de waarheid aanvaarden dat het een eervolle, waardevolle en betekenisvolle zaak is als een schepsel dienstdoet voor de Schepper – dit is de houding die antichristen koesteren ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’. Geconfronteerd met deze titel, en geconfronteerd met het feit dat mensen dienstdoen voor God, is het enige wat antichristen ooit hebben gedaan: proberen zichzelf van deze titel te ontdoen en dit feit te ontwijken, in plaats van het feit te aanvaarden, deze titel ‘dienstdoener’ van God te aanvaarden, en vervolgens de waarheid na te streven, naar Gods woorden te luisteren en zich aan God te onderwerpen en Hem te vrezen. Afgaande op de uitingen die antichristen vertonen ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’, moet worden gezegd dat antichristen Satans soortgenoten zijn, dat ze deel uitmaken van Satans vijandige machten en dat ze God, de waarheid en alle positieve dingen vijandig gezind zijn.

De houding die antichristen koesteren ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’ is er een van niet-aanvaarding, weerstand, afkeer en verafschuwing. Ongeacht van wie deze titel afkomstig is, ze voelen er voortdurend weerstand tegen en aanvaarden die niet, in de overtuiging dat het nederig is om een dienstdoener te zijn, en dat het altijd nederig is, ongeacht voor wie ze dienstdoen. Ze denken dat ‘dienstdoener’ geen definitie is die God aan de mens geeft op basis van de essentie van de mens, maar een uitdaging en een blijk van minachting ten opzichte van de identiteit en de waarde van de mens – dit is het belangrijkste gezichtspunt dat antichristen hebben over de titel ‘dienstdoener’. Uit de houding van antichristen ten opzichte van Gods woorden, kunnen we opmaken dat ze Gods woorden niet beschouwen als criteria of als de waarheid, maar in plaats daarvan als dingen die ze nauwkeurig moeten onderzoeken en die ze moeten analyseren. Dat wil zeggen dat ze Gods woorden niet aanvaarden vanuit de vooronderstelling de waarheid te begrijpen of te aanvaarden dat God de Schepper is, maar in plaats daarvan Gods woorden benaderen vanuit de vooronderstelling van nauwkeurig onderzoek, het voelen van weerstand en het innemen van een positie van verzet. Voor hen is elk woord dat God zegt en elke uitspraak die Hij doet een object voor nauwkeurig onderzoek, en de titel ‘dienstdoener’ is daarop geen uitzondering. Ze steken moeite in het nauwkeurig onderzoeken en overdenken van het woord ‘dienstdoener’, en in Gods woorden zien ze dat God dienstdoeners niet als goed beschouwt, maar als nederig, als inferieur, als waardeloos, als mensen van wie God niet houdt, en als mensen die God verafschuwt. Hoewel dit Gods houding is ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’, is er een context voor en een reden waarom Hij zo’n houding heeft – die is gebaseerd op de essentie van de mens. Er is ook een ander feit dat ze niet hebben gezien: hoezeer God ook de verdorven mensheid verafschuwt en haat, God heeft de redding van de mensheid nooit opgegeven en is niet gestopt met het werk van Zijn managementplan om de mensheid te redden. Antichristen geloven dit feit niet, noch erkennen of zien ze het. Ze fixeren zich alleen maar op wat God te zeggen heeft over de uitkomsten van verschillende soorten mensen, en in het bijzonder met betrekking tot de titel ‘dienstdoener’ hebben ze een uiterst gevoelige houding. Ze willen geen dienstdoeners zijn en ze willen niet door God als dienstdoeners worden gedefinieerd, laat staan dat ze voor God dienst willen doen terwijl ze de titel ‘dienstdoener’ dragen. Daarom doen antichristen, wanneer ze naar Gods huis komen, navraag in veel verschillende kringen en vragen ze of ze zelf dienstdoeners zijn, en aan de hand van Gods woorden en wat mensen over hen zeggen, willen ze eerlijke woorden horen en achter de waarheid van de zaak komen: zijn ze dienstdoeners of niet? Als ze dat zijn, lopen ze onmiddellijk en meteen weg; ze doen geen dienst voor God of voor Gods huis. Ze reageren zo sterk op de titel ‘dienstdoener’, en het wordt duidelijk dat identiteit, positie, vooruitzichten, lot en bestemming voor antichristen zaken zijn die permanent moeten worden nagestreefd en belangen die nooit worden opgegeven. In de ogen van de antichristen bekleden dienstdoeners de laagste rang onder de mensheid zoals gedefinieerd door God. Wat je ook zegt en hoeveel mensen dit feit en deze titel ook aanvaarden, antichristen zullen het absoluut niet aanvaarden. Wanneer ze werk doen, eisen ze alleen dat anderen voor hen dienstdoen, naar hen luisteren, hen gehoorzamen en om hén draaien, en ze eisen nooit van zichzelf dat ze met anderen samenwerken of dingen bespreken, of naar de mening van anderen vragen, Gods bedoelingen raadplegen of de waarheidsprincipes zoeken. Ze denken: ‘Als ik met anderen zou samenwerken en dingen zou bespreken en de waarheidsprincipes zou zoeken wanneer ik dingen doe, dan zou ik mezelf verlagen en mijn autonomie verliezen, en zou dat geen dienstdoen zijn? Zou ik niet zwoegen achter de schermen terwijl anderen zichzelf in de schijnwerpers plaatsen? Zou ik anderen niet verzorgen en dienen?’ Dit is iets wat ze absoluut niet willen doen. Ze eisen simpelweg dat anderen hen verzorgen, zich aan hen overgeven, naar hen luisteren, hen waarderen, hen ten zeerste prijzen, hen in alle dingen goed laten overkomen, een plaats voor hen overlaten, hen dienen en voor hen werken, en ze eisen zelfs dat God hun gepaste beloningen en een geschikte kroon geeft in overeenstemming met wat ze hebben gedaan. Zelfs wanneer iemand noemt wat een grote prijs God heeft betaald en hoezeer Hij heeft geleden voor de redding van de mensheid, hoe Hij Zichzelf heeft vernederd, en hoezeer Hij de mensheid heeft voorzien, blijven antichristen, wanneer ze deze woorden horen en deze feiten zien, onverschillig en beschouwen ze ze als vanzelfsprekend. Hoe interpreteren antichristen dergelijke dingen? Ze zeggen: “God hoort alles voor de mens te doen en hoort het beste aan de mens te schenken, zegeningen en genade te schenken, en vrede en vreugde aan de mens te schenken. Hij hoort dit alles aan de mens te wijden; het is zijn verplichting. En wanneer mensen dingen opgeven, zich inzetten en een prijs voor god betalen, wanneer ze alles opofferen voor god, horen ze beloningen van god te krijgen en iets nog beters te ontvangen. Is dat geen eerlijke transactie? Een gelijkwaardige ruil? Wat valt hierover te praten? Welke verdienste heeft god? Waarom heb ik niets van gods verdiensten gezien? God schenkt dingen aan de mens; is het dan niet vanzelfsprekend dat de mens het verdient om ze te ontvangen? Mensen hebben een prijs betaald!” Ze geloven niet dat al deze dingen die God voor de mens doet, de grootste genade voor de mens zijn; ze zijn niet dankbaar en ze denken er niet aan God terug te betalen. In plaats daarvan willen ze de prijs die ze betalen inruilen voor de prachtige bestemming die God de mensheid heeft beloofd, en geloven ze uiteraard dat het gepast is dat ze naar zegeningen verlangen en al deze bedoelingen koesteren, en dat, hoe men het ook bekijkt, God mensen niet tot Zijn dienstdoeners zou moeten maken. Ze geloven dat mensen waardigheid en integriteit bezitten, en dat als mensen die zulke grote liefde hebben en aan liefdadigheid kunnen doen, zich inzetten en dingen opgeven, dienst moeten doen voor God, ze daarmee ernstig worden vernederd en te onrechtvaardig worden behandeld. Voor antichristen zijn al deze dingen die God doet het vermelden niet waard. In plaats daarvan vergroten ze de dingen die ze zelf doen oneindig uit, zelfs als het om iets heel kleins gaat, en behandelen ze deze dingen als kapitaal om zegeningen te ontvangen.

Sommige mensen doen niets goed wanneer ze hun plicht in de kerk vervullen. Als de broeders en zusters de dingen die ze doen, de vaardigheden en talenten die ze inbrengen, of de ideeën en suggesties die ze aandragen niet aanvaarden, weigeren ze verder te werken en willen ze hun plicht opgeven en weglopen – ze willen God opgeven. Als je hun vraagt met iemand samen te werken, doen ze het niet, en als je hun vraagt al het mogelijke te doen bij het vervullen van hun plicht, doen ze dat ook niet. Ze delen alleen maar links en rechts bevelen uit, zorgen ervoor dat anderen naar hen luisteren en dat mensen hen bijstaan, hun dienstdoeners worden en hén dienen in plaats van hun eigen plichten in Gods huis te vervullen. En als ze deze soort behandeling niet krijgen, of deze soort behandeling verliezen – deze behandeling waarbij anderen hen op hun wenken bedienen, voor hen werken en hun bevelen opvolgen – dan willen ze er de brui aan geven en weglopen; ze geloven dat God niet rechtvaardig is, hun hart is vol grieven en woede jegens God, er ontstaat bij hen haat jegens de broeders en zusters, en niemand is in staat hen te helpen. Ze kunnen met niemand harmonieus samenwerken en kunnen met niemand op voet van gelijkheid omgaan. Hun regels voor de omgang met anderen stellen dat alleen zij boven anderen kunnen staan bij het spreken en handelen, terwijl ze toekijken hoe anderen alles voor hen doen en elk bevel dat ze uiten en elke slogan die ze uiten opvolgen; niemand is het waard om met hen samen te werken, en niemand is gekwalificeerd om met hen op voet van gelijkheid om te gaan. Als iemand hen als een maatje of als een gewone broeder of zuster behandelt, en met hen spreekt, werk met hen bespreekt en met hen over begrip communiceert alsof hij hun gelijke is, vatten ze dit op als een vreselijke belediging en een zware aanval op hun integriteit. In hun hart haten ze zulke mensen en koesteren ze vijandigheid jegens hen, en ze zullen naar kansen zoeken om wraak te nemen op iedereen die hen als een gelijke behandelt of hen niet serieus neemt. Is dit niet wat antichristen doen? Dit is het hiërarchische perspectief dat antichristen openbaren als het gaat om de omgang met andere mensen. Natuurlijk houdt dit verband met de werkelijke mening en houding die antichristen koesteren ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’. Ze kunnen niet eens een titel aanvaarden die God aan de mensheid geeft; kunnen ze dan wel de veroordeling, ontmaskering en evaluatie door anderen aanvaarden? Ze zijn nog minder in staat deze dingen te aanvaarden. Enerzijds koesteren ze vijandigheid en weerstand tegen de titel en de essentie van ‘dienstdoener’, anderzijds lokken ze onvermoeibaar meer mensen en halen ze hen binnen om voor hen dienst te doen, hen te dienen, hen bij te staan en hen te gehoorzamen. Is dit niet verachtelijk? De essentie van zulke mensen is boosaardig, en dat is absoluut waar. Ze verlangen ernaar anderen te beheersen. Zelf zijn ze duidelijk waardeloos en kunnen ze niets doen; ze zijn slechts vuilnis in Gods huis, ze hebben geen normale menselijkheid en ze kunnen niet normaal met anderen omgaan, laat staan dat ze enig normaal verstand kunnen hebben. Ze begrijpen de waarheid in het geheel niet, ze zijn niet verlicht over de waarheid, ze hebben alleen een beetje vakkennis en beheersen een paar vaardigheden, en ze kunnen geen enkele plicht goed vervullen. Toch gedragen ze zich niet fatsoenlijk en willen ze de macht grijpen, en wanneer ze de macht niet kunnen grijpen, hebben ze het gevoel dat het met hen gedaan is. Ze denken dan: ‘Ik moet wel dienstgedaan hebben toen ik die dingen eerder deed. Ik ben niet bereid om dienst te doen. Ik kan maar beter opschieten en nu vertrekken, voordat ik te veel moeite doe of te veel verlies.’ Dit is het idee dat ze hebben. Ze doen altijd zo’n vaststelling en komen tot zo’n besluit; ze kunnen op elk moment stoppen met geloven en vertrekken, hun plicht op elk moment neerleggen en ervandoor gaan, terugkeren naar de omarming van Satan en zijn partner in het bedrijven van kwaad zijn. Bestaan er zulke mensen? (Ja.) Als het gaat om een bepaald aspect van vakwerk, begrijpen ze misschien een beetje, maar wat betreft de waarheidsprincipes die ze voor dat aspect van vakwerk moeten vatten, hebben ze geen benul; als het gaat om een aspect van kennis of gaven, bezitten ze er misschien een paar, maar wat betreft de waarheidsprincipes die ze moeten begrijpen om hun plicht te vervullen, hebben ze opnieuw geen enkel benul, en is hun bevattingsvermogen verwrongen. Ze kunnen niet harmonieus met anderen samenwerken en spreken niet dezelfde taal als anderen wanneer ze met elkaar communiceren. Waar zijn zulke mensen geschikt voor? Als ze werkelijk een geweten en verstand hebben, zullen ze in staat zijn andere mensen correct te behandelen, en wanneer mensen dingen zeggen die juist zijn en in overeenstemming met de waarheid, zullen ze die kunnen aanvaarden, zullen ze zich bereidwillig onderwerpen en zullen ze in staat zijn in opstand te komen tegen hun vlees. Ze moeten zich niet altijd willen onderscheiden van de massa en daarboven willen staan, anderen willen leiden en anderen willen beheersen; in plaats daarvan zouden ze hun ambitie en begeerte om anderen te overtreffen moeten loslaten en bereid moeten zijn om de onbeduidendste mensen te zijn, zelfs als dit dienstdoen inhoudt – ze moeten doen wat ze maar kunnen. Ze zijn zelf gewone mensen, dus moeten ze terugkeren naar de positie van gewone mensen, hun best doen om hun plichten te vervullen en zich op een nuchtere manier gedragen. Zulke mensen zullen uiteindelijk standvastig kunnen staan. Als ze dit pad niet kiezen en in plaats daarvan denken dat ze geweldig en nobel zijn, als niemand hen kan aanraken of bij hen kan komen, en als ze een plaatselijke tiran, een despoot willen zijn en de weg van antichristen willen volgen, dan zijn ze voorbestemd om kwaadaardige mensen te zijn. Als ze niet bereid zijn de onbeduidendste persoon te zijn, totaal onbekend te zijn of zich buiten de schijnwerpers te bevinden, of zich volledig in te zetten, dan zijn het ongetwijfeld antichristen en kunnen ze niet gered worden – dit is gevaarlijk voor hen. Als zo iemand over zichzelf kan nadenken, zelfbewustzijn heeft, Gods soevereiniteit en regelingen kan aanvaarden, zijn gepaste positie kan innemen, een gewoon mens kan zijn en zich niet langer anders kan voordoen, zal hij een kans hebben om redding te verkrijgen. Als je altijd hooghartig en onredelijk wilt zijn en jezelf als een machtige figuur wilt voordoen, is dat zinloos. Gods huis is gevuld met Gods uitverkoren volk, en hoe geducht, woest of kwaadaardig je ook bent, het heeft geen zin. Gods huis is geen strijdperk, dus als je wilt vechten, ga dat dan maar doen in het strijdperk van de wereld. Niemand in Gods huis wil met jou vechten; niemand is daarin geïnteresseerd of heeft er vrije tijd voor. Gods huis is een plek waar de waarheid wordt gepredikt, die mensen helpt de waarheid te begrijpen en de waarheid in praktijk te brengen. Als je de waarheid niet kunt beoefenen, is het moeilijk om met dat feit om te gaan, en toont dat alleen maar aan dat je hier niet thuishoort. Als je altijd wilt vechten, altijd woest wilt zijn, altijd meedogenloos wilt zijn, en altijd hooghartig en onredelijk wilt zijn, is de kerk niet de juiste plek voor jou. De meeste mensen in Gods huis hebben de waarheid lief; ze willen God volgen en het leven verkrijgen, en ze vinden het niet prettig zich in te laten met intriges en te vechten met duivels. Alleen antichristen vinden het prettig om overal te vechten en om te wedijveren om macht en gewin, en daarom kunnen antichristen niet standvastig staan in Gods huis.

Er is een type persoon dat ongelooflijk gevoelig is voor zaken als identiteit, positie en status, en dat met name enorme weerstand en afkeer voelt jegens de titel ‘dienstdoener’, en deze absoluut niet kan aanvaarden – zulke mensen zijn antichristen. Niet alleen streven ze de waarheid niet na en zijn ze afkerig van de waarheid, ze hebben er ook een afkeer van om aangesproken te worden als ‘dienstdoener’. Degenen die afkerig zijn van de titel ‘dienstdoener’ zouden in feite de waarheid moeten nastreven – als ze in staat waren de waarheid na te streven, zouden ze de titel ‘dienstdoener’ dan niet hebben afgeworpen? Maar dit is precies het probleem. Omdat ze extreem afkerig van de waarheid zijn, zullen ze nooit het pad van het nastreven en beoefenen ervan bewandelen. Daarom zullen ze in het werk van Gods managementplan voor altijd de rol van dienstdoeners spelen. Voor antichristen is het natuurlijk nog steeds een zegen om als dienstdoeners in Gods managementplan te kunnen optreden; het is een kans voor hen om de daden van de Schepper te zien, om de Schepper de waarheid te horen uitdrukken en Zijn diepste gedachten met de mensheid te horen delen, en om de wijsheid en almachtige daden van de Schepper te waarderen. Voor hen is het geen slechte zaak om dienstdoeners voor de Schepper te zijn, en of ze het nu kunnen bevatten of niet, het feit dat ze Gods dienstdoeners zijn en dienstdoen in Gods huis zou iets moeten zijn wat deze antichristen en metgezellen van Satan zich altijd zullen herinneren, zelfs als Gods werk later eindigt. Gedurende het hele proces waarbij de verdorven mensheid ervoor zorgt dat God zich tegen haar keert, doen antichristen onbewust dienst voor Gods managementplan, en dit is het kleine beetje waarde in het bestaan van elke antichrist – dit is een feit. Antichristen leveren hun bijdrage door Gods uitverkoren volk in staat te stellen antichristen vanaf de negatieve kant te onderscheiden en te herkennen. Of ze nu bereid zijn dit feit te erkennen of niet, en of ze bereid, blij en gelukkig zijn om dienstdoeners te zijn of niet: het dienstdoen voor Gods werk als dienstdoener en het op zich nemen van deze rol, dat zijn hoe dan ook dingen die de moeite waard zijn – dit is God die hen verheft. Sommige mensen zeggen: “Verheft God antichristen ook?” Wat is daar mis mee? Het zijn schepselen; kan God hen niet verheffen? Wat Ik zeg is waar. Hoe voelen antichristen zich wanneer ze deze woorden horen? Ze zouden niet moeten proberen fouten te zoeken en zouden enige troost moeten putten. Op z’n allerminst hebben ze een zekere inspanning verricht voor de grote zaak van Gods managementplan. Ongeacht of ze dit bereidwillig deden, en of ze het actief of passief deden, het was hoe dan ook God die hen verhief, en ze zouden dit met vreugde moeten aanvaarden en zich er niet tegen moeten verzetten. Als antichristen in opstand kunnen komen tegen hun voorouders, in opstand kunnen komen tegen Satan, en de waarheid kunnen nastreven en onderwerping aan de Schepper kunnen nastreven, zeg Mij: zal God dan blij zijn? (Ja, dat zal Hij.) Dit is ook een geluk voor Gods uitverkorenen, en zij zouden ook blij moeten zijn – dit is een goede zaak. Of dit feit nu houdbaar is of niet, als antichristen het roer kunnen omgooien en het pad van berouw kunnen bewandelen, is dat natuurlijk in elk geval een goede zaak. Waarom zeg Ik dan dat dit een geluk is voor Gods uitverkoren volk? Als een antichrist bereidwillig dienstdeed, zou er dan niet één plaag minder zijn in Gods huis? Als jullie één duivel minder onder jullie zouden hebben, één verstoorder en onruststoker minder, zouden jullie dagen dan niet veel rustiger zijn? Vanuit dit perspectief bezien: als antichristen werkelijk bereid zouden zijn om dienst te doen, zou dit ook een goede zaak zijn die het vieren waard is. Jullie moeten hen aanmoedigen en helpen, en hen niet volledig afschrijven. Als jullie goede bedoelingen hebben en hen laten blijven, maar hun dienstdoen meer problemen oplevert dan het waard is en tot rampspoed leidt, moeten ze volgens de principes worden aangepakt. Is dit niet een goede manier van handelen? (Ja.)

Er is nog een ander type persoon dat het vermelden waard is. Er zijn mensen die in staat zijn te lijden en een prijs te betalen tijdens het vervullen van hun plicht, en soms kunnen ze ook gehoorzamen en zich onderwerpen of zaken afhandelen volgens de principes. Hun subjectieve verlangen is om het pad van het nastreven van de waarheid te bewandelen, ze kunnen zich altijd onderwerpen aan alles wat door de Boven of de kerk wordt geregeld, en ze kunnen taken altijd op tijd voltooien. Ze veroorzaken geen hinder en verstoringen in Gods huis, en het werk dat ze doen en de plicht die ze op zich nemen, brengen de broeders en zusters veel voordelen en baten. Hoewel ze aan de buitenkant geen kwaad hebben gedaan, niet hinderen of verstoren, en geen kwaadaardige mensen lijken, doen ze iets wat gewone mensen niet kunnen en niet doen, en dat is dat ze er plezier in scheppen hun invloed te vestigen en hun eigen onafhankelijke koninkrijken te stichten. Wanneer hun een of andere taak wordt toegewezen, beginnen ze, op het moment dat ze de supervisor van die klus worden, soms met het stichten van hun eigen onafhankelijke koninkrijken en het onbewust opbouwen van hun macht en connecties binnen hun invloedssfeer. Binnen deze invloedssfeer wordt iedereen volkomen en volledig door hen ingepalmd, en spreken mensen luid hun lof uit over en bewonderen ze alles wat ze doen, alles wat ze zeggen en de prijs die ze betalen ten zeerste. Ze beschouwen de reikwijdte van hun management als hun eigen kleine familie binnen Gods familie. Aan de buitenkant lijken ze in staat een prijs te betalen, te lijden en verantwoordelijkheid te dragen – er lijkt geen probleem te zijn. Op cruciale momenten zijn ze echter in staat de belangen van Gods huis te verraden. Om hun eigen prestige en hun plek op de bergtop veilig te stellen, en om hun absolute positie, waardigheid en macht in de kerk te beschermen, beledigen of kwetsen ze niemand. Zelfs als iemand de belangen van Gods huis schaadt of verraadt, en zelfs als iemand het werk van Gods huis verstoort of vernietigt, onderzoeken ze de zaak niet, nemen ze er geen notie van en kunnen ze het tolereren. Zolang die persoon hun positie maar niet bedreigt en binnen hun invloedssfeer nog steeds voor hen dienstdoet, is dat prima – dit is hun hoogste criterium. Welke verstoringen die persoon ook veroorzaakt, ze zien het niet, ze nemen er geen notie van en ze snoeien of berispen die persoon niet, laat staan dat ze hem aanpakken. Zulke mensen zijn gevaarlijke elementen. Ze zijn voor de gemiddelde persoon moeilijk te onderscheiden, en misschien zul je niets verdachts aan hen kunnen opmerken wanneer ze geen positie hebben. Zodra ze echter een positie hebben, wordt hun aard-essentie volkomen ontmaskerd. En wat wordt er dan precies ontmaskerd? Het feit dat er een doel zit achter de prijs die ze betalen en alles wat ze doen; ze doen deze dingen niet om de belangen van Gods huis veilig te stellen, ze vervullen hun plicht niet werkelijk, en ze doen al deze dingen niet opdat God ze kan zien, maar veeleer opdat mensen ze kunnen zien. Ze willen de blik, de ogen en de aandacht van anderen trekken, en meer nog willen ze de harten van mensen misleiden, zodat mensen naar hen opzien, hen bewonderen en hen prijzen. Daarom kan het hun niet schelen hoe God hen ziet of behandelt; als God zegt dat ze er alleen maar zijn om dienst te doen, laat hen dat onverschillig. Zolang mensen maar aan hun voeten kunnen knielen en voor hen kunnen buigen, is het prima. Deze mensen zijn gevaarlijke elementen en zijn niet eensgezind met God en Gods huis, en hun hart is niet hetzelfde als dat van Gods uitverkoren volk dat oprecht de waarheid nastreeft. Ze bouwen invloed op voor zichzelf, en bouwen ook invloed op voor Satan. Afgaande op hun diverse uitingen is de plicht die ze vervullen en alles wat ze doen een manier om met zichzelf te pronken en zoveel mogelijk bij anderen in de gunst te komen.

Antichristen kunnen in zekere mate dienstdoen in Gods huis en in het werk van Gods managementplan, en in een bepaalde fase kunnen het zelfs goede dienstdoeners zijn. Maar vanwege het pad dat ze bewandelen, en vanwege de doelen en richting die ze kiezen, evenals hun verlangen naar positie en macht en hunkering naar roem en gewin die ze in zich hebben, kunnen ze de titel ‘dienstdoener’ nooit afschudden, kunnen ze de waarheid niet begrijpen, kunnen ze niet bevatten wat de waarheidswerkelijkheid is, kunnen ze die niet binnengaan, kunnen ze de waarheid niet beoefenen, kunnen ze geen ware onderwerping bereiken en kunnen ze geen vrees voor God bereiken. Zulke mensen zijn gevaarlijke elementen. Ze hebben diepgaande filosofieën voor wereldlijke betrekkingen, hebben heel slimme manieren om zich te gedragen en met de wereld om te gaan, letten in het bijzonder op de manier waarop ze spreken en hun woordkeuze wanneer ze met anderen spreken, en besteden ook veel aandacht aan de methoden die ze gebruiken wanneer ze met mensen omgaan. Hoewel ze aan de oppervlakte misschien niet verraderlijk en kwaadaardig lijken, zit hun hart vol boosaardige ideeën, gedachten en gezichtspunten, en zelfs noties en misverstanden over de waarheid en onmacht om God te begrijpen. Hoewel mensen niet kunnen zien wat er kwaadaardig is aan deze mensen en niet kunnen zien dat het kwaadaardige mensen zijn, zijn ze – omdat hun essentie zo boosaardig is en omdat ze hun plicht nooit in overeenstemming met de waarheidsprincipes kunnen vervullen en nooit het pad van het nastreven van de waarheid kunnen bewandelen en ware onderwerping aan God kunnen bereiken – uiteindelijk voor altijd niet in staat deze titel ‘dienstdoener’ af te schudden. Deze mensen zijn nog achterbakser en beter in staat anderen te misleiden dan overduidelijke antichristen en kwaadaardige mensen dat zijn. Aan de buitenkant lijken ze geen mening over en geen houding te hebben ten opzichte van de titel ‘dienstdoener’, laat staan dat ze er enige weerstand tegen voelen. Het feit is echter dat, afgaande op hun essentie, zelfs als ze dienstdoen voor God, ze nog steeds bedoelingen en doelen koesteren; ze doen niet onvoorwaardelijk dienst en ze doen het niet om de waarheid te verkrijgen. Omdat deze mensen vanbinnen boosaardig en sluw zijn, is het niet gemakkelijk voor anderen om hen te onderscheiden. Alleen in cruciale zaken en op cruciale momenten worden hun aard-essentie, gedachten, gezichtspunten en het pad dat ze bewandelen, onthuld. Als deze mensen, terwijl dit zo doorgaat, deze manier van streven kiezen en ervoor kiezen een dergelijk pad te bewandelen, kan men zich voorstellen dat zulke mensen geen redding zullen kunnen verkrijgen. Ze gebruiken het vertrouwen dat Gods huis in hen stelt en de kans van Gods werk om plannen te smeden voor hun eigen voordeel, om mensen te beheersen en te kwellen, en om hun eigen ambities en begeerten te bevredigen. Uiteindelijk verkrijgen ze de waarheid niet, maar worden ze in plaats daarvan onthuld omdat ze allerlei soorten kwaad hebben gedaan. Wanneer ze onthuld worden, wordt het duidelijk dat deze mensen de waarheid niet nastreven en dat ze niet in God geloven om de waarheid na te streven en redding te verkrijgen. Als deze mensen, na het luisteren naar Gods woorden en Zijn ontmaskering van allerlei soorten mensen, consequent de principes, middelen en methoden van de omgang met de wereld gebruiken om hun plicht te vervullen, kan er maar één uiteindelijke uitkomst zijn: ze moeten de rol van dienstdoener in Gods managementwerk op zich nemen en ten slotte worden onthuld en geëlimineerd – dit is een feit. Hebben jullie zelf weleens ervaringen gehad met zulke mensen? Wanneer ze worden onthuld en verdreven, worden sommige antichristen commandanten zonder leger. Het kwaad dat ze hebben gedaan is te veel en te groot geweest, en de broeders en zusters voelen afkeer van hen en geven hen op. Er is ook een ander type persoon dat, wanneer hij wordt onthuld en door de kerk wordt veroordeeld en verworpen, veel medeplichtigen en handlangers heeft die een goed woordje voor hem doen, de strijd voor hem aangaan en tegen God tieren. Is dit soort mensen niet nog beter in staat anderen te misleiden? Zulke mensen zijn nog gevaarlijker. Wat betreft de manier waarop antichristen omgaan met de titel ‘dienstdoener’, en welke onderliggende praktijken, ideeën en uitingen ze vertonen: voorlopig zullen we onze communicatie hier beëindigen.

c. Waarom antichristen niet bereid zijn dienstdoeners te zijn

Antichristen zijn niet bereid dienstdoeners te zijn en leggen zich er niet bij neer om dienstdoeners te zijn. Ze denken dat ze, door dienstdoeners te zijn, enorme beledigingen en discriminatie zullen ondergaan. Wat willen ze dan precies zijn? Wat is hun doel wanneer ze in God gaan geloven en naar Gods huis komen? Zijn ze bereid deel uit te maken van Gods volk, van Gods volgelingen? Zijn ze bereid iemand te zijn die wordt vervolmaakt? Vinden ze het prima om net als Petrus en Job te zijn en dat goed te noemen? (Nee.) Zegt er iemand dat hij in zijn geloof in God tevreden is met het zijn van een van Gods uitverkorenen, dat dat genoeg voor hem is? Is iemand bereid een stuk speeltuig in de handen van God te zijn? Nee, dat zijn mensen al helemaal niet bereid te zijn. Wanneer mensen naar Gods huis komen, komen ze om voordelen, zegeningen, beloningen en een kroon te verkrijgen. Naarmate ze aanvaarden dat ze door Gods woorden worden ontmaskerd en geoordeeld, beseffen ze dat ze, door zulke bedoelingen te koesteren in hun geloof in God, de waarheid niet kunnen begrijpen en uiteindelijk geen redding kunnen verkrijgen. Daarom kiezen veel mensen er dan voor om eerst hun verlangen naar zegeningen en hun verlangen naar een kroon en beloningen los te laten, om al deze voordelen los te laten en eerst te luisteren naar wat God zegt, wat Zijn vereisten voor de mens zijn en wat Hij de mens te zeggen heeft. Veel mensen die naar Gods woorden luisteren, voelen een heimelijke vreugde in hun hart en zeggen: “God ontmaskert onze verdorvenheid, Hij ontmaskert onze lelijke ware aard, en Hij ontmaskert onze essentie van God weerstaan en afkerig zijn van de waarheid – dit zijn allemaal feiten. Gelukkig heb ik me niet gehaast om mijn handen naar God uit te strekken om voorspoed, genade en zegeningen te vragen; gelukkig heb ik deze dingen eerst losgelaten. Als ik deze dingen niet had losgelaten, zou ik dan geen modderfiguur hebben geslagen? Alles wat God zegt, ontmaskert de aard en essentie van de mens, dus hoe zou ik die dingen kunnen afwerpen? God heeft gezegd dat mensen eerst het vervullen van hun plicht op zich moeten nemen en moeten meewerken aan het werk binnen Gods managementplan. Als mensen tijdens dit proces het pad van het begrijpen en aanvaarden van de waarheid kunnen inslaan, is er hoop dat ze redding kunnen verkrijgen en in de toekomst vele voordelen kunnen verwerven.” Op dit punt stoppen veel mensen met nadenken over die dingen. Hun prachtige wensen, hun verlangen en hoop voor de toekomst lijken niet meer zo realistisch. Ze voelen dat, op dit moment, de manier waarop ze hun plichten goed kunnen vervullen, de manier waarop ze aan Gods bedoelingen kunnen voldoen, en de manier waarop ze de waarheid kunnen begrijpen en standvastig kunnen staan, realistischer, belangrijker en crucialer zijn dan die wensen en aspiraties. Daarom kiezen de meeste mensen er op dit cruciale punt voor om hun plicht te vervullen, Gods werk te ervaren, de waarheid te verkrijgen, hun tijd en jeugd toe te wijden, en hun gezin, hun baan en hun wereldlijke vooruitzichten te verlaten voor God en voor de vervulling van hun plicht, en sommige mensen geven hiervoor zelfs hun huwelijk op. Dit soort uitingen, gedragingen en handelingen van mensen vormt ongetwijfeld een soort gehoorzame en onderworpen houding ten opzichte van positieve dingen en alle vereisten waar God over spreekt. Het is precies deze houding die een noodzakelijke voorwaarde is die mensen moeten bezitten om de waarheid te kunnen begrijpen, de waarheid te kunnen beoefenen, zich aan God te kunnen onderwerpen en tenslotte redding te kunnen verkrijgen. Dit zijn de diverse uitingen en gedachten die iedere normale mens heeft voordat hij naar Gods huis komt om zijn plicht te vervullen. Vanaf het moment dat deze mensen voor het eerst in God begonnen te geloven tot nu toe, ondergaan hun gedachten en gezichtspunten voortdurend veranderingen, en ook hun houding ten opzichte van de waarheid en God ondergaat een voortdurende transformatie. Tegelijkertijd met de voortdurende vernietiging van deze eerdere ambities en begeerten van de mens, laten ze deze dingen los en geven ze ze op, geleidelijk en actief. Dit is de goede vrucht die uiteindelijk wordt voortgebracht door het verlangen van mensen om met God mee te werken en zich aan Hem te onderwerpen. Het is een positieve en goede uiting, en het is een goed resultaat. Terwijl mensen voortdurend vooruitgang boeken, hebben degenen die oprecht de waarheid nastreven hun verlangen en bedoeling om zegeningen te verkrijgen vrijwel losgelaten, en daardoor zijn de meeste mensen in wezen niet erg gevoelig voor of geïnteresseerd in de verschillende beloften die God de mens voorheen heeft gedaan. Dit komt doordat, gemeten naar het verstand van een normale mens, als iemand de waarheid niet begrijpt en zijn plicht niet kan vervullen op een manier die aan de norm voldoet, hij zijn kans zal mislopen om alle door God beloofde zegeningen te verkrijgen en er niets mee te maken zal hebben. Iedereen zou deze uiterst eenvoudige logica moeten begrijpen. Natuurlijk zijn er nu veel mensen die zo’n feit al begrijpen, en dit feit ook erkennen en aanvaarden; het zijn alleen de antichristen die het niet aanvaarden. Waarom aanvaarden ze het niet? Dat is omdat het antichristen zijn. Ze aanvaarden dit feit niet, en wat willen ze daarom doen? Wanneer ze naar Gods huis komen, onderzoeken ze Gods woorden nauwkeurig en vinden daarin verschillende titels en statussen zoals ‘Gods persoon’, ‘eerstgeboren zonen’, ‘Gods zonen’, ‘Gods volk’ en ‘dienstdoeners’, en hun ogen lichten op. Hun ambities en begeerten worden snel bevredigd en ze denken: ‘Een van gods zonen zijn is te gewoon; de meeste mensen zijn gods zonen. Iemand van gods volk zijn betekent een gewone burger zijn, deel uitmaken van de massa, gewoon een normale mens zonder macht of invloed. En laat het niet in je opkomen om me een dienstdoener te maken. Zolang ik leef wil ik niets te maken hebben met het zijn van een dienstdoener; het heeft totaal niets met mij te maken.’ En dus vestigen ze hun blik op de twee titels ‘Gods persoon’ en ‘eerstgeboren zonen’. In hun noties geloven ze dat ‘Gods persoon’ God Zelf is, dat de ‘eerstgeboren zonen’ Gods eerstgeboren zonen zijn, en dat deze twee macht en invloed met zich meebrengen, en als koningen onder de mensheid kunnen heersen, mensen kunnen beheersen, Gods uitverkoren volk kunnen beheersen, absolute macht kunnen bezitten, en de macht kunnen hebben om de lakens uit te delen, de macht om leider te zijn, en de macht om mensen te orkestreren en te beslissen of mensen leven of sterven – ze geloven dat deze machten zo groot zijn. Daarom is het onmogelijk om hen zover te krijgen dienstdoeners te zijn. Als ze zelf mochten kiezen, zouden ze ervoor kiezen om eerstgeboren zonen of Gods persoon te zijn; anders zouden ze stoppen met in God te geloven. Wanneer ze hun plicht vervullen of optreden als leiders en werkers in Gods huis, handelen ze, betalen ze een prijs, lijden ze en rennen ze rond in het nastreven van deze twee doelen. Gedurende deze tijd berekenen ze voortdurend hoever ze zijn gekomen tijdens hun rondrennen, hoeveel mensen ze hebben gewonnen bij de prediking van het evangelie, hoeveel mensen hen vereren en naar hen opkijken, of broeders en zusters die met problemen kampen naar anderen gaan of naar hen toe komen wanneer zij de kerk leiden, en of ze de gedachten en opvattingen van anderen kunnen beheersen en beïnvloeden. Deze dingen berekenen, wegen en observeren ze voortdurend, met als doel te bereiken wat ze willen: als koningen heersen in Gods huis. De meeste mensen kunnen, nadat ze naar Gods huis zijn gekomen en enkele waarheden hebben begrepen, op een normale manier de plicht van een schepsel vervullen – antichristen niet. Ze geloven dat ze van een nobele bloedlijn afstammen, dat ze deel uitmaken van een nobele en speciale groep, en dat ze in Gods huis groot moeten worden genoemd; anders geloven ze niet in God. Om in God te geloven, moeten ze in Gods huis als groot geëerd worden en de baas zijn. Tegelijkertijd berekenen en becijferen ze ook hoeveel verdiensten ze in Gods notitieboekje hebben, en of ze voldoende gekwalificeerd zijn om samen met God als koningen te heersen. Daarom is de bron, het uitgangspunt en de drijfveer voor sommige antichristen die naar Gods huis komen om hun plicht te vervullen: naar Zijn huis komen om als koningen te heersen. Ze zijn beslist niet bereid hun plicht te vervullen om slechts gewone en uiterst onbeduidende volgelingen te zijn, en op het moment dat hun ambitie en begeerte worden gedoofd, worden ze plotseling vijandig en weigeren ze hun plicht te vervullen.

Er zijn nu mensen in Gods huis die al een paar jaar hun plicht vervullen, alles slecht doen, en geëlimineerd worden overal waar ze hun plicht vervullen. Omdat ze een verschrikkelijke menselijkheid en lage integriteit hebben, de waarheid niet nastreven en een venijnige en boosaardige gezindheid hebben die afkerig is van de waarheid, worden ze uiteindelijk door broeders en zusters verworpen. Hoe leven ze hun privéleven zodra ze zien dat hun verlangen naar zegeningen in rook dreigt op te gaan en dat hun droom om als koning te heersen en zich in Gods huis te onderscheiden niet langer kan worden verwezenlijkt? Ze lezen Gods woorden niet, ze luisteren niet naar lofzangen, ze wonen geen bijeenkomsten bij, ze negeren Gods huis wanneer hun wordt gevraagd een plicht te vervullen, en broeders en zusters moeten hen zelfs opzoeken, uitnodigen en eraan herinneren wanneer het tijd is om bijeenkomsten bij te wonen. Sommigen van hen blijven met tegenzin bijeenkomsten bijwonen, maar tijdens de bijeenkomsten zeggen ze geen woord, communiceren ze niet, voelen ze weerzin tegen alles wat de anderen zeggen en willen ze het niet horen. Wanneer broeders en zusters bidden, sluiten zij ook hun ogen, maar ze zeggen niets – ze hebben God niets te zeggen. En wat doen sommige andere mensen tijdens bijeenkomsten, bij het luisteren naar preken of wanneer broeders en zusters over de waarheid communiceren? Sommigen vallen in slaap, sommigen kijken op hun telefoon en lezen het nieuws, sommigen kletsen met anderen en sommigen spelen online spelletjes. In hun geloof in God denken ze dat, als ze in Gods huis niet geliefd kunnen zijn, niet in de gunst kunnen staan bij anderen, geen aanhangers hebben die zich om hen heen verdringen en geen belangrijke taken toegewezen kunnen krijgen, ze in de toekomst niet met God als koningen kunnen heersen, en daarom bestaat God voor hen niet. De vraag of God bestaat, is voor hen gekoppeld aan de vraag of ze zegeningen kunnen ontvangen. Is dit niet hoe antichristen zich gedragen? Ze geloven dat als een god hen geen zegeningen kan laten ontvangen, hij geen god is en hij zonder waarheid is, en dat alleen een god die hen ongebreideld laat handelen, de macht in de kerk laat grijpen en in de toekomst als koningen laat heersen, een god is. Dit is de logica van Satan – het is goed en kwaad door elkaar halen en feiten verdraaien. De reden waarom ze als mensen die in God geloven Zijn voetstappen niet kunnen volgen en niet bereid zijn hun plicht te vervullen, is dat ze afkerig zijn van de waarheid, dat ze in hun hart alleen de filosofieën van Satan, kennis, roem, gewin en positie vereren. Ze ontkennen dat God de waarheid is, ze schenken geen aandacht aan Gods werk, en daarom kijken ze tijdens bijeenkomsten op hun telefoon, spelen ze spelletjes, eten ze snacks en kletsen ze wat – ze doen wat ze maar willen en zijn desondanks tevreden met zichzelf. Zodra hun hoop om gezegend te worden in duigen valt, vinden ze geen betekenis meer in het geloof in God, en wanneer ze geen betekenis in het geloof in God vinden, beschouwen ze de kerk – de plek waar broeders en zusters samenkomen – als een speeltuin, beschouwen ze de tijd van samenkomen als vrije tijd, en vinden ze bijeenkomsten en het luisteren naar preken beklemmend, saai en vervelend. Waar zien ze de preken waar broeders en zusters naar luisteren en de waarheid voor aan? Ze zien ze aan voor slogans, voor ongegronde onzin, en ze beschouwen de tijd die ze samen met broeders en zusters doorbrengen als verspilde tijd. Zijn deze mensen niet onthuld? Ze nemen hun ambities, hun begeerten en hun illusies mee in hun geloof in God, en dit is een signaal dat bepaalt dat ze niet in staat zullen zijn het pad tot het einde toe te volgen, en dat ze zelfs onwaardig zijn om dienst te doen voor Gods werk en Gods managementplan. Ze kijken met minachting neer op degenen die naar preken luisteren en op broeders en zusters die de waarheid nastreven, en meer nog, ze ontkennen Gods werk, Gods bestaan en het bestaan van het feit van het werk van Gods managementplan.

Wanneer antichristen – die mensen die afkerig zijn van de waarheid – gaan denken dat het geloof in God hun geen voordelen zal opleveren, wordt hun demonische gelaat ontmaskerd. Sommige vrouwelijke antichristen doen thuis zoveel make-up op dat ze op spoken lijken. Ze dragen alles wat in de mode is of aantrekkelijk is voor het andere geslacht, en sommigen spelen zelfs stiekem mahjong, gokken en roken – deze mensen zijn te vreselijk en walgelijk. Ze komen naar Gods huis onder een voorwendsel, en wat gebeurt er uiteindelijk? Ze kunnen het niet volhouden, of wel? Alleen de waarheid kan mensen onthullen, en als iemand de waarheid niet liefheeft, afkerig is van de waarheid en een venijnige gezindheid heeft, dan is hij voorbestemd om vijandig te staan tegenover de waarheid en het niet vol te kunnen houden. Moet de kerk zulke mensen nog elimineren? Moet God hen nog veroordelen? Moet God zo iemand nog verwerpen? Nee, God schenkt volstrekt geen aandacht aan hen. Voor God zijn deze mensen slechts insecten, onwaardig om zelfs maar dienstdoeners te zijn – ze voldoen er gewoon niet aan. Wat bewijst het wanneer ze zo’n minachtende houding hebben ten opzichte van bijeenkomsten, het kerkleven en hun plicht? God waakt niet over hen en beschermt hen niet, noch leidt Hij hen. Hij verricht geen enkel werk om hen te verlichten, te begeleiden of te disciplineren, en daardoor leiden ze zulke vreselijke en lelijke levens. Zelf denken ze echter: ‘Ik geloof niet in god; ik ben vrij. Jullie die in god geloven, jullie moeten lijden en een prijs betalen, jullie gezinnen en carrières verlaten, terwijl ik nergens onder hoef te lijden. Ik kan genieten van de vrije tijd van het thuis zijn, zwelgen in de genoegens van het vlees en genieten van de geneugten van het leven.’ Ze geloven dat ze geluk en vrijheid hebben verkregen. Schenkt God enige aandacht aan hen? (Nee.) Waarom niet? Voor God zijn deze mensen insecten, geen mensen, en ze zijn Zijn aandacht niet waard. Als God geen aandacht aan hen schenkt, zal Hij hen dan nog redden? Aangezien God hen niet zal redden, heeft wat ze doen dan iets met God te maken? Houdt het enig verband met de bestuurlijke decreten van Gods huis? Nee. Daarom lijken ze uiterlijk heel comfortabel, vrij en losbandig te leven, en elke dag heel gelukkig te zijn. Dacht je dat dat een goede zaak was? Eén blik op wat ze uitleven en het pad dat ze volgen, en je weet dat het met hen gedaan is, dat God hen niet meer wil. Deze insecten zijn echt een stinkende bende! God schenkt aan zulke mensen volstrekt geen aandacht.

Degenen die, ongeacht de omgeving en de omstandigheden, er zo veel mogelijk naar streven om in de komende wereld als koningen te heersen en op gelijke voet met God te staan, zijn onverbeterlijk halsstarrige elementen onder de antichristen. Zulke mensen zijn net als Paulus; ze hebben doorns in het vlees, ze koesteren twijfels over God, ze weerstaan en bedreigen God, en ze tonen grote weerzin wanneer ze werken, zich inzetten, ontberingen verdragen en een prijs betalen. Ze doen deze dingen alleen in ruil voor een kroon en om in de komende wereld als koningen te kunnen heersen. Zorgt dit hele proces er niet voor dat antichristen zo beklagenswaardig klinken? In feite zijn ze niet beklagenswaardig. Ze zijn niet alleen niet beklagenswaardig, ze zijn eigenlijk ook ietwat lachwekkend. Als ze, nadat God zoveel heeft gezegd, de waarheid nog steeds niet begrijpen, laat het dan maar; hoe kunnen ze mensentaal niet begrijpen? Hoe kunnen ze zo’n eenvoudig beginsel niet begrijpen? Als je de waarheid niet beoefent, zul je geen verandering van gezindheid kunnen bereiken of redding kunnen verkrijgen; en zelfs als God je een belofte heeft gedaan, zul je die niet kunnen verkrijgen. Elke belofte die God aan de mens doet, is voorwaardelijk; Hij doet mensen geen beloften zonder reden of voorwaarden. God heeft Zijn vereisten voor de mens, en deze vereisten veranderen op geen enkel moment. God zal de waarheid niet schenden en Zijn bedoelingen niet veranderen. Als je dit punt zou begrijpen, zou je dan nog steeds koppig vasthouden aan je begeerten en ambities? Alleen idioten en irrationele mensen zouden koppig aan deze dingen vasthouden. Degenen die enig normaal verstand en normale menselijkheid hebben, zouden deze dingen moeten loslaten en datgene nastreven wat ze zouden moeten nastreven, verkrijgen en binnengaan – ze zouden eerst aan Gods vereisten moeten voldoen. Ten tweede, wat zouden mensen met een normaal verstand ook moeten begrijpen? Er zijn profetieën in de Bijbel die zeggen dat we tot in alle eeuwigheid met God als koningen zullen heersen, en in Gods huidige werk noemt Hij ook Gods persoon, eerstgeboren zonen, Gods zonen, Gods volk enzovoort, waarbij Hij verschillende niveaus en titels voor mensen classificeert. God heeft de mens deze dingen beloofd, dus waarom kunnen mensen ze dan niet nastreven? Wat zou dan het juiste begrip en de juiste benadering moeten zijn? Als iemand het heersen als een koning en de beloften die God heeft gedaan als na te streven doelen beschouwt, is dit dat het juiste pad? Zeker niet; dit is niet positief, het is te zeer verwaterd door de menselijke wil, en dit pad is in strijd met de waarheid. Sommige mensen zeggen: “Aangezien U deze belofte hebt gedaan, waarom staat U ons dan niet toe die te verkrijgen? Aangezien U al deze dingen hebt gezegd en ze publiekelijk aan de hele mensheid hebt verklaard, waarom staat U ons dan niet toe dit na te streven?” Dit heeft te maken met de waarheid; niemand heeft dit ooit vanaf het allereerste begin tot nu toe begrepen. Op welk aspect van de waarheid heeft dit betrekking? Je moet het zo zien: God deed een belofte aan de mens, en via God werd de mens zich bewust van het idee om als koningen te heersen, evenals van verschillende titels zoals ‘Gods persoon’, ‘eerstgeboren zonen’, ‘Gods zonen’, enzovoort. Dit zijn echter slechts titels. Welke titel bij welke mensen hoort, hangt af van het streven en de prestaties van een individu. Welke titel de Schepper je ook geeft, dat is wat je bent. Als Hij je geen titel geeft, ben je niets; het is slechts een belofte van God, niet iets waar mensen recht op hebben of wat ze verdienen. Natuurlijk is deze belofte een doel dat mensen begeren, maar dit doel is niet het pad dat mensen zouden moeten bewandelen, en het heeft niets te maken met het pad dat mensen bewandelen. Wie heeft het recht om in deze kwestie beslissingen te nemen? (God.) Juist, mensen moeten dit begrijpen. Als God zegt dat Hij je iets geeft, dan heb je iets; als Hij zegt dat Hij het van je afneemt, dan heb je niets, dan ben je niets. Als je zegt: “Ik zal dit nastreven, zelfs als God het me niet geeft, en als God het me wel geeft, dan zal ik het als vanzelfsprekend aanvaarden”, dan is dat verkeerd. Waarom is het verkeerd? Het schendt een groot taboe. Je erkent het feit niet dat God altijd God zal zijn en de mens altijd mens – daarom is het verkeerd. Sommige mensen zeggen: “Het is geprofeteerd in de Bijbel. Op veel plaatsen staat in de Bijbel dat we tot in alle eeuwigheid met God als koningen zullen heersen. Waarom kan God dit zeggen en kunnen wij het toch niet nastreven?” Is dit het verstand dat een schepsel zou moeten bezitten? Je ziet Gods belofte voor mensen om als koningen te heersen als iets goeds en je streeft die na, maar God heeft ook gesproken over dienstdoeners – streef je ernaar om goed dienst te doen voor God? Streef je ernaar een dienstdoener te zijn die aan de norm voldoet? God vereist ook van mensen dat ze hun plicht vervullen – eis je van jezelf dat je je plicht goed vervult? God vereist ook dat mensen handelen als schepselen, en wat doe jij? Beschouw je het als je doel om als schepsel aan de norm te voldoen en streef je dat na? Dat God zegt dat mensen als koningen zullen heersen, is een belofte die Hij aan de mens heeft gedaan, en er is een premisse en een context bij deze belofte: je moet een goed schepsel zijn, de plicht van een schepsel goed vervullen, de rol van dienstdoener afwerpen, onderwerping aan God en vrees voor de Schepper bereiken. God heeft gezegd dat wanneer je dit alles bereikt, jullie voor altijd met God als koningen zullen kunnen heersen – dit is de context waarin deze woorden werden gesproken. Het ontbreekt mensen aan verstand. Zodra ze dit horen, denken ze: ‘Het is geweldig dat we met God als koningen kunnen heersen! Wanneer zal dit gebeuren? Hoe zullen we als koningen heersen? Hoe zullen we op gelijke voet staan met God? Wiens koningen zullen we zijn? Over wie zullen we heersen? Hoe zullen we heersen? Hoe zullen we koningen zijn?’ Ontbreekt het mensen niet aan verstand? Hoewel dit een belofte is die God aan de mens heeft gedaan, iets wat werd uitgesproken opdat de mens het zou horen, om mensen te laten weten dat er zoiets prachtigs is, zou je moeten nagaan waar je met jezelf aan toe bent – wie ben jij? God heeft dit idee en is bereid de mens op deze manier met Hem te laten leven, maar ben jij gekwalificeerd om dit te bereiken? Waarom vraag je God niet: “Welke vereisten heeft U voor ons voordat we deze belofte bereiken? Wilt U dat we iets doen? Wat moeten we eerst bereiken voordat we deze belofte kunnen verkrijgen?” Je vraagt deze dingen niet, je eist het gewoon. Is dit niet een gebrek aan verstand? De mens mist dit soort verstand. Wanneer mensen iets gunstigs zien, steken ze hun handen uit en grijpen ernaar. Mensen zijn net bandieten; als je hun niet geeft wat ze willen, worden ze boos, worden ze vijandig en beginnen ze te schelden. Is dat niet hoe mensen zijn? Dit is de laagheid van de mensheid.

Eén reden waarom het de mens aan verstand ontbreekt, is dat mensen de waarheid nog steeds niet begrijpen; het heeft niets te maken met hun verdorven gezindheden. Maar wanneer ze niet krijgen wat ze willen, worden ze boos, beginnen ze te schelden, haten ze en nemen ze wraak – wat is dit? Dit is het demonische gelaat van Satan dat tevoorschijn komt; het zijn hun satanische verdorven gezindheden. Daarom, wat betreft de belofte die God de mensheid heeft gedaan, is God niet tevreden met datgene wat iedere persoon voor God tot uiting brengt. Mensen steken onmiddellijk hun handen uit, begerig, zonder te weten waar ze met zichzelf aan toe zijn, onmiddellijk eisend, en als ze niet kunnen krijgen wat ze eisen, overdenken ze wat ze kunnen gebruiken om ertegen in te ruilen. Ze verlaten hun families en carrières, ze lijden en betalen een prijs, ze rennen rond en putten zichzelf uit, ze prediken het evangelie en winnen meer mensen, ze werken meer, en ze gebruiken deze dingen om in te ruilen voor wat ze willen. Als ze deze dingen niet kunnen inruilen voor wat ze willen, worden ze woedend, vult haat hun hart, en krijgen ze een afkeer van alles wat met het geloof in God te maken heeft. Als ze het gevoel hebben dat ze deze dingen kunnen inruilen voor wat ze willen, dan verlangen ze er elke dag naar dat Gods werk snel zal eindigen, dat God Satan snel zal vernietigen, snel een einde zal maken aan de mensheid, de catastrofes snel zal laten neerdalen, anders voelen ze dat ze het niet kunnen volhouden. Wat openbaart absoluut iedere persoon in tegenwoordigheid van de waarheid? Hij openbaart gezindheden als afkerigheid van de waarheid en venijnigheid. Als we er nu naar kijken, kunnen de arrogantie, bedrieglijkheid en incidentele onbuigzaamheid van mensen worden beschouwd als mild en niet heel ernstig te midden van alle verdorven gezindheden van de mensheid. De verdorven gezindheden die de mensheid in grotere mate bezit, die ernstiger en dieper zijn, zijn die van boosaardigheid, afkerigheid van de waarheid en venijnigheid – dit zijn de dodelijke elementen onder de verdorven gezindheden van de mens. Als het om antichristen gaat, zijn deze gezindheden natuurlijk nog ernstiger, en wanneer zij die openbaren, nemen ze die niet serieus, onderzoeken ze die niet, voelen ze geen enkele schuld jegens God, laat staan dat ze het gevoel hebben dat ze ook maar enig probleem hebben; aanvaarden ze de waarheid niet, kennen ze zichzelf niet, en is het voor hen al helemaal onmogelijk om berouw te tonen. Daarom beschouwen ze, ongeacht de omstandigheden, de omgeving of de context, het heersen als koningen – de meest verheven en beste belofte die God heeft uitgesproken – als hun doel om na te streven. Hoe je ook met hen over de waarheid communiceert, ze zullen dit streven niet loslaten, maar staan er in plaats daarvan op om hun pad te volgen, en daardoor vallen ze niet te redden. Deze mensen zijn werkelijk schrikwekkend! Uit wat deze mensen openbaren, kun je precies zien wat de gezindheid en het ware gezicht van Satan zijn. Er is zoveel waarheid gecommuniceerd, en degenen die verstand hebben, die de waarheid kunnen aanvaarden, en die het verlangen hebben om te gehoorzamen en zich te onderwerpen: zij begrijpen precies wat Gods bedoeling is. Ze jagen niet langer hardnekkig positie, vooruitzichten en bestemming na, maar zijn bereid berouw te tonen onder de ontmaskering door deze woorden van God, bereid om hun verlangen naar zegeningen los te laten, de waarheid na te streven, te proberen zich aan God te onderwerpen en God tevreden te stellen, en ernaar te streven redding te verkrijgen. Als we nu kijken naar de innerlijke begeerten van de meeste mensen, dan hebben de doelen die ze nastreven een fundamentele verandering ondergaan; ze zijn bereid hun plicht te vervullen op een manier die aan de norm voldoet, ze zijn bereid oprechte schepselen te zijn, en ze zijn bereid redding te verkrijgen. Ze vervullen hun plicht niet om zegeningen te verkrijgen, en ze modderen niet maar wat aan in Gods huis omwille van het verkrijgen van zegeningen. Naast de antichristen, die altijd als koningen willen heersen, zijn de meeste mensen bereid de waarheid na te streven. Alleen antichristen beschouwen het najagen van vooruitzichten, zegeningen en het als koningen heersen als doelen en als de vrucht die uiteindelijk moet worden verkregen in hun geloof in God. Ze zullen deze dingen niet loslaten en zullen niet van koers veranderen, wat je ook zegt – zitten ze niet diep in de problemen? Ze weten heel goed dat Gods woorden de waarheid zijn, ze aanvaarden die alleen niet, dus is er niets dat hen kan veranderen; ze kunnen alleen maar worden geëlimineerd en gestraft. Dit is het uiteindelijke resultaat van het geloof van de antichristen in God.

Heb Ik nu duidelijk gecommuniceerd over deze kwestie van mensen die ernaar streven als koningen te heersen? Zijn jullie tot een nieuw begrip gekomen? Is dit pad van het nastreven om als koning te heersen juist? (Nee.) Hoe zouden mensen deze zaak dan moeten benaderen? Welke waarheid zou in deze kwestie begrepen moeten worden om de essentie van de mens te kennen? Het is aan God om te oordelen wat iemands essentie en gedrag werkelijk zijn. Waarop baseert God Zijn oordeel over dit alles? Hij baseert het op de waarheid. De uitkomst of bestemming van een persoon wordt daarom niet bepaald door zijn eigen wil, noch door zijn eigen voorkeuren of inbeeldingen. De Schepper, God, heeft het laatste woord. Hoe zouden mensen in deze kwestie moeten meewerken? Mensen hebben slechts één pad dat ze kunnen kiezen: alleen als ze de waarheid zoeken, de waarheid begrijpen, Gods woorden gehoorzamen, onderwerping aan God bewerkstelligen en redding verwerven, zullen ze uiteindelijk een goed einde en een goede bestemming hebben. Het is niet moeilijk je de vooruitzichten en de bestemming van mensen voor te stellen als ze het omgekeerde doen. Richt je wat deze kwestie betreft dus niet op wat God de mens heeft beloofd, wat God zegt over de uitkomst van de mensheid, wat God voor de mensheid heeft voorbereid. Deze dingen hebben niets met jou te maken, ze zijn Gods zaak, ze kunnen niet worden verkregen door ernaar te grijpen, door erom te vragen of door ruilhandel te drijven. Wat moet je als schepsel doen? Je moet je plicht vervullen en met je hele hart, geest en kracht doen wat je moet doen. De rest – dingen die met vooruitzichten en bestemming te maken hebben, en de toekomstige bestemming van de mens – dit zijn geen dingen waarover jij kunt beslissen, ze liggen in Gods handen; dit alles valt onder de soevereiniteit van de Schepper, het wordt door Hem geregeld en heeft niets te maken met welk schepsel dan ook. Sommige mensen zeggen: “Waarom moet dit ons verteld worden als het niets met ons te maken heeft?” Hoewel het niets met jullie te maken heeft, heeft het wel met God te maken. Alleen God weet deze dingen, alleen God kan erover spreken en alleen God heeft het recht om de mensheid deze dingen te beloven. En als God ze weet, moet God er dan niet over spreken? Het is een vergissing om je vooruitzichten en bestemming te blijven nastreven als je niet weet wat die zijn. God heeft je niet gevraagd dit na te streven, Hij liet het je alleen maar weten; als je ten onrechte gelooft dat God je dit vertelde zodat je het tot het doel van je streven kon maken, dan heb je totaal geen verstand en heb je niet de geest van normale menselijkheid. Het is genoeg om je bewust te zijn van alles wat God belooft. Eén feit moet je erkennen: wat voor belofte het ook is, een goede of een gewone, en of het nu iets is waar mensen gesteld op zijn of iets waarvoor ze niet veel interesse hebben, het is allemaal onder de soevereiniteit, regelingen en bepalingen van de Schepper. Alleen het volgen en nastreven volgens de juiste instructie en het juiste pad, door de Schepper aangegeven, is de plicht en verplichting van een schepsel. Wat betreft wat je uiteindelijk zult verwerven, en in welke van Gods beloftes je een hand hebt, dit is allemaal gebaseerd op jouw streven, op het pad dat je kiest en op de soevereiniteit van de Schepper.Zijn deze woorden jullie nu duidelijk? (Ja.) En zullen deze woorden jullie helpen om jullie ambities en begeerten te bevredigen, of zullen ze jullie helpen om het juiste pad in het leven te volgen bij het nastreven van de waarheid? (Ze zullen ons helpen de waarheid na te streven en het juiste pad in het leven te volgen.) Wat degenen betreft die normale menselijkheid en verstand bezitten, die positieve dingen en de waarheid liefhebben, zij zijn niet alleen niet teleurgesteld wanneer ze deze woorden horen, maar kunnen ook standvastig zijn in hun geloof om de waarheid na te streven en Gods redding te aanvaarden. Degenen zonder normaal verstand, de abnormale mensen die hardnekkig zegeningen, vleselijke belangen en de bevrediging van hun ambities en begeerten nastreven, kunnen echter hun enthousiasme verliezen wanneer ze deze woorden horen, en hun interesse in het geloof in God verliezen. Natuurlijk zijn er ook mensen die niet weten hoe ze moeten geloven wanneer ze deze woorden horen. Is het niet ontzettend belangrijk voor mensen om de waarheid te begrijpen? Is de waarheid niet beter in staat om mensen ertoe te leiden het juiste pad te volgen en God tevreden te stellen? (Ja.) Alleen de waarheid kan mensen in staat stellen redding te verkrijgen; als je de waarheid niet begrijpt, zul je op de weg naar redding vaak dwalen, fouten maken en verliezen lijden, en wanneer je het einde van de weg in je geloof bereikt, zul je totaal geen waarheidswerkelijkheid bezitten en door en door een dienstdoener worden. Als je gedurende je vele jaren van geloof in God de rol van dienstdoener speelt en uiteindelijk niet in staat bent een schepsel te worden dat aan de norm voldoet, is dat tragisch.

9 maart 2020

Vorige: Punt negen: ze doen alleen hun plicht om zich te onderscheiden en hun eigen belangen en ambities te voeden; ze denken nooit aan de belangen van Gods huis en verraden die belangen zelfs in ruil voor persoonlijke glorie (deel 8)

Volgende: Artikel tien: Ze verachten de waarheid, schenden in het openbaar principes en negeren de regelingen van Gods huis (deel 1)

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Wat weet jij over het geloof?

In de mens bestaat alleen het onzekere woord van geloof, maar de mens weet niet waar geloof uit bestaat, laat staan waarom hij geloof...

Wat is jouw begrip van God?

Mensen geloven al heel lang in God, toch weten de meesten niet wat het woord ‘God’ betekent, en volgen ze slechts in verbijstering. Ze...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek