Hoe de waarheid na te streven (23)

We communiceren nu al een tijdje over het onderwerp hoe de waarheid na te streven. We zijn nog niet klaar met de communicatie hierover; het is een heel groot onderwerp, en er komen echt enorm veel kwesties kijken bij het nastreven van de waarheid, nietwaar? (Ja.) Wat betreft het onderwerp hoe de waarheid na te streven, hebben we gecommuniceerd over twee aspecten van de praktijk: het ene aspect van de praktijk is loslaten, en het andere aspect van de praktijk is zich toewijden. We hebben voorheen veel gecommuniceerd over het onderwerp ‘loslaten’. Waar we onlangs over hebben gecommuniceerd is ‘het loslaten van de barrières tussen jezelf en God en je vijandigheid jegens God’, wat is onderverdeeld in verschillende aspecten: noties en verbeeldingen, onredelijke eisen, behoedzaamheid en achterdocht, en nauwkeurig onderzoeken en uitvorsen. Hebben we niet al heel wat gecommuniceerd over het eerste aspect, noties en verbeeldingen? Binnen het aspect van noties en verbeeldingen bestaat de inhoud met betrekking tot de noties en verbeeldingen van mensen over God uit hun noties over Gods werk, Gods gezindheidsessentie en de geïncarneerde God. Voorheen hebben we voornamelijk gecommuniceerd over de noties van mensen over Gods werk. Hoewel we niet expliciet en gericht hebben gecommuniceerd over de noties van mensen over Gods gezindheidsessentie, hebben we wel gecommuniceerd over enkele kwesties die betrekking hebben op verschillende aspecten van de mensheid. Zouden mensen, na de communicatie over deze dingen, Gods houding ten opzichte van de verschillende kwesties van de mensheid niet moeten begrijpen? Zouden mensen dan niet moeten begrijpen hoe God omgaat met de aangeboren eigenschappen, verdorven gezindheden en menselijkheid van mensen? (Ja.) Wanneer mensen deze dingen hebben begrepen, zouden hun noties over Gods werk en Gods gezindheidsessentie opgelost moeten zijn. Onlangs hebben we gecommuniceerd over de classificaties van allerlei soorten mensen. Zeg Mij, waarom denken jullie dat we over dit onderwerp hebben gecommuniceerd? (Communiceren over de classificaties van allerlei soorten mensen is enerzijds bedoeld om ons te helpen leren allerlei soorten mensen te onderscheiden – wie is gereïncarneerd uit mensen, wie is gereïncarneerd uit dieren en wie is gereïncarneerd uit duivels. Wanneer we onderscheidingsvermogen hebben, zullen we volgens principes met mensen omgaan. Anderzijds stelt het ons in staat enig begrip te hebben van de waarheid met betrekking tot wat voor soort mensen God precies redt, zodat we Gods werk niet benaderen op basis van onze noties en verbeeldingen.) Kortom, communiceren over deze dingen stelt mensen in staat te begrijpen hoe God allerlei soorten mensen ziet, hoe Hij met allerlei soorten mensen omgaat en hoe Hij allerlei soorten mensen behandelt. Door de essenties van allerlei soorten mensen te begrijpen, of door de verschillende kwesties van de mensheid te begrijpen – zowel de kwesties die mensen van nature hebben als die zich later ontwikkelen – kunnen mensen in wezen nauwkeurige kennis hebben van Gods principes voor de behandeling van de verschillende kwesties van de mensheid. Wanneer mensen deze dingen eenmaal weten, zijn hun noties en verbeeldingen met betrekking tot Gods werk en Gods gezindheidsessentie grotendeels opgelost. We hebben de communicatie over de kwesties met betrekking tot Gods werk en Gods gezindheidsessentie onder het onderwerp van de noties en verbeeldingen van mensen afgerond. Jullie moeten langzaamaan zelf ervaren en tot je laten doordringen waarover is gecommuniceerd, en na verloop van tijd zullen jullie enige kennis van God verwerven. Wanneer jullie dit soort kwesties in het leven tegenkomen, moeten jullie deze woorden nemen en ze aan dergelijke kwesties toetsen, meer zoeken en biddend lezen, en vervolgens de problemen die jullie in het werkelijke leven zijn tegengekomen oplossen op basis van de principes of inhoud waarover is gecommuniceerd.

Wat betreft de noties en verbeeldingen van mensen, is er nog één laatste punt waarover we niet hebben gecommuniceerd, namelijk de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God. Is het nodig om over deze kwestie te communiceren? (Ja.) Welke noties en verbeeldingen hebben jullie met betrekking tot de geïncarneerde God, deze bijzondere identiteit? Weten jullie wat precies jullie grootste probleem of moeilijkheid met betrekking tot de geïncarneerde God is? Voor de meeste mensen is direct contact met de geïncarneerde God niets meer dan luisteren naar preken en de communicatie tijdens bijeenkomsten. Slechts een klein aantal mensen heeft daadwerkelijk persoonlijk contact met de geïncarneerde God, of zelfs maar enige beperkte omgang met Hem in het leven. Wat zijn dan, bij het luisteren naar communicatie tijdens bijeenkomsten, of wanneer jullie in het werk of in het leven met Hem in contact komen en met Hem omgaan, jullie noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God? Wat zijn jullie werkelijke problemen en moeilijkheden? Mensen hebben absoluut noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God; ze kunnen die onmogelijk niet hebben. Mensen leven niet in een vacuüm en zijn niet als robots die niet kunnen nadenken. Als je kunt nadenken, heb je een actieve geest, en als je een actieve geest hebt, zul je absoluut gedachten hebben wanneer je in contact komt met de geïncarneerde God. Deze gedachten zijn vaak de noties en verbeeldingen van mensen; ze hebben geen betrekking op de waarheid en komen evenmin overeen met de waarheid. Het is alleen zo dat de meeste mensen, nadat ze drie tot vijf jaar in God hebben geloofd, in wezen een zekere mate van erkenning en aanvaarding van de geïncarneerde God hebben. Omdat ze veel van de waarheid hebben gehoord, kunnen ze deze dingen, wanneer ze die tegenkomen, zelf oplossen met behulp van een basisprincipe of hun eigen unieke methoden, zelfs als ze enkele noties hebben. Ze kunnen dat misschien door Gods woorden te lezen, of zichzelf te snoeien, of te bidden – en meestal kunnen hun noties en verbeeldingen over God worden opgelost. Zijn deze dingen dan opgelost omdat mensen de waarheid hebben begrepen, of omdat ze die tijdelijk hebben geneutraliseerd met behulp van menselijke methoden en middelen? (Deze dingen zijn tijdelijk geneutraliseerd.) Dat wil zeggen: dit probleem blijft onopgelost. Oppervlakkig gezien lijkt alles kalm en rustig bij hen, en een tijdje hebben ze geen noties, maar de wortel van dit probleem ligt nog steeds in hen verborgen en is niet uitgeroeid. Zeg Mij, is het goed dat dit probleem niet is uitgeroeid? (Nee.) Waarom is dat niet goed? Welke invloed zal het op mensen hebben? (Mensen hebben noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God, en wanneer de omstandigheden zich daar eenmaal toe lenen, zullen die tot uitbarsting komen. Wanneer ze bijvoorbeeld dingen tegenkomen die niet gaan zoals ze verwachten, begrijpen ze God verkeerd en klagen ze over Hem, of komen ze in opstand tegen Hem en weerstaan ze Hem.) Dit is een reëel probleem. Als noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God niet bij de wortel kunnen worden opgelost, zullen ze altijd als een probleem in je blijven bestaan en zullen ze enige invloed op je hebben. Wanneer je geen bijzondere omstandigheden bent tegengekomen, en je alleen maar Gods woorden leest en in je hart gelooft in Gods identiteit en essentie, evenals in Zijn gezindheid, dan heeft dit probleem nog geen invloed op je gehad. Als de geïncarneerde God met je omgaat, met je praat of werk aan je toewijst, en jij dan gesnoeid wordt of dingen tegenkomt die niet gaan zoals je verwacht, kunnen je noties en verbeeldingen enkele negatieve effecten in je teweegbrengen. Als jouw noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God zijn opgelost, voel je misschien nog steeds pijn en ongemak wanneer je deze dingen tegenkomt, en in ernstigere gevallen ontwikkel je misschien zelfs opstandigheid, maar je zult proactief voor God komen om de waarheid te zoeken om deze kwesties op te lossen, in plaats van de geïncarneerde God als een gewone mens te behandelen, of tegen Hem in opstand te komen, Hem te weerstaan en je tegen Hem te verzetten.

Laten we communiceren over hoe mensen hun noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God moeten oplossen. Dit probleem is in feite gemakkelijker op te lossen dan de noties en verbeeldingen van mensen met betrekking tot Gods werk en Gods gezindheidsessentie, waarover we al hebben gecommuniceerd. Gods werk is zeer breed van opzet en omvat veel inhoud, met vele waarheden die mensen moeten kennen en begrijpen. Bovendien is Gods gezindheidsessentie de meest diepgaande waarheid van alle waarheden die mensen die in God geloven moeten begrijpen, en het is voor mensen ook de moeilijkste waarheid om te kennen. Vergeleken met die twee aspecten van de waarheid is de waarheid met betrekking tot de geïncarneerde God echter directer voor mensen, dus zijn noties en verbeeldingen met betrekking tot de geïncarneerde God ook gemakkelijker op te lossen. Dit komt doordat, vergeleken met Gods werk en Gods gezindheidsessentie, de geïncarneerde God tenslotte volkomen werkelijk is – mensen kunnen Hem zien en aanraken. Hij is niet abstract; Hij heeft een specifieke stem en kan Zichzelf verbaal uitdrukken. Hij heeft een specifiek uiterlijk, een specifiek imago, een specifieke gezindheid en een specifieke persoonlijkheid waarmee mensen in contact kunnen komen, naast de verschillende aspecten van de waarheid die Hij uitdrukt. Daarom zijn, vergeleken met de noties en verbeeldingen van mensen over Gods werk en Gods gezindheidsessentie, de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God concreter. Hoe concreter iets is, hoe gemakkelijker mensen het kunnen kennen, hoe gemakkelijker ze zichzelf eraan kunnen toetsen en hoe gemakkelijker ze het kunnen oplossen. Zo werkt het in theorie, maar hoe moeten de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God specifiek worden opgelost? Er zijn twee beoefeningspaden, dat wil zeggen: er zijn twee beoefeningsprincipes met betrekking tot de juiste houding die mensen horen te hebben ten opzichte van de geïncarneerde God. Het eerste is: Hem niet vergelijken met de God in de hemel. Het tweede, ook heel belangrijk, is: Hem niet op één lijn stellen met de verdorven mensheid. Als je deze twee dingen kunt doen, zullen je noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God in wezen als bij de wortel opgelost worden beschouwd. Kijk, is dit pad van praktiseren volgens deze twee principes juist? (Ja.) Waarom zijn deze twee paden de manier om de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God op te lossen? (Omdat mensen vooral deze twee fouten maken. Wanneer God vlees wordt, stellen mensen zich de geïncarneerde God heel vaag voor, en denken ze dingen zoals dat Hij tekenen en wonderen kan verrichten zoals de God in de hemel. Mensen zijn ook geneigd de geïncarneerde God op één lijn te stellen met de verdorven mensheid, wat gemakkelijk Gods gezindheid beledigt.) Jullie zien deze zaak toch duidelijk? (Ja.) De reden waarom deze twee punten de paden en principes vormen voor het oplossen van de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God, is dat de noties en verbeeldingen die mensen over de geïncarneerde God ontwikkelen voornamelijk uit deze twee aspecten bestaan. Als mensen enerzijds over de geïncarneerde God vaststellen dat Hij de God is die uit de hemel komt, dat Gods Geest in Hem woont als Zijn leven, en dat Hij Gods Geest is die in het vlees is gerealiseerd, en vaststellen dat Zijn identiteit bijzonder is en dat Hij de uitdrukking is van de God in de hemel, dan zullen ze Hem vergelijken met de God in de hemel. Anderzijds, omdat de geïncarneerde God er aan de buitenkant niet anders uitziet dan mensen en slechts een gewone mens is, kunnen mensen niet anders dan Hem behandelen als een lid van de verdorven mensheid. Mensen vergelijken Hem maar al te graag met de verdorven mensheid en stellen Hem daar maar al te graag mee op één lijn. Ze beschouwen de geïncarneerde God zelfs als een lid van de mensheid dat niet verschilt van de verdorven mens. Deze twee aspecten zijn de oorsprong van de noties en verbeeldingen die mensen over de geïncarneerde God ontwikkelen. Deze twee aspecten zijn ook de grondoorzaak van de fouten die mensen vaak maken in hun omgang met de geïncarneerde God, en van de verschillende problemen van opstandigheid, weerstand en verzet die ontstaan in hun omgang met de geïncarneerde God. Wanneer deze twee problemen zijn opgelost, zullen daarom de noties en verbeeldingen, evenals de opstandigheid en de weerstand die je ontwikkelt met betrekking tot de geïncarneerde God ook geleidelijk worden opgelost. Deze twee beoefeningspaden zijn erg belangrijk, dus we zullen over elk van de details ervan communiceren.

Om de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God op te lossen, is het eerste beoefeningsprincipe: Hem niet vergelijken met de God in de hemel. De God in de hemel is een geestelijk lichaam, en de God op aarde is vlees. Hem niet vergelijken met de God in de hemel betekent beslist dat men niet moet proberen de God in de hemel en de geïncarneerde God naast elkaar te plaatsen om Hen te bekijken. Omdat de identiteit en essentie van de geïncarneerde God, evenals het werk dat Hij doet, allemaal de God in de hemel vertegenwoordigen, spreekt het voor zich dat mensen de geïncarneerde God en de God in de hemel vaak naast elkaar plaatsen om Hen te vergelijken. Wat is er dan verkeerd aan om Hen te vergelijken? Waarom kunnen Ze niet worden vergeleken? Kijk eerst naar wat mensen over het algemeen vergelijken, dan zul je weten of het juist is dat mensen Hen op deze manier vergelijken. Wat vergelijken mensen dan wanneer ze de geïncarneerde God met de God in de hemel vergelijken? Ze vergelijken Hun kracht, Hun gezag en Hun gezindheden, en worden zelfs nog specifieker door te vergelijken of Ze tekenen en wonderen verrichten, de kracht van Hun woorden te vergelijken en de resultaten die door Hun woorden worden bereikt te vergelijken. Wat vergelijken ze nog meer? (De God in de hemel spreekt als de donder, waardoor iedereen bang wordt, terwijl de geïncarneerde God op een gewone, normale en heel reële manier spreekt. Mensen maken ook in dit opzicht vergelijkingen.) Dat wil zeggen: ze vergelijken veel bovennatuurlijke vermogens. De God in de hemel heeft alle dingen geschapen; de God in de hemel spreekt als de donder; de God in de hemel kan de doden weer tot leven wekken; de God in de hemel ziet vanaf het begin tot het heden; de God in de hemel spreekt, en het ontstaat, Hij gebiedt, en het wordt vastgesteld; de God in de hemel kan iets in niets veranderen, en niets in iets; de God in de hemel kan verschillende tekenen en wonderen verrichten, enzovoort. Mensen vergelijken al deze dingen: wat de God in de hemel doet en zegt, de kracht, het gezag, de almacht en de gezindheid die Hij tentoonspreidt, evenals Zijn opperheerschappij en alvermogen. Wat nog meer? De God in de hemel is soeverein over alle dingen en orkestreert alle dingen, en Hij is ook soeverein over het lot van mensen en regelt dit; de God in de hemel arrangeert allerlei omgevingen voor mensen; Hij onderzoekt alle dingen nauwkeurig, onderzoekt de hele aarde nauwkeurig, en onderzoekt elke beweging en elk woord en elke daad van mensen nauwkeurig, en weet wat iedere mens denkt en voelt. Of al deze dingen nu in de noties van mensen zijn ingebeeld of dingen zijn waarvan mensen een diep besef hebben gehad, uiteindelijk maken ze allemaal deel uit van de essentie die de God in de hemel bezit en enkele werkelijke verschijnselen die Hij kan tentoonspreiden, die mensen zich kunnen voorstellen binnen hun begripsvermogen. Dit zijn de uitingen van hoe de God in de hemel handelt; specifiek is het wat Gods Geest kan doen. Sommige van deze aspecten komen overeen met en houden verband met Gods Geest, terwijl sommige vermengd zijn met de noties en verbeeldingen van mensen. Maar of het nu de noties en verbeeldingen van mensen zijn of wat waar is over Gods Geest, uiteindelijk maken deze dingen allemaal deel uit van het uitleven, of de essentie en onthullingen, die de God in de hemel bezit en in Zich draagt, en die Hij kan bewerkstelligen. Juist omdat ze de essentie, gezindheid of kracht zijn die de God in de hemel bezit en in Zich draagt, houden deze uitingen en onthullingen alleen verband met Gods Geest – dat wil zeggen: ze houden verband met Gods inherente identiteit en essentie. De essentie, gezindheid of kracht die de God in de hemel bezit en in Zich draagt en die mensen zich kunnen voorstellen, kunnen voelen of kunnen kennen, is buitengewoon en groot in verhouding tot de geschapen mensheid, en is des te meer onbereikbaar voor enige mens met de eigenschappen van een schepsel; Hij overstijgt alle geschapen en niet-geschapen wezens. De essentie en kracht die de geïncarneerde God Zelf bezit en in Zich draagt of onthult, zijn allemaal inherent aan God; het is een deel van Gods gezindheid of Gods essentie dat datgene overtreft wat alle geschapen en niet-geschapen wezens zich kunnen voorstellen, kunnen kennen of kunnen bevatten. Wat betreft hoe groot God precies is, hoeveel kracht Hij precies heeft en hoezeer Hij precies alle dingen overstijgt, dat zal voor de geschapen mensheid altijd een onoplosbaar mysterie blijven. Mensen kunnen God onmogelijk volledig kennen; wat ze zien is simpelweg te beperkt. Als we het deel met betrekking tot de onrealistische noties en verbeeldingen van mensen over God buiten beschouwing laten, en alleen spreken over de ware kracht, het ware gezag en de ware essentie die God bezit, is wat de geïncarneerde God kan doen, uitleven en onthullen simpelweg te beperkt. Om een ongeschikte menselijke metafoor te gebruiken om het te beschrijven: misschien is wat de geïncarneerde God uitleeft, onthult en kan slechts een druppel in de oceaan of het topje van de ijsberg van Gods inherente identiteit en essentie, en niets meer. Dat wil zeggen: wat de geïncarneerde God kan uitleven en onthullen van Gods identiteit, Gods gezindheidsessentie en Gods kracht is zeer beperkt. Omdat de geïncarneerde God God is die onder de mensen leeft in de gedaante van een geschapen mens, is wat Hij kan, en zijn de instincten en aangeboren aard die Hij kan uitleven, zeer beperkt. Hoewel Hij Gods Geest is die in het vlees is gerealiseerd en Gods Geest in Zich heeft wonen, zijn de essentie van God en de gezindheid van God die Hij kan uitleven, onthullen en uitdrukken zeer beperkt, omdat dit vlees de gedaante heeft van een lid van de geschapen mensheid. Dit is één reden. Anderzijds is elke keer dat God vlees wordt, dit een onvermijdelijk resultaat van de behoeften van Gods werk – dat wil zeggen: een onvermijdelijke behoefte van een fase van Gods werk, wat betekent dat deze fase van Gods werk vereist dat God vlees wordt, wat inhoudt dat God vlees moet worden om deze fase van het werk te doen. Aangezien God vlees moet worden, doet Hij deze fase van het werk door middel van Zijn incarnatie, en zijn er de verschillende aspecten van Gods gezindheid, essentie en kracht die God moet uitdrukken en die nodig zijn voor deze fase van het werk. Welke aspecten van gezindheid, essentie en kracht God ook nodig heeft in deze fase van het werk – wanneer Hij vlees wordt, realiseert Hij de gezindheid, essentie en kracht van God die verband houden met de behoeften van deze fase van het werk in dit vlees. Simpel gezegd kan dit vlees al het werk volbrengen dat nodig is voor deze fase van het werk van Gods incarnatie. Deze fase van het werk in de laatste dagen vereist bijvoorbeeld het doen van het werk van tuchtiging en oordeel. De geïncarneerde God kan dan Gods toorn, majesteit en rechtvaardige gezindheid uitdrukken; Hij kan dit soort gezindheid uitdrukken, en kan ook dit soort werk doen. Tijdens deze incarnatie van God omvat wat mensen zien en ervaren Gods tuchtiging en oordeel, Gods toorn, Gods majesteit en Gods rechtvaardige gezindheid. Wanneer het werk dat door de geïncarneerde God wordt gedaan het werk van de verlossing is, dat genade en zegeningen aan de mensheid schenkt en de zonden van mensen vergeeft, is het beeld van God dat door de geïncarneerde God wordt vertegenwoordigd er een vol barmhartigheid en goedertierenheid, vol geduld en verdraagzaamheid, en vol liefde, en Hij schenkt mensen ook overvloedige genade – dat zijn de duidelijke kenmerken van de gezindheid en essentie van God in die fase van het werk. Daarom, ongeacht welke van Gods incarnaties het is, kunnen mensen onmogelijk de gezindheid en essentie van de God in de hemel veelomvattend zien of kennen. Een van de kenmerken van de Heer Jezus die gelovigen tijdens het Tijdperk van Genade zagen, was bijvoorbeeld dat Hij immense verdraagzaamheid voor mensen, immens geduld met mensen en immense vergevingsgezindheid voor mensen had, evenals overvloedige barmhartigheid en goedertierenheid. Daarom konden sommigen die in de Heer geloofden het geduld, de verdraagzaamheid en de grenzeloze, onmetelijke liefde ervaren die van God kwamen – dat wil zeggen: de barmhartigheid en goedertierenheid die van God kwamen. In het Tijdperk van Genade was het belangrijkste kenmerk van de geïncarneerde God die het werk van de verlossing deed, barmhartigheid en goedertierenheid. Maar omdat in deze fase van het werk in de laatste dagen de geïncarneerde God beoogt de verdorven gezindheden van mensen op te lossen in plaats van de zonden van mensen te vergeven, is wat mensen in deze fase van het werk van de geïncarneerde God ervaren Gods majesteit, toorn, oordeel en tuchtiging. Mensen zien zelfs Gods onverbiddelijke kant, en zien Hem onverbiddelijk over mensen oordelen en mensen ontmaskeren – praktisch elke keer wanneer Hij spreekt, is de basisinhoud de voortdurende, onophoudelijke en onvermoeibare ontmaskering van de verschillende verdorven gezindheden, onthullingen van verdorvenheid en verdorven gesteldheden in mensen. Wat mensen ditmaal in de geïncarneerde God zien, is Gods majesteit en toorn, het feit dat Hij geen belediging duldt en Gods rechtvaardige gezindheid; wat ze ervaren is Gods tuchtiging en oordeel, en beproevingen en loutering. Bij alles wat God zegt, ervaren mensen Gods rechtvaardigheid, Zijn majesteit en het feit dat Hij geen belediging duldt, en voelen ze ook vaak Gods woede en haat jegens de mensheid, Zijn afkeer en verwerping van de mensheid, en zelfs Zijn vervloekingen en veroordeling. Hoewel de geïncarneerde God ten volle in staat is God Zelf te vertegenwoordigen, en Gods identiteit, Gods gezindheid en Gods essentie te vertegenwoordigen, wordt Hij, omdat deze gedaante van Gods geïncarneerde vlees verschilt van de gedaante van Gods inherente identiteit, beperkt door deze gedaante van het vlees en door de instincten van deze gedaante. Wat mensen van Gods essentie, Gods gezindheid en Gods kracht kunnen zien in de geïncarneerde God, is beperkt in verhouding tot Gods inherente identiteit en essentie. Dit is heel normaal. Mensen moeten dit begrijpen, en moeten de geïncarneerde God niet blindelings vergelijken met de God in de hemel, om vervolgens, wanneer ze Hen niet met elkaar kunnen rijmen, zwaar teleurgesteld te raken, over Hem te oordelen en Hem te veroordelen, God te verwerpen en Gods identiteit, Gods werk of Gods essentie te ontkennen. Sommige mensen ontwikkelen zelfs noties vanwege één enkele kwestie en proberen de geïncarneerde God met de God in de hemel te rijmen. Wanneer ze hier niet in slagen, worden ze negatief en zwak, waarbij sommigen zelfs met de gedachte spelen om hun geloof op te geven. Dit is een zeer dwaze uiting, en bovendien een zeer onwetende.

Wat Zijn identiteit en essentie betreft, is de geïncarneerde God verbonden met God; Hij bezit Gods identiteit en essentie. Omdat Zijn vleselijke gedaante en de eigenschappen van het vlees zelf echter verband houden met de instincten van de geschapen mensheid en beperkt zijn tot de reikwijdte van deze instincten, zijn, ongeacht welk werk de geïncarneerde God ditmaal doet, wat Hij kan, wat Hij kan bereiken, en de identiteit en essentie van God die Hij kan vertegenwoordigen alleen gerelateerd aan Zijn werk en bediening in deze incarnatie. Hij kan de identiteit en essentie van God vertegenwoordigen die ditmaal overeenkomen met Zijn bediening en werk. Het werk dat ditmaal moet worden gedaan, vertegenwoordigt Gods identiteit en essentie, en vertegenwoordigt Gods gezindheid. Welke gezindheid van God Hij ook moet vertegenwoordigen, welke gezindheid van God Hij ook moet uitdrukken, en welk werk van God Hij ook moet doen, Hij zal de relevante gezindheid van God vertegenwoordigen; Hij zal in staat zijn de relevante gezindheid van God te vertegenwoordigen en het relevante werk te doen dat God beoogt te doen, maar hij kan het onmogelijk allemaal vertegenwoordigen. Het werk dat in elk van Gods incarnaties wordt gedaan, is voldoende om de gezindheid te vertegenwoordigen die God in die incarnatie beoogt uit te drukken, en is ook voldoende om het werk uit te drukken dat God in die incarnatie beoogt te doen. Bovendien zijn de gezindheid die God uitdrukt en de essentie die Hij openbaart geenszins in tegenspraak met Gods inherente identiteit en essentie, en in dit opzicht maakt hij ook geen enkele fout. Omdat de identiteit en essentie van de geïncarneerde God volledig één zijn met Gods inherente essentie of de essentie van de God in de hemel, is de geïncarneerde God, of het nu gaat om Zijn woorden, het leven dat Hij leeft, of Zijn werk, of om Gods gezindheid, essentie en andere aspecten die mensen kunnen zien, identiek aan de God in de hemel; Ze zijn hetzelfde. Kortom: ongeacht of Hij God in Zijn geheel kan vertegenwoordigen, en ongeacht of mensen God in Zijn geheel kunnen zien, zijn Zijn identiteit en essentie afkomstig van de God in de hemel. Zelfs als, naar jouw mening, de geïncarneerde God de God in de hemel niet in Zijn geheel kan vertegenwoordigen, zijn Zijn identiteit en essentie nog steeds die van God Zelf. Zelfs als je, na Hen vele jaren te hebben vergeleken, nog steeds geen enkel verband kunt ontdekken tussen de geïncarneerde God en de God in de hemel die je kent, veranderen de identiteit en essentie van de geïncarneerde God nog steeds niet, want dit is een feit. En wat is dit feit? Het is dat de essentie van de geïncarneerde God de essentie van de God in de hemel is, en Zijn identiteit verandert nooit vanwege Zijn essentie – het is de identiteit van God. Misschien zouden de meeste mensen Mij dertig jaar geleden niet hebben geloofd als Ik dit had gezegd, maar na dertig jaar denk Ik dat Ik gekwalificeerd ben om dit te zeggen. Waarom zeg Ik dat? Als dit werk van dertig jaar niet was gedaan, en als deze waarheden niet waren uitgedrukt, zou het een beetje voorbarig zijn om te zeggen dat ‘de geïncarneerde God God Zelf vertegenwoordigt’. Dit komt doordat zonder de uitdrukking van Gods woorden, de uitdrukking van Gods gezindheid en de uitdrukking van Gods identiteit en essentie, mensen zouden denken dat je abnormaal was, of schandalig opstandig, als je zou zeggen dat ‘de geïncarneerde God God Zelf vertegenwoordigt’. Maar denken jullie dat het te ver gaat om te zeggen dat ‘de geïncarneerde God God Zelf vertegenwoordigt’, met zoveel uitdrukking van Gods woorden, en zoveel uitdrukking van Gods gezindheidsessentie en Gods inherente identiteit? (Nee.) Is dit een overdrijving? Is het ongepast? (Nee.) Het is geen grootspraak. Daarom kan de vraag of de geïncarneerde God de God in de hemel kan vertegenwoordigen, of Hij de gezindheid en essentie van de God in de hemel bezit, en of Hij de identiteit van de God in de hemel bezit, niet worden beoordeeld op Zijn uiterlijke verschijning. Misschien is Zijn uiterlijke verschijning heel onbeduidend, ziet Hij er heel gewoon en normaal uit en wordt Hij zelfs door sommige mensen van de hand gewezen; misschien heeft Hij geen kwaliteiten die bovengemiddeld zijn, noch enige bovennatuurlijke uitingen, laat staan enige zogenaamde unieke eigenschappen in de ogen van de verdorven mensheid, of iets dat de verdorven mensheid bewondert, waarnaar ze opkijkt of waarover ze zich verwondert. Maar omdat het werk dat Hij doet, Zijn essentie en Zijn gezindheid in staat zijn de gezindheid en essentie van de God in de hemel uit te drukken, kan worden vastgesteld dat Zijn identiteit die van de geïncarneerde God is, die van God Zelf.

Laten we verder communiceren over het onderwerp van het niet vergelijken van de geïncarneerde God met de God in de hemel. We hebben zojuist gezegd dat wanneer de meeste mensen in contact komen met de geïncarneerde God, ze Hem graag vergelijken met de God in de hemel. Zeg Mij, nu we zover zijn gekomen in onze communicatie, is het gepast om Hen op deze manier te vergelijken? (Nee.) Wordt daarmee niet een enorme fout begaan? (Ja.) Is het dwaas om deze fout te maken? Zijn er nadelige gevolgen? (Ja.) Welke zijn dat? (Wanneer mensen God beperken op basis van hun noties en verbeeldingen, zijn ze geneigd in opstand te komen tegen God en Hem te weerstaan, en zijn ze ook geneigd Gods werk of Gods redding niet te aanvaarden; de gevolgen zijn zeer ernstig.) Je moet rationeel omgaan met de geïncarneerde God rationeel. Wat moet je dan doen om rationeel te zijn? Je moet overdenken: wat betekent het dat de God in de hemel nu vlees is geworden om Zijn werk te doen? Op dit moment is het de geïncarneerde God die het laatste woord heeft. Hij kan de God in de hemel met volledig gezag vertegenwoordigen om het oordeelswerk in de laatste dagen te doen. Daarom moet je, als je kwesties of problemen hebt, bij de geïncarneerde God zoeken. Aangezien Hij de God in de hemel kan vertegenwoordigen, kan Hij jouw problemen oplossen; Hij kan de God in de hemel vertegenwoordigen bij het oplossen van de problemen in je leven, de problemen met je geloof in God, de problemen met betrekking tot je redding en de problemen met betrekking tot je toekomstige bestemming en lot. Anderzijds, als je tot de God in de hemel bidt en bij Hem zoekt, maar deze God op aarde negeert, en de geïncarneerde God negeert, ga dan je gang en kijk of je nog steeds duidelijke instructies, duidelijke verlichting en licht, en een duidelijk beoefeningspad kunt ontvangen. Als je deze dingen kunt verkrijgen door tot de God in de hemel te bidden en op Hem te vertrouwen, dan is dat in feite best goed, en hoef je niet bij de geïncarneerde God te zoeken. Maar als je, na lange tijd tot de God in de hemel te hebben gebeden, bij Hem te hebben gezocht en op Hem te hebben vertrouwd, nog steeds geen duidelijk licht, geen beoefeningspad en geen duidelijke oplossing hebt ontvangen, wat moet je dan doen? (De waarheidsprincipes in Gods woorden zoeken.) Dan is er geen andere weg; je kunt alleen zoeken naar de woorden die zijn gesproken en het werk dat is gedaan door de geïncarneerde God. Kom van je voetstuk af; je zelfingenomenheid kan je niet redden, die kan je alleen maar schaden. De God in de hemel is almachtig, verheven, groot, buitengewoon en transcendent, maar de mensheid kan Hem niet bereiken. Wanneer Hij spreekt, kun je Hem niet begrijpen of horen. Als God werkelijk tot je zou spreken, zou je sterfelijke vlees het simpelweg niet kunnen verdragen of aankunnen. Wat moet je dan doen? Je moet bij de geïncarneerde God zoeken, en zien welke woorden de geïncarneerde God heeft gesproken en welk werk Hij op aarde heeft gedaan, en wat Zijn vereisten voor jou zijn. Het begrijpen van deze dingen is het belangrijkst. Bid niet altijd tot de God in de hemel en vertrouw niet altijd op Hem; wacht niet altijd tot de God in de hemel je openbaringen geeft. Als je dit doet, zal de God in de hemel je negeren. De God in de hemel heeft gezegd: “Ik doe nu werk op aarde, Ik doe uitspraken en spreek. Je kunt de woorden die Ik spreek horen en begrijpen, en deze woorden kunnen de problemen in je praktijk oplossen en je verdorven gezindheden oplossen.” Wat moet je dan doen? Je kunt niet altijd wachten tot de God in de hemel persoonlijk tot je spreekt. Je moet je ‘verwaardigen’ om voor de geïncarneerde God te komen en voor Zijn woorden te komen om de waarheid te zoeken, zodat je voorziening en hulp kunt verkrijgen. Dit wordt het hebben van rationaliteit genoemd; dit is rationeel omgaan met de geïncarneerde God. Enerzijds, wanneer je de uiterlijke verschijning en het voorkomen van de geïncarneerde God ziet of Hem hoort spreken, vergelijk Hem dan niet met de God in de hemel; behandel Hem eenvoudigweg als een gewone, normale, werkelijke persoon die God kan vertegenwoordigen. Anderzijds hoef je de woorden die Hij spreekt, Zijn vereisten voor jou en Zijn instructies aan jou niet nauwkeurig te onderzoeken, hoeft je er niet over te piekeren en hoef je ze niet te verifiëren, te bespreken of te bewerken. Beoefen en implementeer ze gewoon direct en onderwerp je direct; het is niet nodig om achter de rug van de geïncarneerde God om tot de God in de hemel te bidden, bij Hem te zoeken of ze bij Hem te verifiëren. Als je erop staat verificatie te krijgen zodat je je op je gemak voelt in je geest en bereidwillig in je hart voordat je praktiseert, implementeert en je onderwerpt, is dit dan niet erg omslachtig? (Ja.) Zijn er mensen die dit doen? De meeste mensen die al acht of tien jaar in God geloven en in hun hart volkomen zeker zijn geworden over God, doen dit niet; ze vinden het te omslachtig. Het zijn altijd mensen die nog geen drie jaar geloven die geneigd zijn dit te doen. Hoe bidden ze tot de God in de hemel? Ze zeggen: “God, laat mij me alstublieft onderwerpen aan Uw geïncarneerde vlees. God, laat mij me alstublieft onderwerpen aan de woorden die U op aarde spreekt. God, laat mij me alstublieft onderwerpen aan wat U op aarde uitdrukt. God, help me alstublieft de noties los te laten die ik heb over Uw geïncarneerde vlees.” Wanneer ze op deze manier bidden, tot wie bidden ze dan? (Tot de God in de hemel.) Zeg Mij, worden mensen die gewoonlijk op deze manier bidden bewogen door de Heilige Geest? Hebben ze Gods aanwezigheid? (Nee.) Die hebben ze niet en kunnen ze niet gemakkelijk verkrijgen. Schenkt God enige aandacht aan zulke mensen? (Nee.)

Aangezien de geïncarneerde God vlees is, is Hij een gewone, normale Mensenzoon. Wanneer we spreken van een gewone, normale Mensenzoon, dan betekent dit dat Hij de instincten en aangeboren eigenschappen van een gewone, normale mens bezit, evenals de persoonlijkheid, het scala aan emoties, de manier van uitdrukken en de spreekstijl van normale menselijkheid. Wat nog meer? Een manier van denken, een levensstijl en levensgewoonten, en de verschillende keuzes van normale menselijkheid met betrekking tot alle aspecten van het leven. Wat omvatten deze keuzes? Bijvoorbeeld een favoriete leefomgeving, favoriete kleuren en enkele voorkeuren en keuzes met betrekking tot de eerste levensbehoeften. Met deze uiterlijke verschijning, deze instincten en aangeboren eigenschappen van normale menselijkheid, evenals de verschillende uitingen die binnen het normale menselijke leven vallen, kan met zekerheid worden gezegd dat de geïncarneerde God een volkomen gewone, normale mens is, een gewoon lid van de geschapen mensheid. Wat Zijn eigenschappen en bestaansvorm betreft, is de geïncarneerde God volkomen anders dan de God in de hemel, dat wil zeggen: dan Gods Geest; Zijn uiterlijk is ook volkomen anders dan dat van Gods Geest. Tijdens de periode van het werk van de geïncarneerde God is wat Hij onthult en in staat is te doen iets wat menselijke ogen kunnen zien en menselijke geesten kunnen bevatten. De kennis van mensen over Gods gezindheid, Gods essentie en Gods inherente identiteit is echter zeer beperkt. Gekoppeld aan het feit dat mensen zelf veel noties en verbeeldingen over God koesteren, leveren de verschillende uitingen van de menselijkheid van de geïncarneerde God enkele moeilijkheden op voor mensen. De woorden die Ik gebruik wanneer Ik spreek zijn bijvoorbeeld alledaagse taal, en Ik gebruik ook vaak enkele spreektaaluitdrukkingen en volkstaal. Mensen vergelijken mij dan met de God in de hemel en zeggen: “De God in de hemel zou welsprekend moeten zijn en elegante woorden moeten gebruiken. Waarom zijn de woorden die deze persoon gebruikt niet elegant? Hij gebruikt zelfs enkele spreektaaluitdrukkingen en volkstaal, en gebruikt soms woorden en uitdrukkingen die verband houden met de dagelijkse behoeften.” Ik houd bijvoorbeeld van een bepaalde kleur, en iemand zegt: “Hoe kunt U van deze kleur houden? Deze kleur ziet er niet zuiver of heilig uit! Zou God niet van wit moeten houden? Zou God niet van hemelsblauw of groen moeten houden? Hoe kunt U van deze kleur houden? Deze kleur vertegenwoordigt Gods identiteit en essentie niet!” Ze ontwikkelen dan noties in hun hart. Maar Ik zeg dat Ik echt van deze kleur houd – hoe moet je dit benaderen? (We moeten het op de juiste manier benaderen.) De geïncarneerde God heeft normale menselijkheid. Omdat Hij binnen normale menselijkheid leeft, moet Hij in contact komen met allerlei dingen die binnen een normaal menselijk leven vallen. Wat betreft de eerste levensbehoeften, heeft Hij dus Zijn persoonlijke voorkeuren. Deze voorkeuren komen misschien overeen met die van de God in je noties en verbeeldingen, of misschien niet. Wat als ze niet overeenkomen? Heb jij het mis, of heb Ik het mis? Ik denk dat Ik het niet mis heb, want Ik heb het recht om de dingen te kiezen die Ik leuk vind. Ik heb ze je niet opgedrongen en heb ook niet gezegd dat ze de waarheid zijn en dat je ze moet aanvaarden. Jij hebt ook je rechten, en Ik bemoei me daar nooit mee. Ik veroordeel je nooit omdat je van wit of blauw houdt, dus moet je Mij toch ook niet veroordelen omdat Ik van andere kleuren houd? Sommige mensen zeggen: “Dat gaat niet op. Wat U vertegenwoordigt is anders dan wat ik vertegenwoordig. Ik vertegenwoordig verdorven mensen en U vertegenwoordigt de God in de hemel. Hoe kan dat hetzelfde zijn?” Ik vertegenwoordig inderdaad de God in de hemel, maar de God in de hemel veroordeelt de kleuren waarvan Ik houd niet. Je denkt dat wit heilig is, maar kijk eens naar alle dingen die door de God in de hemel zijn geschapen – ze zijn er in alle kleuren. De bloemen die God heeft geschapen zijn er in een mengelmoes van kleuren. Soms zijn er zelfs donkere wolken tussen de andere in de lucht, en donkere wolken zijn grijs. In de zomer, wanneer het te heet is, heb je het koel en gerieflijk zodra donkere wolken de zon blokkeren, en dank je God voor Zijn genade. Is dit niet iets goeds? (Ja.) Sommige andere mensen zeggen: “Groen is goed; het groen dat door God is geschapen, staat voor het leven.” Dit is onjuist. Kijk naar de granen die God heeft geschapen. Is maïs er bijvoorbeeld niet in vele kleuren? Er is gele, witte, paarse en zwarte maïs. Kun je zeggen dat maïs niet voor het leven staat? Maïs is door God geschapen. Het kan wortel schieten, ontkiemen, bloeien en vrucht dragen. Het is organisch en het vertegenwoordigt ook het leven. En zijn alle boombladeren groen? (Nee, er zijn ook paarse, gele en rode bladeren.) Dit zijn allemaal kleuren van bladeren; staan zij niet voor het leven? (Jawel.) Hebben sommige mensen het dan niet mis wanneer ze zeggen dat groen voor het leven staat? (Ja.) Is het dan gepast dat sommige mensen zeggen dat wit voor zuiverheid staat? Is dit geen onzin? Wit ziet er gewoon een beetje schoner en helderder uit; het staat niet voor zuiverheid. Zelfs als je je hele leven witte kleren draagt, betekent dat niet dat je zuiver bent; je bent nog steeds een verdorven mens. Daarom zijn er geen regels als het gaat om het kiezen van kleuren. Het is gewoon gebaseerd op iemands huidskleur, persoonlijke voorkeur en persoonlijkheid, en natuurlijk op het seizoen, het klimaat en de temperatuur. Wit is gewoon een kleur; het staat nergens voor. Hoe zit het met zwart? Sommige mensen zeggen: “Zwart staat voor duisternis, de dood en de duivel, dus zwart is slecht!” Zeg Mij, is het goed om zwart te veroordelen? (Nee.) Soms draag Ik ook zwarte kleren, zoals een zwarte wollen overjas, windjack, trui of broek, en in de winter draag Ik soms een zwarte sjaal en zwarte handschoenen. Sommige mensen zeggen: “Staat zwart niet voor de duisternis en Satan? Hoe kunt U zwarte kleren dragen? Vertegenwoordigt U God niet? Als U zwart draagt terwijl U God vertegenwoordigt, geeft U dan geen verkeerde voorstelling van Hem? De God in de hemel houdt beslist niet van zwart.” Ik zeg dat je het mis hebt. Hoe weet je dat de God in de hemel niet van zwart houdt? Wanneer heb je God horen zeggen dat Hij niet van zwart houdt? Staat het in de Bijbel opgetekend, of heeft een boodschapper je dat laten weten? Kijk naar het zwarte voedsel onder de granen en peulvruchten, zoals zwarte bonen, zwarte rijst en zwart sesamzaad – zijn die niet door God geschapen? (Jawel.) Mensen eten dit zwarte voedsel graag, en het wordt geacht het lichaam te voeden. Ook zijdehoenders zijn helemaal zwart, en hun voedingswaarde is groter dan die van gewone kippen. Er zijn ook slangenkopvissen onder de vissen, zwarte beren onder de zoogdieren en kraaien onder de vogels – zijn die niet zwart? (Jawel.) Er zijn zwarte stenen, mensen met zwart haar en mensen met een zwarte huid. Sommige mensen met glanzend zwart haar pronken er altijd mee en zeggen: “Kijk eens hoe zwart mijn haar is; het is zo mooi!” Wanneer de witte haren toenemen, beginnen ze zich zorgen te maken en hebben ze het gevoel dat ze oud zijn geworden. Waar staat wit dan voor? (Veroudering.) Het staat voor veroudering, de achteruitgang van lichaamsfuncties en zelfs de opmars naar de dood. Hoe meer witte haren mensen hebben, hoe somberder, moedelozer en verontruster ze worden. Ze halen herinneringen op aan hoe goed het was om zwart haar te hebben toen ze jong waren. Op dat moment beseffen ze hoe dwaas ze waren toen ze zeiden dat wit heiligheid vertegenwoordigt, en ze zeggen niet langer dat zwart voor de duisternis, de duivel en Satan staat; ze spreken niet langer blindelings op basis van hun noties. Mensen begrijpen deze dingen nadat ze enkele ervaringen hebben opgedaan, maar sommige mensen begrijpen ze nooit, zelfs niet wanneer ze een hoge leeftijd bereiken. Mensen koesteren in hun hart noties over veel dingen. Wanneer ze horen wat Ik zeg, of zien wat Ik ga doen of welke keuzes Ik maak, voelen ze zich genoopt om te proberen Mij met de God in de hemel te rijmen en ontwikkelen ze enkele noties. Ze ontwikkelen vaak noties, vooral met betrekking tot dingen in het leven waarmee ze in contact kunnen komen en die ze kunnen zien. Zie je, mensen voelen zich genoopt om noties te ontwikkelen over de keuze van kleuren, en ze kunnen deze onbeduidende kwestie niet eens rationeel benaderen en een juist oordeel vellen. Je ziet bijvoorbeeld dat de kleding die boeddhistische nonnen en monniken dragen grijs is, dus denk je dat grijs boeddhistische nonnen en monniken vertegenwoordigt. Wanneer Ik een grijs bovenstuk voor je kies, denk je daarom: ‘Zijn we geen christenen? Bent U niet de geïncarneerde God? Hoe kunt U grijze kleren blijven kiezen? Alleen boeddhistische nonnen en monniken dragen grijs! Hoe kunnen mensen die in God geloven de kleur dragen die door boeddhistische nonnen en monniken wordt gedragen? Stelt dit ons niet op één lijn met het boeddhisme? U vermijdt dit taboe niet eens!’ Ik zeg, wat valt er te vermijden? Alle kleuren zijn door God geschapen. Ik heb Mijn redenen voor elke kleur die Ik mooi vind, en bovendien is het beslist goed voor je en gunstig voor je. Je legt altijd een verband tussen monniken en nonnen en de kleur grijs, of met mensen die in God geloven, of met jezelf – dat is jouw probleem. Ik denk er niet op zo’n ingewikkelde manier over na. Zo denken betekent dat je irrationeel bent. Je bekijkt deze kleur vanuit het perspectief van je noties en verbeeldingen, je hebt je eigen betekenis aan deze kleur toegevoegd, en je hebt deze kleur op een verwrongen manier geïnterpreteerd. Uiteindelijk beperk je jezelf ertoe alleen van wit te houden en alleen wit te dragen. Maar wanneer je ziet dat je haar helemaal wit is, wanneer je je huid en teint bleek ziet worden, of je vitiligo ontwikkelt, word je ongelukkig. Dan zeg je niet langer dat je van wit houdt of dat wit zuiverheid vertegenwoordigt. Mensen zitten zelfs boordevol noties over welke kleuren de geïncarneerde God mooi vindt en kiest. Zeg Mij, is dit niet erg hinderlijk? Ik vraag Me af: hebben deze mensen de vele waarheden waarover Ik heb gecommuniceerd eigenlijk wel begrepen? Als ze deze onbeduidende kwestie niet eens kunnen begrijpen, kunnen ze dan de waarheid begrijpen, die zo complex is? Ik betwijfel of ze de waarheid wel echt begrijpen. Het is moeilijk te zeggen, nietwaar? (Ja.) Ze begrijpen alleen wat doctrines maar begrijpen de waarheid niet, en toch passen ze blindelings regels toe op sommige dingen in het werkelijke leven en vellen ze er een oordeel over. Is dit niet de verwrongenheid van mensen? (Ja.)

Zeg Mij, hoe moeten mensen de verschillende kleuren bekijken en begrijpen? Kijk naar deze mensenwereld: de voorwerpen en levende wezens die mensen met het blote oog kunnen zien – of ze nu bewegen of stilstaan – zijn er in allerlei kleuren, en ze zijn allemaal door God geschapen. Vissen, vogels, woeste dieren, herbivoren, pluimvee en vee zijn er in allerlei kleuren; de vruchten die aan bomen en op de grond groeien, zijn er in allerlei kleuren. Wat heb je uit deze overvloedige kleuren begrepen? God heeft de kleuren van verschillende stilstaande voorwerpen geschapen om de geschapen mensheid een geschikte leefomgeving te bieden; deze kleuren zijn gunstig voor de ogen en zintuigen van mensen, en voor het voortbestaan van hun hele lichaam. God heeft dit alles in overweging genomen. Voor God is er een specifieke reden om een bepaalde kleur te gebruiken, of om de vorm en grootte van iets te ontwerpen, evenals de levensgewoonten en -patronen ervan; God heeft geen regels. Niet alleen houdt God Zich niet aan regels bij het scheppen van alle dingen, maar er is ook een heel fundamenteel principe: afgaande op hun kleuren, vormen, levensgewoonten en functies, en de rol van dit alles bij alle dingen, maakt dit mensen geschikt om in een dergelijke omgeving te overleven. Ook stelt het mensen in staat de verschillende voedingsstoffen die ze nodig hebben uit verschillende soorten voedsel op te nemen; ze zijn op basis van deze dingen geschapen. Omdat mensen te onbeduidend zijn en wat ze met hun blote oog kunnen zien beperkt is, beperken ze God binnen wat ze met hun blote oog kunnen zien als zijnde zus of zo, en denken ze dat God op deze of gene manier zou moeten handelen. In de verbeeldingen van mensen komt Satan bijvoorbeeld over het algemeen uit de duisternis tevoorschijn, dus denken mensen: ‘Zwart is slecht. God houdt niet van zwart; God schept geen zwarte dingen.’ Je hebt het mis als je zo denkt! Er zijn veel zwarte dingen die gunstig zijn voor mensen. Sommige voedingsmiddelen zijn bijvoorbeeld zwart, zoals zwarte bonen en zwart sesamzaad, maar ze zijn gunstig voor het menselijk lichaam. Ook zijn de kleuren van sommige vogels en dieren zwart, en ze zijn zelfs enkele door de staat beschermde soorten. Daarom is het verkeerd als je op basis van de kleur bepaalt of iets goed of slecht is. Satans keuze voor zwart bewijst niet dat zwart slecht is, of iets waar God een afkeer van heeft of wat Hij veroordeelt. Waarom kiest Satan dan voor zwart? Omdat Satan boosaardig en venijnig is, kan hij het licht niet verdragen en verbergt hij zich graag in de duisternis. Alleen door zich in de duisternis te verbergen, kan hij voorkomen dat hij door mensen wordt ontdekt. Hij kiest voor zwart om het gemakkelijker te maken zich te verbergen, te bedriegen, slechte dingen te doen en kwaad te begaan. Maar je kunt zwart niet veroordelen alleen omdat Satan ervoor kiest. Vergeleken met wit maakt zwart het voor Satan hooguit gemakkelijker om zich te verbergen, en wordt het door Satan gebruikt, dus geeft Satan de voorkeur aan zwart. Omdat God licht is, wandelt Hij vaak in het licht, spreekt Hij tot mensen in het licht en verschijnt Hij aan mensen in het licht. God leeft in het licht, en God kiest altijd voor wit licht. Dus denken mensen: ‘God houdt niet van andere kleuren; God houdt alleen van wit.’ Is dit gezichtspunt niet verkeerd? (Ja.) Kijk naar alle dingen die door God zijn geschapen – ze zijn er in allerlei kleuren. Waar komen al deze verschillende kleuren dan vandaan? Ze komen allemaal voort uit Gods gedachten. Als je de verschillende kleuren veroordeelt die voortkomen uit Gods gedachten, wat voor soort probleem is dit dan? Is dit geen opstandigheid? (Ja.) Dit is te idioot! Als je in contact kunt komen met de uitingen van de normale menselijkheid van de geïncarneerde God, en ze kunt zien of horen, moet je er op de juiste manier mee omgaan. Zolang ze je aanvaarding van de waarheid niet beïnvloeden of belemmeren, moet je van deze dingen geen groot probleem maken. Je moet ze niet onderzoeken en analyseren, ze vervolgens buiten proportie opblazen, en uiteindelijk noties ontwikkelen, over de geïncarneerde God oordelen, Hem veroordelen, Hem weerstaan en Hem verwerpen. Dat zou zo verkeerd zijn! Zulke mensen zijn zonder geweten en verstand.

Aangezien de geïncarneerde God een gewone, normale mens is, heeft Hij Zijn vaste, normale levenssfeer, levensgewoonten en zelfs levenspatronen, evenals alle verschillende keuzes, afwegingen en het scala aan emoties die bij het menselijk leven horen. Wat betreft de normale menselijkheid van de geïncarneerde God: mensen moeten die enerzijds op de juiste manier benaderen, vanuit een rationeel perspectief; anderzijds moeten ze er een juist begrip van hebben. Als je noties ontwikkelt omdat je ziet, hoort of in contact komt met wat de geïncarneerde God doet met betrekking tot Zijn leven en normale menselijkheid, is de eenvoudigste methode om ervoor te zorgen dat dit je ingang in het leven of je aanvaarding van Gods woorden niet beïnvloedt, niet te proberen de geïncarneerde God met de God in de hemel te rijmen. De geïncarneerde God leeft in normale menselijkheid; Hij heeft Zijn vrijheid, Hij heeft de bediening die Hij behoort te vervullen, en Hij heeft ook een normaal menselijk leven. Dit moet je op de juiste manier benaderen. Zie je, Gods derde fase van het werk om mensen te redden vereist de uitdrukking van vele waarheden. Bij het communiceren over verschillende aspecten van de waarheid gebruikt Hij alledaagse taal, waarbij Hij vaak gebruikmaakt van spreektaaluitdrukkingen, volkstaal en plaatselijke dialecten, en soms speciale manieren van uitdrukken hanteert. Zolang de gesproken woorden allemaal de waarheid zijn, en allemaal waarheden zijn die je moet begrijpen en binnengaan, moet je je onderwerpen; op deze manier kun je redding verkrijgen. Als je altijd aan het muggenziften bent, altijd nauwkeurig aan het onderzoeken bent en altijd twijfels hebt, zul je de waarheid niet verkrijgen en zul je de kostbare kans op redding van mensen door de geïncarneerde God mislopen. Hoe moet je het werk van de geïncarneerde God dan op de juiste manier benaderen? Ten eerste moet je verstand hebben, je leren onderwerpen aan Gods werk, je richten op je eigenlijke taken, het pad bewandelen van het nastreven van de waarheid, en je richten op het oplossen van je verdorven gezindheden om redding te verkrijgen. Dit is het belangrijkste. Het is niet nodig dat je God de hele dag door nauwkeurig onderzoekt. Hoeveel noties en verbeeldingen je ook hebt, ze zijn niet de waarheid. Je zou je een leven lang aan je noties kunnen vastklampen en nog steeds de waarheid niet verkrijgen, en uiteindelijk toch naar de hel moeten gaan. Zodra je deze kwesties doorziet, zul het juiste spoor van het geloof in God kunnen betreden, en zul je bij het lezen van Gods woorden je noties en verbeeldingen kunnen loslaten. Kijk eerst of er in deze woorden waarheid te vinden is. Als deze woorden de waarheid en Gods bedoelingen bevatten, en jou in staat kunnen stellen een aspect van de waarheidsprincipes te begrijpen, wees dan ruimdenkender; maak je niet druk om elk detail, wees niet kleingeestig en fixeer je er niet op. Wat moet je in je hart denken? ‘Hoewel de geïncarneerde God een gewone mens is met normale menselijkheid, kan Hij de waarheid uitdrukken en kan Hij God vertegenwoordigen. Zelfs als we wat dingen hebben geleerd en welsprekend zijn, kunnen we de waarheid niet uitdrukken. Ook kunnen we Gods gezindheid niet uitdrukken, kunnen we niet uitdrukken wat God heeft en is, en kunnen we de waarheidsprincipes niet duidelijk communiceren. Hoeveel kennis we ook hebben of hoe hoog onze status ook is, het betekent niet dat we de waarheid bezitten, en evenmin kunnen we God vertegenwoordigen. Hoewel de geïncarneerde God in alledaagse taal spreekt die eenvoudig en gemakkelijk te begrijpen is, zijn de woorden die Hij spreekt allemaal de waarheid. Hij kan ook de waarheidsprincipes grondig communiceren en de verschillende problemen van mensen oplossen. Dit is genoeg. Geloven mensen niet in God om de waarheid te verkrijgen? Ik zou niet altijd moeten muggenziften en proberen fouten te vinden; dat is het verwaarlozen van mijn eigenlijke taken.’ Als je deze houding hebt, zul je de waarheid kunnen begrijpen wanneer je Gods woorden leest, en de waarheid kunnen nastreven. Als je deze houding niet bezit, en de waarheid niet zoekt en altijd over de woorden muggenzift wanneer je naar preken luistert, en altijd noties hebt over de woorden en het werk van de geïncarneerde God, zal dit je begrip van de waarheid beïnvloeden. Sommige mensen vergelijken de geïncarneerde God altijd met de God in de hemel en vragen altijd: “Waarom is de geïncarneerde God geen geestelijk lichaam? Waarom spreekt het vlees niet met een stem als de donder, zoals de God in de hemel?” Ze geloven ook dat het onmogelijk is dat de geïncarneerde God de ware God is die uitspraken doet en spreekt. Ze geloven dat de handelingen van de ware God de verbeeldingen van mensen moeten overtreffen – als Hij net als een normale mens spreekt, hoe zou dat dan Gods verschijning en werk kunnen zijn? Ze overdenken gewoon niet: ‘Kan een mens de waarheid uitdrukken? De geïncarneerde God kan zoveel waarheden uitdrukken; is dit iets wat een mens kan bereiken? Niet veel mensen kunnen dit helder zien. Dat God zoveel waarheden uitdrukt, is het grootste wat God onder de mensheid heeft gedaan, en het is iets wat geen mens voor elkaar kan krijgen.’ Om ervoor te zorgen dat mensen het begrijpen, moet Ik, wanneer Ik de waarheid communiceer, deze communiceren op een manier die duidelijk en gemakkelijk te begrijpen is; Ik moet in detail spreken, dingen herhaaldelijk zeggen en ook voorbeelden geven. Dit zorgt ervoor dat veel mensen noties ontwikkelen. Als Ik werkelijk in algemene zin zou communiceren, hoeveel mensen zouden dan kunnen bevatten wat Ik zeg? Helemaal niemand zou het kunnen bevatten, voornamelijk omdat jullie gestalte te klein is. Ik leg dingen zo gedetailleerd uit, zo gedetailleerd dat het langdradig wordt, en zelfs Ikzelf het beu ben en er niet over wil doorgaan, maar sommige mensen begrijpen nog steeds niet wat Ik zeg en denken: ‘Waarom niet nog een paar voorbeelden geven?’ Ik heb zoveel gezegd dat Ik het beu ben en niet verder wil gaan, dus hoe komt het dat je het nog steeds niet begrijpt? Dat bewijst dat je geen menselijk brein hebt, dat je niet het vermogen hebt om de waarheid te bevatten, en hoeveel detail Ik ook geef, je zult het nog steeds niet begrijpen. Op deze manier communiceren, proberen ervoor te zorgen dat iedereen met een beetje bevattingsvermogen het kan begrijpen en een beoefeningspad kan hebben, is onvermijdelijk een beetje langdradig. Bovendien zijn de energie en andere aspecten van normale menselijkheid beperkt. Vooral bij het communiceren over de waarheid zijn sommige dingen heel moeilijk onder woorden te brengen, en schiet menselijke taal te veel tekort. Daarom is het soms heel moeilijk om binnen twee of drie seconden het juiste woord te vinden, en kan Ik alleen een woord gebruiken dat ongeveer gelijkwaardig is om een beetje effect te bereiken, en dat is genoeg. Maar elke keer dat Ik communiceer, probeer Ik ervoor te zorgen dat de woorden die Ik communiceer om één onderwerp kunnen draaien, zodat jullie een begrip van dit aspect van de waarheid kunnen hebben, en uiteindelijk een pad hebben om te volgen wanneer jullie allerlei dingen in jullie echte ervaring tegenkomen. Dit is buitengewoon gunstig voor jullie levenservaring. Hoewel zo gedetailleerd spreken Mij langdradig doet lijken, zullen jullie je, wanneer jullie dit soort problemen tegenkomen, niet verloren voelen – jullie zullen een pad hebben om te volgen. Jullie zullen niet langer te midden van woorden en doctrines leven, maar in plaats daarvan een praktisch pad, een praktische basis en praktische waarheidsprincipes hebben die jullie kunnen toetsen aan de situaties die jullie tegenkomen om jullie problemen op te lossen. Daarom doe Ik Mijn uiterste best om te doen wat de normale menselijkheid van de geïncarneerde God kan bereiken, en doe Ik Mijn uiterste best om alles te zeggen wat Ik kan bedenken. Wanneer Ik zoveel spreek dat jullie zeggen dat jullie het allemaal begrijpen en het niet nodig is dat Ik nog meer communiceer, dan zal Ik stoppen met spreken; Ik wil echt niet zo lang blijven spreken.

Zie je, de God in de hemel spreekt eenvoudig. Jehova God zei bijvoorbeeld tegen Mozes: “Mozes, kom, Ik heb je iets te zeggen.” Mozes knielde snel neer, God gaf hem een paar dingen door om te verkondigen, en Mozes verkondigde ze volgens de instructies van Jehova God. Als de geïncarneerde God je vandaag een paar dingen doorgeeft en je vraagt ze te doen, zul je tijdens je beoefening allerlei verdorven gezindheden onthullen. Zul je op dat moment beoefeningsprincipes en een beoefeningspad kunnen hebben? (Nee.) Dat zul je niet. Je ziet dus dat Gods Geest eenvoudig spreekt, maar wanneer Gods Geest werkt en enkele woorden spreekt, is het alleen wanneer Hij een aantal bijzondere, opzichzelfstaande dingen doet bij bijzondere gelegenheden en in bijzondere omstandigheden dat Hij geen andere keuze heeft dan dat te doen. Het werk dat door de geïncarneerde God wordt gedaan, is echter concreet en veelomvattend. Het is niet zoals Gods Geest die een paar dingen zegt om mensen openbaringen te geven, of een paar dingen zegt om een gebod uit te vaardigen of een profetie te uiten, en vervolgens afsluit na dit eenvoudige, opzichzelfstaande werk te hebben gedaan. Het werk van de geïncarneerde God bestaat uit spreken gedurende een lange periode. De transformatie van de gezindheden van mensen en het afwerpen van hun verdorven gezindheden zijn geen dingen die kunnen worden bereikt door een paar dingen op eenvoudige wijze te zeggen. Omdat de mensheid zo buitengewoon diep is verdorven, en de verschillende vergiffen en gezindheden van Satan diep in de mensen geworteld zijn geraakt, moet de geïncarneerde God, om de verdorvenheid van mensen volledig te reinigen, concreet werk doen, concrete woorden spreken en de verschillende aspecten van de waarheid uitdrukken die mensen nodig hebben om redding te verkrijgen. Doordat God gedurende zo’n lange periode op deze manier werkt, lijken de woorden die Hij spreekt en het werk dat Hij uitvoert heel concreet, en misschien zelfs – in de ogen van mensen – erg langdradig en langdurig. Afgaande op hun noties denken mensen: ‘O, de geïncarneerde God werkt niet bliksemsnel en lost de dingen niet vlot op. Hij spreekt te veel in detail en zegt te veel; Hij is een beetje langdradig. Hij behandelt mensen als driejarigen!’ Gezien jouw gestalte denk Ik niet dat je zelfs maar op het niveau van een driejarige zit – misschien zit je op het niveau van een één- of tweejarige, of misschien zelfs dat van een baby. Jou als een driejarige behandelen komt in feite neer op jou verheffen. Wanneer God als de donder vanuit de hemel spreekt om dingen tegen mensen te zeggen, tot wat voor soort mensen richt Hij Zich dan? Hij richt Zich tot Zijn boodschappers en de mensen die door Hem worden gebruikt. En welke groep mensen heeft de geïncarneerde God nu voor Zich? Hij heeft de verdorven mensheid voor Zich, de mensheid die Hij van plan is te redden, in plaats van dat Hij tot specifieke personen spreekt en aan hen werkt. De aard van het werk van Gods Geest en dat van de geïncarneerde God is totaal verschillend. Gods Geest zou nooit met de verdorven mensheid kunnen samenleven. Alleen de geïncarneerde God kan met mensen samenleven, en onvermoeibaar op deze manier tot de verdorven mensheid blijven spreken en aan haar blijven werken. De geïncarneerde God komt onder de mensen en leeft met hen samen. Aangezien Hij met hen samenleeft, overziet Hij alles. Wat wordt er bedoeld met alles overzien? Het betekent dat kwesties met betrekking tot hoe mensen zich gedragen, leven, werken, hun plichten doen en het pad dat ze bewandelen, evenals kwesties met betrekking tot de redding van mensen, hoe mensen God behandelen en hoe mensen God kennen, allemaal moeten worden opgelost. De vorige keer dat God vlees werd, was dat om aan het kruis te worden genageld om mensen van de zonde te verlossen. Ditmaal is God vlees geworden om de zondige aard van mensen bij de wortel aan te pakken. Deze fase van het werk vereist dus dat God vele woorden spreekt en vele waarheden uitdrukt, en Gods werk moet zich ook over een veel langere tijd uitstrekken. Gods Geest kan niet met de mensheid samenleven, omdat de eigenschappen van de mensheid verschillen van die van Gods Geest en Gods inherente identiteit. Er is geen enkele manier waarop ze kunnen samenleven. Om het dus enigszins ongepast uit te drukken: je kijkt op tegen God in de hemel, maar God in de hemel is een geestelijk lichaam en kan de mensheid niet altijd vergezellen. Alleen wanneer God vlees wordt en een gewone mens wordt, kan Hij de mensheid op deze manier vergezellen. Het is gemakkelijk te begrijpen als het zo wordt gesteld, nietwaar? (Ja.) De geïncarneerde God leeft samen met de mensheid, en spreekt en werkt jaar in jaar uit onvermoeibaar op deze manier. De geïncarneerde God leeft met mensen, en degenen om Hem heen die met Hem in contact kunnen komen, hebben waarschijnlijk wel het een en ander ervaren: Hij heeft alle problemen met betrekking tot de eerste levensbehoeften opgelost die voor mensen moesten worden opgelost, en Hij heeft ook veel gedaan buiten het werk dat Hij behoort te doen, waaronder het maken van films, het herzien van scripts, het regisseren van video’s, het schrijven van teksten, het schrijven van interviewscripts en het herzien van belangrijke artikelen. Ik heb al dit werk gedaan dat Ik oorspronkelijk niet hoorde te doen. Dit extra werk put Mij lichamelijk en geestelijk uit, heeft ervoor gezorgd dat Ik niet kan rusten, en heeft zelfs Mijn preken vertraagd. Veel mensen zien deze dingen, maar hebben er geen besef van. Ik spreek en werk zo onvermoeibaar, en toch schieten de meeste mensen nog steeds tekort en begrijpen ze het niet helemaal. Ik zie dat deze mensheid werkelijk meelijwekkend, werkelijk onbeduidend en werkelijk onwetend is. Ongeacht geslacht of leeftijd, stellen mensen niets voor. Als Ik dit had gezegd voordat Ik dit werk deed, had je misschien gedacht: ‘Doet U niet heel erg uit de hoogte? U kijkt op ons neer.’ Maar na vele jaren met deze mensen te zijn omgegaan, zucht Ik uit het diepst van Mijn hart: “Jullie hebben Mij werkelijk zoveel moeite voor jullie laten doen! Jullie kaliber is slecht en jullie opstandigheid is groot. Ik kijk echt niet op jullie neer.” Ik ben de meest onopvallende en minst in het oog springende onder jullie, en of het nu gaat om uitspraken, uiterlijk, lengte of kennis, jullie vinden Mij minderwaardig aan jullie. Maar wat is het enige dat Ik kan zeggen door Mijn echte contact en omgang met jullie gedurende deze jaren? Afgezien van het feit dat het pad dat jullie hebben gekozen – het volgen van de geïncarneerde God – juist is, bezitten jullie niets anders. Jullie zijn slechts lege omhulsels zonder levenswerkelijkheid. Wat jullie menselijk leven betreft, dat is gewoon een complete puinhoop en een totale chaos. De meeste mensen hebben geen ware vaardigheden of oprechte kennis, weten niet hoe ze moeten leven, weten niet hoe ze de omgeving moeten beheren of dieren moeten verzorgen, en weten niet hoe ze voor hun persoonlijke hygiëne moeten zorgen. Wat ze ook doen, ze hebben geen procedures, zijn ongeorganiseerd en weten niet hoe ze aan dingen moeten beginnen of dingen moeten afronden. Ook hun karakter is slecht. Het ontbreekt hen aan een serieuze, verantwoordelijke, rigoureuze en nauwgezette houding bij het doen van dingen. Ze handelen slechts plichtmatig om dingen voor niets te krijgen, en modderen maar wat aan zonder zorgen voor morgen. Toch hebben deze mensen allemaal buitensporige verlangens, voelen ze zich beter dan anderen en willen ze de leiding hebben en bevelen uitdelen zodat anderen dingen doen, maar tot hun grote spijt heeft geen van hen die bekwaamheid. Ik houd er niet van om de leiding te hebben en bevelen uit te delen, of om vanuit de hoogte instructies te geven en mensen te vertellen wat ze moeten doen. Ik houd er alleen maar van om echt werk te doen, elke klus netjes en efficiënt uit te voeren, deze qua methode goed te doen en er met de uiterste ernst tot het einde toe verantwoordelijkheid voor te nemen. Maar de meeste mensen hebben het echt niet in zich. Ze zijn niet in staat deze verantwoordelijkheid te dragen, en ze hebben niet de vaardigheden of de bekwaamheid om bevelen te geven. Ik moet zeggen dat jullie de omgeving niet kunnen beheren of onderhouden. Ik heb een bepaalde blauwdruk en een bepaald plan in gedachten, dus vertel Ik jullie Mijn plan. Ik vertel jullie hoe jullie moeten werken, hoe jullie dingen moeten regelen, waar jullie bomen moeten planten, waar jullie gras moeten leggen, wat jullie waar moeten bouwen, welke plekken geschikt zijn om bepaalde dingen te plaatsen en hoe jullie bepaalde dingen moeten beheren, en jullie doen dat vervolgens – dat is alles wat nodig is. Wanneer jullie klaar zijn, ziet iedereen dat wat er is gedaan er inderdaad heel goed uitziet. Ik ben vijf of zes jaar met deze mensen omgegaan, en hun vaardigheden en bekwaamheden zijn allemaal blootgelegd. Ik weet nu dat de leden van deze mensheid waarschijnlijk allemaal zo zijn. Hoewel Ik niet met het uitverkoren volk uit alle verschillende landen heb samengeleefd, zou jullie werkelijke situatie ongeveer hetzelfde moeten zijn als die van Gods uitverkoren volk in de Chinese kerken in de VS. Ik ga met deze mensen om, dus krijgen ze uiteindelijk een beetje extra voordeel en genieten ze een beetje van Mijn gunst. Jullie zijn ver weg en Ik kan niet met jullie in contact komen, dus kunnen jullie alleen maar de waarheid nastreven. Het resultaat is hetzelfde.

Bij Zijn vleeswording om ditmaal werk te doen, bestaat wat God doet voornamelijk uit het communiceren over de verschillende waarheden, waardoor mensen het pad van redding kunnen inslaan door elke waarheid te begrijpen, te aanvaarden en te beoefenen. Zo kunnen ze uiteindelijk redding verkrijgen, wat zodoende het werk van Gods zesduizendjarige managementplan zou afsluiten; dit is het werk dat aan God toevalt. Wat betreft de vraag hoeveel delen van dit werk niet overeenstemmen met de noties van mensen of niet helemaal overeenkomen met de God in de hemel zoals mensen het zien: dit moeten ze allemaal loslaten. Welke noties je ook hebt, zolang de woorden die worden gesproken en het werk dat wordt gedaan door de geïncarneerde God de waarheid en Gods bedoelingen uitdrukken, God Zelf kunnen vertegenwoordigen, en Gods gezindheid en identiteit vertegenwoordigen, moet je ze aanvaarden en niet muggenziften. Als je voortdurend muggenzift en de een of andere notie over de geïncarneerde God hebt, wat jou er altijd van weerhoudt de waarheid te aanvaarden, is dat bovendien de meest problematische zaak voor je; het zal je niets dan schade berokkenen, zonder het minste voordeel. Daarom moet je niet met de geïncarneerde God omgaan op basis van je noties en verbeeldingen, en moet je de geïncarneerde God niet beoordelen aan de hand van je noties en verbeeldingen. In plaats daarvan moet je je aanvankelijke noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God loslaten, evenals je huidige noties en verbeeldingen over Hem. Welke noties en verbeeldingen je ook hebt, je moet ze verwerpen; je moet ze ontleden en leren kennen, en ze vervolgens veroordelen en loslaten. Pas nadat je ze hebt losgelaten, kun je een onbezwaard hart hebben waarmee je Gods woorden en het reddingswerk dat God aan je verricht kunt aanvaarden. Pas dan kun je voor God komen en kans op redding maken. Naast het spreken om mensen van de waarheid te voorzien en het uitvoeren van het werk dat bestaat uit mensen tuchtigen, over hen oordelen en hen redden, geeft de geïncarneerde God in feite ook wat nuttige begeleiding met betrekking tot sommige zaken in het leven van mensen. Hoewel dit werk geen betrekking heeft op de waarheid of het werk van het redden van mensen, en geen werk is dat is inbegrepen in de bediening van de geïncarneerde God, heb Ik in Mijn contact en omgang met mensen in de Chinese kerken in de VS ook volop begeleiding, kritiek en correctie gegeven met betrekking tot de problemen in hun leven. Nietwaar? (Ja.) Dit is werk dat Ik er gewoon terloops bij doe. De meeste mensen lijken oppervlakkig gezien enigszins bekwaam, maar ze kunnen geen enkele taak op zich nemen, en zelfs hun leefomgevingen zijn een totale puinhoop. Omdat Ik zag dat er in wezen geen hoop leek te zijn om deze mensen zover te krijgen dat ze hun leefomgevingen netjes zouden houden en hun leven zelfs binnen tien jaar op het juiste spoor zouden krijgen, nam Ik deel aan en begeleidde Ik hen bij sommige dingen, en hielp Ik hen de tuin op te ruimen en de omgeving in te richten. Op sommige plekken waren de tafels, stoelen, banken en potplanten in de kamers, de schilderijen en spiegels die aan de muren hingen, en de spullen in de badkamers allemaal in complete wanorde. Om het met twee zinsneden te beschrijven, het was ‘compleet ongeorganiseerd’, waardoor je ‘nergens zelfs maar kon staan’. Zelfs als je alleen maar probeerde binnen rond te lopen, was je bezorgd dat je ergens tegenaan zou botsen. Elke keer als Ik daarheen ging, voelde Ik Me ondraaglijk benauwd. Zien hoe de dingen binnen waren ingericht, gaf Mij een ongemakkelijk gevoel. Allerlei spullen lagen op hopen gestapeld en veel dingen waren op de verkeerde plek gezet. Emmers en emmers rijst en meel stonden opgestapeld in de studeerkamer, maar er stond niets in de keukenkastjes die bedoeld waren om graan in op te slaan. Er lagen schroevendraaiers op het afdruiprek en gereedschapskisten in de koelkast. Ik zei tegen de mensen daar: “Moet jullie gereedschap worden ingevroren? Zijn jullie bang dat het gereedschap buiten te heet wordt?” Ik vond het gewoon onvoorstelbaar. Ik heb een gewoonte: als Ik binnenstap, kijk Ik graag eerst of een woning ordelijk en passend is ingericht, en of elk voorwerp op de plek is gezet waar het hoort. Ik bekeek hun woning een paar keer en kon de aanblik ervan echt niet meer verdragen. Ik zei: “Ik heb vandaag wat vrije tijd, dus Ik zal jullie woning voor jullie opruimen. Als Ik klaar ben met opruimen en jullie vinden het geschikt, laat het dan zo; als jullie het niet geschikt vinden, kunnen jullie het veranderen.” Ik bekeek grofweg wat de belangrijkste meubels waren die er stonden, en vervolgens liet Ik iedereen – op basis van de grootte en structuur van de woning – de meubels, het verschillende keukengerei en hun kleding op hun plek zetten of leggen en netjes ordenen. Ik liet hen ook de spinnenwebben verwijderen en het zand en stof op de vloer opruimen. Na het opruimen had iedereen er een goed gevoel over. Ze behielden later deze basisinrichting; ze hoefden de woning alleen maar schoon te houden. Ik heb mensen ook geholpen met het ontwerpen van de omgeving van hun tuin. We hebben op sommige plekken bloeiende bomen geplant, en op andere plekken esdoorns, en we hebben wat bloemen in bloembedden gezet. Dit soort tuinaanleg is best mooi. Nadat alles is ingericht, wordt het op sommige plekken vrij goed onderhouden, terwijl op andere plekken niemand de dingen serieus neemt en niets onderhouden wordt. Wanneer de bloemen en planten hoger groeien en zich vertakken, weet men niet eens dat men die moet snoeien. Ik heb Me afgevraagd of deze mensen soms traag van begrip zijn. Nadat de omgeving is ingericht, weten ze niet of het goed is en kunnen ze niet zeggen wat waar moet worden geplaatst. Je zet een tafel in de kamer, zet er een bureaulamp op en zet er een paar stoelen omheen. ’s Avonds, als je onder de lamp boeken leest en naar gezangen luistert, is het best fijn voor iemand om hier in alle rust zijn geestelijke oefeningen te doen. Mensen die dit niet snappen, hebben het gevoel dat er niet genoeg spullen in de kamer staan, dus zetten ze er nog twee kleine tafeltjes bij en stapelen ze wat rijst, meel en hondenvoer op de tafels. Waar er ook maar een beetje ruimte is, proppen ze spullen, waardoor de kamer zo vol raakt dat hij op een pakhuis lijkt. Ze vinden het onhandig om spullen te pakken als ze allemaal gesorteerd en opgeborgen zijn, en vinden het handig om ze op elk moment te kunnen pakken als alles op een hoop ligt. Ik zeg: “Dit is een omgeving voor mensen om in te leven. Als je niet weet hoe je ervoor moet zorgen of die moet onderhouden, wat is dan het verschil tussen zo leven en in een varkensstal leven?” Sommige mensen kijken hoe Ik de leefomgeving netjes houd en leren hiervan; ze kunnen wat dingen oppikken en het een beetje begrijpen. Maar sommige mensen proberen niet eens te leren; ze dragen nooit zorg voor hun eigen leefomgeving of hun persoonlijke hygiëne. Waar Ik ook heenga, als Ik zie dat de woning vrij schoon is, er geen overvloed aan spullen is en het niet luxueus is, maar wel vrij netjes, geen totale puinhoop, en er geen afval is, ben Ik best bereid om daar te verblijven. Ik vind dat deze woning echt mooi is; hij is licht, schoon en rustig. Mijn eigen woning heeft geen luxueuze spullen of weelderige meubels nodig. Kroonluchters, Simmons-matrassen, meubels in Europese stijl – die heb Ik niet nodig. Gewoon een eenvoudig bed, een kaptafel, een bureau en een stoel. Als Ik daar zit, kan Ik boeken lezen, de computer gebruiken en naar liederen luisteren. Dit is best mooi en vrij eenvoudig. Eenvoudige dingen bezitten is niet het belangrijkste. Wat is het belangrijkste? Dat alles netjes is geplaatst. De boeken staan daar netjes geordend. Zelfs de kleren die Ik momenteel niet draag, gooi Ik niet achteloos opzij; in plaats daarvan vouw Ik ze op en leg Ik ze netjes weg – als je ernaar kijkt, kun je zien dat ze gesorteerd zijn. Er ligt geen stof op de tafels of de ladenkast; als dat wel zo is, veeg Ik het weg. Wanneer Ik naar sommige woningen ga en zie dat de kamers vrij schoon zijn, toont dat aan dat de eigenaar van het huis hygiëne vrij serieus neemt. In sommige woningen zijn de spullen in de kamers in complete wanorde, en is het ook bijzonder vies, met haren, stof, spinnenwebben, insecten en van alles en nog wat; het ziet er walgelijk uit. Ik zou niet bereid zijn om naar zo’n woning te gaan. De woningen waar Ik graag verblijf zijn niet noodzakelijkerwijs bijzonder comfortabel, maar ze zijn beslist netjes en schoon. In sommige woningen ruik je een vreemde geur zodra je binnenkomt en heeft niemand de spullen in de kamer opgeruimd; het is een totale puinhoop. Ik zou niet bereid zijn om op zo’n plek te verblijven. Als Ik daarheen moet om iets te regelen, kan Ik proberen het te verdragen, maar als Ik Mijn grens bereik, zou Ik hen laten opruimen. Sommige mensen zijn niet bereid om op te ruimen, en in dat geval neem Ik geen blad voor de mond. Ik zeg: “Ruim die varkensstal van je op!” Zeg Mij, als iemand niet eens weet hoe hij zijn eigen leefomgeving moet onderhouden, wat kan hij dan bereiken? In sommige woningen wordt de keuken vrij schoon gehouden. Er zijn praktisch geen vliegen, er ligt geen stof op de eettafel, overgebleven eten is afgedekt met vliegenkappen, er zijn geen watervlekken rond de gootsteen, elke doek is schoon en netjes, en er zitten geen vetvlekken op de handgrepen van de kastdeurtjes. Het is zo schoon! Dit is weten hoe je een leefomgeving moet onderhouden. De meeste mensen weten echter niet hoe ze hun leefomgevingen moeten onderhouden. Zelfs als je hen helpt hun kamers op te ruimen, kunnen ze die maar een paar dagen zo houden. Als je een paar dagen later teruggaat, zijn de kamers onherkenbaar; je denkt dat je de verkeerde kamer bent binnengelopen. In de meeste woningen ga Ik echter niemands slaapkamer binnen; Ik ga alleen naar gemeenschappelijke ruimtes zoals de woonkamer, keuken en eetkamer. Als Ik onhygiënische plekken tegenkom, ruim Ik er een of twee op. Wat betreft de woningen waar Ik niet vaak kom, die mogen ze inrichten zoals ze zelf willen.

Sommige mensen zorgen dat ze heel netjes zijn wanneer ze films of zang- en dansprogramma’s opnemen, en zien er piekfijn uit. Maar soms moeten we in bijzondere omstandigheden een videogesprek voeren om werkzaken te bespreken. Zonder zich te hebben voorbereid, opgemaakt of verzorgd, nemen ze deel aan het videogesprek. Zodra Ik hen zie, denk Ik: ‘Waarom zijn deze mensen zo onverzorgd? Ze maken zichzelf niet eens netjes. Hebben ze het echt zo druk?’ Sommige mensen houden overal in hun slaapkamer veel troep verborgen. Onder hun kussen en deken stoppen ze een hoop eten zoals koekjes en zonnebloempitten, en ook ondergoed, sokken en zelfs computers, mobiele telefoons, notitieboekjes, enzovoort. Wanneer ze ’s avonds gaan slapen, moeten ze deze dingen opzijschuiven om ruimte te maken om te slapen. Deze mensen kunnen niet eens de nog geen vier vierkante meter ruimte op hun bed netjes houden. Ze leggen alles op hun bed, en wie weet hoeveel dagen ze voorbij laten gaan zonder het op te ruimen. Wanneer hun dekens vochtig worden en muf ruiken, luchten ze die niet in de zon. Zodra je de kamer binnenkomt, ruik je de stank, die ook slecht is voor hun gezondheid. Wat voor soort huis het ook is, de slaapkamer moet worden geventileerd. De lucht kan alleen fris zijn als je de zon binnenlaat. De matrasbeschermers waarop je ligt en de dekens waarmee je je toedekt, moeten af en toe in de zon worden gelucht. Als ze vreemd beginnen te ruiken of vies worden, moeten ze worden gewassen. Dit is de enige manier om hygiënisch te blijven. Ook is het absoluut onaanvaardbaar om een boel troep onder het kussen te leggen; Ik kan niet slapen als die daar liggen. Sommige mensen hebben deze gewoonte: ze proppen al hun persoonlijke spullen onder hun kussen en onder hun beddengoed. Als ze iets niet kunnen vinden, kunnen ze het daar gegarandeerd vinden. Het zijn niet alleen mannen die deze slechte gewoonten hebben; verrassend genoeg zijn het soms jonge vrouwen. Deze mensen zien er meestal vrij schoon uit. Bij het opnemen van video’s en het maken van programma’s zien ze er heel toonbaar uit, en onaantrekkelijk zijn ze evenmin. Ze zien er heel levendig en glamoureus uit. Hoe komt het dat ze niet eens weten hoe ze hun persoonlijke leefomgevingen moeten onderhouden en niet eens de basishygiëne kunnen bijhouden? Zeg Mij, wat zouden zulke mensen kunnen bereiken? Iets doen vereist zelfdiscipline; je moet dingen methodisch en systematisch doen en rigoureus, nauwgezet, serieus en verantwoordelijk zijn – deze kwaliteiten van menselijkheid moet je bezitten. Als je, waar het gaat om jouw eigen privéruimte en -omgeving, een luie, lakse, nonchalante en onverantwoordelijke houding hebt, hoe zou je dan de verschillende onderdelen van het kerkwerk goed kunnen doen? Sommige mensen zeggen: “Ik heb het te druk met werk. Ik heb geen tijd om deze dingen op orde te krijgen.” Is dit geen excuus? (Ja.) Om het bot te zeggen: zulke mensen zijn gewoon lui.

Alle mensen met normale menselijkheid stellen eisen aan hun leefomgevingen. Ook ik stel eisen aan Mijn leefomgeving. Op zijn minst moet die hygiënisch, schoon en netjes zijn, en aangenaam zijn om naar te kijken. Ik zal hier niet verder over uitweiden. Laten we gewoon Gods schepping en management van alle dingen nemen – managet Hij ze goed? Alle dingen die door God zijn geschapen – de rivieren en meren met alles erin, de bergen, bekkens en vlaktes, en allerlei soorten dieren en planten – worden door Hem gemanaged. Zeg Mij, managet God ze goed? (Ja.) Wordt elke soort levend wezen goed gemanaged? (Ja.) Is er iets chaotisch of onduidelijk? (Nee, God managet ze op een zeer ordelijke, systematische manier.) God managet ze met regelmaat, orde, organisatie en helderheid, met uitzonderlijke nauwgezetheid en precisie. Om het in menselijke termen uit te drukken: Zijn management van deze dingen is bijzonder netjes en geordend. Niets staat iets anders in de weg en niets staat op zijn kop. Zie je, de oceanen hebben hun grenzen, de rivieren hebben hun bereik, en de bergen, het land en de vlaktes hebben hun respectievelijke functies. Welke soorten bomen op welke plekken groeien, en in welke omgevingen en streken dieren, vogels en beesten opgroeien – dit alles is geordend en afgebakend. God managet ze met volmaakte orde. Vissen en diverse andere levende wezens in de zee leven ook met uitzonderlijke regelmaat. God heeft alles voor hen op zijn plaats gezet. Op basis van de leefruimte van elke soort levend wezen, heeft Hij de leefgewoonten, routine en de temperatuur waarvoor het wezen geschikt is vastgesteld, en ook het voedsel geschapen dat het nodig heeft. God is bijzonder grondig in Zijn overweging van elke kwestie, en managet alle dingen op een bijzonder georganiseerde manier. Kijk nu eens: hoe onderhouden mensen hun omgevingen? Vergeet het beheren van een kerk of een regio maar – je kunt niet eens je eigen slaapkamer of de plek waar je rust goed onderhouden. Sommige mensen kunnen niet eens een ruimte zo klein als hun eigen bed netjes houden. Zeg Mij, waartoe zou jij mogelijk in staat zijn? Dit is een gebrek in de menselijkheid. Laat staan dat je voldoet aan de normen die de God in de hemel vereist; als je kunt voldoen aan wat de geïncarneerde God – dat wil zeggen, wat Ik – van je vereist om te doen, is dat niet slecht. Dit zijn allemaal dingen die mensen met normale menselijkheid moeten bereiken. Als je niet eens kunt voldoen aan de normen van normale menselijkheid, zal het werkelijk nogal lastig voor je zijn om redding te verkrijgen. Dit zijn de vereisten voor mensen als het gaat om het onderhouden van de eigen omgeving. Als mensen hier een beetje moeite voor doen, kunnen ze aan deze vereisten voldoen; het is niet moeilijk. Begin je intrede met het onderhouden van je eigen leefomgeving; leer vervolgens om je werk en de plicht die je doet te beheren. Treed beetje bij beetje in deze dingen in, ontwikkel een aantal goede gewoonten op het gebied van normale menselijkheid, en cultiveer een aantal werk- of leefvaardigheden die mensen met normale menselijkheid kunnen bereiken. Beetje bij beetje, terwijl je probeert binnen deze normale menselijkheid te leven, moet je je aanpassen aan enkele positieve, goede leefgewoonten en leefomgevingen, en ze geleidelijk een deel van jouw normale menselijkheid maken. Dit zal bevorderlijk zijn voor je plichtsvervulling, je werk en je overleving. Nietwaar? (Ja.) Dit zijn enkele kwesties met betrekking tot het dagelijks leven.

Aangezien de geïncarneerde God vlees is, moet Hij normale menselijkheid en de instincten van de geschapen mensheid bezitten, en leven binnen het bereik van het leven van de geschapen mensheid. De geïncarneerde God heeft dus ook een aantal van de behoeften en uitingen van normale menselijkheid. Hoewel deze behoeften en uitingen uiterlijk niet rechtstreeks verband houden met Gods identiteit en essentie, of met de gezindheid van God die door God wordt vertegenwoordigd, zijn ze op zijn minst in overeenstemming met de normale menselijkheid die de God in de hemel van mensen vereist; ze spreken die niet tegen en deze dingen zijn ook helemaal niet strijdig met elkaar. Bovendien berokkenen de onthullingen en uitdrukkingen van de normale menselijkheid van de geïncarneerde God de mensheid geen enkele schade. Wat de geïncarneerde God ook van je vereist binnen het bereik van normale menselijkheid, en wat Hij ook onthult in de omgang met jou, deze dingen zullen je beslist niet kwetsen, en ze zullen je zeker geen schade berokkenen. God zal niet alleen geen dingen doen die je schade berokkenen, maar Hij zal ook, binnen het bereik van Zijn menselijkheid – die normale menselijkheid bezit – het werk doen dat Hij van plan is te doen, de woorden spreken die Hij van plan is te spreken, en de gezindheid en essentie uitdrukken die Hij van plan is uit te drukken, en zo mensen voor God en op het pad naar het verkrijgen van redding leiden. Hoe onbeduidend, en hoe normaal en praktisch de uiterlijke verschijning van zo’n geïncarneerde God jou ook mag toeschijnen, en hoe onopvallend en onuitzonderlijk Hij ook is onder de geschapen mensheid, de normale menselijkheid die Hij uitleeft vertegenwoordigt nog steeds God Zelf, en is gerelateerd aan God Zelf. Alleen omdat Hij normale menselijkheid onthult of een aantal dingen doet die verband houden met normale menselijkheid – zoals je helpen je leefomgeving op te ruimen of je omgeving te beheren – moet je dus niet denken: ‘Hoe kan God deze dingen doen? Is Hij niet de God in de hemel? Hoort Hij niet het werk van God Zelf te doen? Hoe zou Hij deze dingen kunnen managen? Is dit niet met een kanon op een mug schieten?’ Als je deze gedachten hebt, dan heb je het volslagen mis. Er zijn misschien ook mensen die denken: ‘God is de geïncarneerde God – is deze geïncarneerde God hooghartig? Is Hij onthecht van wereldse dingen? Zijn de omgeving waarin Hij leeft, het bereik van Zijn leven of Zijn vereisten voor het leven anders dan die van ons gewone mensen?’ Geloof me, de uitingen van elk aspect van het leven van deze geïncarneerde God zijn maar al te gewoon en maar al te normaal; ze zijn helemaal niet verheven, en zijn in de ogen van velen zelfs ronduit onbeduidend. Hij heeft geen strenge vereisten of buitensporige verlangens ten aanzien van Zijn levenskwaliteit; Hij houdt er gewoon van om op de eenvoudigste, meest sobere manier te leven. Sommige mensen zeggen: “Weet de geïncarneerde God niet hoe Hij van een hoge levensstandaard moet genieten?” Het is echt niet zo dat Ik niet weet hoe dat zou moeten of niet bekend ben met mooie dingen. Ik houd gewoon niet van zulke dingen. Ik heb dat soort vereisten niet. Mijn vereisten en normen voor het leven zijn dezelfde als die van gewone mensen: in de zomer wat roerbakgerechten en salades eten, in de winter wat stoofschotels en gestoofde tofu eten, wat dumplings eten als het koud wordt en sneeuwt. Sommige mensen zeggen: “Kunt U dan koken?” Ik kan ook koken, en Ik kan handgerolde noedels maken. Een aantal jaren geleden maakte Ik ook gestoomde broodjes en gedraaide broodjes, deed Ik de afwas en ruimde Ik op. Ik vouw Mijn dekens heel netjes op. Ik wil Mijn kleren wassen zodra ze een beetje vies worden, en Ik houd niet van vreemde geuren. Ik heb geen strenge vereisten als het op het leven aankomt. Ik houd van rust en houd niet van lawaai. Ik ben niet bereid om op plekken te verblijven waar veel mensen heel hard praten en waar veel lawaai is, en Ik houd niet van steden. Vertel Mij, heeft men dan hoge normen? (Nee.) Als Ik in een auto rijd, moet het in de auto gewoon stil zijn en dat is prima. Ik houd er niet van om de airconditioning te koud te zetten, en wat de verwarming betreft ben ik tevreden zolang het een beetje warm is en Ik het niet koud heb als Ik een gewatteerde jas draag. Bij het kopen van meubels koop Ik graag grote kasten waar veel spullen in passen, zodat alles wat Ik erin leg netjes kan worden geordend. Ik houd de spullen die Ik gebruik graag schoon. Zelfs als ze na lang gebruik versleten raken, zitten er geen zweetvlekken op en geven ze geen vreemde geuren af, laat staan dat er haar of roos op zit. Ik zal de kleren die Ik heb gedragen beslist wassen voordat Ik ze in de kast leg; Ik leg nooit vuile kleren in de kast. Ik stel geen hoge eisen aan mijn levensomstandigheden. Als Ik een hond heb, is dat geen gedistingeerd ras; zolang hij gehoorzaam, vriendelijk en verstandig is, geen problemen veroorzaakt en niet voortdurend naar buiten wil om te wandelen of te spelen, is dat genoeg. Sommige mensen zeggen: “Houdt de geïncarneerde God alleen van exclusieve, luxe dingen?” Zulke dingen zijn me niet vreemd, maar Ik houd er echt niet van. Ik houd van praktische dingen – of het nu Mijn kleren zijn, de dingen die Ik gebruik, of Mijn leefruimte, zolang het praktisch is, is dat genoeg. Als er een kledingstuk of een paar schoenen is dat vele jaren gedragen kan worden en het is iets dat Ik nodig heb, zal Ik het beslist kopen. Als een artikel zeer exclusief, kostbaar en waardevol is, maar iets is dat Ik nauwelijks één keer in de tien jaar zou gebruiken, zou Ik het niet willen, zelfs niet als Ik het gratis kreeg. Ik houd niet van zulke dingen. Sommige mensen zeggen: “Gebruikt U de duurste, meest exclusieve, meest geavanceerde en snelste computer?” De computer die Ik gebruik is behoorlijk snel, maar het is niet de meest exclusieve. Zolang Ik hem kan gebruiken om het weerbericht na te gaan en berichten te lezen, en wat dagelijkse taken te doen, is dat genoeg. Welke apparaten Ik ook gebruik, Ik gebruik nooit de meest exclusieve; gewone, praktische apparaten zijn prima. Zelfs als Mijn gewone spullen versleten raken door gebruik, doe Ik Mijn best om ze helemaal schoon en onbeschadigd te houden, en ervoor te zorgen dat ze normaal kunnen worden gebruikt.

De geïncarneerde God is ook kieskeurig in de omgang met mensen. Hij houdt er niet van om met een groot aantal sociale contacten om te gaan, en heeft liever geen al te diepe banden met mensen. In de omgang met anderen heeft Hij echter ook enkele basisopvattingen over mensen en vereisten voor hen; op zijn minst moeten degenen met wie Hij omgaat anderen oprecht behandelen. Er is een bepaald type persoon dat alleen maar opschept en grootspraak uitslaat wanneer hij spreekt. Negen van de tien dingen die deze mensen zeggen klinken onwaar en onpraktisch, of uit hun woorden klinkt een vleugje minachting jegens en kleinering van anderen, en ze koesteren slechte bedoelingen. Elke keer dat je met zulke mensen spreekt en omgaat, zijn ze zo; je kunt nooit doorgronden hoe ze werkelijk zijn, en je kunt hun oprechtheid niet voelen. Zulke mensen zijn onbetrouwbaar en lichtzinnig; het zijn nietsnutten, en Ik ga niet graag met hen om. Er is een ander type persoon dat de hele tijd liegt en graag over koetjes en kalfjes praat en onzin uitkraamt; nooit zeggen deze mensen iets echts. Als je hen naar iets vraagt en een serieus antwoord probeert te krijgen, draaien ze eromheen en vertellen ze je de waarheid niet. Ik spreek altijd op een volkomen oprechte manier met hen en kleineer hen niet, laat staan dat Ik hen ooit kwaad zou doen, en toch vertellen ze Mij de waarheid niet; er valt met zulke mensen niet te praten. Het ene type zijn de nietsnutten die opscheppen, grootspraak uitslaan en lichtzinnig zijn – Ik ben niet bereid om met zulke mensen om te gaan. Het andere type zijn degenen die de hele tijd liegen en nooit iets echts zeggen; ook met dit soort mensen ga ik niet graag om – Ik walg van zulke mensen en verafschuw hen. Als Ik tijdens het doen van kerkwerk met zulke mensen moet omgaan, kan Ik het verdragen – dat is de dingen gewoon strikt zakelijk houden. Als er geen werk is dat moet worden afgehandeld, doe Ik Mijn best om bij zulke mensen uit de buurt te blijven en niet met hen om te gaan. Er is ook nog een ander type persoon: voordat je ook maar enige echte bemoeienis met hen hebt, beginnen deze mensen al te berekenen hoe ze je zouden kunnen gebruiken, hoe ze nuttige informatie uit je zouden kunnen halen, hoe ze geld aan je zouden kunnen verdienen, of hoe ze je zouden kunnen bedriegen om je medeleven, vertrouwen en achting te winnen. Ze bedenken alle mogelijke manieren om plannetjes tegen je te beramen. Ik ben niet bereid om met zulke mensen om te gaan; Ik vind hen walgelijk, en Ik blijf zo ver mogelijk bij hen vandaan. Er is ook nog een ander type persoon: met deze mensen hoef je alleen maar wat contact te hebben en ze proberen te zien hoe ze het in vergelijking met jou doen, en kijken hoe ze zich tot jou verhouden. Ze zijn zelfs jaloers op je. Als je bijvoorbeeld naar de kapper gaat, zeggen ze dat je kapsel er slecht uitziet, maar een paar dagen later nemen ze precies hetzelfde kapsel. Of ze zien jou mooie kleren dragen en vragen waar je ze hebt gekocht, terwijl ze recht in je gezicht zeggen dat de kleur te donker is, dat de stijl verouderd is, dat ze je niet goed staan, enzovoort, maar een paar dagen later kopen ze precies dezelfde kleren en lopen ze daarin voortdurend om je heen te pronken. Alles wat jij bezit en wat zij zien, moeten zij ook hebben. Als je wat kool koopt voor vijftig cent per pond, zeggen ze: “Wat duur!” Maar ze gaan meteen naar een andere winkel om kool te kopen voor een dollar per pond, en zeggen zelfs: “De groenten die ik heb gekocht zijn goedkoper dan die van jou.” Liegen ze niet dat ze barsten? Je bent niet erg vertrouwd met hen, en je hebt geen nauwe banden met hen, en toch proberen ze op deze manier met je te wedijveren en benijden ze je op deze manier. In elk opzicht kijken ze hoe ze zich tot jou verhouden; ze proberen zelfs alles wat jij zegt te overtreffen. Is dit niet alsof je een dolle hond tegenkomt? Wanneer Ik zulke mensen tegenkom, mijd Ik hen en negeer Ik hen; met dit type persoon dat geen normale menselijkheid heeft kun je onmogelijk een goede verstandhouding hebben. Er is ook nog een ander type persoon, dat jullie misschien ook zijn tegengekomen; dit type persoon is buitengewoon moeilijk om mee om te gaan. Deze mensen klagen bijvoorbeeld dat het heet is in de kamer. Als je zegt dat ze de deur moeten openzetten voor de ventilatie, zeggen ze: “Nee, er komen vliegen binnen als de deur openstaat.” Als je oppert dat ze een hordeur installeren, zeggen ze dat dat het in- en uitlopen lastig zal maken. Als je zegt dat ze de ventilator aan moeten zetten, zeggen ze dat ze bang zijn kou te vatten door de tocht en dat het stroom verspilt. Als je zo iemand tegenkomt, die elke suggestie die je doet afschiet wanneer hij klaagt dat de kamer heet is, weet je dat deze persoon een echt lastig geval is. Wat voor ellendeling is dat eigenlijk? Kan hij woorden aanvaarden die juist zijn? (Nee. Hij heeft geen normale menselijkheid.) Zou je dan nog met hem spreken? (Nee.) Wanneer Ik dit type persoon tegenkom, vorm Ik een indruk van hem in Mijn hart: ‘O, dus dit is het type persoon dat je bent. Je hebt geen normale menselijkheid, je aanvaardt geen woorden die juist zijn, je bent altijd aan het muggenziften en zoekt altijd naar fouten, en je stelt graag moeilijke problemen aan de orde om het anderen opzettelijk moeilijk te maken. Je deugt niet.’ Hoe moet dit type persoon worden gekenmerkt? In de volksmond worden zulke mensen ‘dwarsliggers’ genoemd; zulke mensen zijn niet voor rede vatbaar. Ze klagen dat de kamer heet is, maar welke oplossing je ook voorstelt, ze zeggen dat die verkeerd is of niet zal werken. Maar zodra je de kamer verlaat, zetten ze de deur en de ramen open en de ventilator aan, zonder zich zorgen te maken over vliegen die binnenkomen en zonder kou te vatten wegens de tocht. Zulke mensen zitten niet op dezelfde golflengte als Ik. Het is onmogelijk om met hen te communiceren, en Ik ga niet graag met hen om. Sommige mensen zeggen: “U houdt niet van dit type persoon, U houdt niet van dat type persoon – kunt U niet met iemand omgaan alleen maar omdat U hem niet mag?” Ik zeg niet dat Ik niet met hem kan omgaan alleen maar omdat Ik hem niet mag. Als Ik voor werk of in het dagelijks leven met hem moet omgaan, kan Ik het verdragen. Ik kan niet weigeren om met zulke mensen om te gaan alleen maar omdat Ik hen niet mag, en daardoor werk vertragen of bepaalde dingen beïnvloeden die gedaan moeten worden. Maar wanneer het niet niet nodig is, zal Ik absoluut niet met zulke mensen omgaan.

Er is nog een ander type persoon, namelijk mensen die alleen maar graag eten, drinken en plezier maken, en hun eigenlijke taken verwaarlozen. Dat valt nog te begrijpen als het komt doordat ze jong en onvolwassen zijn, doordat hun karakter nog niet is gevormd, doordat ze thuis in de watten zijn gelegd of doordat ze niet weten hoe ze zich met eigenlijke zaken moeten bezighouden of hoe ze zich op eigenlijke taken moeten concentreren – en ze niet proberen technische vaardigheden te leren of kennis en expertise te verwerven. Sommige mensen zijn echter al in de twintig, dertig of veertig en verwaarlozen nog steeds hun eigenlijke taken en lummelen de hele dag maar wat aan. Als ze niets te doen hebben, kletsen ze graag wat, praten ze wat bij, dwalen ze rond en modderen ze maar wat aan in het leven. Ze denken nooit na over eigenlijke zaken en concentreren zich nooit op eigenlijke taken, en ze proberen geen technische vaardigheden te leren of kennis en expertise te verwerven. Ze lezen Gods woorden niet, denken niet na over de dingen van het leven en overdenken niet de vraag welk pad mensen moeten bewandelen. Ze denken er nooit over na hoe ze moeten vermijden dat ze het verkeerde pad bewandelen nadat ze anderen dat pad hebben zien inslaan. Evenmin kijken ze naar degenen die intrede in Gods woorden en de waarheid hebben gehad en er iets uit hebben verkregen, zodat ze van deze mensen kunnen leren. Ze overdenken deze eigenlijke zaken nooit. Als ze vrij zijn, eten en drinken ze alleen maar en maken ze alleen maar plezier, lezen ze entertainmentnieuws en volgen ze de ontwikkelingen in verschillende sectoren. Ze zijn voortdurend blootgesteld aan allerlei nieuwsbronnen, tijdschriften en maatschappelijke trends, drijven en kabbelen gewoon maar mee op het leven, en nemen ze elke dag zoals die komt. Zelfs na zo’n tien jaar te hebben aangemodderd, hebben ze geen enkel besef en zijn ze nooit verontrust. Ongeacht wie hen snoeit of ontmaskert, ze trekken het zich niet aan, blijven verdoofd en traag van begrip, en weten niet dat ze de waarheid moeten zoeken. Zulke mensen modderen maar wat aan in het leven, profiteren alleen maar en wachten op de dood. Personen van dit type zijn ook vaak cynisch en hebben het idee dat alles oneerlijk is en dat, waar ze ook gaan, hun talent zich niet kan uiten. Toch slagen ze er wegens hun gebrek aan inzet niet in iets te leren, hebben ze nog nooit enige taak serieus genomen, hebben ze nog nooit één enkel woord dat juist is serieus genomen, en denken ze nooit na over wat ze in de toekomst zouden moeten doen. Ze drukken zich heel duidelijk uit en hebben ideeën, idealen en wensen, maar voeren die gewoon niet uit. De doctrines die ze spreken zijn vrij goed en verheven, en mensen vinden ze zinnig en redelijk, en zelfs best aangenaam om naar te luisteren, maar als het gaat om het doen van praktische dingen in het werkelijke leven, hebben ze totaal geen fut en ondernemen ze geen praktische actie. Ik mag zulke mensen niet. Het kan zijn dat jouw kaliber heel gemiddeld is, of dat je nogal traag van begrip bent, dat het je aan natuurlijke aanleg ontbreekt en dat je geen gaven of talenten hebt. Je bent echter bijzonder standvastig, je steekt veel moeite in dingen en doet ze ijverig, je bent bereid ontberingen te verdragen en je kunt een prijs betalen. Ongeacht wie jou een taak toevertrouwt, ben je bijzonder serieus en verantwoordelijk, en kun je er tot het einde toe verantwoordelijkheid voor nemen. Je houdt je ook strikt aan principes, zozeer dat je er soms zelfs de oorzaak van bent dat anderen worden beperkt; mensen hebben het gevoel dat je te serieus bent en je te strikt aan principes houdt, maar je bent in staat om daarin te volharden. Ik mag dit soort mensen. Het is van weinig belang dat jouw kaliber een beetje slecht is en je een beetje traag van begrip bent – je bent tenminste geen gladjes pratende, sluwe, bedrieglijke persoon, of iemand die maar wat aanmoddert in het leven. Hoewel jouw kaliber niet hoog is en het je aan natuurlijke aanleg ontbreekt, leer je graag dingen en leer je op een bijzonder serieuze, nuchtere manier, zonder plichtmatig te zijn. Wanneer anderen die proberen iets te leren het opgeven, blijf jij het proberen totdat je het hebt gevat. Ik mag dit soort mensen. Ze gedragen zich en doen dingen met vaste, afgemeten pas, mikken nooit te hoog en zijn bijzonder serieus. Ze gaan oprecht met mensen en dingen om. Zelfs wanneer ze een hond wassen, wassen ze hem grondig, tot hij helemaal schoon is; anders hebben ze het gevoel dat ze plichtmatig zijn – ze behandelen zelfs een hond rechtvaardig. Ik mag zulke mensen. Sommige mensen kunnen anderen bedriegen, en kunnen ook God bedriegen en plichtmatig tegenover Hem zijn; ze spreken heel mooi, maar doen geen praktische dingen. Ik ben niet bereid om aandacht te schenken aan zulke mensen of met hen om te gaan. Het kan zijn dat je welsprekend bent, en dat je weet hoe je moet vleien en mooi klinkende dingen moet zeggen, maar Ik ben niet bereid om naar zulke woorden te luisteren – Ik trap niet in zulke dingen.

Ik zeg deze woorden zodat jullie Mij kunnen begrijpen. Ik ben slechts een gewone mens die in normale menselijkheid leeft. Vergeleken met de God in de hemel, ben Ik zeer onbeduidend; Ik ben een heel gewone, heel alledaagse mens. Ik heb geen verheven imago en Ik heb geen buitengewone vaardigheden. Ik toren niet boven anderen uit, laat staan dat Ik Me wil onderscheiden van de massa. Ik ben gewoon een heel alledaagse mens, en ook een heel eenvoudige mens. Ik voel dat een gewone mens zoals Ik, die leeft in normale menselijkheid, ten volle in staat is om deze fase van Gods werk in de laatste dagen op Zich te nemen, en ook om alle waarheden uit te drukken die God van plan is in de laatste dagen uit te drukken, zodat jullie van Mij alle aspecten van de waarheid afkomstig van God kunnen verkrijgen die nodig zijn om redding te verkrijgen. Voor jullie is het geïncarneerde vlees van God genoeg om jullie in staat te stellen redding te verkrijgen; elk aspect of facet van dit vlees dat jullie kunnen zien en waarmee jullie in contact kunnen komen, is daarvoor in feite al genoeg. Daarom moet je, als normale mens, als je een geweten en rationaliteit bezit, de geïncarneerde God niet voortdurend vergelijken met de God in de hemel. Als je dat doet, is het ten eerste van geen enkel nut voor je, en ten tweede zal de God in de hemel het niet op prijs stellen. Als je de geïncarneerde God voortdurend vergelijkt met de God in de hemel, zal dat bovendien in grote mate van invloed zijn op jouw aanvaarding van de woorden die worden gesproken en het werk dat wordt gedaan door de geïncarneerde God, evenals op de voorziening in alle aspecten van de waarheid die je nodig hebt, afkomstig van Hem. Er is ook een nog belangrijker aspect, namelijk dat hoe onbeduidend, hoe normaal en hoe gewoon de geïncarneerde God ook is, Hij uiteindelijk Gods uitdrukking op aarde, Gods manifestatie op aarde en Gods vertegenwoordiger op aarde is. Ongeacht hoeveel van God Hij kan vertegenwoordigen en hoeveel van God Hij kan uiten, in Gods ogen vertegenwoordigt Hij op zijn minst God en is Hij een gedeeltelijke vertegenwoordiger van Gods identiteit, Gods essentie en Gods gezindheid. Daarom vertegenwoordigt Hij op zijn minst Gods identiteit, en vertegenwoordigt Hij ook het werk dat God van plan is op aarde te doen; Hij treedt namens God op, of men zou kunnen zeggen dat Hij namens God optreedt om het werk op aarde te doen. Hoezeer je ook opkijkt tegen de God in de hemel en hoezeer je de God in de hemel ook aanbidt, God stelt het niet op prijs dat je de geïncarneerde God vergelijkt met de God in de hemel, of dat je de geïncarneerde God scheidt van de God in de hemel. Nog minder stelt Hij het op prijs als je, wanneer je de geïncarneerde God vergelijkt met de God in de hemel, de God in de hemel hoogacht maar neerkijkt op de God op aarde, of als je vol bewondering en eerbied bent voor de God in de hemel maar vol vijandigheid en discriminatie jegens de God op aarde, en zelfs over Hem oordeelt, Hem veroordeelt Hem en aanvalt. Daarom moeten mensen, als het gaat om hoe ze de geïncarneerde God behandelen, Hem ten eerste correct behandelen en Zijn normale menselijkheid aanvaarden; ten tweede moeten ze de waarheid die Hij uitdrukt en de gezindheid die Hij uitdrukt in overeenstemming met Gods identiteit en status aanvaarden. Wanneer Hij normale menselijkheid onthult en Gods gezindheid uitdrukt of Gods essentie uit, is wat je ziet en wat je kunt bevatten precies dat. Uiteindelijk moet je je, met het perspectief en de houding van een schepsel, onderwerpen aan de woorden van God die Hij uitdrukt, of de gezindheid en essentie van God die Hij onthult, en deze aanvaarden. Hoewel je de geïncarneerde God niet met de God in de hemel moet vergelijken, moet je de geïncarneerde God en de God in de hemel ook niet verschillend behandelen. Aangezien de God in de hemel en de geïncarneerde God tenslotte in essentie één zijn – het is alleen zo dat er een verschil is in de vorm van Hun verschijning wanneer ze rechtstreeks met het blote oog worden bekeken – moet, ongeacht of je de geïncarneerde God vergelijkt met de God in de hemel, de manier waarop je de geïncarneerde God behandelt uiteindelijk neerkomen op het feit dat Hij Gods identiteit en Gods essentie heeft. Om het even wat voor soort normale menselijkheid of wat voor soort onthullingen en uitingen je met het blote oog aan de geïncarneerde God ziet, of hoe normaal, gewoon en praktisch Hij lijkt, je moet Hem aanvaarden, omarmen en je aan Hem onderwerpen vanuit het perspectief van een schepsel, in plaats van Hem te trotseren. Mensen vergelijken de geïncarneerde God altijd graag met de God in de hemel. Het ergste hiervan is dat mensen hun menselijke noties en verbeeldingen over God nog het meest gebruiken om over de geïncarneerde God te oordelen, Hem te veroordelen of Hem te verwerpen. Daarom is het vergelijken van de geïncarneerde God met de God in de hemel een pad dat voor jou naar de dood leidt. Wat betekent een pad dat naar de dood leidt? Dit verwijst naar wat Ik eerder heb gezegd – je moet wel een doodswens hebben! En wat is dat, een doodswens hebben? Het betekent niet dat Gods huis je zal verwijderen of verdrijven, maar dat het kwaad dat je hebt begaan zo ernstig is dat je zult worden gestraft en vernietigd; het is het lot tarten. Wanneer je zulk kwaad begaat, kunnen mensen je niets aandoen, maar God zal je veroordelen op basis van je slechte daden. Waarom zeg Ik dan dat dit betekent dat je een doodswens hebt? Er is een reden waarom Ik de zinsnede ‘je moet wel een doodswens hebben’ gebruik: deze benadering van jou vertegenwoordigt het pad dat je bewandelt. Wat voor pad bewandel je nu? Deze benadering van jou vertegenwoordigt dat je een pad bewandelt dat naar vernietiging leidt. Wat betekent dit pad dat naar vernietiging leidt? Het betekent dat God duidelijk getuigt dat deze geïncarneerde God op aarde Hem vertegenwoordigt en Zijn bedoelingen in de laatste dagen vertegenwoordigt, en dat deze geïncarneerde God Zijn uiting is en de brenger van Zijn werk in de laatste dagen, en toch aanvaard je deze woorden niet. Je weigert hardnekkig de identiteit en essentie van deze geïncarneerde God te erkennen, en je aanvaardt Zijn woorden en werk niet. Niet alleen aanvaard je ze niet, maar je verwerpt ze zelfs, en je bidt zelfs regelmatig tot de God in de hemel en richt je smeekbedes tot Hem, want je wenst de geïncarneerde God te omzeilen om goedkeuring van de God in de hemel te verkrijgen en zodoende redding te verkrijgen. Dat wil zeggen: je gelooft alleen in de God in de hemel, en wat betreft de geïncarneerde God – Degene aan wie Gods werk op aarde is toevertrouwd – Hem aanvaard je niet. In dat geval verwerp je het werk dat is gedaan en de woorden die zijn gesproken door de God in de hemel nadat Hij naar de aarde kwam; je verwerpt de persoon die God op aarde is geworden, en dus is het pad dat je bewandelt een pad van vernietiging. Hoezeer je de God in de hemel ook aanbidt en hoezeer je ook tegen Hem opkijkt, God aanvaardt of erkent het niet. Het pad dat je bewandelt is een pad van vernietiging; dit wordt het een doodswens hebben genoemd. Wat betekent het om een doodswens te hebben? Het betekent dat het kwaad dat je hebt begaan te groot is en ertoe kan leiden dat je wordt gestraft; dit is het lot tarten. Het pad dat je bewandelt en het beoefeningspad dat je neemt zijn verkeerd. Je stelt jezelf tegen God op, je stelt je vijandig op tegenover God. Denk niet: ‘Ik vertrouw op de God in de hemel. De geïncarneerde God is slechts een gewone mens. Ik aanvaard de woorden die Hij spreekt, maar wat de persoon Zelf betreft, ik aanvaard niet dat Hij Christus is, dat Hij God is. Hoe kan Hij Gods identiteit vertegenwoordigen? Ik erken gewoon niet dat Hij de God op aarde is. Er is geen andere God dan de God in de hemel.’ Als je deze woorden spreekt, zit je in de problemen. Je bewandelt een pad van vernietiging; dit is een doodswens hebben. Waren er mensen in de geschiedenis die ‘een doodswens hadden’? Waren er mensen die duidelijk een pad van vernietiging bewandelden? Was Paulus een van hen? (Ja.) Paulus was zo iemand, en dat gold ook voor die schriftgeleerden, farizeeën en hogepriesters. Ze geloofden alleen in de naam van Jehova, en geloofden alleen in de God in de hemel. Toen God vlees werd en naar de aarde kwam, zagen ze dat de Heer Jezus slechts een gewone mens was, en bovendien de zoon van een arme timmerman, en dus wilden ze Hem onder geen beding aanvaarden: “Ik zal je gewoon niet aanvaarden. Ik geloof alleen in de God in de hemel!” En wat zei de God in de hemel tegen hen? “Je moet wel een doodswens hebben!” Dezelfde zinsnede die Ik zojuist gebruikte. Wat was het resultaat? De feiten bewijzen dat ze een doodswens hadden, nietwaar? (Ja.) Willen jullie zo’n pad bewandelen? (Nee.) Bewandel dan niet zo’n pad. Als je eerder een soort pad als dit hebt bewandeld, haast je dan en keer terug, toon berouw en beken je zonden; het is nu nog niet te laat om terug te keren. Jullie moeten de zinsnede ‘je moet wel een doodswens hebben’ echter niet achteloos gebruiken. Telkens wanneer jullie die gebruiken, klinkt er onstuimigheid in door. Mensen in de onderwereld zeggen vaak: “Je moet wel een doodswens hebben!” Wat ze bedoelen is dat ze iemand willen vermoorden. Maar wanneer Ik dit zeg, is het anders dan wanneer zij het zeggen. Wanneer Ik dit zeg, klinkt er geen onstuimigheid in door, en Ik probeer geen stoere taal uit te slaan. Ik wil je er alleen maar aan herinneren: bewandel het pad van Paulus niet; dat zou betekenen dat je een doodswens hebt, en het is een pad van vernietiging. Als je dit pad bewandelt, zul je worden vernietigd, en zul je met dezelfde uitkomst eindigen als Paulus; dat zou verschrikkelijk zijn. Paulus heeft destijds niet veel waarheden gehoord. Dat hij een doodswens had, was zijn eigen schuld en werd ingegeven door zijn aard. Maar nu hebben jullie het verhaal over Paulus dat tot waarschuwing strekt, dus jullie moeten geen doodswens hebben – bewandel dat pad van vernietiging niet. De waarheid van de incarnatie is nu zo duidelijk uitgelegd, en de verschillende waarheden over het verkrijgen van redding zijn ook zo duidelijk uitgelegd. Als je je nog steeds opzettelijk verzet en hardnekkig weigert de geïncarneerde God te aanvaarden, heb je dan geen doodswens? Dit bewijst dat je iemand van het slag van Paulus bent. Jullie mogen dit pad absoluut niet bewandelen!

Is het jullie duidelijk, nu ik zoveel heb gecommuniceerd, hoe jullie de geïncarneerde God moeten behandelen, en hoe jullie correct moeten omgaan met de relatie tussen de geïncarneerde God en de God in de hemel? (Ja.) Wat zijn dan de principes in dit opzicht? Hoeveel principes zijn er? Geef eens een samenvatting. (Door Gods communicatie van vandaag is het eerste principe dat ik ben gaan begrijpen dat de normale menselijkheid van de geïncarneerde God aanvaard moet worden, en dat de normale menselijkheid van het vlees dat God draagt correct benaderd moet worden. Daaronder valt het correct benaderen van Zijn eerste levensbehoeften en keuzes binnen Zijn normale menselijkheid. Een ander principe is dat de God op aarde Gods essentie heeft, dus zolang Hij de waarheid kan uitdrukken en mensen kan redden, moeten we Hem aanvaarden en ons aan Hem onderwerpen. Dit is essentieel.) Laat Mij nog een paar dingen benadrukken. In theorie heeft de normale menselijkheid van de geïncarneerde God geen betrekking op de waarheid, en evenmin op het werk dat God van plan is te doen. Strikt genomen verwijst normale menselijkheid naar de dingen die binnen het bereik van het leven van de geïncarneerde God vallen. Wat deze persoon betreft – wat Hij leuk vindt, Zijn persoonlijkheid, het scala aan emoties dat Hij ervaart, evenals Zijn diverse meningen, gezichtspunten, inzichten, keuzes en andere dingen met betrekking tot het leven en de maatschappij: zijn deze uitingen van Hem, beoordeeld vanuit het perspectief van de menselijkheid, in overeenstemming met het geweten en de rationaliteit van normale menselijkheid? (Ja.) Degenen die ‘ja’ zeggen, moeten dat verantwoorden. Je moet duidelijk uitleggen: waar komt deze ‘ja’ van jou vandaan? Is het doctrine, is het napraterij, of heb je hier echt ervaring mee en kennis van? (God, mijn gezichtspunt is dat, of God ons nu leidt bij het uitleven van normale menselijkheid of ons sommige mensen, gebeurtenissen en dingen die we tegenkomen laat onderscheiden, dit alles ons laat weten hoe we normale menselijkheid moeten uitleven en hoe we eerlijke mensen moeten zijn; het leidt ons allemaal op het juiste pad. Daarom is Gods begeleiding van mensen in alle aspecten gunstig voor hen.) Ik zou voorzichtig zijn met zeggen dat het allemaal gunstig is voor mensen, maar op zijn minst geloof Ik Zelf dat het woord ‘normale’ in ‘normale menselijkheid’ het uitleggen waard is. Hoe moet ‘normale’ dan worden uitgelegd? In één opzicht betekent het dat het perspectief en het standpunt van waaruit de geïncarneerde God mensen, gebeurtenissen en dingen bekijkt, correct zijn. Ik heb in Mijn communicaties al gesproken over hoe Ik met allerlei soorten mensen en allerlei soorten dingen omga. Je kunt stellen dat Mijn diverse opvattingen over de wereld, over de mensheid en over diverse boosaardige trends en ideologische trends van Mij als persoon zijn, maar je kunt ook stellen dat ze van God komen. Het is niet mogelijk om hier in detail op deze dingen in te gaan – denken jullie er zelf maar rustig over na. Het standpunt en perspectief van waaruit de geïncarneerde God mensen, gebeurtenissen en dingen bekijkt, zijn normaal – dit is één opzicht. In een ander opzicht zijn de gezichtspunten en gedachten die Hij ontwikkelt vanuit Zijn begrip van diverse dingen normaal; ze zijn niet verwrongen of extreem. Ik zal Mij er niet aan wagen te zeggen hoeveel baat jullie zouden kunnen hebben van de onthullingen van Mijn normale menselijkheid terwijl Ik leef en met jullie omga, of dat ze jullie dezelfde voordelen kunnen geven als de waarheid, maar op zijn minst zal Ik jullie geen kwaad doen. Er is ook een zeer fundamenteel punt, namelijk dat Ik vanuit Mijn persoonlijke gedachten en wensen nooit iemand kwaad wil doen. Als Ik zie dat dingen die je zegt fout zijn of dat je een aantal foutieve manieren van leven, levensgewoonten of levenshoudingen hebt – zoals een vertekend begrip van het eten van een bepaald soort voedsel – zal Ik met je praten en je gedachten en gezichtspunten corrigeren. In één opzicht help Ik je vanuit het begrip van normale menselijkheid om enkele foutieve levensgewoonten te corrigeren, zodat je correcte gedachten en gezichtspunten hebt en deze kwestie rationeel kunt benaderen. In een ander, dieper opzicht doe Ik dit om je in staat te stellen enkele waarheden te begrijpen en binnen te gaan. Dit is ook een uiting van de normale menselijkheid van de geïncarneerde God. De diverse behoeften in het leven van God in normale menselijkheid, en hoe Hij met allerlei soorten mensen omgaat, zijn bovendien ook normaal. Waar verwijst dit ‘normaal’ naar? Hebben jullie ooit gehoord dat Ik iemand intimideer, kwaad doe, onderdruk of bedrieg? (Nee.) Zulke dingen heb ik werkelijk nog nooit gedaan. Zou het met Mijn identiteit en status voor Mij niet doodeenvoudig zijn om een paar wrede woorden te zeggen of iemand te onderdrukken? Ik zou in Mijn recht staan om dat te doen, maar Ik heb werkelijk nog nooit iemand geïntimideerd, met iemand ruzie gemaakt, met iemand gerivaliseerd of achter iemands rug om ophef over hem gemaakt – Ik heb nog nooit een van deze uitingen gehad. Wanneer Ik onder de mensen ben, ga Ik normaal met hen om; Ik kom wat dichter bij degenen met een goede menselijkheid en blijf uit de buurt van degenen met een slechte menselijkheid. Ik help wanneer Ik kan, en laat de dingen op hun beloop wanneer Ik niet kan helpen. Wat betreft deze uitingen van normale menselijkheid – of het nu Mijn scala aan emoties of levensgewoonten is, of Mijn manieren en principes van omgaan met mensen zijn – zien jullie enig abnormaal aspect aan wat jullie persoonlijk kunnen zien, bevatten en leren en waarmee jullie persoonlijk in contact kunnen komen? (Er is niets abnormaals aan; het is allemaal heel praktisch.) ‘Het is allemaal heel praktisch’ – sommige mensen begrijpen dit misschien niet helemaal, dus laat Mij je corrigeren: deze uitingen van de normale menselijkheid van de geïncarneerde God hebben allemaal principes; er is niets hols of pretentieus aan. Ik Zelf geloof dat Ik nooit uit de hoogte doe, en Ik heb er een bijzondere hekel aan om bevelen uit te delen; in plaats daarvan doe Ik graag echt werk. Ik onderwijs alles wat Ik weet en begrijp, en houd niets achter. Zie je, wanneer Ik jullie instrueer over een bepaalde taak waarbij professionele vaardigheden komen kijken, deel ik alles wat Ik weet. Heb Ik ooit iets achtergehouden? (Nee, dat heeft U niet.) Ik houd geen dingen verborgen of weggestopt; Ik doe Mijn best om je te begeleiden en te onderwijzen. Je leert heel serieus, spant je erg in en kunt veel ontberingen verdragen, en uiteindelijk beheers je wat Ik heb onderwezen, kun je onafhankelijk handelen en heb je Mijn begeleiding niet langer nodig. Dit maakt Mij heel gelukkig, en Ik ben niet jaloers. Ik moedig je zelfs aan om dingen onafhankelijk te doen, en Ik ben bereid om jou prestaties te laten leveren. Wanneer je prestaties levert en iedereen je bewondert, feliciteer Ik je zelfs. Wanneer je dingen van Mij leert en prestaties levert, en iedereen een hoge dunk van je heeft, bewijst dit dat je vaardig bent, en ben Ik werkelijk niet jaloers; Ik probeer je niet de wind uit de zeilen te nemen, of met jouw eer te strijken. Ik zal niet zeggen: “Waarom vertel je niet aan iedereen dat je dit van Mij hebt geleerd? Waarom ben je Mij niet dankbaar?” Ik zeg: “Ik heb alleen maar over de principes gecommuniceerd en niet zoveel onderwezen; jij bent degene die het goed heeft begrepen.” Er zijn veel praktische dingen binnen de normale menselijkheid van de geïncarneerde God, en binnen dit praktische zijn er veel concrete dingen. Door Mijzelf zo te introduceren, zullen degenen onder jullie die met Mij zijn omgegaan het misschien langzaamaan gaan begrijpen. Ik ben heel eenvoudig in Mijn omgang met mensen; Ik ben direct, Ik haal geen streken uit, Ik smeed geen complotten tegen mensen en Ik gebruik mensen niet, laat staan dat Ik Mijn status laat gelden over anderen terwijl Ik werk, of de voordelen van Mijn status gebruik om daar zelf beter van te worden. Als je probeert bij Mij in de gunst te komen en Mij te vleien, voel Ik Mij behoorlijk ongemakkelijk en onbehaaglijk, en moet Ik bij je uit de buurt blijven. Als je normaal met Mij omgaat, zonder te proberen bij Mij in de gunst te komen of Mij te vleien, voel Ik Mij erg op Mijn gemak en ga Ik graag met je om.

Nu ik al zo lang leef, ben ik in de loop van Mijn jaren van omgang met mensen in Mijn normale menselijkheid in contact gekomen met heel wat mensen van allerlei slag. Ik heb ze allemaal gezien – erg complexe mensen en erg dwaze mensen; erg arrogante en irrationele mensen en erg boosaardige mensen. Later ontdekte Ik stukje bij beetje dat mensen werkelijk van elkaar verschillen. Ik ben eenvoudig in Mijn omgang met mensen; Ik spreek heel eenvoudig en direct, en Ik kan Mij ook openstellen. Maar bij het ontmoeten van mensen van allerlei slag, zag Ik dat de menselijkheid vanbinnen veel te complex is. Maar hoe complex de mensen tegenover Mij ook zijn, wanneer Ik in Mijn normale menselijkheid iets uitdruk of een bepaalde kwestie oplos, veranderen Mijn standpunt, principes, methoden en persoonlijke voorkeuren nooit. Met wat voor soort mensen Ik ook te maken heb, uiteindelijk is de manier waarop Ik mensen behandel gebaseerd op de principes die al in Mij zijn. Als je iemand bent die de waarheid nastreeft en menselijkheid heeft, kunnen we meer met elkaar omgaan, meer met elkaar in contact komen en meer communiceren, waarbij we van hart tot hart spreken. Als je niet iemand bent die de waarheid nastreeft, als je je plicht niet vervult en als je menselijkheid erg boosaardig is, zal Ik Mijn best doen om minder contact en omgang met je te hebben; Ik doe net genoeg om de dingen beleefd te houden. Als je de waarheid kunt zoeken en oprecht kunt zoeken wanneer je problemen hebt, kan Ik met je communiceren, maar of je het kunt aanvaarden is je eigen zaak. Wat betreft degenen die kwaadwillige bedoelingen of kwade wil koesteren, heb Ik ook geschikte methoden en principes om hen aan te pakken en te behandelen. Aan de buitenkant verandert de manier waarop Ik hen behandel niet; Ik communiceer nog steeds die woorden en doe nog steeds deze dingen, en het is nog steeds de onthulling van Mijn normale menselijkheid – maar dit betekent niet dat Ik niet kan zien wat voor soort persoon ze zijn. Vanaf de buitenkant zie je dat Ik altijd zo ben, eenvoudig wat betreft hoe Ik mensen behandel, en iedereen rationeel behandel in normale menselijkheid. Dit is wat je uiterlijk ziet, maar weet je wat Ik in Mijn hart van hen denk? Ik heb principes en opvattingen met betrekking tot dit soort personen. Wat zijn deze principes en opvattingen? Als Ik hen meet vanuit het perspectief van het geweten en het verstand van Mijn normale menselijkheid, is hun probleem niet groot; maar als Ik het pad dat ze bewandelen en hun toekomstige uitkomst bekijk vanuit het perspectief van Mijn goddelijkheid, is hun probleem zeer ernstig. Daarom worden bij Mij soms Mijn normale menselijkheid en Mijn goddelijkheid met elkaar verzoend. Terwijl Ik ze met elkaar verzoen, kan het zijn dat Ik coulant voor je ben, je een kans geef, je observeer en wacht tot je op je schreden terugkeert, en het kan ook zijn dat de God in de hemel je een kans geeft. Bij Mij is het een proces van verzoening tussen Mijn normale menselijkheid en Mijn goddelijkheid. Ik ben niet bereid om met je in contact te komen, maar omdat je misschien de bestuurlijke decreten of de principes van Gods huis niet hebt geschonden, ben je nog steeds in Gods huis. Wat Mij betreft, vanuit het perspectief van Mijn menselijkheid kan Ik geduldig met je zijn en geen punt maken van wat je hebt gedaan, maar vanuit het perspectief van Mijn goddelijkheid heb Ik je al veroordeeld. Terwijl Ik mensen veroordeel, en hen tegelijkertijd spaar en verontschuldig, en de dingen op hun beloop laat, worden sommigen door God onthuld, en begaan anderen groot kwaad, veroorzaken ze ernstige gevolgen en worden ze verdreven. Terwijl Ik wacht, vervullen sommige mensen nog steeds hun plichten in Gods huis. In de loop van het vervullen van hun plichten keren ze de zaken geleidelijk ten goede, veranderen ze geleidelijk en streven ze geleidelijk naar de waarheid; ze keren in hun hart op hun schreden terug. Vanuit het perspectief van Mijn normale menselijkheid kan Ik – wanneer dat gepast is – omgaan en praten met degenen die op hun schreden terugkeren, en hun wat communicatie en hulp bieden. Tijdens dit proces veranderen sommige mensen echter nog steeds helemaal niet. Ze hebben nog steeds dezelfde uitingen als voorheen, streven de waarheid niet na en bewandelen nog steeds hun oorspronkelijke pad. Vanuit Mijn perspectief behandel Ik je dan, ongeacht wat je Mij hebt aangedaan of hoe je Mij ziet, louter als iemand die in God gelooft. In het oordeel van Mijn normale menselijkheid zal het echter, aangezien je zelfs nu nog niet bent veranderd, in de toekomst erg moeilijk voor je zijn om te veranderen. In feite is in Mijn goddelijkheid al vastgesteld dat zo iemand tot het soort behoort dat zal vergaan en een voorwerp van vernietiging is, en is het fundamenteel onmogelijk voor hem om te veranderen. Maar dit is bekeken vanuit het perspectief van Mijn goddelijkheid. Menselijkheid heeft tenslotte haar beperkingen – soms zal de geïncarneerde God, gegeven de beperkingen van Zijn geweten of rationaliteit, enkele menselijke goede bedoelingen hebben en het beste voor mensen hopen; Hij zal hopen dat sommige mensen in een bepaalde periode, of in een bepaalde toekomstige kwestie, of tijdens een grote gebeurtenis een ommekeer zullen maken – misschien zullen ze in staat zijn te veranderen. In dergelijke omstandigheden geeft Hij sommige mensen kansen wat betreft hoe Hij hen behandelt.

In één opzicht werkt deze normale menselijkheid van de geïncarneerde God mee aan een deel van het werk van Zijn goddelijkheid of drukt ze enkele meningen en gezichtspunten uit. In een ander opzicht biedt ze ook hulp, of verifieert ze voortdurend enkele van de essenties, aarden of paden van mensen, die gezien worden door Gods goddelijkheid. Daarom is deze normale menselijkheid van de geïncarneerde God er niet alleen om de bediening van Christus en de Mensenzoon op Zich te nemen. Voor mensen is het belangrijker dat het hen in staat stelt een beter begrip van de God in de hemel te verkrijgen. Dat wil zeggen: het geeft mensen meer kansen om de God in de hemel beter te begrijpen en meer van Zijn essentie van de geïncarneerde God te zien. In weer een ander opzicht dient het om de relatie tussen de verdorven mensheid en de God in de hemel beter te verzoenen. Misschien begrijpen jullie het woord ‘verzoenen’ niet helemaal. Als jullie het niet begrijpen, is daar niets aan te doen; er is geen geschikter woord. Ik zal een voorbeeld geven. Wanneer je noties ontwikkelt over een bepaald aspect van Gods bedoelingen of Gods vereisten, kun je deze bedoelingen of vereisten niet aanvaarden. Je begint gedachten te krijgen en je ontwikkelt opstandigheid, en dan ben je niet in staat je te onderwerpen. Op dat moment begrijpt de geïncarneerde God je moeilijkheden en zwakheden en neemt Hij ze in acht. Hij spreekt enkele woorden, doet wat werk en geeft enkele voorbeelden. Door communicatie helpt Hij je in te zien wat Gods bedoelingen zijn, waar de fouten in je houding ten opzichte van God liggen, en hoe je deze opstandige gesteldheid moet omkeren om onderwerping aan God te bereiken. Door de vermenselijkte communicatie of vermenselijkte hulp en steun van de geïncarneerde God, worden je noties en misverstanden over God weggenomen. Daarna ondergaat je houding ten opzichte van God een zekere verschuiving; ze verandert van opstandigheid en trotsering naar bereidheid om je te onderwerpen. Dan leer je jezelf kennen, haat je jezelf, en begrijp je dat het gepast is dat God op deze manier handelt, en dat God nauwgezette bedoelingen heeft. Door dergelijke communicatie, verzoening, steun en hulp van de geïncarneerde God, stelt Hij je in staat Gods bedoelingen te begrijpen door te introduceren wat de gezindheid, essentie en bedoelingen van de God in de hemel zijn, en stelt Hij je ook in staat te weten waar je fout zit en hoe je berouw moet hebben. Zodra over deze twee aspecten duidelijk is gecommuniceerd, en je uiteindelijk het punt bereikt waarop je niet langer in opstand komt tegen God of Hem trotseert, en je bereid bent om je te onderwerpen, zal de houding van de God in de hemel ten opzichte van jou enigszins veranderen. Hij zal je niet langer veroordelen en je niet langer haten; Zijn woede jegens jou zal worden weggenomen. Zodra Gods woede is weggenomen, voel je vrede, troost en vreugde in je hart; wanneer je opnieuw voor God komt om te bidden, voel je dat je Hem dingen te zeggen hebt, voel je Gods aanwezigheid, en is je hart kalm en vredig. Terugdenkend besef je dat je voorheen te opstandig was jegens God, en dat je eigen wil te sterk was, waardoor God je haatte. Je voelt dan wroeging, en wanneer je in de toekomst weer zulke dingen tegenkomt, zul je nooit meer in opstand komen tegen God. Door de communicatie en steun van de geïncarneerde God wordt je houding ten opzichte van God volledig omgedraaid, maakt je relatie met God een volledige ommekeer en verbetert deze, zodat je relatie met God zich niet langer in haar vorige gesteldheid bevindt, maar zich in een positieve richting ontwikkelt. Zie je, als de geïncarneerde God deze woorden niet had gesproken of dit werk niet had gedaan, zou je, gezien je eigen wil en je aard, misschien voor altijd in een gesteldheid van trotsering van God leven. Dan zou je relatie met God in een impasse blijven, en zou deze in zo’n vicieuze cirkel blijven. Zou de God in de hemel Zijn houding ten opzichte van jou veranderen omdat jij op die manier in een impasse met God blijft? Dat zou onmogelijk zijn. Als je op die manier in een impasse met God blijft, zal God overgaan van afkerig van je zijn en je haten, naar je verwerpen. Wanneer het eenmaal zo ver komt dat Hij je verwerpt, heb je dan nog een kans om redding te verkrijgen? (Nee.) Je zult geen kans hebben, en God zal je loslaten. Wanneer Hij je eenmaal loslaat, eindigt je leven als gelovige precies daar. Ik zal je niet langer willen redden, en het zal niet nodig zijn dat Ik met je in contact kom. Je zult volledig worden verwijderd uit de gelederen van degenen die Ik red. Ik zal je niet meer willen zien, omdat je gedurende de tijd dat Ik wachtte, nooit op je schreden bent teruggekeerd. Je geweten en verstand functioneerden niet, en niemand kon je op je schreden doen terugkeren. Ik heb je zo lang kansen gegeven, en toch ben je niet op je schreden teruggekeerd. Daarom, als er in dergelijke situaties niemand naar voren zou komen om de relatie tussen God en de mens te verzoenen, zou jouw relatie met God worden verscheurd. Het eindresultaat zou zijn dat God je zou verwerpen, dat je voor altijd gescheiden zou zijn van het licht van Gods aangezicht, en dat je in Gods ogen niet langer een schepsel zou zijn; je zou dan volledig ten onder gaan. De aanwezigheid van de geïncarneerde God geeft je echter een kans om je relatie met God te verzoenen. Als de geïncarneerde God niet zou verschijnen en werken, zou dat, wanneer de relatie tussen mensen en de God in de hemel in een impasse raakte, er gemakkelijk toe leiden dat God de mensheid verwerpt. Het zou voor mensen onmogelijk zijn om een kans of een soort boodschap van een derde partij of de buitenwereld te krijgen om hun relatie met God te verbeteren. Alleen de geïncarneerde God kan deze rol spelen en dit werk doen; Hij wordt een verzoener tussen de God in de hemel en de mensheid. Met een dergelijke verzoening krijgt de hele mensheid ongemerkt veel meer kansen tijdens de periode van Gods incarnatie. Deze kansen zijn noodzakelijk voor mensen om redding te verkrijgen, en niemand kan zonder. Of je nu momenteel de waarheid nastreeft of de waarheid in de toekomst zult nastreven, zolang je redding wilt verkrijgen, zijn deze kansen de belangrijkste zaken voor je. Daarom is deze rol van de geïncarneerde God zo belangrijk voor je! De normale menselijkheid van de geïncarneerde God is een onmisbaar onderdeel van de geïncarneerde God. Alleen de normale menselijkheid van de geïncarneerde God kan zo’n kans zien, zo’n kans grijpen, weten dat de mensheid zo’n kans nodig heeft, en zo’n kans voor de mensheid veiligstellen, en daardoor het probleem van de vastgelopen relatie tussen mensen en God oplossen. Maar als de geïncarneerde God geen normale menselijkheid had en alleen goddelijkheid had, zou de relatie tussen mens en God de relatie tussen de mensheid en de God in de hemel blijven. In dat geval zou men kunnen stellen dat het voor mensen erg moeilijk zou zijn om een kans op redding te krijgen en hun relatie met God te verbeteren. Omdat de geïncarneerde God normale menselijkheid heeft, en omdat deze normale menselijkheid het geweten en het verstand van de menselijkheid bezit, kan Hij – binnen het bereik van het geweten en het verstand van de normale menselijkheid – zien wat de zwaartepunten, redenen en grondoorzaken zijn voor de diverse conflicten die tussen mensen en God ontstaan. Wat betreft de vraag hoe deze conflicten en fundamentele problemen moeten worden opgelost zodat er niet langer conflicten zijn tussen mensen en God, en zodat hun relatie niet langer in een impasse verkeert, alleen de Mensenzoon die leeft binnen het bereik van het geweten en de rationaliteit van de normale menselijkheid – de geïncarneerde God – kan dit zien, kan dit probleem daadwerkelijk oplossen en kan dit werk doen. Op deze manier kunnen mensen in de loop van het in opstand komen tegen God en in de loop van het verkrijgen van redding, voortdurend hun opstandigheid jegens God, hun trotsering van God en hun verzet tegen God oplossen, nietwaar? (Ja.) Naarmate je deze problemen van opstandigheid, verzet en trotsering van God oplost, vergeeft God je voortdurend, aanvaardt Hij je en verleent Hij je erkenning. Je gaat van opstandigheid, verzet en trotsering naar het voortdurend belijden van je zonden en het tonen van berouw, en vervolgens naar de bereidheid om de waarheid te aanvaarden, oprechte onderwerping te bereiken en niet langer in opstand te komen tegen God. In dit proces word je door God vergeven, en dan verkrijg je de waarheid, kom je geleidelijk voor God, verbeter je geleidelijk je relatie met God en word je geleidelijk door God aanvaard. Zie je, wie is hier de uiteindelijke begunstigde? (De mensen.) Mensen profiteren er zo veel van! Dit proces stelt je in staat de hoop op leven en de hoop op voortbestaan te zien. Maar voordat de geïncarneerde God Zijn werk deed, hadden mensen veel noties en verbeeldingen over God, evenals allerlei soorten opstandigheid; er waren veel problemen in de relatie tussen mens en God. Tijdens de periode waarin de geïncarneerde God heeft gewerkt en zoveel waarheden heeft uitgedrukt, zijn deze problemen van de mensheid geleidelijk opgelost. De gezichtspunten, houdingen, standpunten en perspectieven van mensen ten opzichte van God zijn geleidelijk verbeterd, en naarmate ze geleidelijk zijn verbeterd, zijn de houdingen van mensen ten opzichte van God ook veranderd. Alleen wanneer mensen veranderen, zal God hen geleidelijk erkenning verlenen, hen geleidelijk aanvaarden en waarderen, en geleidelijk Zijn haat tegen mensen en Zijn afkeer, verwerping en vervloekingen van mensen loslaten. Als God niet was geïncarneerd, zou je deze winst dan hebben kunnen behalen, ongeacht hoeveel energie je had besteed en ongeacht welke prijs je had betaald in je geloof in God gedurende deze jaren? (Nee.) Zonder de geïncarneerde God zou de relatie tussen mensen en God nooit worden verbeterd. Het belangrijkste punt over de geïncarneerde God is dat Hij normale menselijkheid heeft en binnen normale menselijkheid leeft. Alleen door binnen normale menselijkheid te leven, het geweten en de rationaliteit van normale menselijkheid te bezitten, en in staat te zijn correct te denken, te oordelen en beslissingen te nemen, evenals allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen te begrijpen en te kennen, kan Hij op een normale manier stukje bij beetje de diverse waarheden bieden die mensen nodig hebben, zodat mensen geleidelijk door God kunnen worden aanvaard en erkend. Alleen zo kunnen mensen uit hun diverse verdorven gezindheden tevoorschijn komen, niet langer in opstand komen tegen God, en niet langer als slaven van Satan leven om God te trotseren, maar in plaats daarvan, in het proces waarin God de waarheid uitdrukt – dat wil zeggen, het proces waarin God Zijn werk doet – geleidelijk ware onderwerping aan God en ware vrees voor God krijgen. Hoe je het dus ook bekijkt, de betekenis van de geïncarneerde God voor de mensheid is simpelweg te groot!

De belangrijkste vertegenwoordiging van de geïncarneerde God is de normale menselijkheid van de geïncarneerde God, en deze normale menselijkheid is onmisbaar. Als je dus veel noties hebt over de normale menselijkheid van de geïncarneerde God die je nooit kunt loslaten, en als je de geïncarneerde God vaak vergelijkt met de God in de hemel, dan zeg Ik dat je totaal verstoken bent van menselijkheid. Je hebt zoveel verkregen van deze normale menselijkheid van God, en toch weet je niet eens hoe je deze diverse aspecten van de waarheid hebt verkregen. Ben je niet blind? Je bent verstoken van een geweten, of niet soms? (Ja.) Je bent verstoken van een geweten en weet niet hoe de dingen werken. Sommige mensen zeggen: “Als God niet was geïncarneerd om te spreken en te werken, zouden we allang redding hebben verkregen, en zouden we allang voor God zijn opgenomen.” Zijn dit geen foutieve en absurde dingen om te zeggen? Is het niet veel te absurd om zulke dingen te zeggen? (Ja.) Zouden jullie zonder de woorden en het werk van de geïncarneerde God gedurende deze jaren vandaag de dag nog in leven zijn? Als je dus na het volgen van de geïncarneerde God gedurende zoveel jaren, en na Hem zoveel jaren de waarheid te hebben horen communiceren, diep hebt gevoeld en tot je hebt laten doordringen: ‘Het werk dat door de geïncarneerde God is gedaan, is van zo’n groot voordeel voor mij! Ik heb er werkelijk enorme baat van gehad!’ – als je dit werkelijk tot je kunt laten doordringen, wat toont dit dan aan? Het toont aan dat je een geweten hebt, en dat je begrip correct is. Mensen zonder geweten en verstand kunnen dit zelfs nu nog niet tot zich laten doordringen, wat gevaarlijk is. Als ze het nu nog niet tot zich hebben laten doordringen, zullen ze het dan over nog eens twintig jaar tot zich kunnen laten doordringen? Zeker niet. Het is duidelijk dat zulke mensen verstoken zijn van een geweten. Niet alleen kunnen ze niet tot zich laten doordringen dat de woorden en het werk van de geïncarneerde God allemaal redding voor mensen zijn, maar ze zullen ook zeggen: “Wat heb ik verkregen door zoveel jaren in God te geloven?” God heeft zoveel waarheden uitgedrukt – heb je ze niet verkregen? Voel je niet dat de waarheid het kostbaarste is? Als je niet voelt dat de waarheid het kostbaarste is, ben je geen ware gelovige; dan ben je gewoon een profiteur. Als je niet hebt gevoeld dat je de waarheid hebt verkregen, heb je geen geweten. Is iemand zonder geweten een mens? (Nee.) Een persoon zonder geweten is geen mens. Zie je, hoeveel jaar een dier ook leeft, het zal nooit weten dat de Schepper bestaat; en hoeveel tienduizenden of honderden miljoenen jaren een duivel ook leeft, hij zal nooit Gods bestaan erkennen. Zullen dieren worden veroordeeld omdat ze niet weten dat God bestaat? (Nee.) Honden leven ongeveer tien jaar, paarden leven twintig of dertig jaar en olifanten kunnen zelfs meer dan honderd jaar leven. Ze weten niet van het bestaan van de Schepper, en toch wordt geen van hen hiervoor veroordeeld, omdat hun classificatie die van dieren is. God stelt geen eisen aan hen, en Hij redt hen ook niet. Mensen zijn anders. God heeft verwachtingen van mensen en heeft Zijn hoop op hen gevestigd. Na het werk van de geïncarneerde God zoveel jaren te hebben ervaren, zou je dit moeten kunnen begrijpen, toch? Hoe moeten mensen de geïncarneerde God dan behandelen? Het grijpt allemaal terug op wat Ik eerder heb gezegd: hoe weinig de geïncarneerde God ook lijkt te voldoen aan je noties en verbeeldingen of aan wat jij wilt – misschien is Hij niet zo lang als jij, is Hij niet zo knap als jij, heeft Hij niet zoveel kennis en opleiding als jij en heeft Hij niet zo’n hoge sociale status als jij – als je kunt begrijpen dat de waarheden die Hij gedurende deze jaren heeft gecommuniceerd je in staat hebben gesteld een grote oogst binnen te halen en de waarheid te verkrijgen, dan moet je het feit aanvaarden dat Hij God is en dat Hij Gods identiteit heeft. Als je werkelijk rationaliteit hebt, moet je de geïncarneerde God niet altijd vergelijken met de God in de hemel. Heeft het enige zin om Hen op die manier te vergelijken? Door Hen altijd zo te vergelijken, breng je jezelf alleen maar in een lastige positie; bovendien zal God je verafschuwen, en uiteindelijk zul je niets verkrijgen. Hen altijd zo vergelijken zal van invloed zijn op je verkrijgen van de waarheid en je verkrijgen van redding. Simpelweg omdat de waarheden die door de geïncarneerde God worden uitgedrukt je in staat kunnen stellen redding te verkrijgen, moet je de geïncarneerde God daarom niet langer vergelijken met de God in de hemel, en moet je de geïncarneerde God aanvaarden; het is nog steeds niet te laat om Hem nu te aanvaarden. Sommige mensen zeggen: “Wat betekent aanvaarding dan? Ik heb toch de hele tijd naar Uw preken geluisterd? Is dat geen aanvaarding?” Naar preken luisteren staat niet gelijk aan aanvaarding. Wat is aanvaarding dan precies? Denk hier zelf over na: wat zijn de uitingen van het niet hebben aanvaard van God, en wat zijn de uitingen van het wel hebben aanvaard van God? Denk erover na en communiceer er onderling over. Laten we onze communicatie hier voor vandaag beëindigen. Tot ziens!

27 juli 2024

Vorige: Hoe de waarheid na te streven (22)

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Wat weet jij over het geloof?

In de mens bestaat alleen het onzekere woord van geloof, maar de mens weet niet waar geloof uit bestaat, laat staan waarom hij geloof...

Wat is jouw begrip van God?

Mensen geloven al heel lang in God, toch weten de meesten niet wat het woord ‘God’ betekent, en volgen ze slechts in verbijstering. Ze...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek