Hoe de waarheid na te streven (22)

Hoe voelen jullie je na het horen van de uitspraken en inhoud over de eigenschappen van menselijkheid waarover de afgelopen periode is gecommuniceerd? Is het jullie wat duidelijker geworden wat de eigenschappen zijn van mensen die werkelijk menselijkheid bezitten? (Het is ons wat duidelijker dan voorheen.) Zijn jullie dus na het horen hiervan tot een conclusie gekomen over wat de belangrijkste kenmerken zijn van mensen die de eigenschappen van menselijkheid bezitten? Kunnen jullie zien wat de kenmerken van iemands menselijkheid zijn, gebaseerd op de details en bijzonderheden waarover is gecommuniceerd? (Door Gods recente communicatie begrijp ik nu dat mensen met de eigenschappen van menselijkheid geweten en verstand bezitten, en in staat zijn goed van kwaad te onderscheiden.) Een persoon van wie zijn menselijkheid de eigenschappen van geweten en verstand bezit, bekijkt mensen en dingen op basis van het fundament van zijn geweten en verstand, en gedraagt zich en handelt daarnaar. Zijn opvattingen over mensen en zijn principes voor zelf-gedrag zijn gebouwd op dit fundament van geweten en verstand. Dit is heel accuraat, nietwaar? (Ja.) Een persoon die geen geweten en verstand bezit, heeft bepaalde kenmerken wat betreft zijn opvattingen over mensen en zijn principes voor zelf-gedrag. Mensen die wel geweten en verstand bezitten, hebben daarentegen ook bepaalde kenmerken wat betreft hun opvattingen over mensen en hun principes voor zelf-gedrag. Deze kenmerken zijn absoluut niet hol; ze worden daadwerkelijk onthuld en gemanifesteerd in het dagelijks leven van mensen met geweten en verstand. In welk tijdperk of in wat voor soort sociale omgeving iemand ook leeft, als hij geweten en verstand bezit, zal hij enkele eigenschappen van menselijkheid uitleven. Bij elke kwestie in zijn leven, of bij de meeste kwesties die betrekking hebben op gedachten, gezichtspunten en principes voor zelf-gedrag, zal hij duidelijk de eigenschappen van geweten en verstand onthullen; dit is absoluut niet iets hols. Toets dit maar eens aan de mensen om jullie heen – is dit niet het geval? (Dat is het.) Wanneer iemand geweten en verstand bezit, zal hij uitingen van oprechtheid en goedheid hebben. Aangezien zijn geweten hem dwingt en op hem inwerkt, zal hij bepaalde grenzen hanteren wat betreft de manier waarop hij zich gedraagt en handelt. En door de functie van zijn verstand en het beteugelende effect dat het op hem heeft – of, binnen de grenzen van zijn verstand – zal hij specifieke uitingen hebben en het op een specifieke manier uitleven. Kijk dus, om te bepalen of iemand geweten en verstand bezit, naar zijn daadwerkelijke uitingen. Kijk of zijn gebruikelijke gezichtspunten, principes en grenzen wat betreft de manier waarop hij mensen en dingen bekijkt, en hoe hij zich gedraagt en handelt, in overeenstemming zijn met de normen van geweten en verstand, en of zijn absolute ondergrens binnen de grenzen van geweten en verstand ligt en door zijn geweten en verstand worden beheerst. Als bij het bekijken van mensen en dingen, en bij het zich gedragen en handelen, het geweten en verstand van een persoon niet functioneren, en hijzelf niet wordt beheerst en beteugeld door zijn geweten en verstand, dan zal hij vaak laten zien dat hij tegen geweten en verstand ingaat, of dat hij zijn geweten en verstand heeft verloren. Wat deze persoon in het dagelijks leven uit en uitleeft is simpelweg een gebrek aan geweten en een afwezigheid van verstand. Wanneer hij met kwesties wordt geconfronteerd, kraamt hij alleen maar verwrongen redeneringen uit, en zijn gedachten en gezichtspunten zijn bijzonder extreem, koppig en abnormaal. Hij is niet kieskeurig wat betreft de manier waarop hij spreekt, en hij maakt bij het spreken geen onderscheid tussen insiders en buitenstaanders; alles wat hij zegt is onzinnig en verward. Ook zijn handelingen overschrijden vaak de grenzen van het verstand, zijn verstoken van principes, grenzen en al helemaal van wijsheid. Hij is ook bijzonder onstuimig; hij doen alleen maar dwaze en domme dingen. Of het nu gaat om de omgang met anderen of het afhandelen van zaken, hij kan nooit de juiste principes of richting vinden, laat staan dat hij enige principes of grenzen heeft wat betreft hoe hij zich moet gedragen. Hij weet niet hoe hij zich moeten gedragen; hij weet niet wat het betekent om zich te gedragen of wat voor soort persoon hij zou moeten proberen te zijn, noch weet hij wat een waar leven is of wat voor pad mensen zouden moeten bewandelen. Hij heeft absoluut geen besef van deze dingen in zijn hart; hij leeft zijn dagen in een waas, zonder enige doelen of enige richting. Telkens wanneer hij tegen iets aanloopt, moddert hij maar wat aan, niet in staat om er enige ervaring of lessen uit te trekken, of er correcte beoefeningspaden aan over te houden. Hoe lang hij ook leeft, hij blijft altijd dwaas en verward. Bezit zo’n mens geweten en verstand? (Nee.) Hij lijkt elke dag heel gelukkig en onbezorgd te leven, hij gedraagt zich als een zorgeloze dwaas en ervaart geen moeilijkheden. Maar wanneer hij met kwesties wordt geconfronteerd dan blijkt dat, hoe meer deze kwesties betrekking hebben op gedachten, gezichtspunten en principes voor zelf-gedrag, hoe verwarder en radelozer hij wordt. Vooral wanneer hij complexe mensen, gebeurtenissen en dingen tegenkomt, ontbreekt het hem zelfs aan de meest elementaire wijsheid, intelligentie en principes voor zelf-gedrag. Of het nu gaat om IQ of principes voor zelf-gedrag, zo’n mens mist de eigenschappen van menselijkheid. Levend in deze wereld zullen mensen te maken krijgen met allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen, evenals met de grote en kleine kwesties van het leven. Een waar mens bezit geweten en verstand; wanneer hij deze mensen, gebeurtenissen en dingen tegenkomt, heeft hij principes, en bezit hij enkele relatief correcte en positieve gedachten en gezichtspunten. Bovendien zal hij, wanneer hij met deze mensen, gebeurtenissen en dingen te maken krijgt, oordelen vellen binnen de grenzen van rationaliteit. Zelfs als hij Gods werk niet heeft aanvaard en de waarheid niet begrijpt, zal hij nog altijd oordelen vellen en deze kwesties aanpakken binnen de grenzen van geweten en verstand. Hij is niet dwaas of verward wanneer hij met situaties wordt geconfronteerd, maar wordt veeleer gedreven en beteugeld door zijn geweten en verstand. Hij zal dus over basisprincipes voor zelf-gedrag beschikken wanneer hij deze kwesties moet aanpakken. Naast oprechtheid en vriendelijkheid is een ander zeer duidelijk kenmerk van mensen die de eigenschappen van geweten en verstand in hun menselijkheid bezitten, het hebben van een gevoel van schaamte. Ik heb al eerder een beetje gecommuniceerd over het hebben van een gevoel van schaamte toen ik communiceerde over de uitingen van oprechtheid en goedheid. Behalve waarover ik toen heb gecommuniceerd, is er nog veel inhoud die specifieker is, en daar zullen we vandaag mee verdergaan.

Aangezien iemand die geweten en verstand bezit een functionerend geweten heeft en ook verstand bezit, is het zeker dat hij duidelijk het kenmerk van het hebben van een gevoel van schaamte zal bezitten in hoe hij zich gedraagt. Laten we het eerst hebben over enkele uitingen en gezegden over het hebben van een gevoel van schaamte die jullie in het dagelijks leven zijn tegengekomen. Er zijn bijvoorbeeld bepaalde obscene woorden die je niet over je lippen kunt krijgen; het idee dat je zulke dingen zou zeggen is gênant – is dit het hebben van een gevoel van schaamte? (Ja.) En er zijn sommige dingen die lelijk en boosaardig zijn; ze kunnen niet in de openbaarheid worden gebracht, en je kunt het niet opbrengen om ze te doen – is dit het hebben van een gevoel van schaamte? Wanneer je beschamende dingen doet, voel je wroeging in je hart en haat je jezelf – is dit het hebben van een gevoel van schaamte? (Ja.) Welke andere uitingen zijn er? (Mensen met een gevoel van schaamte geven om hun trots, en weten zich te schamen wanneer dat nodig is.) Dit zijn dingen die iedereen kan bedenken. Wat is een andere manier om ‘het hebben van een gevoel van schaamte’ te verwoorden? (Het hebben van een schaamtegevoel.) Zeggen we in het dagelijks leven niet vaak: “Heb je dan helemaal geen schaamte?” (Ja.) Waar gaat het bij het hebben van een gevoel van schaamte voornamelijk om? Heeft het te maken met integriteit en waardigheid? (Ja.) Wanneer een persoon een gevoel van schaamte heeft, hecht hij bijzonder veel waarde aan zijn eigen integriteit en waardigheid. Hij zal zijn integriteit niet opgeven of zijn waardigheid gebruiken om dingen die mensen als goed beschouwen of dingen die gunstig voor hemzelf zijn te krijgen. In zekere zin betekent het hebben van een gevoel van schaamte het beschermen van iemands integriteit en waardigheid, zelfs als dit betekent dat persoonlijke belangen moeten worden opgeofferd. Het geweten van mensen met een gevoel van schaamte functioneert wanneer ze handelen; dat wil zeggen, in de ogen van anderen hebben ze relatief meer integriteit en waardigheid. In hun spreken en handelen hebben ze niets te verbergen en zijn ze open en eerlijk. Ze doen geen verachtelijke en smerige dingen, en de principes waaraan ze vasthouden en de redeneringen die ze uiten, kunnen de toets van de kritiek van mensen doorstaan; anderen bekritiseren hen niet achter hun rug om of roddelen niet over hen. Dat wil zeggen, als een persoon een gevoel van schaamte heeft, zullen zijn manieren en methoden waarmee hij dingen doet relatief open en eerlijk zijn. Hij probeert geen dubieuze dingen te doen, en hij is niet verachtelijk of smerig. De grenzen voor de handelingen van zulke mensen en de manieren waarop ze handelen, liggen in wezen binnen de grenzen van geweten en verstand. De principes die mensen met een gevoel van schaamte hebben, de manieren waarop ze zich gedragen, en de doelen die ze stellen voor hun zelf-gedrag, zijn precies zo. Afgezien van deze dingen vertonen mensen met een gevoel van schaamte beslist enkele specifieke uitingen, en leven ze enkele specifieke dingen uit en onthullen ze die. Of ze bezitten, in sommige kwesties, enkele relatief positieve gedachten en gezichtspunten, en laten zich bij hun gedrag leiden door deze positieve gedachten en gezichtspunten en handelen ernaar. Wanneer de kerk bijvoorbeeld leiders op alle niveaus kiest, houden mensen met een gevoel van schaamte, omdat ze verdorven gezindheden bezitten, net als ieder ander van status en koesteren ze ambities. Ze willen ook hooggeacht worden, ze willen status en hoog aanzien onder de mensen hebben – ze zijn in dit opzicht hetzelfde als ieder ander. De manier waarop een persoon met een gevoel van schaamte status verwerft, is echter niet door met alle mogelijke middelen te proberen te pronken en over zichzelf op te scheppen om de hoogachting van de broeders en zusters te winnen, of door schaamteloos met anderen te wedijveren, ongebruikelijke middelen of oneervolle manieren te gebruiken om smerige dingen te doen. Veeleer wil hij als leider worden gekozen op basis van zijn werkelijke capaciteiten; bijvoorbeeld door zijn sterke punten te benutten of ontberingen te doorstaan en een prijs te betalen enkele resultaten te bereiken op een vakgebied – of door zijn menselijkheid goed uit te leven dingen te doen die gunstig zijn voor de broeders en zusters – om zo de erkenning van de meerderheid van de broeders en zusters te krijgen, en zodoende als leider te worden gekozen. Ook hij voelt als hij niet wordt gekozen een beetje wrok vanbinnen. Deze wrok is een normale onthulling van verdorvenheid, en een heel natuurlijke uiting van de verdorven mensheid. Maar hij is in staat deze kwestie correct te bekijken ‘Het feit dat mensen mij niet hebben gekozen, toont aan dat ik nog steeds tekortschiet. Misschien heb ik op sommige gebieden nog steeds tekortkomingen. Ik ben niet gekozen – ik moet nu niet proberen er koppig om te wedijveren. Willen mensen mij kiezen, dan moet ik op zijn minst over wenselijke eigenschappen op het gebied van kaliber, menselijkheid of werkvermogen beschikken. Als ik niet werd gekozen omdat ik geen wenselijke eigenschappen heb, maar ik er toch schaamteloos op zou staan een leider te worden, dan zou dat zo oneervol zijn!’ Hoewel hij zich na het verliezen van de verkiezing vanbinnen een beetje teleurgesteld en verdrietig voelt, is hij in staat over zichzelf na te denken en zichzelf te kennen, en te zien welke tekortkomingen en onvolkomenheden hij heeft. Vervolgens kijkt hij naar welke sterke punten de persoon die is gekozen werkelijk heeft, waarom de broeders en zusters die persoon hebben gekozen, in welke aspecten die persoon het werk beter doet dan hijzelf, en op welke manieren het kaliber van die persoon beter is dan dat van hem. Een persoon met een gevoel van schaamte zal deze kwestie rationeel aanpakken. Nadat hij de verkiezing heeft verloren zal hij zich absoluut niet verzetten, klagen, oordelen vellen of scheldwoorden uiten. Hij zal deze dingen absoluut niet doen. Waarom zal hij deze dingen niet doen? Omdat dit type persoon verstand bezit. Zelfs wanneer hij met enkele tegenslagen en mislukkingen wordt geconfronteerd, verliest hij zijn verstand niet; hij leeft nog steeds binnen de grenzen van het verstand. Zodoende zal hij de kwestie die voorligt rationeel behandelen. Zelfs als zijn verdorven gezindheden hem ertoe aanzetten of op hem inwerken om zich overstuur te voelen, negatief te worden of zich zelfs enigszins rebels te voelen, zal hij, omdat hij verstand bezit, in korte tijd snel zijn mentaliteit en gesteldheid aanpassen, en het feit dat hij de verkiezing heeft verloren vervolgens rationeel verwerken. Hij zal niet wedijveren om de positie van leider, noch zal hij achterbakse middelen of manieren gebruiken om zijn doel te bereiken; hij zal geen dingen doen die te ver gaan. Dat wil zeggen, in de ogen van anderen is deze persoon hetzelfde als andere mensen met verdorven gezindheden: hij houdt ook van status en heeft de ambitie en begeerte om die te verkrijgen, maar zijn liefde voor status en zijn manier om die te verkrijgen vallen onder de reikwijdte die wordt gereguleerd door de eigenschap van het hebben van een gevoel van schaamte binnen zijn menselijkheid. Hij zal geen ongebruikelijke middelen gebruiken om status te verkrijgen, noch zal hij opscheppen omwille van status of om zijn ambitie en begeerte te bevredigen, door schaamteloze dingen te zeggen om hoogachting te winnen. Hij zal zulke dingen absoluut niet zeggen of doen. In plaats daarvan doet hij stilletjes zijn uiterste best de waarheid na te streven en zijn plicht te vervullen. Hij doet meer en spreekt minder, en hij doet zijn best om zijn ambitie en begeerte naar status in toom te houden. Hij hoopt door zijn eigen inspanningen resultaten te bereiken en beter te presteren, en zo voldoende gestalte voor zichzelf op te bouwen om te voldoen aan de voorwaarden om als leider of werker te dienen. Hij hoopt ook dat zijn inspanningen door de broeders en zusters kunnen worden gezien en erkend, en dat hij in de toekomst als leider kan worden gekozen. Zelfs als iemand met een gevoel van schaamte de ambitie heeft om als leider te worden gekozen, doet hij nog steeds relatief rationele dingen die binnen de grenzen van geweten en verstand liggen. Met andere woorden, zelfs als hij de ambities van de verdorven mensheid heeft, geeft hij nog steeds om zijn integriteit en waardigheid; zonder zijn integriteit en waardigheid op te geven, doet hij dingen die als juist, correct en relatief positief worden beschouwd volgens de ideeën en noties van de verdorven mensheid. Een persoon met een gevoel van schaamte toont dit gevoel van schaamte dus bijzonder duidelijk, zelfs wanneer status en begeerte hem parten spelen. Zelfs als hij van status houdt en een leider wil zijn, blijft hij om zijn integriteit en waardigheid geven. Dat wil zeggen, zijn gedachten en gezichtspunten met betrekking tot zulke zaken, evenals zijn manieren en principes van handelen, zijn relatief rationeel en positief. Om te beginnen verzint hij geen feiten om op bedrieglijke wijze het vertrouwen of de hoogachting van mensen te winnen; bovendien gebruikt hij geen gladde praatjes of een valse uiterlijke verschijning om mensen te misleiden zodat zij hem sympathiek vinden, teneinde hun hoogachting te winnen. Zelfs als hij van status houdt en als leider gekozen wil worden, verzint hij geen dingen, houdt hij zich niet bezig met bedrog en gebruikt hij geen tactieken. Hij gelooft dat zijn belangrijkste basisprincipe moet zijn dat hij de dingen op een nuchtere manier doet, dat hij zich nauwgezet inspant om te doen wat God vereist en wat juist is, dat hij ernaar streeft het goed te doen, en dat hij meer moeite moet steken in de waarheid. Hij denkt bij zichzelf: ‘Als ik de waarheid beter begrijp en weet hoe ik over de waarheid moet communiceren, zullen de broeders en zusters mij dan niet als leider kiezen?’ Hij hoopt erkenning te krijgen door zijn eigen inspanningen, door deze uitingen van geweten en verstand praktisch uit te leven, in plaats van door verzinsels. Om het in alledaagse taal te zeggen: hij wil erkenning krijgen door te vertrouwen op zijn werkelijke capaciteiten, daadwerkelijke talenten en praktische werk, om vervolgens de kans geboden te krijgen als leider te worden gekozen. Denk je dat zulke mensen een gevoel van schaamte bezitten? (Ja.) Zouden jullie zeggen dat dit een objectieve evaluatie van dit type persoon is? (Dat is het.) In welk opzicht is het objectief? (Hoewel dit type persoon ook van reputatie en status houdt, en ambities en begeerten heeft, kan hij nog steeds de normen van het geweten hanteren om zichzelf te beteugelen, en geeft hij om zijn integriteit en waardigheid. Hij houdt zich niet bezig met voorwendselen of bedrog om de hoogachting en het vertrouwen van mensen te winnen; veeleer wil hij erkenning krijgen door oprecht een prijs te betalen en zich in te spannen. Ik voel dat zulke mensen, relatief gesproken, enig gevoel van schaamte hebben.) Als iemand, wanneer hij wordt geconfronteerd met status, niet eens de uitingen van geweten en verstand heeft, en mensen toch zeggen dat hij een gevoel van schaamte heeft, zijn deze woorden dan niet hol en onpraktisch? (Ja.) Onder welke omstandigheden is het dan objectief en niet hol om te zeggen dat iemand een gevoel van schaamte heeft? Dat is wanneer ze tegen bepaalde kwesties aanlopen werkelijk de uitingen vertonen die wijzen op het hebben van geweten en verstand, wat de uiting van een gevoel van schaamte omvat die in normale menselijkheid wordt gevonden. Is een gevoel van schaamte iets dat mensen met normale menselijkheid zouden moeten bezitten? (Ja.)

Wat voor soort uitingen heeft een persoon met een gevoel van schaamte wanneer hij zich onder andere mensen bevindt? Hij onderneemt praktische actie. Hij vertrouwt niet op middelen zoals kruipen en vleien, kliekjes vormen, anderen opruien, dingen verzinnen, zijn toevlucht nemen tot voorwendselen, bedriegen, liegen, of zich in het gezicht van mensen op de ene manier gedragen en achter hun rug om op een andere, om het prestige en de status te verkrijgen die hij wil; in plaats daarvan werkt hij hard en gestaag door. Wat is hier het objectieve feit? Het is dat mensen met een gevoel van schaamte, omdat ze verdorven gezindheden hebben, heel natuurlijk enkele eigenschappen, gedachten en gezichtspunten, en ambities en begeerten van de verdorven mensheid zullen vertonen; dit is heel normaal. Maar ondanks dat ze ook ambities hebben en van status houden, zullen mensen met een gevoel van schaamte geen ongebruikelijke middelen gebruiken om status te verkrijgen; veeleer willen ze vertrouwen op hun werkelijke capaciteiten om praktische actie te ondernemen. Natuurlijk, als dit type persoon aan de norm voldoet wat betreft zijn kaliber, menselijkheid en alle andere aspecten, is het slechts een kwestie van tijd voordat hij daadwerkelijk als leider wordt gekozen. Maar wat gebeurt er uiteindelijk in een sociale groep of op de werkplek met deze mensen die geweten en verstand hebben? Niet alleen zullen ze niet worden gepromoveerd of op belangrijke posities worden geplaatst, maar ze zullen zelfs worden buitengesloten en onderdrukt. Ze kruipen en vleien niet, noch proberen ze in de gunst te komen bij leiders of geven ze hun geschenken, laat staan dat ze proberen op een goed blaadje te komen bij hun collega’s. Ze maken geen gebruik van tactieken of proberen zich niet bezig te houden met bedrog, noch gebruiken ze sluwe filosofieën voor wereldlijke betrekkingen om beide partijen te vriend te houden. Als je hun zou vragen deze dingen te doen, zouden ze zich altijd beschaamd voelen; ze zouden het niet over hun hart kunnen krijgen om ze te doen. Als je hun zou vragen om bij de leiders te kruipen en niets dan goede dingen over hen te zeggen, zouden ze het niet over hun hart kunnen krijgen om dat te doen, aangezien ze niets goeds in de leiders zien. Als ze tegen hun ware gevoelens in zouden gaan en een vleiende opmerking zouden uiten zoals: ‘De leiders houden zich elke dag met talloze zaken bezig en doen hun uiterste best voor ons’, zouden ze zich beschaamd voelen en zichzelf later, na het gezegd te hebben, wel voor hun kop kunnen slaan. Ze denken bij zichzelf: deze leiders besteden de hele dag aan eten, drinken en feesten; ze zijn dik en hebben een rode blos. Hoezo houden ze zich elke dag met talloze zaken bezig? Het zijn allemaal corrupte functionarissen die geen behoorlijk werk doen, maar alleen maar eten, drinken, hoereren en gokken. Het zijn allemaal duivels die mensenvlees eten en mensenbloed drinken! Ze haten deze mensen diep vanbinnen en willen niet tegen hun ware gevoelens ingaan door ook maar één vleiend woord tegen hen te zeggen. Ze vinden het misselijkmakend om vleiende dingen te zeggen, en zouden dat voor geen goud doen. Hoewel ze enigszins zijn besmet door maatschappelijke trends en sommige dingen kunnen zeggen die tegen hun ware gevoelens ingaan, hebben ze een grens; ze zullen niet te ver gaan en overdreven vleiend worden. Als ze daadwerkelijk geschenken geven en om gunsten vragen om iets gedaan te krijgen, is dat omdat ze geen andere keuze hadden. Alleen wanneer ze echt in het nauw worden gedreven en geen andere opties hebben, zullen ze tegen hun ware gevoelens ingaan en zoiets doen. Maar nadat ze het hebben gedaan, zullen ze er spijt van hebben, met het gevoel dat ze hun waardigheid hebben verloren en zich te veel schamen om wie dan ook onder ogen te komen. Het laat een litteken achter in hun hart, en ze zullen deze kwestie de rest van hun leven niet kunnen verwerken. Wanneer mensen met een gevoel van schaamte zich in bepaalde speciale omstandigheden bevinden waarin ze, door een gevoel van machteloosheid, de druk van het leven of druk van buitenaf, geen andere keuze hebben dan dingen te doen waardoor ze hun integriteit en waardigheid opgeven, wordt dit een bron van vernedering voor de rest van hun leven. Telkens wanneer ze eraan denken, voelen ze spijt en een doffe pijn in hun hart, en zweren ze zoiets nooit meer te doen.

Het hebben van een gevoel van schaamte is een duidelijk kenmerk onder de eigenschappen van menselijkheid. Dit kenmerk kan mensen ervan weerhouden dingen te doen waardoor ze hun integriteit en waardigheid opgeven, of hen helpen zulke dingen minder te doen. Het kan mensen ook beschermen tegen het overschrijden van de grenzen van geweten en verstand, en hen helpen ervoor te kiezen relatief positieve en correcte dingen te doen. Dit is heel belangrijk. Zelfs als het gaat om status, eigenbelang en geld, en zelfs als het gaat om kwesties als rondkomen en overleven, worden mensen met een gevoel van schaamte bij alles wat ze doen nog beteugeld door hun geweten en verstand, en zullen ze deze grenzen niet overschrijden. Als ze deze af en toe toch overschrijden, en dingen doen die tegen hun geweten en verstand ingaan, waardoor ze hun waardigheid opgeven en hun integriteit verliezen, dan zal hun gevoel van schaamte nog sterker worden, en zal het gevoel van verwijt van hun geweten intenser worden. Dit komt doordat, zodra dit type persoon de grenzen overschrijdt die door zijn gevoel van schaamte zijn vastgesteld, of zich losmaakt van de beheersing en beteugeling die zijn gevoel van schaamte biedt, hij zich nog ongemakkelijker en schuldiger zal voelen, en zichzelf in zijn hart nog meer de schuld zal geven. Je kunt dus zien dat wanneer mensen die een gevoel van schaamte hebben zich in het gezelschap bevinden van mensen met status en aanzien, ze erg geïsoleerd en misplaatst overkomen, en anderen zelfs de indruk geven dat ze een beetje een zonderling zijn. Degenen die absoluut verstoken van geweten en verstand zijn, kunnen het uitstekend met elkaar vinden, terwijl mensen met geweten en verstand zich bijzonder ongemakkelijk voelen wanneer ze onder zulke mensen zijn. Mensen zonder geweten en verstand voelen zich vanbinnen niet overstuur, hoezeer hun woorden ook in strijd zijn met de feiten, noch voelen ze ook maar iets, hoe schaamteloos hun uitspraken ook zijn. Omdat mensen met geweten en verstand een gevoel van schaamte hebben, kunnen zij het daarentegen niet alleen niet over hun lippen krijgen om deze dingen te zeggen, maar voelen ze zich ook ongemakkelijk en vinden ze het onverdraaglijk om zulke dingen te horen. Het is dus een kwelling voor hen om met mensen die geen gevoel van schaamte hebben om te gaan. Deze kwelling komt enerzijds voort uit hun eigen gevoel van schaamte, en anderzijds uit het feit dat ze worden buitengesloten. Omdat hun principes voor zelf-gedrag en het aanpakken van zaken bij anderen de indruk wekken dat ze heel eigenaardig en zonderling zijn, alsof ze volledig losstaan van wereldse zaken, en ze door anderen als schijnheilig worden beschouwd, sluiten mensen hen uit of blijven ze bij hen uit de buurt. Daarom zal dit type persoon onder ongelovigen aan de kant worden geschoven, vooral op de werkplek. In de woorden van ongelovigen: zulke mensen zijn nergens welkom. Ongelovigen willen allemaal hogerop komen door allerlei ongebruikelijke middelen te gebruiken, en nemen hun toevlucht tot alle mogelijke middelen om te krijgen wat ze willen. Mensen met een gevoel van schaamte willen daarentegen altijd eerlijk, redelijk en rechtvaardig de kost verdienen, vertrouwend op hun capaciteiten. Dit brengt hen nergens in welke sociale groep dan ook, omdat de spelregels in zo’n groep nu eenmaal niet eerlijk zijn; veeleer volgt iedereen ongeschreven regels. Degenen die het voor de wind gaat en die prestige hebben, zijn bedreven in het leven naar deze ongeschreven regels, terwijl mensen met een gevoel van schaamte, omdat ze hun integriteit en waardigheid beschermen, die ongeschreven regels van de maatschappij nooit kunnen aanvaarden. Ze snappen deze regels niet, ze houden er niet van, en weigeren juist daarom deze te gebruiken. Binnen groepen mensen is het dus zo dat, daar waar anderen misschien worden gepromoveerd of door leiders worden hooggeacht, zij, omdat ze een gevoel van schaamte hebben, altijd strikt volgens het boekje spreken en handelen en zeggen wat ze op het hart hebben. Af en toe beledigen ze dan uiteindelijk hun collega’s en leiders, raken ze de leiders op hun gevoelige plekken en spreken ze precies de woorden die de leiders het minst willen horen. Tegen de tijd dat ze het beseffen, is het al te laat. En wat gebeurt er uiteindelijk? Hoeveel jaar ze ook hun best hebben gedaan of hoe lang ze ook al in dienst zijn, ze worden nooit gepromoveerd of op belangrijke posities geplaatst. Is het voor degenen met geweten, verstand en een gevoel van schaamte een zegen of een kwelling om onder zulke mensen te leven? (Een kwelling.) Wanneer ze deze maatschappij en deze verdorven mensheid niet kunnen doorzien, proberen ze met alle mogelijke middelen te integreren in deze maatschappij en hun plek te vinden onder de mensen waartussen ze leven. Omdat ze echter geweten en verstand hebben, kunnen ze het niet over hun hart krijgen om dingen te doen die tegen hun integriteit en waardigheid ingaan. Hoe hard ze ook proberen, en hoeveel moeite ze ook doen of hoeveel offers ze ook brengen, het eindresultaat is dus dat ze nooit kunnen integreren in deze maatschappij en nooit hun plek kunnen vinden onder de mensen waartussen ze leven; ze vallen altijd uit de toon bij die mensen, en weten niet eens waarom. Ze zeggen bij zichzelf: ‘Deze maatschappij is zo onrechtvaardig. Als je geen gebruik weet te maken van tactieken of niet weet hoe je moet kruipen en vleien, maar altijd je integriteit en waardigheid wilt beschermen of je doelen wilt bereiken, kom je nergens, in welke groep mensen dan ook.’ Dit is de ervaring die mensen met een gevoel van schaamte opdoen door zich in de maatschappij staande te houden. Welk gevoel houden ze er uiteindelijk aan over? Houden ze van deze menselijke maatschappij, of zijn ze erin teleurgesteld? (Teleurgesteld.) Ze kunnen alleen maar teleurgesteld zijn. Ze storten zich vol hoop in de maatschappij, met het gevoel dat goede mensen nog steeds de meerderheid vormen in de maatschappij, en dat er in de maatschappij eerlijkheid en gerechtigheid is, en een plek waar mensen hun zaak kunnen bepleiten. Maar wat levert het hun uiteindelijk op nadat ze zoveel jaren zo druk in de weer zijn geweest in de maatschappij? Wat het ze oplevert is het besef dat er niet alleen geen eerlijkheid of rechtvaardigheid is in de mensenwereld, maar dat die ook sinister is. Wanneer een tijger je bespringt, kun je tenminste proberen hem te ontwijken; maar wanneer mensen achter je aan zitten, krijg je niet eens de kans om het te proberen. Dit is waar ze uiteindelijk meer achterblijven: ze raken ontmoedigd en teleurgesteld in de maatschappij en de mensheid. Ze willen deze mensen imiteren door gebruik te maken van tactieken, te kruipen en te vleien, dicht bij leiders en superieuren te komen, geschenken te geven en op een goed blaadje te komen bij mensen, maar hoe ze het ook proberen, ze kunnen nooit leren hoe ze deze dingen moeten doen; ze kunnen niet eens een paar vleiende woorden vlot uitspreken, en wanneer ze het proberen, staan ze uiteindelijk voor schut en worden ze het lachertje. Levend in deze maatschappij hebben ze echter geen andere keuze dan zich zo te gedragen. Elke dag is hun geweten beladen met zelfbeschuldiging en een gevoel van onbehagen. Ze hebben het gevoel dat ze geen hoop hebben in het leven; alles is ofwel stressvol ofwel kwellend, en ze hebben elke dag een gevoel van frustratie. Voor deze groep mensen is het kwellend om geconfronteerd te worden met de verschillende kwesties die opduiken in deze maatschappij, en deze kwelling geeft hun een enorm gevoel van onbehagen in hun hart. Hoewel ze leren om enkele schaamteloze dingen te zeggen, of anderen imiteren in het doen van dingen die tegen hun geweten en verstand ingaan, hebben ze vanbinnen een gevoel van onbehagen, zelfverwijt en zelfbeschuldiging. Hoe ongemakkelijker ze zich vanbinnen voelen, hoe meer ze deze maatschappij en de mensheid in hun hart haten, nietwaar? (Ja. Ze zullen voelen dat deze maatschappij onrechtvaardig is en gaan haar haten.) Ze zullen de mensheid haten en deze maatschappij haten. Ze hopen dat er eerlijkheid en rechtvaardigheid zal ontstaan, dat er iemand zal verschijnen die gerechtigheid en eerlijkheid hoog kan houden, en dat er een plek zal zijn waar mensen hun zaak kunnen bepleiten. Maar dit zijn slechts wensen, ze kunnen niet in het werkelijke leven worden gerealiseerd; er is in de maatschappij geen plek voor mensen om hun zaak te bepleiten. Hoewel de invloed van deze maatschappij en het leven te midden van verschillende boosaardige groepen mensen ertoe leiden dat ze onbewust besmet raken door dingen die gepopulariseerd en gepromoot worden in boosaardige trends, of die relatief trendy zijn, verdwijnen of veranderen het gevoel van schaamte diep in hun hart en hun verlangen naar gerechtigheid en positieve dingen nooit. In hun hart hopen ze nog steeds dat er eerlijkheid en rechtvaardigheid zal ontstaan, zodat ze zich niet hoeven te gedragen op een manier die in strijd is met hun ware gevoelens, dat ze hun eigen integriteit en waardigheid niet hoeven te verraden, en hun gevoel van schaamte niet hoeven op te geven om in hun levensonderhoud te voorzien en te overleven, en zo schaamteloos te leven en zich te gedragen. Hoewel het feit dat ze zo lang onderdeel uitmaken van de maatschappij en onder verdorven mensen leven ertoe heeft geleid dat ze besmet zijn geraakt door enkele slechte gewoonten en ertoe heeft geleid dat ze zich hebben aangepast aan maatschappelijke trends, waardoor het lijkt alsof hun geweten en verstand zijn aangetast en verduisterd, zullen hun geweten en verstand, als ze ware mensen zijn, nooit verdwijnen. Aangezien hun geweten en verstand niet zullen verdwijnen, zal hun gevoel van schaamte er altijd zijn. Het is alleen zo dat ze, doordat ze zo lang in de maatschappij hebben geleefd en veel kennis hebben opgedaan en veel filosofieën voor wereldlijke betrekkingen hebben geleerd, enkele slechte gewoonten in hun menselijkheid hebben opgepikt en enkele dingen van Satan en duivels in hun gezindheid hebben verworven, waardoor hun geweten en verstand relatief verdoofd en traag zijn geworden. Maar zolang ze mensen zijn en hun menselijkheid de eigenschappen van geweten en verstand bezit, zal hun gevoel van schaamte er altijd zijn – zulke mensen zijn degenen die gered kunnen worden.

Wanneer iemand geweten en verstand bezit, bezit hij ook een gevoel van schaamte. Iemand met een gevoel van schaamte is een persoon die integriteit en waardigheid heeft, en zo iemand zal eerlijkheid en rechtvaardigheid, en positieve dingen liefhebben. Dat wil zeggen, afgaande op hun aard-essentie, hebben ze positieve dingen lief; het is alleen zo dat voordat ze begrijpen wat positieve dingen zijn, ze niet weten waar ze wel of niet van zouden moeten houden. Zodra ze begrijpen wat positieve dingen en negatieve dingen zijn, wordt hun voorkeur voor positieve dingen specifieker en preciezer. Als iemand geweten en verstand bezit, is een fundamentele uiting van zijn kwaliteiten van menselijkheid een liefde voor eerlijkheid en rechtvaardigheid. Hij hoopt dat hij, levend te midden van anderen, eerlijk behandeld kan worden, geen gebruik hoeft te maken van tactieken of listen, en geen ongeschreven regels hoeft te volgen. Hij hoopt dat de interacties tussen mensen eerlijk kunnen zijn en dat mensen rechtvaardig behandeld kunnen worden. Dat wil zeggen, hij hoopt dat de dingen rechttoe rechtaan en duidelijk kunnen zijn: als je iets verkeerds hebt gedaan, heb je iets verkeerds gedaan en zou je de straf moeten krijgen die je verdient, terwijl als je niets verkeerds hebt gedaan en een bijdrage hebt geleverd, je beloond zou moeten worden. Als mensen vaardigheden en ware kennis bezitten en praktische scholing hebben genoten, zouden ze gerespecteerd, bevorderd en op belangrijke posities geplaatst moeten worden. Als het hun ontbreekt aan ware kennis en praktische scholing, zouden ze niet op belangrijke posities geplaatst moeten worden. Degenen met geweten en verstand houden van dit soort mensen, en ze houden van dit soort leefomgeving. Zelfs als ze, na lange tijd in de maatschappij te hebben doorgebracht, enkele slechte gewoonten hebben ontwikkeld of onder invloed van kwaadaardige trends enkele foutieve en absurde gedachten en gezichtspunten hebben aanvaard, en tegenslagen hebben geleden en tegen muren zijn gelopen, voelen ze uiteindelijk dat het niet meer dan juist is om terug te keren naar het hebben van een gevoel van schaamte. In hun handelingen zullen ze onbewust terugkeren naar het principe van het beschermen van hun eigen integriteit en waardigheid. Wanneer dit type persoon lange tijd in de maatschappij en onder anderen doorbrengt en door hen wordt beïnvloed, is het alsof een stuk fijn jade op een vuilnisbelt wordt gegooid en met vuil wordt bedekt. Zelfs als het vuil heel dik en vies is, blijft de essentie van de jade onveranderd; zodra het vuil is verwijderd, is wat tevoorschijn komt nog steeds een stuk jade. Wanneer mensen die geweten, verstand en een gevoel van schaamte bezitten dus naar Gods huis komen, voldoen de leefomgeving daar, evenals het werk dat God doet en de woorden die Hij uitdrukt, perfect aan de behoeften diep in hun hart. Wat zijn de behoeften diep in hun hart? Ze hebben eerlijkheid en rechtvaardigheid lief, hebben positieve dingen lief, verafschuwen boosaardigheid, verafschuwen de ongeschreven regels van de maatschappij, en verafschuwen de onderlinge strijd en het gekonkel tussen mensen. Als zulke mensen naar Gods huis komen en – door de blootlegging, het oordeel en de tuchtiging van Gods woorden te ervaren, en daarna Gods beproevingen en loutering te ondergaan, en zich uiteindelijk aan Gods woorden te onderwerpen en het oordeel en de tuchtiging van Zijn woorden te aanvaarden – beetje bij beetje de diverse verdorven gezindheden afwerpen die vanuit hun menselijkheid worden onthuld, evenals het alledaagse vuil en de slechte gewoonten in hen, dan zullen ze nieuwe mensen worden. Dat wil zeggen, zodra mensen met een gevoel van schaamte aan deze basisnorm van menselijkheid voldoen – de waarheid aanvaarden, zich aan Gods woorden onderwerpen, en mensen en dingen bekijken, en zich gedragen en handelen volgens Gods woorden – kunnen ze, op basis van Gods woorden, hun verdorven gezindheden en diverse onjuiste gedachten en gezichtspunten kennen, evenals de foutieve manieren waarop ze zichzelf gedragen en de verkeerde wegen die ze hebben gekozen. Of men nu deze dingen van de maatschappij heeft geleerd of dat ze rechtstreeks voortkomen uit Satans verdorvenheid, als ze een gevoel van schaamte bezitten, zullen ze nadat ze Gods woorden hebben aanvaard in staat zijn de waarheid te beoefenen en deze verdorven gezindheden geleidelijk af te werpen, en zullen ze zodoende een grote hoop hebben op redding.

Als iemand geen gevoel van schaamte heeft, dan bezit hij simpelweg deze basisvoorwaarde van menselijkheid niet: Gods woorden aanvaarden, zich aan Gods woorden onderwerpen, mensen en dingen volgens Gods woorden bekijken, en zich gedragen en handelen volgens Gods woorden. Waarom voldoen ze niet aan deze basisvoorwaarde? Omdat mensen zonder een gevoel van schaamte niet afkerig zijn van negatieve dingen, van de diverse kwaadaardige trends van de maatschappij, en van Satans filosofieën; ze zijn juist dol op deze dingen, en zijn zelfs in staat deze gezichtspunten te aanvaarden, te bepleiten en te verspreiden. Ze vinden dit niet beschamend, noch hebben ze het gevoel dat het ingaat tegen geweten en verstand. Dat wil zeggen, ze hebben totaal geen enkel gevoel van schaamte. Hoezeer ze ook tactieken toepassen of dingen doen die ingaan tegen hoe ze zich werkelijk voelen, ze schamen zich niet. Mensen met menselijkheid en een gevoel van schaamte schamen zich voor hen. Mensen zonder een gevoel van schaamte zijn echter niet alleen niet in het minst afkerig van het doen van deze dingen, ze genieten er zelfs van. Mensen zonder een gevoel van schaamte zijn helemaal in hun element in de gigantische beerput die de maatschappij is, ze hebben geen enkel gevoel van afkeer of haat – het is precies de plek waar ze zich in hun element voelen. Ze haten eerlijkheid en rechtvaardigheid, en ze haten het ook wanneer anderen hen op een rechtvaardige manier behandelen. Ze houden simpelweg van deze oneerlijke en onrechtvaardige manieren van de maatschappij, omdat dit hun de kans geeft om via diverse ongepaste middelen te krijgen wat ze willen. Ze vinden dat onrechtvaardigheid geweldig is, en dat deze kwaadaardige trends en ongeschreven regels prachtig zijn. Waarom vinden ze die zo geweldig? Omdat de diverse trends en ongeschreven regels van deze boosaardige mensenwereld hen in staat stellen te krijgen wat ze maar willen, en zo hun ambities, begeerten en diverse boosaardige eisen kunnen worden bevredigd. Zodoende vinden ze deze wereld prachtig. Indien eerlijkheid en rechtvaardigheid in de maatschappij zouden opkomen, zouden ze geen ruimte hebben om te overleven en zouden ze niet in staat zijn hun ambities en begeerten te verwezenlijken. Juist omdat de maatschappij oneerlijk is en ongeschreven regels heeft, hebben ze de kans om te floreren en zich boven de rest te verheffen. Als deze wereld eerlijkheid en rechtvaardigheid zou kennen, zouden deze boosaardige mensen zonder een gevoel van schaamte niet in staat zijn op te vallen. Daarom stoot het hen heel erg af en ontsteken ze in woede wanneer ze woorden van eerlijkheid en rechtvaardigheid horen. Wanneer daarentegen mensen met een gevoel van schaamte woorden van eerlijkheid en rechtvaardigheid horen, voelen ze in hun hart dat het leven vol licht is, en hebben ze hoop. Bij het zien van het licht wordt hun hart bevrijd. Als ze zien dat de maatschappij vol boosaardigheid is, en dat mensen allemaal leven volgens Satans filosofieën en handelen volgens ongeschreven regels, voelen ze dat de weg voor hen somber is en verstoken van licht. Daarom zijn Gods verschijning en werk, en de waarheden die door God worden uitgedrukt, voor mensen met een gevoel van schaamte, precies wat hun innerlijke werelden nodig hebben, en zijn ze ook waar ze in hun hart naar dorsten en op hopen. Gods verschijning, Gods werk en het feit dat de waarheid heerst in Gods huis, stellen mensen met een gevoel van schaamte en de eigenschappen van menselijkheid in staat hoop te zien en het licht te zien. Nadat ze naar Gods huis zijn gekomen, verlangen ze in hun hart naar positieve dingen en zijn ze bereid de waarheid te aanvaarden, hoewel hun verdorven gezindheden nog steeds de leidende rol spelen wanneer ze spreken en handelen. Wat de behoeften van hun menselijkheid betreft: ze worden beheerst door geweten en verstand, hun woorden en daden kunnen worden beteugeld, en ze kunnen zichzelf kennen wanneer ze verdorvenheid onthullen. Als ze de waarheid kunnen gaan begrijpen en volgens principes kunnen handelen, kunnen ze Gods goedkeuring krijgen. Levend in Gods huis voelen ze zich hoopvol; ze zien een mooie toekomst voor zich, en hun hart is vervuld van hoop. Telkens wanneer er wordt gezegd dat ‘de waarheid heerst in Gods huis, dat God rechtvaardig is, en dat overal waar God heerst eerlijkheid en rechtvaardigheid is’, voelen mensen met geweten en verstand zich blij en getroost in hun hart, en natuurlijk verlangen ze er ook naar. Wat betekent ‘verlangen’? Het betekent dat wanneer er wordt gezegd dat ‘de waarheid heerst in Gods huis’, ze zich gelukkig en bevrijd voelen in hun hart; diep vanbinnen zeggen ze amen op deze woorden, en voelen ze een soort vreugde. Wanneer er wordt gezegd dat ‘de waarheid heerst in Gods huis, en dat overal waar God werkt, eerlijkheid en rechtvaardigheid heersen’, voelen mensen van wie hun menselijkheid de eigenschappen van geweten en verstand bezit zich vanbinnen bijzonder voldaan. Deze twee uitspraken geven richting aan hun leven en voldoen ook aan de behoeften van hun menselijkheid. Ze begrijpen misschien niet noodzakelijkerwijs veel van de waarheid, en ze zijn misschien niet noodzakelijkerwijs in staat om veel van Gods woorden te beoefenen, maar alleen al het horen van de zin ‘de waarheid heerst in Gods huis’ zorgt ervoor dat ze zich in hun hart bijzonder getroost en voldaan voelen. Deze zin resoneert sterk bij hen en raakt hun hart; dit is een uiting van de behoeften van hun menselijkheid. Iemands houding ten opzichte van deze zin en wat hij diep in zijn hart voelt, zegt heel veel over zijn essentie en classificatie. Zie je, wanneer Satans en duivels horen dat de waarheid heerst in Gods huis, voelen ze zich afgestoten en zeggen: “Wat bedoel je met ‘de waarheid heerst’? Ik heb de waarheid niet zien heersen!” Wanneer ze horen ‘de waarheid heerst in Gods huis’, voelen ze alsof dit hen veroordeelt en hun leven bedreigt, dus zijn ze erdoor afgestoten; dit is hoe Satans en duivels reageren wanneer ze deze woorden horen. Wanneer daarentegen verwarde mensen en degenen die van dieren zijn deze woorden horen, erkennen ze mondeling dat de waarheid heerst in Gods huis, maar voelen ze absoluut niets in hun hart. Ze voelen geen geluk of vreugde, noch voelen ze ook maar iets resoneren. Hoewel ze het met deze uitspraak eens kunnen zijn en zich er niet tegen verzetten, is het niet iets wat ze in hun hart nodig hebben. Maar een waar mens is anders. Hij verlangt en dorst naar eerlijkheid en rechtvaardigheid. Wanneer hij dus hoort dat de waarheid heerst in Gods huis, loopt zijn hart over van hoop. Zelfs als hij op enkele speciale moeilijkheden en tegenslagen stuit, of oneerlijke behandeling door antichristen en kwaadaardige mensen ondergaat, loopt zijn hart over van hoop, wordt zijn gesteldheid steeds beter wanneer hij eraan denkt hoe de waarheid heerst in Gods huis. Sommigen worden zelfs vervuld van grenzeloze vreugde. De gevoelens die een waar mens heeft bij het horen van de woorden ‘de waarheid heerst in Gods huis’ zijn anders dan die van mensen die van Satan en duivels zijn of die van dieren zijn. Zie je, wanneer een konijn wortels en gras ziet, vindt het die lekker en knabbelt het er eindeloos op. Maar wanneer een wolf wortels en gras ziet, voelt hij zich afgestoten en zegt: “Wat is hier zo lekker aan? Ik vind konijnen en kippen veel lekkerder!” Hoeveel je hem ook vertelt dat wortels en gras voedzaam zijn, het laat de wolf volkomen onberoerd. Wanneer mensen die gereïncarneerd zijn uit dieren de woorden ‘de waarheid heerst in Gods huis’ horen, voelen ze zich er dus in hun hart door afgestoten, hoewel ze in termen van doctrine erkennen dat deze woorden correct zijn. Ze aanvaarden deze woorden in het geheel niet, en zullen nooit erkennen dat ze feitelijk zijn. Daarentegen, wanneer een waar mens hoort ‘de waarheid heerst in Gods huis, en er is eerlijkheid en rechtvaardigheid bij God’, voelt hij zich in zijn hart bijzonder voldaan. Hij voelt dat hij nu een pad heeft, en dat er hoop voor hem is als persoon. Zie je, mensen van verschillende classificaties vertonen verschillende uitingen wat betreft de manier waarop ze dezelfde zaak behandelen. Aangezien een waar mens zulke duidelijke gevoelens heeft bij de zin ‘de waarheid heerst in Gods huis’, zullen degenen met geweten en verstand bijzonder dorsten naar andere waarheden die betrekking hebben op enkele specifieke praktijken en Gods specifieke onderricht aan mensen. Zelfs als momenteel, terwijl hun verdorven gezindheden nog volkomen onveranderd zijn, het beoefenen van de waarheid enigszins moeilijk voor hen is omdat hun gestalte klein is en ze te diep door Satan zijn verdorven, worden ze telkens wanneer ze deze woorden van God lezen in hun hart geraakt en voelen ze zich geïnspireerd. Ze zullen het besluit nemen om zich aan Gods woorden te onderwerpen en ze te beoefenen. Voor hen zijn Gods woorden de drijvende kracht die hen inspireert om op koers te blijven, en natuurlijk vormen ze ook het praktische pad dat ze moeten volgen om ernaar te streven iemand te worden die God liefheeft. Wanner God bijvoorbeeld spreekt over de verhalen van Noach, Job, Abraham en Petrus, zullen mensen met kwaliteiten van menselijkheid zich jaloers voelen nadat ze naar deze verhalen hebben geluisterd. Hoe jaloers worden ze? Om een ongepaste uitdrukking te gebruiken, ze gaan ervan watertanden. Dat wil zeggen, wanneer ze horen dat deze mensen zo’n vrees voor God konden bezitten en zich zo aan Hem konden onderwerpen, willen zij ook zo’n persoon zijn, en denken ze: ‘Ik wil God aanbidden zoals Job en Noach, en ik hoop absolute onderwerping aan God te bereiken zoals Abraham, zonder enige persoonlijke bijbedoelingen.’ Ze hebben een soort verlangen; dat wil zeggen, wanneer ze de verhalen en getuigenissen van deze figuren horen, wordt hun hart geraakt en voelen ze zich geïnspireerd. Wat betekent het dat hun hart wordt geraakt? Het betekent dat ze dit soort persoon willen zijn. Ze voelen dat het goed is om dit soort persoon te zijn en dat het hun innerlijke behoefte is; ze voelen dat wanneer ze zo’n persoon zijn ze God tevreden kunnen stellen, zich aan God kunnen onderwerpen en voor God kunnen getuigen, en dat dit het prachtigste, meest betekenisvolle en meest waardevolle is. In hun ogen zijn deze dingen het kostbaarst en het waard om te koesteren. Wanneer ze dus over deze positieve dingen horen, worden ze in hun hart geraakt; ze hebben ze in het bijzonder lief, zijn er speciaal in geïnteresseerd en zijn er diep van onder de indruk. Omdat deze dingen perfect voldoen aan hun innerlijke behoefte aan eerlijkheid en rechtvaardigheid, en hun dorst naar positieve dingen, zijn deze dingen de dingen waar ze in geïnteresseerd zijn, en zijn dit de dingen waar ze in hun leven niet buiten kunnen. Wat betreft dingen die waardeloos en betekenisloos zijn, daar zijn ze niet in geïnteresseerd. Voordat ze in contact kwamen met de waarheid en Gods woorden, hebben ze misschien enkele wereldse literaire werken of artikelen over levensvisies en levensfilosofieën gelezen. Nadat ze echter in God zijn gaan geloven en met Gods woorden in aanraking zijn gekomen en die dingen vergelijken met de verhalen van de figuren die in Gods woorden worden genoemd of met de waarheden van Gods woorden, houden ze niet langer van die dingen van de ongelovige wereld. Ze houden het meest van deze inhoud die de waarheid betreft. Dat wil zeggen, ze hebben in hun hart een dorst en een verlangen naar positieve dingen, naar Gods woorden en naar de verhalen over figuren die de waarheid belichamen. Het is op dit fundament dat mensen, stap voor stap, de waarheid kunnen gaan begrijpen en de waarheidswerkelijkheid binnen kunnen gaan. Om te beginnen zijn positieve dingen, de waarheid, en eerlijkheid en rechtvaardigheid de behoeften van hun menselijkheid. Met deze behoeften in hun menselijkheid zijn ze, wanneer ze de waarheid horen, in staat om er een dorst en een verlangen naar te tonen, en pas dan kunnen ze een stap verder gaan om die te aanvaarden, zich eraan te onderwerpen en erin binnen te gaan. Alleen zulke mensen hebben de hoop om gezuiverd en gered te worden. Daarom is het heel belangrijk om een gevoel van schaamte in je menselijkheid te hebben.

Als je iemand met een gevoel van schaamte zou vragen om in te gaan tegen zijn integriteit en waardigheid, zou hij zich vanbinnen gekweld voelen; leven met waardigheid en integriteit is een behoefte van zijn menselijkheid. Voortbouwend hierop kan worden gezegd dat het een heel natuurlijke zaak voor hem is om de waarheid te aanvaarden; we zouden ook kunnen zeggen dat het vanzelfsprekend is en, natuurlijk, iets wat relatief gemakkelijk voor hem is. De reden dat we zouden kunnen zeggen dat het relatief gemakkelijk is, is dat mensen nog steeds verdorven gezindheden in zich hebben, maar louter in termen van menselijkheid is het voor mensen met een gevoel van schaamte gemakkelijker om de waarheid te aanvaarden. Bovendien, als mensen met een gevoel van schaamte enkele sterke punten, verdiensten en gaven hebben, zullen ze, zodra ze enkele bijdragen leveren en enige dingen hebben verworven tijdens het vervullen van hun plicht in de kerk, deze heel normaal met anderen delen in het licht van hun geweten en verstand. Alle mensen zijn door Satan verdorven, en wanneer mensen met een gevoel van schaamte hun ervaringen, begrip en verworvenheden delen, scheppen ze af en toe op over hun sterke punten en verdiensten. Omdat ze echter een gevoel van schaamte hebben, zijn ze terughoudend en beheerst in hun daden. Wat stelt hen in staat zo beheerst te zijn? Het komt voort uit hun geweten en verstand. Hoewel ze soms opscheppen en onbewust willen dat anderen hen hoogachten, zullen ze, vanwege hun gevoel van schaamte en de beteugeling door het verstand van hun menselijkheid, zelfs als ze opscheppen, niet zo buitensporig of zo losbandig en ongeremd zijn. Hun spreken is dus relatief objectief en rationeel. Wanneer ze bijvoorbeeld zo erg opscheppen dat het tegen hun gevoel van schaamte ingaat, zullen ze zichzelf inhouden en stoppen, in plaats van schaamteloos en gewetenloos met zichzelf te koop te blijven lopen, op te scheppen, en zichzelf te verheerlijken en over zichzelf te getuigen, of schaamteloos met alle mogelijke middelen de hoogachting, bewondering en verering van mensen na te streven. Ondanks dat ze ook de onthullingen en uitingen van verdorven gezindheden hebben, en de gedachten of begeerten die door verdorven gezindheden worden ingegeven, zullen mensen met een gevoel van schaamte bij het vervullen van hun plicht handelen op basis van geweten en verstand, en op het fundament van het beschermen van hun eigen integriteit en waardigheid. Zelfs als ze een verdorven gezindheid onthullen, zijn daar grenzen aan. Daarentegen proberen mensen zonder een gevoel van schaamte met alle mogelijke middelen op te scheppen en zichzelf te verheerlijken, onder alle omstandigheden en in elke omgeving. Ze spreken zonder enige terughoudendheid en zeggen van alles en nog wat. Ze strijken zelfs de eer op voor de goede dingen die door anderen zijn gedaan, of gebruiken het praten over de tekortkomingen en fouten van anderen om op te scheppen en te vertellen dat ze superieur en beter zijn dan anderen. Daarbij praten ze over hoe goed ze zijn en hoe ze superieur zijn aan anderen door hen te onderdrukken en te kleineren. Voor sommige mensen geldt dat hoe meer mensen er zijn, hoe groter hun verlangen om op te scheppen wordt; wanneer er weinig mensen zijn, voelen ze dat hun verlangen niet bevredigd kan worden. Dus, hoe meer mensen er zijn, hoe meer ze willen opscheppen en zichzelf in de schijnwerpers willen zetten; hoe meer mensen er zijn, hoe schaamtelozer ze worden en hoe minder gevoel van schaamte ze hebben – ze houden eindeloze monologen en zijn niet in staat zichzelf te beheersen. Ze zoeken naar elke gelegenheid om op te scheppen en met zichzelf te koop te lopen, waarbij ze laten zien hoe nobel hun status en positie zijn, hoe hoog hun opleidingskwalificaties zijn, hoe rijk hun kennis is, hoe hoog hun status in de maatschappij is, op welk niveau ze een leiderschapspositie in Gods huis hebben vervuld, welke bijdragen ze hebben geleverd, enzovoort. Ze zoeken naar elke gelegenheid om met hun uitstekende kwaliteiten te koop te lopen en erover op te scheppen dat ze anders zijn dan de rest. Ze scheppen eindeloos op, en hoe meer ze praten, hoe opgewondener ze raken. Als je hen vraagt te communiceren over hun kennis van de waarheid of hun ervaringen met het binnengaan van het leven, zijn hun woorden ongeïnspireerd en zeggen ze slechts een paar dingen. Maar als het erom gaat met zichzelf te koop te lopen, te praten over hoe ze anders zijn dan de rest en welke bijdragen ze hebben geleverd, praten ze onophoudelijk en eindeloos, en gaan ze maar door zonder het minste gevoel van schaamte. Wanneer ze klaar zijn met het vertellen over deze dingen en niets meer te zeggen hebben, praten ze over hoe ze toen ze jong waren de meest geduchte vechtersbazen waren, hoe niemand hen in elkaar kon slaan, en hoe ze zelfs een ander kind aan één oog blind hebben gemaakt. Ze zeggen zelfs: “De volwassenen zeiden allemaal: ‘Dit kind is niet gewoon; het zal wanneer het opgroeit geen gewoon persoon zijn!’” Zijn mensen die deze dingen zeggen niet verstoken van een gevoel van schaamte? Ze hebben geen gevoel van schaamte; dit is bombastisch spreken en opscheppen. Mensen zonder een gevoel van schaamte grijpen elke gelegenheid aan om op te scheppen en zichzelf te verheerlijken, en zijn bereid daar elke prijs voor te betalen. Hoe anderen hen ook zien, ze hebben totaal geen schaamte. Mensen die wel een gevoel van schaamte hebben zullen ook opscheppen en zichzelf verheerlijken, maar zelfs als ze de waarheid niet begrijpen en geen tuchtiging en oordeel hebben ondergaan, houden ze zich toch in wanneer ze zulke dingen doen. Hun woorden zijn op zijn minst objectief. Ze zullen niet zeggen dat ze dingen kunnen doen die ze niet kunnen doen, ze zullen geen grote woorden spreken of opscheppen, laat staan dat ze de eer opstrijken voor de goede dingen die door anderen zijn gedaan. Ze zullen geen dingen zeggen die uit de lucht gegrepen zijn of feiten verzinnen. Waarom is dit zo? Ze kunnen het niet over hun lippen krijgen om zulke dingen te zeggen. Ze denken: ‘Als ik het niet heb gedaan, waarom zou ik dan zeggen dat ik het wel heb gedaan?’ Ze zouden zich door hun geweten aangeklaagd voelen. Als iemand met geweten en verstand en een gevoel van schaamte bijvoorbeeld slechte cijfers op school had, zal hij, hoewel hij zou willen opscheppen dat hij een goed kaliber heeft en niet slechter is dan de gemiddelde persoon, hooguit zeggen: “Ik heb hard gestudeerd. Ik ben op eigen kracht geslaagd voor de toelatingsexamens voor de onderbouw en bovenbouw van de middelbare school zonder smeergeld te betalen, en later werd ik maar net toegelaten tot een hbo-opleiding.” Hij zegt alleen: “Ik ben ook naar de universiteit gegaan”, en schept nergens over op. Dit kan niet worden beschouwd als opscheppen, omdat wat hij zegt objectief en waar is. Hij laat misschien dingen weg die hem in verlegenheid brengen of waardoor hij gezichtsverlies lijdt, maar hij zal absoluut niet zeggen: “Ik was een geweldige student; ik zat altijd bij de beste tien van mijn klas.” Hij zal geen feiten verzinnen, geen dingen uit het niets bedenken of dingen zeggen die nooit zijn gebeurd. Wat weerhoudt hem ervan deze dingen te zeggen? Dat komt omdat hij een geweten en een gevoel van schaamte in zich heeft. Sommige mensen zeggen: “Komt het doordat iemand in zijn omgeving de ware feiten over hem kent?” Zelfs als niemand de ware feiten over hem kent, kan hij het nog steeds niet over zijn lippen krijgen om deze dingen te zeggen, omdat hij een gevoel van schaamte heeft en om zijn trots geeft. Hij voelt dat dingen uit het niets bedenken en feiten verzinnen te beschamend is, en dat het getuigt van een gebrek aan integriteit en waardigheid. Sommige mensen zeggen: “Als anderen de ware toedracht niet kennen, zou hij de schijn een beetje kunnen ophouden. Wat is er nu voor kwaads aan om de schijn een beetje op te houden?” Maar hij zou het nog steeds niet doen. Dit is een kwestie van iemands aard; het komt neer op iemands classificatie. Als je iemand met een gevoel van schaamte bent, zullen je spreken en handelingen altijd binnen de grenzen van dat gevoel van schaamte blijven. Je kunt die grenzen niet overschrijden; als je er af en toe toch een stap overheen gaat, is dat een heel speciale omstandigheid. Zodra je ze overschrijdt, voel je een gevoel van onbehagen en zelfbeschuldiging in je geweten; je voelt je vanbinnen ongemakkelijk. Daarom, zelfs als mensen met een gevoel van schaamte opscheppen en pronken, is er een limiet en een grens in het spel. Ze zullen absoluut niet schaamteloos en gewetenloos loze of grote woorden spreken om op te scheppen en te pronken, noch zullen ze dingen uit het niets bedenken en feiten verzinnen om de eer voor al het goede werk voor zichzelf op te strijken. Ze zijn absoluut niet zo’n persoon. Wat betreft het hebben van een gevoel van schaamte, dit gevoel van schaamte vervult een functie binnenin mensen; het is niet iets hols. Aangezien een gevoel van schaamte een eigenschap van menselijkheid is, is het iets aangeborens in mensen; het is absoluut geen effect dat teweeg wordt gebracht door de beteugeling van externe mensen, gebeurtenissen en dingen. Externe dingen kunnen je gedachten en handelingen niet beteugelen; iemands gedachten, zijn innerlijke behoeften, en zijn essentie en classificatie, zijn interne zaken voor hem. Zelfs als iemand met een gevoel van schaamte op wil scheppen of zichzelf wil verheerlijken en over zichzelf wil getuigen om een beetje prestige onder mensen te verwerven, is er, omdat hij een gevoel van schaamte heeft, een limiet en een grens van kracht wanneer hij deze dingen doet. Dat wil zeggen, zijn geweten waarschuwt hem voortdurend in zijn hart: ‘Het gaat te ver en is schaamteloos om dit te doen. Doe dit niet! Als je dit doet, zal het zo beschamend en onwaardig zijn wanneer mensen later je ware aard ontmaskeren! Als je je zo gedraagt, ben je dan nog wel een mens?’ Deze gedachten en gezichtspunten beteugelen hem altijd, er geldt dus een limiet wanneer hij zulke dingen doet. Zie je, wanneer mensen met een gevoel van schaamte zich aankleden, zelfs als ze denken dat een kledingstuk er goed uitziet, als ze in de spiegel kijken en zien dat het een beetje doorschijnend is, voelen ze dat het niet goed zou zijn om het buiten te dragen. Anderen zeggen: “Wat maakt het uit als het doorschijnend is? Mensen kleden zich tegenwoordig allemaal zo. Het is maar een beetje onthullend en jij voelt je al beschaamd – anderen dragen veel onthullendere kleding en het kan ze niet eens schelen.” Ze zeggen: “Echt niet; ik kan het buitenshuis niet dragen.” Ze zouden nog niet dood in zo’n outfit gezien willen worden. Waarom is dit zo? Ze kunnen het gewoon niet rijmen met hun gevoel van schaamte; hun gevoel van schaamte beteugelt hen. Mensen met een gevoel van schaamte zullen ingetogen zijn in de manier waarop ze zich gedragen en zaken aanpakken, en in hun kleding en uiterlijke verzorging. Mensen zonder een gevoel van schaamte zijn daarentegen anders. Het is net als hoe sommige mensen zich fatsoenlijk kleden wanneer ze bij de broeders en zusters zijn, maar zich anders kleden nadat ze thuis zijn gekomen. Daar dragen ze wat ongelovigen graag dragen – sommigen rukken zelfs de kleren die ze naar de bijeenkomst droegen van hun lijf zodra ze thuiskomen, en zeggen: “Ik heb er echt een hekel aan om deze kleren te dragen. Ze zijn te truttig; ik zie eruit als een enorme boerenpummel. Wie wil er nu deze outfit dragen!” Of ze zich nu in het gezelschap van de broeders en zusters bevinden of niet, de kleding en uiterlijke verzorging van mensen die werkelijk een gevoel van schaamte hebben, zijn altijd waardig en fatsoenlijk. Zelfs als ze niet in God zouden geloven, zouden ze zich nog steeds op deze manier kleden en zouden ze niet te ver gaan.

Wanneer iemand met integriteit en waardigheid tijdens bijeenkomsten communiceert en zijn ervaringsinzicht deelt, zal hij zich vanbinnen schamen als hij daarbij opschept en zichzelf verheerlijkt. Hij zal het gevoel hebben dat veel mensen naar hem kijken, en dit gevoel waarschuwt hem: ‘Het is niet goed om dit te zeggen, toch? Het is niet goed om dit te doen, toch?’ Hij zal zich beschaamd voelen. Dat wil zeggen, ongeacht wat hij zegt of doet, of hoe ver zijn woorden of daden gaan, het gevoel van schaamte diep in zijn hart blijft hem voortdurend waarschuwen, beteugelt hem en beheerst hem. Zodoende weerspiegelen de woorden die hij spreekt en de dingen die hij doet tot op zekere hoogte een relatieve mate van integriteit en waardigheid. Zelfs als dit type persoon verdorven gezindheden of bepaalde gebreken in zijn menselijkheid heeft, of beïnvloed wordt door kwaadaardige trends, is hij vanwege zijn aangeboren aard nog altijd in staat om zichzelf onbewust aan Gods woorden te toetsen wanneer hij Zijn woorden die mensen ontmaskeren en oordelen hoort. Hij denkt: ‘God heeft het met deze uitspraak over mij. Ik heb zo’n gesteldheid gehad en zo’n onthulling vertoont, en ik heb ook zo’n uiting laten zien.’ Hij zal een gesteldheid en uiting vertonen waarbij hij zichzelf bewust toetst aan Gods woorden. Met andere woorden, wanneer iemand met een gevoel van schaamte Gods woorden die mensen ontmaskeren en oordelen hoort, zal hij deze onbewust aanvaarden en zichzelf er onbewust aan toetsen. Hij zal op basis van Gods woorden over zichzelf nadenken, en toegeven dat hij op deze manier verdorven is en dat hij deze onthullingen en uitingen vertoont. Hij zal zich diep vanbinnen ongemakkelijk voelen: ‘Het blijkt dat ik ook verdorvenheid heb. Het blijkt dat ik iemand ben met een arrogante gezindheid, zoals door Gods woorden is blootgelegd. Ik ben ook opstandig en ongehoorzaam, en ik ben geen goed mens. Hoe kan ik zo verdorven zijn? Vroeger dacht ik dat ik fatsoenlijk was, dat ik een goed mens was met geweten en verstand, die graag aan anderen gaf en die geneigd was met anderen mee te leven en medelijden te hebben. Ik dacht dat ik direct opgenomen kon worden nadat ik Gods werk had aanvaard. Ik had er niet eens bij stilgestaan dat ik ook deel uitmaakte van de verdorven mensheid.’ Omdat hij deze basisvoorwaarde, het hebben van een gevoel van schaamte, bezit, zal hij op natuurlijke en normale wijze de werkelijke feiten over mensen die door Gods woorden worden ontmaskerd aanvaarden, en zichzelf er vervolgens aan toetsen om over zichzelf na te denken en zichzelf te kennen. Dit geeft hem een geweldige kans om Gods woorden correct onder ogen te zien, Gods woorden zonder weerstand te aanvaarden en vervolgens beetje bij beetje onderwerping te bereiken. Waar is dit alles op gebaseerd? Het is erop gebaseerd dat hij een gevoel van schaamte heeft. Daarom is hij in staat te beseffen dat er enkele schandelijke en boosaardige onthullingen van verdorvenheid in hemzelf zijn, en vervolgens is hij, doordat zijn gevoel van schaamte op hem inwerkt, in staat om proactief te verwerpen wat hij als negatieve en schandelijke dingen beschouwt. Wanneer hij de uitspraken, gesteldheden, specifieke onthullingen en zelfs specifieke gebeurtenissen in Gods woorden hoort die de verdorven gezindheden van de mensheid ontmaskeren, is hij in staat te beseffen dat hij deze verdorven gezindheden in zichzelf heeft. Hij zal ze aanvaarden om over zichzelf na te denken en zichzelf te kennen. Als hij daarna weer met zulke zaken wordt geconfronteerd en tegen Gods woorden ingaat of opnieuw de gesteldheden openbaart die in Gods woorden zijn ontmaskerd, zal zijn gevoel van schaamte hem in zijn hart blijven waarschuwen: ‘Ga je hiermee niet tegen Gods woorden in? Je bent geen goed mens, en je bent ook niet iemand die zich aan Gods woorden onderwerpt of de waarheid liefheeft!’ Omdat hij een gevoel van schaamte bezit, is hij in staat de ontmaskering en het oordeel van Gods woorden te aanvaarden. Gods woorden hebben dan een beteugelend effect op hem en kunnen zijn gedachten en gezichtspunten corrigeren. Zie je, is de functie van een gevoel van schaamte niet geweldig? (Ja.) Wanneer hij de waarheid niet begrijpt, heeft hij een fundamentele morele grens. Wanneer hij de waarheidsprincipes begrijpt of de details van Gods woorden bevat, is de norm waarmee zijn gevoel van schaamte hem beteugelt niet langer zijn morele grens, noch is het louter de grens van zijn geweten en verstand; veeleer worden de waarheidsprincipes zijn grens. Is deze grens niet superieur aan de grens van iemands geweten en verstand? Is de standaard van deze grens niet verhoogd? (Ja.) Oorspronkelijk hebben mensen met een gevoel van schaamte, wanneer ze de waarheid niet begrijpen, een fundamentele morele grens in hun gedachten en gezichtspunten. Nadat ze de waarheid hebben begrepen, wordt hun morele grens verhoogd en neigt deze geleidelijk naar de waarheidsprincipes. Denk je niet dat dit type persoon is veranderd? Ik zal een voorbeeld geven waardoor jullie het zullen begrijpen. Oorspronkelijk profiteerden ze in de omgang met anderen bijvoorbeeld niet van mensen, sloegen of scholden ze mensen niet uit, deden ze niet opzettelijk dingen om anderen te bedriegen en te schaden, en misleidden en bedrogen ze anderen niet. Ze dachten dat het best goed was om op deze manier te handelen. Is het afzien van het slaan of uitschelden van mensen, en van het bedriegen of schaden van hen, een waarheidsprincipe voor de omgang met mensen? (Dit is slechts een rudimentaire uiting van menselijkheid; het is geen waarheidsprincipe.) Dit is louter de morele grens voor hoe mensen met geweten en verstand zich gedragen: hun best doen om mensen niet te slaan of uit te schelden, en om geen dingen te doen die anderen bedriegen of schaden. Het is niet meer dan het afzien van het doen van kwaad. De waarheidsprincipes zijn echter hoger dan iemands morele grens. Mensen behandelen volgens de waarheidsprincipes betekent niet langer alleen maar je aan je morele grenzen houden; het is verhevener dan dat. Wat vereisen Gods woorden dan als het gaat om dit principe voor de omgang met mensen, dat verhevener is dan iemands morele grens? (Mensen eerlijk behandelen volgens principes.) Dat is juist, mensen eerlijk behandelen. Dit is een waarheidsprincipe. Is dit waarheidsprincipe dan een morele grens? (Nee, dit principe is superieur aan een morele grens.) Dit is geen morele grens; het is een waarheidsprincipe dat gebaseerd is op een morele grens en dat daar ook superieur aan is. Dit is het ware principe voor hoe je met mensen moet omgaan. Afzien van het slaan of uitschelden van mensen, en van het doen van dingen die anderen bedriegen of schaden, is geen waarheidsprincipe; het is louter afzien van het doen van dingen in negatieve zin. Maar het feit dat jullie die dingen niet doen, betekent nog niet dat je principes hebt voor hoe je met mensen omgaat. Mensen niet slaan of uitschelden betekent niet dat jouw principes voor de omgang met mensen juist zijn. Staat het feit dat je ervan afziet hen te slaan of uit te schelden, en ervan afziet hen te bedriegen of te schaden, gelijk aan hen eerlijk behandelen? Dat doet het niet, nietwaar? Zou je op iemand stemmen die jou ooit heeft beledigd of met wie je niet goed kon opschieten, iemand die je niet mag, maar wie op basis van zijn menselijkheid en kaliber wel geschikt is om een leider te zijn? Wat zou je doen als je dit afmeet aan het principe dat je mensen niet moet slaan of uitschelden, en hen niet moet bedriegen of schaden? Je zou geen pad hebben om te volgen. Als verdorven mens, zonder nauwkeurige principes voor de omgang met mensen, zou je hoogstens zeggen: “Ik heb hem niet geslagen of uitgescholden, noch heb ik gezegd of hij goed of slecht was. Ik heb hem niet tegengehouden, je kunt dus niet zeggen dat ik hem heb bedrogen of geschaad. Hoe dan ook, ik mag hem niet, dus ik ga niet op hem stemmen.” Behandel je hem eerlijk als je niet op hem stemt? (Nee.) In feite zou je op hem moeten stemmen als hij een geschikte kandidaat is om een leider te zijn; alleen dit is mensen eerlijk behandelen. Op hem stemmen is niet gebaseerd op het principe dat je mensen niet moet slaan of uitschelden, en hen niet moet bedriegen of schaden. Waarop is het dan wel gebaseerd? Het is gebaseerd op het principe van mensen eerlijk behandelen zoals vereist door Gods woorden; alleen dit is een waarheidsprincipe. Sommige mensen denken dus: ‘Ik sla geen mensen en schelt ze ook niet uit, noch bedrieg of schaad ik hen, maakt dat mij dan dus geen goed mens?’ Waarop Ik zeg: “Je bent geen goed mens. Op zijn best heb je het geluk dat je überhaupt als een mens wordt beschouwd.” Een werkelijk goed mens is iemand die volgens de waarheidsprincipes kan beoefenen. Dat wil zeggen, als het gaat om hoe je met mensen omgaat, kun je, naast het feit dat je afziet van het slaan, uitschelden, bedriegen of schaden van mensen, ze ook eerlijk en rechtvaardig behandelen; alleen dan ben je een goed mens. Wordt het duidelijk als het op deze manier wordt gecommuniceerd? (Ja.) Een morele grens is een basisprincipe voor zelf-gedrag voor mensen van wie hun menselijkheid geweten en verstand bezit. Hoewel dit principe voor zelf-gedrag in overeenstemming is met het geweten en verstand van menselijkheid, kan het de waarheidsprincipes niet vervangen; vergeleken met de waarheidsprincipes is er nog steeds een kloof. Op zijn best is iemand die een morele grens heeft een standaardpersoon, hij kan echter geen goed mens worden genoemd. Alleen degenen die zich kunnen gedragen en handelen volgens de waarheidsprincipes zijn goede mensen. Het is bijvoorbeeld al heel goed als een gemiddeld persoon erin slaagt anderen niet te bedriegen of te schaden, en mensen niet te slaan of uit te schelden als het erom gaat hoe hij met anderen omgaat. De principes van een goed mens voor de omgang met mensen zijn hier echter boven verheven: hij is in staat mensen eerlijk en volgens de waarheidsprincipes te behandelen. Dat wil zeggen, een waar mens heeft een morele grens en een gevoel van schaamte, en hij bezit de basisvoorwaarden voor hoe men zich behoorlijk moet gedragen. Zodoende heeft zo iemand de kans om te bereiken dat hij mensen eerlijk behandelt, zich gedraagt volgens de waarheidsprincipes en beoefent volgens de waarheidsprincipes. Is er een verschil tussen een morele grens en de waarheidsprincipes? (Ja.)

Als iemand een gevoel van schaamte in zijn menselijkheid heeft, dan heeft hij integriteit en waardigheid in hoe hij zich gedraagt en hoe hij handelt. Zijn grens is dat hij zijn integriteit en waardigheid moet waarborgen en deze niet mag verspelen. Om het in alledaagse taal te zeggen: zo iemand heeft in wezen zijn geweten niet verspeeld; hij is kieskeurig over hoe hij dingen doet, hij hecht waarde aan integriteit en karakter, en hij heeft iets menselijks. Ongeacht wat hij doet, als het gaat om persoonlijke belangen, status of geld, heeft hij een grens. Deze grens waarborgt zijn integriteit en waardigheid; wat inhoudt dat hij zijn persoonlijke waardigheid niet zal schenden door zonder scrupules dingen te doen die moreel of vanuit menselijk-ethisch oogpunt onverdedigbaar zijn. Dit is het hebben van een gevoel van schaamte. Daarnaast hebben mensen waarvan hun menselijkheid de eigenschappen geweten en verstand hebben hun eigen opvattingen, en maken ze hun eigen keuzes, met betrekking tot eten, drinken en feesten, en met betrekking tot de diverse boosaardige trends in de samenleving. Ze zullen absoluut geen boosaardige trends volgen om een verward en losbandig leven te leiden, waarbij ze willekeurig overgeven aan hun verlangens en zich verdorven gedragen. Ze maken hun eigen keuzes met betrekking tot de zaken van de mensenwereld of boosaardige trends. Deze keuzes kunnen gebaseerd zijn op hun oprechtheid en goedheid, of ze kunnen gebaseerd zijn op hun gevoel van schaamte; het hangt af van de situatie. Hoe populair de verschillende dingen die in de wereld opkomen ook zijn, en hoezeer ze ook door de samenleving en het publiek worden goedgekeurd, diep vanbinnen blijven zulke mensen vasthouden aan hun eigen gedachten en gezichtspunten over deze dingen, en zullen ze hun eigen juiste keuzes blijven maken. In hun hart geloven ze: ‘Wat de omstandigheden ook zijn, je mag je menselijkheid niet verspelen. Je bent te allen tijde een mens. Je mag geen dingen doen die beesten doen. Je mag geen dingen doen die duivels doen.’ Je mag jezelf niet gelijkstellen aan beesten en duivels. Ze worden dus, wat ze ook doen, beteugeld door hun geweten en verstand. Specifiek betekent deze beteugeling dat ze voortdurend worden gewaarschuwd en beheerst door hun geweten en verstand. Stel bijvoorbeeld dat zo iemand en een ander persoon beiden zaken doen. De andere persoon bedriegt en licht mensen voortdurend op, en verkoopt een artikel van tien yuan voor driehonderd tot vijfhonderd yuan. Hij verkoopt het echter slechts voor vijftig yuan, waarmee hij net genoeg verdient om maar net in zijn levensonderhoud te voorzien. Wanneer hij ziet dat de andere persoon enorme winsten maakt, terwijl hij al zoveel jaren met zoveel ijver heeft gewerkt om alleen maar genoeg te verdienen om zichzelf te voeden, kan hij zich daar in zijn hart nooit bij neerleggen. Hij wil ook gewetenloos zijn zoals de andere persoon, maar dan denkt hij: ‘Het zou te veel tegen mijn geweten ingaan dat te doen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen! Wat als ik nadat ik het heb gedaan ontmaskerd wordt? Zou ik daarmee de wet overtreden? Zou ik naar de gevangenis gaan?’ Zie je, hij denkt hier veel over na, en terwijl hij er zo over piekert, voelt hij vanuit zijn geweten een voortdurend gevoel van zelfbeschuldiging. Hoewel hij wordt misleid en beïnvloed door de diverse boosaardige trends van de wereld en ook meer geld wil verdienen om van een goed materieel leven te genieten, kan hij het na erover te hebben gepiekerd uiteindelijk toch niet over zijn hart krijgen om anderen te bedriegen en op te lichten. Sommige mensen zeggen: “Zulke mensen zijn gewoon laf, nietwaar?” Sommigen van hen zijn laf, anderen echter niet; ze worden simpelweg beteugeld door hun geweten en verstand en voelen dat ze anderen niet kunnen bedriegen en oplichten. En als ze het af en toe toch doen, hebben ze er achteraf spijt van en leven ze elke dag in de angst dat er iets mis zal gaan en dat er iemand aan hun deur zal kloppen. Ze denken bij zichzelf: “Ik heb dit geld niet op een eerbare manier verdiend. Als mensen erachter komen, zullen ze me dan achter mijn rug om bekritiseren? Ik zal dit absoluut niet nog een keer doen. Alleen wanneer het geld dat ik uitgeef door mijn eigen harde werk is verdiend, voel ik me innerlijk rustig, en alleen dan is mijn slaap vrij van nachtmerries.” Nadat ze iemand één keer op deze manier hebben bedrogen, zijn de dingen lange tijd moeilijk voor hen; ze slapen niet goed, ze krijgen geen hap door hun keel en ze voelen zich altijd ongemakkelijk in hun hart. Natuurlijk komt dit type persoon in de samenleving nauwelijks voor. De samenleving is vol van mensen die van duivels en van dieren zijn; ze voelen niets wanneer ze anderen op deze manier bedriegen en oplichten.

Zelfs als iemand met geweten en verstand vaak in aanraking komt met diverse zaken die te maken hebben met eten, drinken en feesten, zullen zijn geweten en verstand nog steeds hun functie vervullen. Hij zal niet het vlees of de boosaardige trends volgen om zich ten volle over te geven te geven aan zijn diverse verlangens. In plaats daarvan is er, ongeacht wat hij eet of drinkt, of waarvan hij geniet, een grens. Hij denkt: ‘Lekker eten, mooie kleren dragen en genieten van de beste lichamelijke genoegens is allemaal ijdelheid. Is dit werkelijk waar mensen voor leven?’ In het hart van dit type persoon kunnen lichamelijke genoegens, eten, drinken en feesten de behoeften van zijn innerlijke wereld niet bevredigen. Hij denkt bij zichzelf: ‘Mensen streven er altijd naar om van goede dingen te genieten. Ik heb er nu zelf van genoten, en ik voel geen enkel geluk. Wat is geluk nu eigenlijk? Hoe moet men leven om waar geluk te ervaren? Ik heb genoten van al dit eten, drinken en feesten, en van diverse lichamelijke genoegens – is dat niet waar het menselijk leven uit bestaat? Is dit wat het leven is? Als iemand zijn hele leven zo leeft, alleen maar om te streven naar eten, drinken en feesten, en om lichamelijke genoegens na te jagen, hoe verschilt hij dan van een dier? Als mensen, net als dieren, ook alleen maar leven voor drie maaltijden per dag, niet begrijpen waar het leven over gaat, onvervuld blijven in hun gedachten, hun geestelijke wereld en hun hart, en veel dingen over het leven niet begrijpen, wat heeft het dan voor zin dat generatie na generatie zo leeft?’ Wanneer mensen jong zijn, zitten ze vol nieuwsgierigheid naar de wereld. Er zijn veel dingen waar ze niets van weten en die ze niet hebben gezien, en veel dingen die ze niet hebben ervaren. Ze hebben het gevoel dat als ze eropuit trekken en de wereld trotseren, hun leven misschien heel gelukkig en vervullend zal zijn, of dat ze misschien een prachtig en uniek leven zullen leiden. Maar na de samenleving werkelijk te hebben ervaren, zien ze dat de mensheid generatie na generatie op deze manier leeft. Van dwaas en onwetend zijn in hun jeugd tot veel lijden en enige levenservaring opdoen na een aantal dingen in de samenleving te hebben meegemaakt, dit is hoe iedereen zijn leven doorbrengt. Ze maken allemaal een proces door waarin ze vooruitzichten, roem en gewin nastreven en zich richten op eten, drinken, feesten en lichamelijke genoegens. In hun latere jaren lijken ze, hoewel ze enige levenservaring hebben opgedaan, niets te hebben geoogst, en ze begrijpen ook niet waar het leven over gaat. Is het niet nogal zinloos als iemand zijn hele leven zo doorbrengt? Mensen voelen vaak een onverklaarbare leegte. Dat wil zeggen, wanneer ze in hun hart werkelijk over het leven nadenken en proberen iets zinvols en waardevols te bedenken, kunnen ze niets bedenken, en voelt hun hart totaal leeg aan. Ze weten niet waarom dit zo is, noch weten ze wat hun hart nodig zou moeten hebben of waar hun hart rust zou moeten vinden. Ze hebben het gevoel dat ze niets hebben om op te vertrouwen, en ze voelen zich diep verbijsterd, en denken bij zichzelf: ‘Ik heb in dit leven heel wat dingen ervaren, en ik heb diverse ontberingen en pijnen ondergaan. Is dit daadwerkelijk hoe het leven eindigt?’ Wanneer ze naar oudere mensen kijken, lijkt het erop dat ook zij op deze manier door het leven zijn gegaan. Ze hebben dan het gevoel dat het leven van mensen zinloos is. Ze hebben altijd roem en gewin, status en lichamelijke genoegens nagestreefd. Wanneer ze die niet hebben, zijn ze erop gebrand ze te krijgen; wanneer ze die krijgen, voelen ze een beetje geluk en verheugen ze zich een tijdje een beetje, maar op de lange termijn hebben ze geen geluk om over te spreken. Na het grootste deel van hun leven te hebben rondgerend, voelen ze zich nog steeds leeg, en hebben ze niets dat de moeite waard is om aan vast te houden. Ze hebben altijd het gevoel dat ze met beide handen in het luchtledige grijpen en toch hopen er iets uit te halen. Zouden jullie zeggen dat dit een goed gevoel is? (Nee.) Hoe ontstaat dit gevoel dan? (Het ontstaat doordat al dat eten, drinken en feesten in de wereld de innerlijke behoeften van mensen niet kan bevredigen.) Denkt iedereen er zo over? Wat voor soort mensen denkt er zo over? (Mensen met geweten en verstand denken er zo over.) Zeg Mij, zouden mensen zonder gedachten, zonder logisch denken, mensen die hersenloos zijn, er zo over denken? (Nee.) Hersenloze mensen zijn degenen zonder geweten en verstand; ze zijn van beesten. Ze denken niet na over deze zaken van de menselijkheid, noch denken ze na over het menselijk leven, de toekomst, of welk pad ze moeten bewandelen. Ze schenken geen enkele aandacht aan deze dingen. Zolang ze kunnen eten en drinken, zijn ze tevreden. Ze leven gewoon van dag tot dat en nemen elke dag zoals die komt, feesten elke dag dat ze leven, en genieten elke dag dat ze kunnen. Ze denken niet na over deze zaken die met het leven te maken hebben. Wat hebben deze dingen dan te maken met het geweten en verstand van de menselijkheid? Als iemand geweten en verstand heeft, zal hij rationaliteit vertonen in wat hij doet. Het is heel belangrijk voor mensen om rationaliteit te bezitten. Wanneer mensen rationaliteit bezitten, leven ze vaak niet naar gevoelens, maar leven ze rationeel, en leven ze rationeel in het huidige moment. Ze zullen overwegen: ‘Heb ik daadwerkelijk iets bereikt in dit leven? Is dit leven de moeite waard geweest om te leven? Heb ik iets zinvols en waardevols gedaan? Zijn de dingen die ik nastreef wat ik vanbinnen nodig heb? Zijn mijn innerlijke behoeften bevredigd? Ze zijn niet bevredigd, en ik voel me heel leeg. Geen enkel materieel ding, noch genegenheid van familie, noch vriendschap, kan me diep vanbinnen bevredigen. Mijn menselijkheid heeft geen van deze dingen nodig.’ Ze zullen rationeel over deze dingen nadenken. Dat wil zeggen, hoe verder ze in hun volwassen leven komen, hoe rationeler ze deze dingen zullen bekijken, en hoe minder antwoorden ze krijgen, hoe meer pijn ze voelen. Voordat ze deze dingen ervaren, zullen mensen sommige dingen binnen de reikwijdte van het verstand beoordelen en zich deze voorstellen op een manier die gepland is en normale rationaliteit gebruikt. Maar wanneer ze het proces van deze dingen hebben doorgemaakt en terugkijken, worden ze rationeler. Ze zullen de dingen die ze hebben ervaren en de dingen die ze hebben meegemaakt rationeel gaan bekijken, en ze zullen zien dat deze dingen allemaal ijdelheid zijn, en dat niet één ervan zinvol is. Waarom zeg Ik dit? Omdat alles wat mensen doen met het oog op voedsel en kleding wordt gedaan, met het oog op het in stand houden van drie maaltijden per dag voor hun lichaam, en met het oog op het waarborgen van lichamelijke genoegens. Ze strijden om roem en gewin, en wedijveren met elkaar. Als iemand zijn hele leven alleen maar voor deze dingen leeft, en leeft als een dier, dan is hij niet veel verder ontwikkeld dan een dier; zo leven heeft geen waarde. Mensen met menselijk verstand zullen in hun hart over deze dingen nadenken. Daarom zullen deze zich voortdurend herhalende levenswijzen, spelregels en manieren waarop met zaken wordt omgegaan hen, wanneer ze een bepaalde leeftijd bereiken, een gevoel van vermoeidheid, afkeer en walging geven, ze zullen het beu zijn. Uiteindelijk zullen ze een gevoel van leegte ontwikkelen, het gevoel dat ze van al deze dingen hebben genoten en ze hebben ervaren, maar toch niets hebben geoogst, en geen werkelijke, tastbare dingen die de behoeften van hun menselijkheid werkelijk bevredigen, hebben verkregen. Onder deze omstandigheden zullen mensen met geweten en verstand verder onderzoeken, zoeken en tasten: wat is een waar menselijk leven nu precies? Hoe moet men zijn leven nu precies leven? Sommige slimme mensen zullen op zoek gaan naar een pad in het leven en proberen religieus geloof te vinden. Het is in deze context dat sommige mensen naar het huis van God komen. Ze ontdekken dat alleen Gods woorden, en de waarheid, de weg en het leven die God de mensheid schenkt, hun behoeften kunnen bevredigen. Wanneer ze vragen verkennen zoals wat de waarde en betekenis van het leven zijn, kunnen alleen Gods woorden hun de antwoorden geven. Pas dan ontwikkelen ze een dorst naar Gods woorden. Vervolgens aanvaarden ze Gods woorden en gaan nog een stap verder: ze onderwerpen zich eraan. Hun dorst naar Gods woorden, de aanvaarding ervan en de onderwerping eraan, zijn allemaal gebaseerd op hun levenservaring, en komen voort uit het feit dat ze hebben nagedacht over een aantal dingen die ze in het leven hebben ervaren.

Hebben jullie het gevoel dat wat we zojuist hebben gecommuniceerd abstract is? Kunnen jullie het begrijpen? (Het is niet abstract. We kunnen het begrijpen.) Deze inhoud is noch abstract noch hol; het zijn allemaal dingen die mensen in het werkelijke leven kunnen zien en waarmee ze in aanraking kunnen komen. Als iemand denkt dat communiceren over het geweten en verstand van de menselijkheid losstaat van het werkelijke leven, en het gevoel heeft dat deze inhoud heel hol en abstract is, alsof het iets is dat in een andere wereld gebeurt en te ver van mensen afstaat, dan heeft die persoon een probleem, nietwaar? Je begrijpt niets van zaken die te maken hebben met zelf-gedrag, en in je zelf-gedrag heb je geen geweten of verstand. Wat ben je dan eigenlijk – een duivel of een dier? Het is moeilijk te zeggen, maar je bent in ieder geval geen mens. Mensen met geweten en verstand kunnen de gedachten of uitingen die betrekking hebben op het geweten en verstand van menselijkheid waarnemen en zich ermee identificeren. Als iemand zich niet kan identificeren met deze positieve gedachten of uitingen, maar zich wel kan identificeren met de negatieve, toont dat aan dat hij geen geweten of verstand in zich heeft. Sommige mensen die geen geweten en verstand hebben, hebben zelfs een diepe afkeer van de gedachten en gezichtspunten en manieren van zelf-gedrag die verband houden met het geweten en verstand van menselijkheid, en vinden ze schandelijk, weerzinwekkend of verachtelijk – dit zijn mensen die geen kwaliteiten van menselijkheid hebben. Mensen die geen kwaliteiten van menselijkheid hebben, hebben een sterke afkeer van de uitingen van het geweten en verstand van menselijkheid, en ze kunnen ook de diverse specifieke gedachten, gedragingen en beoefeningsprincipes niet waarnemen die worden vertoond door de menselijkheid van mensen die wel geweten en verstand hebben. Omdat ze niet van dezelfde soort zijn, kunnen ze die niet waarnemen. Zeg Mij, kunnen dieren begrijpen volgens welke principes mensen handelen of waarom ze zo handelen? (Nee.) Dieren weten het niet. Wat weten dieren wel? Ze weten wat ze moeten doen en wanneer ze het moeten doen – alleen die vaste dingen: wanneer ze moeten eten, hoe lang ze moeten spelen en waar hun baasjes hen gewoonlijk mee naartoe nemen. Ze weten niet waarom hun baasjes hen daar mee naartoe nemen of waarom ze dat niet doen. Ze weten ook niet waarom de hoeveelheid voedsel die ze krijgen’s winters anders is dan in de zomer, noch weten ze met welke bedoelingen hun baasjes alles doen wat ze voor hen doen. Ze weten alleen: ‘Hoe dan ook, mijn baasje is goed voor me. Mijn baasje geeft me elke dag heerlijk eten, en houdt me ook gezelschap en beschermt me. Hij is goed voor me, dus hij is mijn baasje. Andere mensen voeden me niet of behandelen me niet goed, dus zij zijn niet mijn baasje, en ik ben ook niet close met hen.’ Dieren weten alleen deze simpele dingen. Op dezelfde manier zullen mensen die van dieren zijn nooit in staat zijn deze zaken die betrekking hebben op menselijkheid, zelf-gedrag, en gedachten en gezichtspunten te begrijpen of te bevatten. Zelfs als je ze onderwijst, zullen ze alleen maar doctrines van je leren. Maar iets in termen van doctrine begrijpen is niet het werkelijk begrijpen; ze begrijpen de implicaties niet, noch begrijpen ze de waarde van de dingen waarover je hen onderwijst. Daarom kunnen mensen die van dieren zijn het niet begrijpen wanneer er wordt gesproken over zaken die betrekking hebben op het geweten en verstand van de menselijkheid. Duivels kunnen deze dingen doctrinair begrijpen, maar ze aanvaarden ze niet. Ze hebben een afkeer van deze uitspraken en verafschuwen ze. Ze denken dat je hoogdravende woorden uitslaat, en dat dit uitspraken zijn die losstaan van het werkelijke leven van de mensheid. Of het nu komt doordat ze het niet accepteren of omdat ze het niet begrijpen, ik zeg deze dingen over zelfgedrag niet zodat degenen die van duivels of dieren zijn ze kunnen horen. Als ze bereid zijn ze als doctrines te aanvaarden, is dat prima; als ze dat niet willen, heb Ik geen bezwaar. Mensen worden ingedeeld naar hun soort – ze kunnen niet worden gedwongen. Je classificatie, wat deze ook is, bepaalt de dingen waar je van houdt. Als je geen menselijkheid hebt en niet van de mensheid bent, dan zul je de woorden die betrekking hebben op de waarheid niet begrijpen, en zul je onwillig zijn om het pad te bewandelen dat mensen behoren te bewandelen. Alleen mensen die onder de classificatie mens vallen, zullen bereid zijn te luisteren naar deze onderwerpen die betrekking hebben op zelf-gedrag en de waarheid. Als sommige mensen onwillig zijn om te luisteren en het niet in zich op kunnen nemen, hoeven ze niet te luisteren. Zulke mensen zijn vallen niet onder de classificatie mens, en de waarheid wordt niet gesproken om door hen gehoord te worden.

We hebben zojuist vermeld dat mensen van wie de menselijkheid geweten en verstand bezit, wanneer het gaat om hun lichamelijke behoeften in het leven – zoals eten, drinken en vermaak – steeds weer over deze dingen nadenken naarmate ze er meer van ervaren en ermee in aanraking komen. Hoe meer ze eten, drinken, plezier maken en vleselijke genoegens in het leven ervaren, hoe meer ze in hun hart voelen dat deze dingen zinloos en leeg zijn. Ook als ze er niet mee kunnen stoppen om zo te leven, vinden ze er geen vreugde in; integendeel, ze voelen zich heel hulpeloos. Deze toestand spoort hen er verder toe aan om te proberen vragen te begrijpen zoals wat de zin van het leven is en waarom mensen leven. Wanneer ze daarom Gods werk aanvaarden en de antwoorden op deze vragen krijgen, voelen ze een grote voldoening in hun hart en denken ze dat dit werkelijk het juiste pad in het menselijk leven is. Wanneer zo iemand de voorziening van de waarheid van Gods woorden aanvaardt, voelt hij dat de verschillende positieve dingen en de verschillende vereisten voor mensen die in Gods woorden worden vermeld, perfect voldoen aan, of tot op zekere hoogte overeenstemmen met, de behoeften binnen zijn menselijkheid. Daarom zal hij Gods woorden en Gods vereisten voor mensen bereidwillig aanvaarden; hij gelooft dat dit werkelijk het pad is dat mensen moeten bewandelen, en dat dit werkelijk de principes voor zelf-gedrag zijn die mensen moeten bezitten. Omdat hij dergelijke behoeften en overwegingen heeft, vormen Gods woorden zijn voorziening en kunnen ze zijn tijdige hulp worden. Wanneer hij de voorziening van Gods woorden heeft aanvaard, zal hij de wens en de vastberadenheid hebben om God tevreden te stellen, en om een waar mens te worden volgens Gods vereisten. Neem bijvoorbeeld de rechtvaardige mensen die door God worden genoemd, zoals Noach, Abraham, Job en Petrus – de verhalen over hoe zij zich aan God onderwierpen en Zijn opdrachten aanvaardden, zijn precies datgene waar dit soort persoon in zijn hart in het bijzonder naar verlangt en wat hij bewondert. Hij hoopt dat hij op een dag ook ware en absolute onderwerping aan God kan realiseren, net als Noach, Abraham en de anderen, en hij verwacht ook dat hij op een dag Gods goedkeuring zal kunnen krijgen en een van de rechtvaardige mensen zal worden waar God over spreekt. Hij verlangt ernaar een goed mens te zijn, een rechtvaardig mens. De verhalen van deze rechtvaardige mensen die door God worden verteld, ontroeren hem diep, en zijn hart wordt vaak geraakt en geïnspireerd door hun verhalen en door hun houding ten opzichte van God. Omdat zijn menselijkheid de eigenschappen geweten en verstand bezit, is hij in staat om deze figuren die in Gods woorden worden genoemd als rolmodellen en voorbeelden te nemen om na te volgen; dit is ook een teken dat hij geweten en verstand heeft. Natuurlijk is dit soort uiting ook een basisvoorwaarde voor een persoon om Gods woorden te kunnen aanvaarden en zich eraan te onderwerpen, en om gezuiverd en gered te worden. Afgaande op de uitingen van zo iemand en wat hij onthult tijdens het proces van het ervaren van het leven, is hij op zijn minst niet verdoofd en gevoelloos. Hij is niet iemand zonder gedachten, noch is hij iemand die geen opvattingen heeft over het leven, de werkelijkheid, of dingen als eten, drinken en plezier maken. Hij heeft meningen, hij heeft zijn eigen opvattingen, en bovendien heeft hij positieve gedachten en opvattingen. Dat wil zeggen, hij is niet verdoofd en gevoelloos ten opzichte van de verschillende dingen in het leven, maar denkt er juist over na. Vooral nadat hij allerlei moeilijke periodes, tegenslagen en mislukkingen heeft ervaren, en heeft geproefd van de vreugden en het verdriet van het leven, voelt hij des te sterker dat zijn leven leeg en waardeloos is als het zo doorgaat; dat als hij alleen maar door deze wereld gaat en zich op deze manier gedraagt, het van geen waarde en zinloos is; en dat hij uiteindelijk niets zal bereiken wanneer hij zich op deze manier gedraagt. Hij zal zich hier niet bij willen neerleggen en vindt het onvoorstelbaar: ‘Is dit werkelijk de manier waarop mensen zouden moeten leven, hun hele leven lang? Wat heeft het voor zin dat generatie na generatie zo leeft?’ Je ziet, hoewel hij uiteindelijk niet tot een conclusie komt wat betreft de manier waarop mensen zouden moeten leven, denkt hij er op zijn minst over na. Hij gaat niet op in eten, drinken, plezier maken en het genieten van vleselijk comfort, de genegenheid van zijn familie, of het geluk van het gezinsleven, terwijl hij slechts als in een roes aanmodderend zijn dagen doorbrengt. Zijn levenshouding is er absoluut niet een van alleen maar aanmodderen, want onder leiding van zijn verstand, denkt hij vaak na. Dingen als eten, drinken, plezier maken en vleselijke genoegens zullen absoluut niet voldoen aan de behoeften van zijn hart. Onder deze omstandigheden zal hij zoeken naar dingen die aan de behoeften van zijn hart kunnen voldoen. Uiteindelijk kunnen alleen Gods woorden en Gods werk de antwoorden bieden op deze levensvragen waar hij over nadenkt, en voldoen aan de behoeften van zijn hart.

Als iemand zijn dagen gewoon zo doorbrengt, dag in dag uit, jaar in jaar uit, en nooit overweegt welk pad hij moet bewandelen of hoe hij moet leven; als hij, na het ervaren van tegenslagen, mislukkingen, moeilijke periodes en verdrukkingen, en het proeven van de vreugden en het verdriet van het leven, deze dingen nog steeds helemaal niet overweegt, geen opvattingen heeft over het leven of over de manier waarop hij zich moet gedragen, en doorgaat met het najagen van roem, gewin, status en plezier, en er zelfs bijzonder happig op is om zich in verschillende kwaadaardige trends te storten – en hij geen bewustzijn heeft, zich niet bedroefd of gepijnigd voelt, en niet voelt dat het leeg is om zo te leven – dan is zo iemand beslist geen mens. Als hij een mens was, zou hij, zodra hij een bepaalde leeftijd had bereikt, nadenken over deze levensvragen. Sommige mensen beginnen in de twintig na te denken over de zaken van het leven: ‘De generatie van mijn grootouders en de generatie van mijn ouders leefden allemaal zo. Zal ik ook zo leven als zij: op een bepaalde leeftijd trouwen en kinderen krijgen – en dat is het dan voor mijn hele leven? Leef ik echt alleen maar om kinderen groot te brengen en me voort te planten? Als een mens zijn hele leven zo leeft, is het zinloos. Als generatie na generatie zo leeft, is het dan niet nog steeds leeg?’ Ze voelen vaag in hun hart dat de toekomst leeg en onzeker is. Ze voelen: ‘Als een mens zijn hele leven alleen maar eten, drinken, plezier maken en vleselijke genoegens najaagt, en dan kinderen krijgt en grootbrengt, zodat die op zijn oude dag voor hem zorgen en hem een behoorlijke begrafenis geven, en hij in vrede van zijn latere jaren kan genieten – als hij dit doel najaagt, dan zou zijn leven zo verstoken zijn van betekenis!’ Voordat ze zelfs maar echt zijn begonnen het leven te ervaren, zien ze al dat de weg voor hen duister is en verstoken van licht; ze hebben elke vooraf geplande levensfase die voor hen ligt al gezien. Ze voelen vaag vanbinnen dat zo leven zinloos is en dat er niets is om naar uit te kijken! Sommige mensen beginnen, wanneer ze in de twintig zijn, na te denken over het stichten van een gezin, over het opbouwen van een carrière, over het leiden van een goed leven, en over hoe ze hun ouders een goed leven kunnen bieden. En er zijn ook mensen die altijd ambities hebben; ze willen altijd een fortuin vergaren of een ambtenaar worden, om boven de rest uit te steken en hun voorouders eer te brengen. Kortom, of ze nu beïnvloed worden door hun ouders of door de maatschappij, ze weten niet dat ze over het leven moeten nadenken. Ze geloven stellig dat het leven alleen maar draait om goed eten, mooie kleding en het leiden van een goed leven, en ze overwegen niets anders. Sommige mensen ervaren veel tegenslagen voordat ze helder zien dat deze maatschappij en de mensheid niet zo goed zijn als mensen zich voorstellen, en ze beginnen te overwegen hoe ze een leven kunnen leiden dat waardevol en zinvol is, en dat niet tevergeefs wordt geleefd. Zulke mensen vormen een zeer kleine minderheid. Kortom, al degenen die nadenken over de waarde van het leven en beseffen dat mensen zich met praktische zaken moeten bezighouden zolang ze leven, zijn mensen die geweten en verstand hebben. Het feit dat ze over deze dingen kunnen nadenken, toont aan dat hun waarden anders zijn dan die van anderen. Hun waarden hebben geen betrekking op goed eten en het genieten van mooie dingen, op floreren, op boven de rest uitsteken, en op het hebben van goede vooruitzichten in dit leven, om het daar vervolgens bij te laten. Er zijn veel mensen met goede vooruitzichten, zoals die hoge ambtenaren – wacht hun uiteindelijk iets goeds? Leven ze gelukkig? Als je hun leven achter de schermen van dichtbij bekijkt, zijn ze ook niet gelukkig. Dit geeft je het gevoel dat als jij ook status en vooruitzichten zoekt, je ook ongelukkig zult zijn, net als zij. Mensen met de gedachten van normale menselijkheid zullen zich afvragen: ‘Die hoge ambtenaren zijn niet gelukkig, wat bewijst dat het pad dat ze bewandelen verkeerd is. Wat is dan het juiste pad dat mensen zouden moeten bewandelen, een pad dat hun hart werkelijk troost kan bieden? Het hart van mensen heeft iets nodig om het te troosten. Deze bron van troost bestaat niet uit materiële genoegens zoals geld, luxe huizen of mooie auto’s, evenmin is het een vertrouweling die samen met hen beproevingen kan trotseren, laat staan dat het een perfect huwelijk of toegewijde kinderen is. Geen van deze dingen kan het hart van mensen werkelijk troost bieden. Wat het hart van mensen werkelijk troost kan bieden, zijn de dingen die hun hart nodig heeft. Ze moeten enkele antwoorden krijgen; dat wil zeggen, er zijn enkele dingen die mensen in de loop van het leven willen begrijpen: waar komen mensen vandaan? Wanneer zullen ze sterven? Wie beheerst de dood? Bestaat er in het leven zoiets als het lot? Wie bepaalt het lot? Als iemands ouders het bepalen, wie bepaalt dan het lot van iemands ouders? Ouders kunnen niet eens hun eigen lot beheersen, hoe kunnen ze dan het lot van hun kinderen beheersen? En ook, hoe zouden mensen zich moeten gedragen? Hoe zouden ze zich moeten gedragen zodat hun leven de moeite waard is, en ze niet tevergeefs door deze wereld gaan? Als mensen zielen hebben, hebben hun zielen dan na hun dood een plek om naartoe te gaan? Als zielen een plek hebben om naartoe te gaan, houdt dat dan verband met dit leven? Wat moeten mensen in dit leven doen zodat hun zielen na de dood naar een goede plek kunnen gaan? Hoe kunnen ze vermijden dat ze naar een slechte plek gaan en hoe kunnen ze van koers veranderen? Dit zijn allemaal vragen waar mensen over na zouden moeten denken. Wanneer mensen over deze vragen nadenken maar geen antwoorden kunnen krijgen, voelen ze zich dan innerlijk gekweld? (Ja.) Hoe meer je er niet in slaagt antwoorden te krijgen, hoe meer innerlijk gekweld je je voelt, en hoe minder je in de stemming bent om te genieten van het leven, van de genegenheid van familie of van romantische liefde, want hoe je er ook van geniet, deze dingen kunnen de leegte in je hart slechts tijdelijk vullen. Zodra je klaar bent met het genieten van deze dingen, zul je je diep vanbinnen nog leger voelen, omdat de dingen die je tijdelijk bezit of waarvan je geniet, je hart alleen maar verdoven en aan je tijdelijke behoeften voldoen; ze kunnen geen antwoorden bieden op de vragen waar je over nadenkt. Uiteindelijk, hoeveel geld je ook hebt, van wat voor een goed materieel leven je ook geniet, of hoeveel kinderen je ook aan je zijde hebt die je eren, kan niets daarvan die vragen diep in je hart beantwoorden, noch kan iets daarvan je helpen de antwoorden te vinden waar je naar verlangt. Dat wil zeggen, de dingen waarvan je in dit leven geniet, de dingen die je al hebt gekregen, kunnen je niet vertellen hoe je toekomst eruit zal zien, waar je naartoe zult gaan nadat dit leven eindigt, of dat je gestraft of beloond zult worden. Niemand kan je een nauwkeurig antwoord op deze vragen geven, en je kunt in geen enkel boek of in geen enkele bron nauwkeurige antwoorden vinden. Als je, wanneer je over deze vragen nadenkt, vaag kunt voelen dat het leven leeg is – dat genieten van genegenheid van familie leeg is, dat genieten van romantische liefde, het huwelijk en je gezin leeg is, dat genieten van de toewijding van je kinderen leeg is, en dat genieten van dingen als eten, drinken en plezier maken allemaal leeg is – en dat hoe meer je van deze dingen geniet en ze krijgt, hoe sterker en zwaarder dit gevoel van leegte wordt – dan zul je in toenemende mate voelen dat je hart iets anders dan deze dingen nodig heeft voor troost. Dit zal je er verder toe aansporen om dingen te zoeken die je hart troost kunnen bieden, en om te zoeken naar de antwoorden op het leven en het pad van het leven. Wanneer deze dingen niet kunnen worden gevonden, nemen mensen een hulpeloze, plichtmatige houding aan ten opzichte van wereldse zaken: ‘Ik zal gewoon zo leven. Dit is nu eenmaal hoe mensen hun hele leven leven.’ Hoe mooi de dingen die iemand met geweten en verstand bezit of waarvan hij geniet ook zijn, het is allemaal leeg voor hem. Ze zijn niet zoals die mensen die tot het soort van de beesten behoren, die nooit verzadigd zijn hoeveel ze ook eten en nooit tevreden zijn hoeveel ze ook genieten, en die zelfs denken: ‘Het is het beste voor mensen om hun hele leven zo te genieten. In dit leven is ziekte het ergste om te hebben, en geld is het ergste om te missen.’ Dit is de logica van mensen die uit dieren zijn gereïncarneerd. Deze uitspraak – ziekte is het ergste om te hebben, en geld is het ergste om te missen – is de levensfilosofie die ze afleiden nadat ze het leven hebben ervaren. Wanneer echter iemand die geweten en verstand heeft deze woorden hoort, denkt hij: ‘Arm zijn lijkt inderdaad slecht; wanneer je geld nodig hebt maar het niet hebt, brengt dat je in een lastig parket. Maar kan het hebben van geld het probleem van leegte oplossen? Het kan het in het geheel niet oplossen. Te veel geld hebben is ook een gedoe. Er zijn altijd mensen die het begeren, en je weet niet waar je het veilig kunt bewaren. Het lijkt niet veilig om het op de bank te zetten, investeren geeft je volstrekt geen zeker gevoel, en je kunt toch niet zoveel uitgeven. Als je het geld uitgeeft aan genoegens als eten, drinken en plezier maken, als je in een luxe huis woont, in mooie auto’s rijdt en geniet van de kruiperigheid, bewondering en hoogachting van mensen – waarbij mensen je volgen en omringen waar je ook gaat, als een zwerm bromvliegen die constant om je heen zoemt zonder je ook maar een moment te verlaten – zul je na enige tijd van deze dingen te hebben genoten er een innerlijk afkeer voor krijgen, en denken hoe geweldig het zou zijn om een plek te vinden om een tijdje stil te zijn en je geest tot rust te brengen. Zelfs als je de wereld rond kunt reizen en je horizon kunt verbreden, zul je daarna, wanneer je innerlijk stil wordt, nog steeds voelen dat zo leven zinloos is, en zul je je nog leger voelen. In feite heeft het hart van mensen, wanneer ze zich leeg voelen ten opzichte van dit alles, troost nodig. Dat wil zeggen: wanneer ze een bepaalde leeftijd bereiken en een bepaalde fase op het levenspad bereiken, zullen ze veel vragen en verwarring over het leven hebben die ze niet begrijpen en waarop ze antwoorden moeten krijgen en waarvoor ze oplossingen moeten zien te vinden. Als deze vragen niet kunnen worden opgelost, kunnen deze mensen alleen maar als een wandelend lijk leven, dat alles met tegenzin aanpakt, en zullen hun gezichtspunten over alles bijzonder negatief en passief zijn, in plaats van proactief. Dit zijn enkele van de gevoelens over het leven die worden gekoesterd door mensen van wie de menselijkheid geweten en verstand bezit.

Mensen met geweten en verstand zullen, naast dat ze enkele gevoelens over het leven hebben, wanneer ze een bepaalde leeftijd bereiken, enkele inzichten verkrijgen over het menselijk leven en over verschillende vragen nadenken. Omdat ze een geweten hebben – of om precies te zijn, omdat zulke mensen een hart en een geest hebben – zullen ze onder de voortdurende invloed van hun geweten en verstand in verschillende levensfasen over verschillende vragen nadenken: hoe moeten allerlei soorten mensen worden behandeld? Hoe moet men zijn ouders en kinderen behandelen? Waar draait het leven nu echt om? Waar draaien eten, drinken en plezier, evenals roem, gewin, status en vooruitzichten in het leven nu echt om? Na de verschillende levensfasen te hebben ervaren zullen ze, zelfs als ze de waarheid niet begrijpen, enkele conclusies over het leven trekken. Omdat ze nadenken, zullen ze conclusies trekken. Deze conclusies kunnen objectief zijn, of het kunnen gewoon persoonlijke inzichten zijn. Maar mensen met geweten en verstand hebben op zijn minst al bepaalde dingen doorgemaakt in het proces van het ervaren van het leven. Wanneer ze een zekere mate van levenservaring hebben zullen ze voelen: in dit leven gaan veel dingen niet zoals men wil; veel dingen liggen buiten iemands controle. Het is alsof de Hemel, ergens in het onzichtbare, het allemaal heeft gearrangeerd. Dit is een inzicht dat ze uit het ervaren van het leven opdoen, en het is ook een van hun verworvenheden. Wat menselijkheid betreft, is deze verworvenheid een zeer positieve en natuurlijke vorm van nadenken, teweeggebracht door de functie van geweten en verstand. Waarom denken ze op deze wijze na? Dat komt doordat er in het proces van het ervaren van het leven veel dingen zijn die gaan zoals ze wensen, en dingen die dat niet doen, dingen die overeenstemmen met hun verlangens, en dingen die dat niet doen. In het proces van het ervaren van deze dingen zullen ze voortdurend lessen trekken en uiteindelijk tot een conclusie komen: mensen hebben een lot. Ongeacht of iemands leven soepel en naar wens verloopt, of vol moeilijke periodes en teleurstellingen is, of het nu lijden of gelukzaligheid met zich meebrengt, er bestaat zoiets als het lot. Op deze basis zullen ze over enkele vragen nadenken: ‘Het is zeker dat mensen een lot hebben, maar kiezen mensen hun eigen lot? Wordt het gevormd door de ouders van mensen? Het lijkt er niet op dat dit zo is. Als het lot van kinderen wordt gevormd en bepaald door hun ouders, dan zou elke ouder hopen dat zijn kinderen floreren en boven de rest uitsteken, en een gelukkig leven hebben dat naar wens verloopt. Maar waarom is mijn leven niet volgens de wensen van mijn ouders verlopen, noch volgens mijn eigen verlangens? Het is duidelijk dat het lot niet door mensen wordt bepaald. Zeggen dat het lot van mensen door de natuur wordt gevormd, is leeg gepraat; dit is absoluut onmogelijk. Er is beslist een Soeverein, de Hemel, die deze zaak in de onzichtbare wereld arrangeert. Na het ervaren van enkele levensfasen hebben ze enkele inzichten opgedaan. Of, voor levensfasen die zij zelf nog niet hebben ervaren, putten zij enig begrip en inzichten uit hun ouders of voorgangers; dit zijn natuurlijk ook inzichten over het leven. Allereerst geloven ze in het lot, en op deze basis geloven ze dat de Hemel bestaat. Is dit objectief? (Ja.) Misschien zullen sommige mensen zeggen: “Wat je zegt is niet objectief. Wij zijn ook mensen, maar wij denken niet zo.” Wanneer we zeggen dat mensen met geweten en verstand over de vragen van het leven nadenken, betekent dit niet dat ze daar maar wat zitten zonder iets te doen en er vijfenveertig minuten over nadenken alsof ze in de klas zitten, en dan met een antwoord komen. Het is meer zo dat ze, naarmate ze ouder worden en steeds meer ervaringen opdoen, zonder dat ze zich er zelfs maar van bewust zijn, inzichten over het leven verkrijgen. Deze inzichten ontstaan niet van de ene op de andere dag, noch komen ze na een jaar. Misschien beginnen ze vanaf hun dertigste het leven te ervaren en zich bezig te houden met de maatschappij en andere mensen; na geleidelijk verschillende dingen te hebben ervaren, bouwen ze dit beetje bij beetje op, wat hen tot een dergelijke conclusie leidt. Dat wil zeggen, bij het bereiken van een bepaalde leeftijd, na een deel van de levensreis te hebben afgelegd, zullen mensen met geweten en verstand allereerst geloven dat mensen een lot hebben, en dat hun lot onder de soevereiniteit en regelingen van de Hemel valt; deze conclusie trekken ze. Wat concluderen ze nog meer? ‘Of een mens in dit leven nu zegeningen geniet of ontberingen lijdt, of hij nu arm of rijk is, of hij nu een hoge ambtenaar wordt of slechts een gewone persoon is, niets daarvan is aan hemzelf.’ Als je er vanuit een menselijk perspectief over nadenkt, wie wil er dan geen ambtenaar zijn, van een goed materieel leven genieten en een gelukkig, probleemloos leven leiden waarin alles naar wens verloopt? Maar dergelijke aspiraties worden niet noodzakelijkerwijs gerealiseerd; ieders lot is anders. Sommige mensen zien er bijvoorbeeld onopvallend en slonzig uit als ze jong zijn, maar behalen succes als ze opgroeien; mensen kunnen dit niet bevatten. Neem bijvoorbeeld een meisje dat van jongs af aan bijzonder gedreven is om uit te blinken; ze doet het goed in haar studie en ziet er buitengewoon goed uit. Maar wat gebeurt er uiteindelijk met haar? Ze trouwt met een schurk, wordt elke dag geslagen, en de kinderen die ze krijgt zien er niet zo goed uit als ze zich had voorgesteld; ze zien er allemaal vreemd en onaantrekkelijk uit. Ze is zo gedreven, ziet er zo goed uit en heeft zoveel aanbidders, en toch koos ze, na al haar opties te hebben overwogen, uiteindelijk voor een schurk; dit is iets wat mensen nooit zouden verwachten. Of stel dat er iemand anders is die bijzonder ambitieus is en ervan droomt om generaal of gouverneur van een provincie te worden wanneer hij volwassen is. En wat gebeurt er met hem? Wanner hij volwassen is, verdient hij de kost met landbouw. Hij is behoorlijk hoogopgeleid, draagt de hele dag een bril en kan zich welsprekend uitdrukken. Waar hij ook gaat, vertelt hij anderen historische verhalen en anekdotes. Hij weet zelfs alles van astronomie tot geografie, en kan de toekomst voorspellen. Maar uiteindelijk bereikt hij niets en blijft hij zijn hele leven een boer. Uit deze dingen kan worden opgemaakt dat iemands lot gedurende zijn hele leven door de Hemel wordt gearrangeerd. Zelfs als je goede aspiraties en wensen hebt, worden ze niet noodzakelijkerwijs gerealiseerd. Het kan zelfs zo zijn dat als je die niet hebt, je onverwacht geluk ten deel valt. Dit vervult de uitspraak van de ongelovigen: de Hemel heeft ogen. Dit valt volledig onder de soevereiniteit en de regelingen van de Schepper. Bovendien zal iemand die nu arm is, niet noodzakelijkerwijs zijn hele leven arm zijn. Wanneer iemand arm is, kijkt zijn vrouw misschien op hem neer en verlaat ze hem. Maar een paar jaar later floreert zijn bedrijf en wordt hij miljonair, rijdt hij in luxe auto’s, woont hij in een landhuis en is hij getooid met goud en zilver. Zijn vrouw wil dan terugkomen, maar hij zou nog liever helemaal nooit meer trouwen dan haar terugnemen. Je ziet, zijn vrouw heeft simpelweg geen geluk; ze is voorbestemd om arm te zijn. Of je in dit leven arm of rijk bent, ligt buiten je controle. Je weet nooit wanneer je rijk zou kunnen worden, en je weet nooit waardoor je arm zou kunnen worden. Sommige rijke mensen denken dat ze hun hele leven rijk zullen zijn, dus kijken ze neer op arme mensen en negeren ze hen. Maar een paar jaar later worden ze arm, en degenen die ze vroeger treiterden en negeerden, zijn nu rijker dan zij, en voelen niet de behoefte om aandacht aan hen te besteden. Tot welke andere inzichten over het leven komen mensen met geweten en verstand naast het besef dat of men rijk of arm is buiten iemands controle ligt? Sommige mensen zeggen: “Doe in dit leven geen kwaad, zelfs als je geen goede dingen doet. De Hemel heeft ogen! Kijk naar die familie; ze zijn al sinds de generatie van hun grootouders verrot, en bedriegen en schaden altijd anderen. En wat is er uiteindelijk met hen gebeurd? Hun kleinzoon kreeg zijn verdiende loon; hij werd gehandicapt geboren. Doe dus geen kwaad. De Hemel heeft ogen; je zult vroeg of laat je verdiende loon krijgen als je kwaad doet!” Mensen met geweten en verstand ervaren veel dingen en lijden veel wanneer ze de waarheid niet begrijpen. Tegen de tijd dat ze in de vijftig of zestig zijn, zullen ze verschillende inzichten over het leven hebben. Deze inzichten komen uiteindelijk neer op het bestaan van het lot en de Hemel, namelijk dat in de onzichtbare wereld het lot van mensen onder de soevereiniteit en regelingen van de Hemel valt, dat mensen na hun dood hun verdiende loon krijgen, dat men geen kwaad mag doen, en dat, ongeacht welk kwaad men doet, de Hemel ogen heeft en toekijkt. Denk niet dat anderen geen idee hebben dat je kwaad hebt gedaan; mensen weten het misschien niet, maar de Hemel weet het beslist. De schulden die een persoon in dit leven heeft, moeten in het volgende leven worden terugbetaald, en het kan zelfs meerdere levens duren voordat ze zijn terugbetaald. Je ziet, van de oudheid tot heden hebben al degenen die te veel kwaad hebben gedaan een slecht einde gekend en hun verdiende loon gekregen. Sommigen pleegden te veel moorden en werden gestraft; honderden jaren lang werden ze niet één keer als mens gereïncarneerd. Ze werden voortdurend gereïncarneerd als koeien en varkens, en nadat ze waren geslacht, werden ze opnieuw gereïncarneerd als varkens en koeien, en gingen ze generatie na generatie door deze cyclus. Dit is het ondergaan van vergelding. Zelfs als mensen met geweten en verstand de waarheid niet begrijpen, kunnen ze nog altijd enkele gevoelens hebben over de zaken van het leven, enkele positieve dingen beseffen en uiteindelijk enkele positieve antwoorden krijgen. Deze positieve antwoorden stellen hen in staat om enkele principes voor zelf-gedrag af te leiden die mensen zouden moeten bezitten, en het pad van zelf-gedrag dat mensen zouden moeten bewandelen. Door hun hele leven op deze manier te leven, kunnen ze op zijn minst minder kwaad doen en wordt hen enige straf bespaard. Hoe meer levenservaring mensen hebben en hoe meer inzichten over het leven ze opdoen, hoe correcter ze hun vooruitzichten en toekomst onder ogen kunnen zien, en hoe meer ze de dingen op hun natuurlijke beloop kunnen laten, waarbij ze alles laten gebeuren zoals het zal gebeuren, in plaats van dat ze al deze dingen op een dwingende en doelbewuste manier proberen te beheersen. Zo zullen ouders bijvoorbeeld, met betrekking tot dingen als de vooruitzichten en het huwelijk van iemands kinderen, of hoe iemands kinderen de ouderen behandelen, de dingen op hun natuurlijke beloop laten en deze dingen correct onder ogen zien, in plaats van gefabriceerde middelen te gebruiken of over te gaan tot extreem gedrag om het allemaal te manipuleren. Wanneer iemand dus deze inzichten over het leven heeft, dan kan hij zich tot op zekere hoogte schikken naar de regelingen van de Hemel en de regelingen van het lot, en minder of helemaal geen dwaze dingen doen.

Er zijn veel inzichten over het leven op te doen. Welke andere inzichten hebben jullie opgedaan, naast de inzichten waarover we zojuist hebben gecommuniceerd? (Dat geboorte, veroudering, ziekte en dood ook buiten de controle van mensen liggen.) Ja, geboorte, veroudering, ziekte en dood liggen buiten de controle van mensen. Zie je, sommige mensen verkeren in blakende gezondheid, maar dan lopen ze een verkoudheid op en sterven binnen een paar dagen. Tegelijkertijd zijn er sommige mensen die ziekelijk zijn, het hele jaar door medicijnen slikken, en toch tot ver in de tachtig leven. Wanneer men sterft, ligt ook buiten iemands controle; het is niet iets wat men kan kiezen. Welke andere inzichten over het leven zijn er? (Dat romantische liefde en het huwelijk ook buiten iemands controle liggen.) Mensen kunnen veel dingen op het moment zelf niet doorzien, maar wanneer ze een bepaalde leeftijd bereiken, zullen ze tot enkele inzichten komen. Er zijn bijvoorbeeld veel dingen die niet door mensen kunnen worden gefabriceerd; ze veranderen niet volgens de menselijke wil, noch worden ze erdoor bepaald. Zeg Mij: wordt het hart van iemand die over deze vragen kan nadenken en deze inzichten over het leven heeft, niet sterk verlicht wanneer hij Gods woorden hoort? (Ja.) Als ze antwoorden uit Gods woorden kunnen putten, kunnen ze Gods woorden dan aanvaarden? Zullen ze de waarachtigheid van Gods woorden erkennen? (Dat zullen ze.) Nadat mensen met geweten en verstand enkele van de levensfasen hebben ervaren, zullen ze tot enkele inzichten over het leven komen. Het meest fundamentele punt onder deze inzichten is een geloof in het lot en een geloof dat God bestaat. Wanneer ze op deze basis voor God komen, geven Gods woorden hun antwoorden en geven ze hun ook een pad, wat de inzichten bevestigt die ze hebben opgedaan in het proces van het ervaren van het leven, en wat hun ook specifieke antwoorden biedt. Dat wil zeggen, Gods woorden vullen perfect enkele specifieke details aan die ze niet inzagen tijdens het proces van het ervaren van het leven. Ze helpen hen beter te begrijpen en vaster te geloven dat God bestaat, en dat het buiten alle twijfel staat dat God soevereiniteit heeft over het lot van mensen. Ze hadden deze basis al van meet af aan en hadden dergelijke antwoorden al verkregen in het proces van het ervaren van het leven. Wanneer ze voor God komen en de waarheid uit Gods woorden begrijpen, zorgen Gods woorden ervoor dat ze vaster geloven in Zijn bestaan en in het feit dat Hij soevereiniteit heeft over het lot van mensen. Dat wil zeggen, Gods woorden stellen hen in staat te bevestigen dat hun inzichten juist en accuraat zijn. Daarom geloven ze, op basis van het hebben van inzichten over het leven, nog vaster dat God werkelijk bestaat, en dat, hoewel Hij niet kan worden gezien of aangeraakt, Zijn bestaan onmiskenbaar is. Ze hadden hier eigenlijk al een besef en gevoel van voordat ze voor God kwamen. Wanneer ze bevestiging krijgen uit Gods woorden, neemt hun geloof natuurlijk toe; in plaats van meer te gaan twijfelen, hebben ze meer geloof in God en een vaster geloof in Zijn bestaan. Bijgevolg hebben ze minder moeite om Gods woorden te aanvaarden dan de meeste mensen. Net als Job – tot wat welk inzicht kwam hij over het leven? ‘De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam van de Heer zij geprezen’ (Job 1:21). Voordat God hem beproefde, en voordat God oog in oog met hem kwam te staan, had hij dit al gevoeld. Dus toen God hem beproefde, geloofde hij in zijn hart vaster dat dit Gods werk was, en dat het onmiskenbaar was. Dat wil zeggen: toen God hem op de proef stelde, begon hij niet vanaf nul met het kennen van God, het in contact komen met en leren kennen van Gods daden, en het leren kennen van Gods soevereiniteit; integendeel, hij had Gods daden en Gods soevereiniteit al begrepen en doorgrond. Op deze basis bevestigde hij verder dat zijn kennis en inzichten juist waren, en dat God inderdaad op deze manier handelt. Wat mensen met geweten en verstand betreft, wanneer zij voor God komen na inzichten over het leven te hebben opgedaan, kost het ze nauwelijks moeite om Gods woorden te aanvaarden. Ze kunnen nog vaster geloven dat Gods woorden juist zijn. Het is alleen zo dat veel van de details ontbreken in hun inzichten over het leven, en dit zorgt ervoor dat ze nog vaster geloven en bevestigen dat hun kennis juist is, waardoor ze geen twijfels over God hebben. Is het gezien het feit dat ze geen twijfels over God hebben en stellig in Zijn bestaan geloven, dan moeilijk voor hen om Gods soevereiniteit en Zijn woorden te aanvaarden? Is het minder moeilijk voor hen vergeleken met degenen die helemaal niet in Gods bestaan geloven of het niet erkennen, of die het in twijfel trekken? (Ja.) Zelfs als ze worden gehinderd door hun verdorven gezindheden, is hun houding ten opzichte van Gods woorden en de waarheid op zijn minst gebouwd op de basis dat ze zonder enige twijfel stellig geloven dat God de Soeverein van de mensheid is. Dat wil zeggen, wanneer God hen beproeft of hen tuchtigt en oordeelt, ontkennen ze ten eerste op zijn minst Gods bestaan niet; ten tweede trekken ze Gods soevereiniteit niet in twijfel; en ten derde verwerpen ze Gods soevereiniteit niet. In plaats daarvan richten ze zich er alleen maar op hun eigen verdorven gezindheden op te lossen. Deze gesteldheid is anders dan die van mensen die helemaal niet geloven dat God bestaat of die sceptisch staan tegenover God. Degenen die helemaal niet in Gods bestaan geloven, verzetten zich allereerst tegen God wanneer Gods tuchtiging en oordeel over hen komen of wanneer God situaties arrangeert om hen te disciplineren. Ze ontkennen Gods bestaan en zeggen: “Dit is niet gods werk; god zou nooit op deze manier handelen!” of “Waar is god? Dit is het werk van mensen!” Ze vertonen gedragingen en doen uitspraken die typerend zijn voor niet-gelovigen. Ondertussen vragen degenen die sceptisch staan tegenover God zich altijd af: ‘Is dit Gods werk? Ik geloof gewoon niet dat God op deze manier zou handelen. God heeft mensen lief en geeft om hen; zou Hij Zijn soevereiniteit op deze manier uitoefenen? Ik denk het niet. Hoe dan ook, ik wil dit niet aanvaarden; als iets niet overeenstemt met mijn noties, aanvaard ik het niet!’ Je ziet dat de houdingen van deze twee typen mensen ten opzichte van Gods tuchtiging en oordeel, discipline en beproevingen verschillend zijn. Wat mensen betreft waarvan hun menselijkheid de eigenschappen geweten en verstand bezit en werkelijk in Gods bestaan geloven: wanneer God omstandigheden arrangeert om hen te beproeven, behandelen ze de door God gearrangeerde omstandigheden allereerst vanuit het perspectief van de geschapen mensheid. Ze behandelen de Schepper en God met een houding van onderwerping in hun hart. Hun houding is er niet een van in twijfel trekken, verwerpen of ontkennen; integendeel, ze geloven: dit is Gods werk; het valt onder Gods soevereiniteit. Hoewel ze misschien ook opstandigheid en noties ontwikkelen, en proberen tegen te spreken, is hun houding ten opzichte van de omstandigheden op zijn minst: dit is Gods werk; God heeft soevereiniteit over alles. Bovendien zullen ze er op zijn minst niet aan twijfelen dat God daadwerkelijk bestaat; dit is iets wat simpelweg niet zal gebeuren. Daarom is hun houding ten opzichte van God – ongeacht welk werk God bij hen verricht – die van een geschapen mens ten opzichte van God, en niet die van een gewoon mens. Verschilt de houding ten opzichte van God van mensen met geweten en verstand niet van die van niet-gelovigen en mensen die aan Hem twijfelen? (Ja.)

Niet-gelovigen behandelen God alsof Hij lucht is, en behandelen Hem zelfs als een gewoon persoon op hetzelfde niveau als zijzelf. Degenen die aan God twijfelen, hebben lege en vage verbeeldingen van God wanneer hun niets overkomt; wanneer ze met kwesties worden geconfronteerd, koesteren ze allerlei verdenkingen, twijfels, en zelfs scepsis jegens God. Degenen met geweten en verstand behandelen God echter, omdat zij er in hun hart zeker van zijn dat God bestaat en overtuigd zijn van Gods identiteit en essentie, ongeacht welke opstandigheid of noties zij jegens Hem ontwikkelen, op zijn minst met de houding die een schepsel tegenover de Schepper behoort te hebben. Is het verschil tussen dit soort persoon en de vorige twee soorten groot? (Ja.) Ze zullen niet sceptisch staan tegenover God, noch zullen ze God als een gewoon persoon behandelen. Waarom praten we over dit verschil? We doen dit omdat bij een persoon met menselijkheid, welke verdorven gezindheden hij ook onthult, en ongeacht of hij noties of opstandigheid jegens God ontwikkelt, dit alles tot stand komt binnen de reikwijdte van het geweten en verstand van zijn menselijkheid. Ten eerste zal hij God niet vervloeken; ten tweede zal hij geen oordeel vellen over God of God lasteren; en ten derde zal hij het werk dat God aan hem doet niet weerstaan. Hooguit probeert hij misschien te redetwisten, of is hij onwillig om de situatie van dat moment te aanvaarden, of onwillig om zulk werk van God te aanvaarden. Maar op zijn minst behandelt hij God als God, en zelfs als hij enkele uitingen van opstandigheid vertoont, blijven deze beperkt tot de reikwijdte van geweten en verstand. Daarentegen zijn mensen die God ontkennen zich, wanneer zij niet met bepaalde situaties worden geconfronteerd, er niet van bewust of God bestaat. Wanneer ze echter wel met een situatie worden geconfronteerd, geloven ze dat God iets heeft gedaan dat ongunstig voor hen is – misschien disciplineert Hij hen, of ontneemt Hij hun iets wat enkele van hun persoonlijke belangen schaadt – en zullen ze in hun hart zonder scrupules een oordeel vellen over God, God vervloeken en God lasteren, zonder ook maar enigszins een Godvrezend hart te hebben. Hun houding ten opzichte van God is anders dan die van mensen met geweten en verstand. Ze durven God te vervloeken, en dit vervloeken is niet louter opstandigheid; ze vervloeken God zonder enige terughoudendheid of remming. Waarom tonen ze geen terughoudendheid of remming? Omdat ze geen mensen zijn en geen geweten en verstand hebben; ze behandelen God gewoon alsof Hij de meest gewone persoon in de wereld is. En als Gods woorden hun problemen raken, behandelen ze God als een vijand, en denken ze: ‘Als uw woorden ongunstig voor mij zijn, word ik boos en sla ik u terug! Zolang uw woorden en daden geen betrekking op mij hebben, heb ik geen probleem met u. Als er iets gebeurt dat mijn belangen schaadt of als ik het risico loop gearresteerd te worden, dan zal ik god onmiddellijk ontkennen en verwerpen!’ Ze zullen ook in hun hart zeggen: ‘In god geloven is zinloos – we moeten zelfs vervolging en onderdrukking lijden. Ik ga deze beproeving in ieder geval niet lijden!’ Zoals je ziet, koesteren ze te allen tijde de gedachte om hun geloof in God op te geven en Hem te verlaten. Wanneer ze met dingen worden geconfronteerd die niet naar wens verlopen, koesteren ze deze gedachten en willen ze afstand nemen van God. Dit is de meest voorkomende gesteldheid van duivels en niet-gelovigen. Zodra deze mensen dingen tegenkomen die ongunstig voor hen zijn, willen ze God ontkennen, willen ze stoppen met in God te geloven, en willen ze Gods naam verwerpen en ervandoor gaan. Niet alleen verloochenen ze Gods naam, ze klagen ook dat God hen niet kan beschermen of hun belangen niet kan veiligstellen. Sommige mensen zeggen zelfs: “Bestaat God echt? Kan Hij echt soevereiniteit over alles hebben?” En anderen zeggen: “God dienen is niet gemakkelijk; dicht bij een koning zijn is even gevaarlijk als bij een tijger liggen!” Je ziet, ze durven schandalig opstandige dingen te zeggen. Als je God werkelijk als God behandelt en werkelijk gelooft dat er een God is, en je bekijkt het vanuit het geweten en verstand van een normaal persoon, zou je dan zo over God oordelen en Hem lasteren wanneer je met dingen wordt geconfronteerd die ongunstig voor je zijn? Dat zou je niet doen, omdat je geweten het simpelweg niet zou toelaten, je zou deze gedachten zodoende helemaal niet ontwikkelen. Zou je zulke dingen dan nog steeds zeggen? Zulke woorden zouden nooit over je lippen komen. Wanneer die duivels en niet-gelovigen met dingen worden geconfronteerd die ongunstig voor hen zijn, zullen ze God vervloeken en lasteren, en uiteindelijk God verzaken en niet langer in Hem geloven. Er zijn ook sommige mensen die, wanneer ze met dingen worden geconfronteerd die niet naar wens verlopen, protesteren door te staken, hun werk neer te leggen en te weigeren hun plichten te vervullen. Er was eens een niet-gelovige die kwaad deed en Gods huis ernstige schade toebracht. Gods huis onthief hem van zijn functie, en toen hij aan een gewone kerk werd toegewezen, weigerde hij en zei: “Als jullie me aan een gewone kerk toewijzen, stop ik met eten. Ik zal hier ter plekke sterven!” Enkele broeders en zusters snoeiden hem toen en communiceerden met hem. Ik zei: “Ben je niet dwaas om je te verlagen tot het niveau van zo iemand? Dit is een duivel die zijn ware gezicht laat zien, waarom neem je hem dus zo serieus?” Als hij een mens was, zou hij dan zoiets kunnen doen? Tegen wie verzet hij zich? Nog afgezien van het feit dat hij zoveel kwaad heeft gedaan en Gods huis zulke ernstige schade heeft toebracht – in welk geval het volkomen gerechtvaardigd en gepast is dat Gods huis hem aanpakt – zou het ook als hij geen kwaad had gedaan niet gepast zijn voor Gods huis om hem van zijn functie te ontheffen omdat hij niet in staat was het werk te doen? Dit is handelen volgens principes. Dus wat voor schaamteloze streek probeerde hij nu eigenlijk uit te halen? Het feit dat hij die schaamteloze streek probeerde uit te halen, onthulde hem, en dit was des te meer reden om hem weg te sturen. Hij kan gaan en staan waar hij wil; de kerk hoeft alleen maar zijn naam te verwijderen, en daarmee is de kous af. Dit is een duivel, dus waarom neem je hem zo serieus? Het is idioot hem serieus te nemen; kun je met een duivel redeneren? Deze niet-gelovige heeft geen geweten en verstand, doet allerlei smerige dingen en probeert schaamteloze streken uit te halen, denkend dat als hij dat doet, Gods huis niet zou kunnen reageren. Zo iemand is gemakkelijk aan te pakken; stuur hem gewoon weg en daarmee is de zaak afgedaan – uit het oog, uit het hart. Is het niet dwaas om een niet-gelovige die een duivel is als een normaal persoon te behandelen? Een duivel aanvaardt de waarheid in het geheel niet, en hoe hij ook gelooft, hij zal de waarheid niet verwerven. Als je over de waarheid met hem communiceert, is dat dan geen verspilde moeite? Als je wilt dat hij gezuiverd en gered wordt, dan is dat onmogelijk. Hij is simpelweg een duivel die zijn ware gezicht laat zien, en hij zou verwijderd moeten worden. Dit is hoe niet-gelovigen moeten worden aangepakt.

Die verwarde mensen die tot de dierlijke categorie behoren, erkennen God niet vanuit het diepst van hun hart en behandelen God niet als God, noch hebben ze respect voor Gods vlees of vrees voor de God in de hemel; voor hen telt alleen persoonlijk gewin. Als ze vandaag zegeningen krijgen die gunstig voor hen zijn, zeggen ze: “God is goed, god is groot, god is rechtvaardig, god is nobel!” Maar als God op een dag hun voordelen wegneemt en hen laat lijden, zullen ze God ontkennen en verraden, en zelfs zeggen: “Het is niet per se waar dat god alleen maar goed is; ik geloof niet meer in god!” Als Gods huis enkele voordelen uitdeelt en hen gratis iets laat verkrijgen, voelen ze zich gelukkig en zeggen ze: “God houdt zoveel van mensen, god is zo beminnelijk! Ik prijs god in mijn hart!” Ze worden zo gelukkig dat ze een gat in de lucht springen, en ’s nachts zelfs lachend uit hun dromen kunnen ontwaken. Als hun wordt verteld dat het niet langer gratis is, veranderen ze onmiddellijk van toon en worden ze ongelukkig. Ze zeggen niet langer dat God beminnelijk is of dat God om mensen geeft, maar vellen in plaats daarvan het oordeel dat Gods huis te gierig is en geen liefde heeft; zo snel verandert hun houding. Hebben zulke mensen geweten en rationaliteit? (Nee.) Mensen zonder geweten en verstand hebben geen gevoel van schaamte. Wanneer ze er baat bij hebben, zeggen ze dat God goed is; wanneer ze er geen baat bij kunnen hebben, veranderen ze van toon en zeggen ze: “God is niet goed, er is geen god.” Ze kunnen zulke dingen daadwerkelijk zeggen. Ze spreken met een gespleten tong, alsof ze een gespleten persoonlijkheid hebben. Ze zijn degenen die zeggen dat God goed is, en ze zijn ook degenen die zeggen dat God niet goed is. Waar zijn hun woorden op gebaseerd? Ze zijn puur gebaseerd op de vraag of ze er iets bij te winnen hebben; als ze er niets bij te winnen hebben, zeggen ze dat God niet goed is – ze zijn echt in staat om zulke dingen te zeggen. Over het algemeen zal iemand met geweten en verstand zich innerlijk schuldig voelen als hij zulke dingen zegt: ‘Oh, ik heb geen geweten. Wat ik zojuist zei was ongepast. Ik kan dat in de toekomst niet meer zeggen. Als je eenmaal iets zegt, kun je het niet meer terugnemen; door dat te zeggen heb ik mijn menselijkheid onthuld.’ Ze zullen dan over zichzelf nadenken en zichzelf leren kennen. Mensen die uit dieren zijn gereïncarneerd, zullen niet over zichzelf nadenken en zichzelf niet leren kennen. Ze denken dat ze gerechtvaardigd zijn, ongeacht wat ze zeggen. Ze zeggen het ene wanneer ze gelukkig zijn, en het andere wanneer ze ongelukkig zijn. Ze hebben geen gevoel van schaamte en geen integriteit of waardigheid, en het kan hun niet schelen hoe anderen hen zien. Hebben ze God dan daadwerkelijk in hun hart? Om precies te zijn, dat hebben ze niet. Objectief gezien zeggen ze, wanneer ze Hem nodig hebben, dat er een God is, dat God met hen is, dat God hun genade schenkt en hen helpt, en dat God over hen waakt en hen beschermt. Wanneer God hen echter berispt en disciplineert, waardoor ze gezichtsverlies lijden en zich te schande gemaakt voelen, en ze voelen dat wat God doet ongunstig voor hen is, zeggen ze dat God niet goed is en beginnen ze sceptisch tegenover God te staan. Zeg Mij, welk geweten en verstand hebben zulke mensen? Ze behandelen God net zoals ze mensen behandelen, en nemen geen enkele grens van het geweten in acht. Ze durven zelfs met God te ruziën en te redetwisten, en durven Hem te beschimpen, zonder de minste angst of vrees voor God. Achteraf hebben ze er spijt van: ‘Oh, ik heb God teleurgesteld!’ Maar wanneer ze weer met zulke dingen worden geconfronteerd, handelen ze toch weer op dezelfde manier. Ze zullen nooit ware vrees voor God in hun hart hebben; God heeft geen plaats in hun hart. Iemand die echter werkelijk geweten en verstand heeft, heeft een vaste plaats voor God in zijn hart, en deze vaste plaats maakt hem oprechter, ernstiger en respectvoller tegenover God dan tegenover wie dan ook. Deze oprechtheid, deze ernst en dit respect vormen zijn houding ten opzichte van God, dankzij de werking van het fundamentele geweten en verstand dat hij heeft. Hij zal dus op geen enkel moment, of hij nu zwak of negatief is, of hij nu heeft gefaald of is gedisciplineerd, deze grens overschrijden. Hoe groot de moeilijkheden die hij tegenkomt ook zijn of hoeveel pijn hij ook lijdt, hij zal deze grens niet overschrijden, omdat hij een waar mens is. Hij gelooft dat God bestaat en dat Hij soevereiniteit heeft over het lot van mensen. Hij zal dus de grens van het geweten niet overschrijden om een overtreding tegen God te begaan, noch zal hij God opzettelijk vervloeken, God weerstaan of tegen God in opstand komen terwijl hij zich daarvan bewust is. Dat hij zich er opzettelijk van weerhoudt dit te doen, betekent dat hij wordt beteugeld door zijn geweten en verstand. Natuurlijk kan hij, onder de invloed van zijn geweten en verstand, ook enkele dingen doen die iemand met normale menselijkheid zou moeten doen. Hij zal bijvoorbeeld niet opzettelijk een oordeel vellen of opmerkingen maken, ongeacht welk werk God doet of welke woorden God spreekt die niet overeenstemmen met zijn noties. Hij kan deze dingen correct behandelen of de waarheid zoeken om zijn eigen noties op te lossen; hij heeft een fundamentele grens in zijn onderbewustzijn. Omdat hij gelooft dat God bestaat, zal hij door de werking van zijn geweten en verstand tot deze overdenkingen komen. Na te hebben nagedacht, zal hij een fundamentele houding en fundamentele principes hebben voor hoe hij God behandelt. Alleen op de basis van deze fundamentele principes kunnen mensen hun relatie met God, als die van een schepsel tot de Schepper, in stand houden, en alleen op deze basis kunnen ze een dergelijke correcte, normale en gepaste relatie in stand houden. Alleen als deze relatie aanwezig is, kunnen mensen Gods woorden normaal aanvaarden, en zich normaal aan Gods woorden onderwerpen en ze beoefenen. Zeg Mij, kunnen mensen die God vaak vervloeken, mensen die om het minste of geringste niet langer in God willen geloven, en mensen die zomaar over God klagen en Hem haten, Gods woorden aanvaarden? Kunnen ze Gods woorden beoefenen? (Nee.) De houding die deze mensen ten opzichte van God hebben, is de houding die duivels ten opzichte van God hebben. Aangezien duivels een dergelijke houding ten opzichte van God hebben, kunnen ze Gods woorden dan als de waarheid behandelen? Nooit. Alleen geschapen mensen kunnen Gods woorden als de waarheid behandelen. Alleen door Gods woorden als de waarheid te behandelen, kunnen mensen bereid zijn Gods woorden te aanvaarden, en zich er vervolgens verder aan te onderwerpen, ze te beoefenen en erin binnen te gaan, en uiteindelijk gezuiverd en gered te worden.

Iemand van wie de menselijkheid de kwaliteiten van geweten en verstand bezit, heeft een fundamenteel principe wat betreft de manier waarop hij God behandelt, en dat is dat hij de intentie heeft om zich te onderwerpen. Wat hem ook overkomt, hij zal absoluut niet willekeurig een oordeel vellen, maar zal tot God bidden en de waarheid zoeken; dit is de uiting die een normaal persoon zou moeten hebben. Als de uitingen van een persoon overeenstemmen met het geweten en verstand van normale menselijkheid, of als hij de regulering, beteugeling en controle van geweten en verstand heeft, dan is deze persoon een waar mens, en is hij iemand die God van plan is te redden. Als hij handelt zonder de regulering, laat staan de beteugeling, van geweten en verstand, en verward is; als hij een goede houding ten opzichte van God wil hebben maar daar nooit toe in staat is, niet weet hoe hij God precies moet behandelen, en niet weet aan welke principes mensen zich voor God moeten houden om correct te zijn – als hij geen van deze dingen weet, maar gewoon verward en in de war is, en zich goed gedraagt in het gezelschap van goede mensen en kwaadaardig in het gezelschap van kwaadaardige mensen, wat voor soort persoon is hij dan? Wanneer hij in het gezelschap is van mensen die geweten en verstand hebben, doet hij geen slechte dingen, maar dat betekent niet dat hij iemand met menselijkheid is. Als hij in het gezelschap is van kwaadaardige mensen, zal hij slechte dingen doen. Wanneer kwaadaardige mensen God vervloeken, wordt hij ook sceptisch tegenover God; wanneer kwaadaardige mensen God ontkennen en een oordeel over Hem vellen, walgt hij daar niet van, oefent hij geen enkel onderscheidingsvermogen uit, en blijft hij toch omgaan met deze kwaadaardige mensen. Hij beschermt nooit het werk van Gods huis, Gods getuigenis of de belangen van de kerk, maar treedt op als een toeschouwer, en weet niet eens wat correct en incorrect is. Zo iemand is een van degenen die uit een dier zijn gereïncarneerd; hij is absoluut geen mens. Daarentegen heeft een persoon met geweten en verstand, voordat hij Gods werk tegenkomt, een fundamenteel respect, een fundamentele vrees of eerbied voor de Hemel die mensen kunnen bereiken. Op zijn minst is voor hem de Hemel heilig, rechtvaardig en verheven. Nadat hij Gods werk heeft aanvaard en enkele waarheden die God van mensen vereist te bezitten, is gaan begrijpen, kan hij, als gevolg van de werking van zijn geweten en verstand, zelfs als hij niet zoveel waarheden begrijpt, het verstand en de houding begrijpen die mensen ten opzichte van God zouden moeten hebben. Of het nu Gods identiteit betreft of de verschillende aspecten van Zijn vlees, hij zal een zekere mate van respect, eerbied en vrees hebben. Beter nog, op de basis van het begrijpen van enkele waarheden, kan hij een vrees voor God ontwikkelen. Hij behandelt God niet op een nonchalante, onverschillige, willekeurige of oneerbiedige manier, maar behandelt Hem met grote zorg en voorzichtigheid. Vooral wanneer het gaat om Gods werk, Zijn getuigenis, Zijn naam, Zijn identiteit en status, Zijn offergaven, alsook Gods woorden, Gods vereisten en een specifieke instructie van God, is hij bijzonder zorgvuldig en voorzichtig. Hij behandelt deze dingen met een Godvrezend hart en een respectvolle houding. Hij gaat er niet plichtmatig mee om, noch doet hij het voor de vorm en doet hij dingen voor de show, maar is in staat om ze serieus te behandelen, met een nederig hart en een nederige houding ten opzichte van alle zichtbare of onzichtbare dingen die God betreffen. Dit is de houding die iemand met geweten en verstand ten opzichte van God bovenal behoort te hebben. Wanneer je de waarheid niet begrijpt, heb je misschien geen erg exact begrip van het woord ‘God’, noch begrijp je Gods identiteit en essentie of Gods gezindheid, maar je hebt wel een zekere mate van respect en vrees voor de Hemel. Nadat je Gods werk hebt begrepen, Gods werk hebt ervaren en Gods woorden hebt aanvaard, waarin zullen je eerbied en vrees voor God dan veranderen? Ze zullen veranderen in oprechtheid, ernst en vrees, of ontzetting en beven; dit is de houding die een persoon met het geweten en verstand van normale menselijkheid ten opzichte van God zou moeten ontwikkelen. Als iemand al vele jaren in God gelooft, beweert te geloven dat God bestaat en met de mond het bestaan van God erkent, maar toch nooit, als gevolg van de werking van geweten en verstand, de houding heeft ontwikkeld die hij ten opzichte van God zou moeten hebben, dan is het gemakkelijk voor te stellen wat deze persoon innerlijk mist. Als het hem louter ontbreekt aan oprechtheid en ernst ten opzichte van God, maar hij nog altijd wel een beetje vrees en angst voor God bezit, dan kan alleen maar worden gezegd dat deze persoon niet erg goed is; hij mag dan wel een mens zijn, maar hij is niet een erg goed mens. Het kan zijn dat hij te ernstig is vervuild en beïnvloed door Satans boosaardige trends in de maatschappij, of dat hij te diep is vergiftigd en te ernstig is gehersenspoeld. Niettemin, als je vrees voor God bezit, dan ben je op zijn minst nog steeds een mens. Als je niet de minste oprechtheid of vrees ten opzichte van God hebt, en niet de minste angst voor God hebt, dan kan worden gezegd dat je geen mens bent; je bent het onwaardig om een mens genoemd te worden en voldoet niet aan de norm van een mens. Als het gaat om alle zichtbare of onzichtbare dingen die God betreffen, als je ze nonchalant, onverschillig en vluchtig behandelt, of ze zelfs op een ruwe en barbaarse manier behandelt, dan ben je geen mens. Dit is omdat het je zelfs ontbreekt aan de regulering en beteugeling van geweten en verstand wat betreft de manier waarop je God behandelt, wat genoeg is om het probleem te illustreren, en genoeg is om iemand zoals jij te kenmerken als iemand die geen mens is. Toen je nog niet in God geloofde en nog niet naar Gods huis was gekomen, was het te verontschuldigen dat het je ontbrak aan duidelijk respect of een correcte houding ten opzichte van God, en werden er geen strikte oordelen over je geveld; maar nu je in God gelooft, en je gedurende de tijd dat je God volgt en de voorziening van Zijn woorden van leven aanvaardt, nog steeds geen oprechtheid, ernst en vrees ten opzichte van God kunt ontwikkelen, en je houding ten opzichte van Hem ruw en barbaars blijft – niet alleen verstoken van vrees maar uiterst nonchalant en onverschillig, net als Satans houding ten opzichte van God – dan kan alleen maar worden gezegd dat iemand zoals jij geen geweten en verstand heeft. Als zo iemand zelfs God op deze manier behandelt, zonder de beteugeling van geweten en verstand, is hij dan nog wel een mens? Hij is geen mens.

Dat is min of meer alles waarover we zullen communiceren met betrekking tot de verschillende aspecten van menselijk geweten en verstand. Ongeacht over welke uitingen van geweten en verstand we praten, ze omvatten allemaal bepaalde menselijke gedachten, opvattingen en gedrag. Geen van deze aspecten is leeg – sommige betreffen hoe om te gaan met mensen, gebeurtenissen en dingen; sommige betreffen hoe filosofieën voor wereldlijke betrekkingen en de verschillende aspecten van het leven te benaderen; en andere betreffen hoe de waarheid en God te behandelen. Op welk aspect je je ook richt, een prominente eigenschap van iemand met geweten en verstand is dat zijn zelf-gedrag en handelingen worden beteugeld en gecontroleerd door geweten en verstand. Hij heeft limieten en grenzen in zijn handelingen – dit is zijn bepalende eigenschap. Alleen door deze eigenschap te bezitten, voldoet hij aan de basisvoorwaarde om gered te worden. Begrijpen jullie dit? (Ja.) Is er iets wat jullie niet begrijpen? Wat betreft de drie aspecten waarover vandaag is gecommuniceerd – dat mensen met geweten en verstand een gevoel van schaamte bezitten, in staat zijn over het leven na te denken, en een fundamenteel respect en een fundamentele vrees ten opzichte van God hebben – hebben jullie het gevoel dat er een is waaraan jullie jezelf niet kunnen spiegelen? Hebben jullie het gevoel dat een van hen leeg is? (Nee. We hebben het gevoel dat we onszelf aan allemaal kunnen spiegelen.) Laten we onze communicatie voor vandaag dan hier beëindigen. Tot ziens!

1 juni 2024

Vorige: Hoe de waarheid na te streven (21)

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek