16. Hoe ik mijn sluwheid en bedrog aanpakte
Ik heb mezelf altijd als een eerlijk mens beschouwd. Ik dacht dat ik in woord en daad betrouwbaar was. De mensen die me kenden, zeiden dat ook altijd over mij. Ik vond dat ik een eerlijke, betrouwbare man was. Nadat ik mijn geloof had verkregen, loog ik bijna nooit tegen de broeders en zusters en kwam het nauwelijks voor dat ik anderen opzettelijk bedroog. Ik geloofde dus altijd dat ik, ook al was ik niet volmaakt eerlijk, tenminste geen sluw en geslepen persoon was. Maar toen verkreeg ik, door wat de feiten onthulden, enige kennis over mijn sluwe aard en zag ik mijn ware gezicht echt.
Op een dag stuurde mijn partner, zuster Li, me een bericht waarin ze vroeg of ik een bepaald werkstuk had opgepakt en of er al enige vooruitgang was geboekt. Ik realiseerde me opeens dat ik het al die dagen niet in de gaten had gehouden, dus kende ik de details over de voortgang niet. Eerst dacht ik dat ik haar dat gewoon zou vertellen, maar toen twijfelde ik: ik heb altijd de indruk gegeven dat ik betrouwbaar was, dus als ik meteen verklaar dat ik de laatste tijd vergeten was zaken op te pakken, zal ze dan denken dat ik onverantwoordelijk ben ten aanzien van mijn plicht? Dan zal ik bij haar een negatieve indruk van mij achterlaten en in haar ogen mijn geloofwaardigheid verliezen. Nee, ik kan haar niet rechtstreeks antwoord geven. Ik zal snel de zuster opzoeken die dat project beheert zodat ik kon begrijpen hoe de situatie ervoor stond en daarna antwoord geven aan zuster Li. Dan zal ik, hoe de zaken ook voortgaan, in ieder geval aantonen dat ik de zaak in de hand heb. Dus deed ik alsof ik het bericht niet had gezien en reageerde pas nadat ik navraag had gedaan. Zuster Li zei op dat moment niets tegen me, maar ik bleef me ongemakkelijk en ongerust voelen. Toen las ik dit in de woorden van Almachtige God: “Eerlijkheid betekent je hart aan God geven, niet onoprecht zijn tegenover God, in alles open naar Hem zijn, de feiten nooit verbergen, niet proberen de mensen boven je te misleiden en dingen te verbergen voor degenen onder je, en dingen niet alleen maar doen om bij God in een goed blaadje te komen. Kortom, eerlijk zijn is zuiver zijn in je woorden en daden, en God noch mensen misleiden” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Drie vermaningen). Gods woorden maakten me te schande. Het leek er niet op dat ik gelogen had, maar wat ik had laten blijken uit mijn denken en uit de doelen van mijn daden was dat ik mijn nalatigheid in de uitvoering van mijn plicht wilde verbergen en verdoezelen, bang dat zuster Li me door zou hebben. Toen ik net deed alsof ik haar bericht niet had gezien, en vervolgens naar de zuster rende die de leiding had om te begrijpen hoe de situatie ervoor stond, voordat ik antwoord gaf om haar ten onrechte het idee te geven dat ik het werk had opgepakt, wekte ik toen niet een verkeerde indruk en was ik toen niet bedrieglijk? Was dit geen sluw en misleidend gedrag? Mijn manier van denken was over zoiets kleins zo gecompliceerd geweest en ik had de bedoeling gehad en tactieken gebruikt om de waarheid te verbergen. Hoezo was dat eerlijk zijn? Hoezo was dit betrouwbaar zijn? Toen ik me dit realiseerde, zag ik in dat ik niet zo eerlijk en oprecht was als ik had gedacht en dat ik soms ook streken uithaalde en anderen misleidde. De volgende keer moest ik de waarheid spreken, een eerlijk mens zijn en niet langer dingen verbergen om anderen te misleiden.
Slechts een paar dagen later liet zuster Li me weten dat onze leidster twee dagen lang ons werk zou komen controleren. Toen ik dit hoorde, begon mijn hart te bonzen. Normaal gesproken, komt de leidster ons niet plotseling opzoeken, dus waarom komt ze ons dit keer opzoeken? Heeft ze een probleem met ons werk ontdekt? De laatste tijd ben ik bezig was geweest met het begietingswerk en de videoproductie die ik managede heb ik niet goed opgepakt en er niet veel in bereikt. Wat moet ik zeggen als de leidster me daarnaar vraagt? Dus giste ik wat voor vragen ze me zou kunnen stellen en van welke dingen ik niet op de hoogte was, zodat ik het snel zou kunnen bedenken. Als ze, in het andere geval, een vraag had die ik niet kon beantwoorden, zou het er dan niet op lijken dat ik geen praktisch werk uitvoerde? Ik was wel een beetje bezorgd en ongerust. Ik dacht er wat over na en besefte toen dat het normaal was dat een leidster het werk komt controleren – waarom dacht ik te ver door over dingen? Ik speculeerde niet alleen over wat de leidster wilde, maar pijnigde mijn hersenen over de vraag hoe ik mijn problemen kon verdoezelen, bang dat ze die problemen zou zien en me zou aanpakken omdat ik geen praktisch werk deed en dan zou zeggen dat ik een valse leider was. Probeerde ik me niet als iets anders voor te stellen? Het is heel normaal dat een leidster informeert naar het werk. Ik moet het kalm confronteren en veranderingen aanbrengen waar er problemen of afwijkingen worden aangetroffen. Waarom dacht ik zoveel na? Was ik niet doortrapt? Ik herinnerde me de woorden van Almachtige God: “Ik beleef genoegen aan degenen die niet achterdochtig zijn jegens anderen, en ik mag degenen die openstaan voor de waarheid graag. Voor deze twee categorieën mensen zorg ik goed, want in mijn ogen zijn zij eerlijke mensen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Hoe je God op aarde werkelijk kunt kennen). “Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad” (Matteüs 5:37). Gods woorden zijn duidelijk. Eerlijke mensen moeten het beestje bij de naam noemen, ze horen openhartig te spreken, maar mijn denken was zo verward. Ik wilde de waarheid verdoezelen, dus bedacht ik slinksheden. Dus bad ik tot God en vroeg Hem me te begeleiden in het beoefenen van de waarheid en het eerlijk zijn en volkomen open te zijn, ongeacht wat de leidster vroeg.
In onze vergadering vroeg de leidster als eerste naar het werk van de videoproductie. Voor dit werk was ik rechtstreeks verantwoordelijk. Maar ik had het grootste deel van mijn tijd en energie besteed aan het begietingswerk. Ik had het videowerk niet zo bijgehouden. Toen ik dit had uitgelegd, pakte ze me aan omdat ik geen praktisch werk had gedaan, en vervolgens vroeg ze me hoeveel nieuwe gelovigen de bijeenkomsten niet regelmatig bezochten. Ik raakte een beetje in paniek door die vraag. Die gegevens had ik niet bijgehouden en ik had er wel eens naar gevraagd, maar het niet serieus genomen. Ik bedacht toen: ik heb net gezegd dat het grootste deel van mijn energie naar het begietingswerk was gegaan, dus als ik de leidster nu zelfs niet kan vertellen hoeveel nieuwkomers de bijeenkomsten niet regelmatig bijwonen, wat zal ze dan wel van mij denken? Ze zou kunnen vragen wat ik de hele dag uitvoer dat ik dat niet eens weet, en of ik überhaupt wel praktisch werk doe. Er waren al zoveel problemen in het videowerk naar voren gekomen, en als ze dan ook nog eens problemen in het begietingswerk aantreft, zal ze me dan op staande voet ontslaan? Dus gaf ik haar gewoon een schatting en dacht dat het niet zo erg was als ik er een beetje naast zat. Het was sowieso geen exact getal, dus was het ook niet echt een leugen. Na onze bijeenkomst bekeek ik de nadere gegevens en toen bleek dat mijn schatting er best ver naast zat. Ik maakte me echt zorgen toen ik dat zag. Die keer had ik een onverholen leugen verteld. Ik was schaamteloos misleidend geweest. Waarom kom ik mij er maar niet van weerhouden om te liegen en te bedriegen? In het gebed had ik duidelijk het geloof dat ik eerlijk was. Waarom lukte het me dan niet wanneer ik met een dergelijke situatie te maken kreeg? Ik voelde me er vreselijk over. Twee dagen lang bleef het woord ‘bedrog’ in mijn hoofd opduiken. Ik vond dat ik echt iets schandelijks had gedaan.
Ik bad tot God om een oplossing te zoeken voor dit probleem. Tijdens mijn overpeinzingen las ik Gods woorden: “Is het leven niet uitputtend voor bedrieglijke mensen? Ze vertellen de hele tijd leugens, en vervolgens nog meer leugens om ze te verdoezelen en houden zich bezig met bedrog. Ze roepen deze uitputting over zichzelf op. Ze weten dat op zo’n manier leven uitputtend is, dus waarom zouden ze nog steeds bedrieglijk en niet eerlijk willen zijn? Hebben jullie over deze vraag wel eens nagedacht? Dit is een gevolg van het feit dat mensen voor de gek worden gehouden door hun satanische aard; het weerhoudt hen ervan zich van dit soort leven te ontdoen. Mensen zijn bereid om te accepteren dat ze zo voor de gek worden gehouden en hierin te leven; zij willen de waarheid niet beoefenen en het pad van het licht niet bewandelen. Je denkt dat op zo’n manier leven uitputtend is en dat het onnodig is om op die manier te werk te gaan – maar bedrieglijke mensen vinden het absoluut noodzakelijk Ze denken dat ze zich vernederd zouden voelen als ze dat niet zouden doen, dat het hun imago, hun reputatie en hun belangen zou schaden, dat ze te veel zouden verliezen. Zij koesteren deze dingen, zij koesteren hun eigen imago, reputatie en status. Dit is het ware gezicht van mensen die de waarheid niet liefhebben. Kortom, wanneer mensen niet eerlijk willen zijn of de waarheid in praktijk willen brengen, komt dat omdat zij de waarheid niet liefhebben. In hun hart koesteren ze zaken als reputatie en status, ze willen wereldse trends volgen en onder de invloed van Satan leven. Dit is een probleem van hun aard. Vandaag de dag zijn er mensen die al jaren in God geloven, die vele preken hebben gehoord en weten wat het geloof in God inhoudt. Maar ze brengen de waarheid nog steeds niet in praktijk, en zijn geheel niet veranderd. Waarom is dat zo? Dat is omdat zij de waarheid niet liefhebben. Zelfs als zij een beetje van de waarheid begrijpen, kunnen zij die nog steeds niet in praktijk brengen Voor zulke mensen zal het voor niets zijn, hoeveel jaar ze ook in God geloven” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, De meest fundamentele beoefening om een eerlijk iemand te zijn). “Sommige mensen vertellen nooit iemand de waarheid. Voordat ze iets tegen mensen zeggen is het allemaal al beraadslaagd en vooraf bewerkt; je kunt niet uitmaken welke dingen die ze zeggen waar zijn en welke onwaar zijn. Vandaag zeggen ze het één en morgen het ander, tegen de ene persoon zeggen ze dit en tegen de ander weer wat anders; alles wat zij zeggen spreekt zichzelf tegen. Hoe valt er aan zulke mensen geloof te hechten? Het is heel moeilijk om de feiten precies te vatten. Je kunt er niets exact uithalen. Wat voor gezindheid is dit? Dit is listigheid. Is een listige gezindheid gemakkelijk te veranderen? Die is het moeilijkst te veranderen. Alles wat met gezindheden te maken heeft, heeft te maken met de aard van mensen, en niets is moeilijker te veranderen dan dingen die met de aard van mensen te maken hebben. Er is een gezegde dat een vos wel zijn haren verliest, maar niet zijn streken. Dat is absoluut juist. Waar ze ook over praten of wat ze ook doen, mensen die listig zijn, hebben altijd hun eigen doelen en motieven. Als ze geen doelen of motieven hebben, zeggen ze niets. Als je probeert te achterhalen wat hun doelen en motieven zijn, houden ze zich stil; en als ze per ongeluk iets laten doorschemeren dat echt is, zullen ze alles in het werk stellen om een manier te bedenken om het te verdraaien, om je in verwarring te brengen en je te beletten de waarheid te kennen. Met andere woorden, bij alles wat listige mensen doen, laten ze niemand weten hoe de vork echt in de steel zit. Hoe lang de mensen hen ook kennen, niemand kan weten wat er werkelijk in hun geest omgaat. Dat is de aard van listige mensen. Het maakt niet uit hoeveel listige mensen zeggen, anderen zullen nooit weten wat hun motieven zijn of wat zij werkelijk denken, en ook niet wat voor doel zij precies proberen te bereiken. Zelfs hun ouders hebben het moeilijk om dit te weten te komen; proberen om iemand die listig is te begrijpen is uiterst moeilijk. Dit is hoe listige mensen zijn: nog voordat ze iets doen, hebben ze hun listigheid al onthuld. Dit is een soort gezindheid, nietwaar? Als je een listige gezindheid hebt, maakt het niet uit wat je zegt of doet – deze gezindheid is in je, bestuurt je volledig, zorgt ervoor dat je spelletjes speelt en bedrog pleegt, met mensen speelt, de waarheid verbergt en een goede schijn ophoudt. Dit is listigheid” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen het kennen van de zes soorten verdorven gezindheid betekent dat men zichzelf echt kent).
Gods woorden lieten me zien dat ik wel moest liegen en bedriegen en de waarheid moest verdoezelen, omdat ik geslepen was en mijn eigen aanzien en status koesterde. Om die dingen te beschermen, dacht ik voortdurend na over wat ik wilde zeggen; in mijn hoofd doorliep ik dat keer op keer, en hoe vermoeiend het ook was, ik wilde niet recht op de man af zijn. Ik dacht eraan hoe ik God had gebeden om mij te helpen een eerlijk persoon te zijn. Maar toen de leidster precies naar het werk informeerde waar ik geen grip op had, dacht ik dat ze, als ik rechtstreeks zou zeggen dat ik geen idee had, zou denken dat ik geen praktisch werk had verricht en niet betrouwbaar was en me in het ergste geval zou ontslaan. Om mijn status te beschermen, wilde ik niet dat de leidster de problemen in mijn plicht zag of wanneer ik daarvan afweek. Dus bedacht ik manieren om de waarheid te verdoezelen. Ik wist echt niet hoeveel nieuwkomers er niet regelmatig naar vergaderingen kwamen, maar verzon sluw een schatting, zodat de leidster zou denken dat ik ieder aspect van mijn werk goed begreep en wat praktisch werk kon verrichten. Ik merkte dat ik bereid was streken uit te halen te liegen over zoiets eenvoudigs om mijn naam en status te beschermen. Dat was zo doortrapt! In feite is het niet ongewoon dat zich bij het uitvoeren van plicht problemen of afwijkingen voordoen. Zolang de zaken direct worden hersteld wanneer ze worden ontdekt, is er niets aan de hand. Er is absoluut geen noodzaak om dingen te verdoezelen om bedrieglijk te zijn. Maar in mijn poging om mijn reputatie en status te beschermen, was ik oneerlijk en bedrieglijk loog ik, verdoezelde ik mijn problemen en offerde ik mijn karakter en mijn waardigheid op. Was dat niet dom van mij! Hierdoor besefte ik dat ik, ook al leek ik van buitenaf gezien onschuldig, niet eerlijk was in mijn woorden en daden en evenmin eenvoudig was in mijn gedachten. Wat ik liet zien was een volslagen satanische gezindheid. Ik was sluw, bedrieglijk en eerloos. Ik was echt geslepen, vuil en verdorven. Ik walgde zelfs van mezelf. Hoe kon God dan niet van mij walgen en mij verafschuwen? Ik had mezelf altijd als een waarheidlievend mens beschouwd, die bijna nooit bedrieglijk was. Ik had ook nooit openlijk iets gedaan om God te misleiden of tegen te werken, dus dacht ik dat Hij me als een goed, eerlijk mens zou zien. Ik dacht zelfs dat ik niet hoefde te werken aan het praktiseren van de waarheid van eerlijk zijn, maar dat ik kon door kon gaan met het verrichten van mijn plicht en God op die manier kon volgen en uiteindelijk gered zou worden. Ik had totaal geen enkele kennis over mijzelf. Als de werkelijkheid me de feiten niet had laten zien, en het oordeel en de openbaring van Gods woorden er niet geweest waren, zou ik mezelf helemaal niet hebben begrepen. Eindelijk zag ik in dat ik zelfs bij benadering nog geen eerlijk persoon was. Ik kwam zelfs nog niet in de buurt.
Daarna las ik Gods woorden: “Als antichristen ontmaskerd en gesnoeid worden, ze meteen allerlei redenen aanvoeren ter verdediging. Ze grijpen naar allerlei excuses om zichzelf vrij te pleiten, waarmee ze hun doel bereiken om hun verantwoordelijkheden te ontlopen en vergeving te ontvangen. Waar de antichristen het bangst voor zijn, is dat Gods uitverkorenen hun karakter doorzien, hun zwakheden en gebreken, hun Achilleshiel, hun ware kaliber en werkvermogen – en dus doen ze hun uiterste best zich anders voor te doen en hun tekortkomingen, problemen en verdorven gezindheid te verhullen. Wanneer hun kwaaddoenerij is ontmaskerd en aan het licht komt, is niet het eerste wat ze doen dat feit erkennen of aanvaarden. Ze doen ook niet hun uiterste best om hun fouten goed te maken en daar compensatie voor te bieden, maar proberen allerlei manieren te bedenken om ze te verdoezelen, om degenen die van hun daden afweten in de war te brengen of om de tuin te leiden, om te voorkomen dat Gods uitverkorenen het ware gezicht van de zaak zien, ze niet te laten weten hoe schadelijk hun daden voor Gods huis zijn geweest, hoezeer ze het werk van de kerk hebben ontwricht en verstoord. Uiteraard vrezen ze vooral dat de Boven erachter komt, want zodra de Boven het weet, zullen ze principieel worden aangepakt en zullen ze zeker weggestuurd en geëlimineerd worden. En wanneer de kwaaddoenerij van antichristen dus wordt ontmaskerd, is het eerste wat ze doen: niet nadenken over waar zij de fout in zijn gegaan, waar ze principes met voeten hebben getreden, waarom ze deden wat ze deden, welke gezindheid bij hen de boventoon voerde, wat hun bedoelingen waren, wat hun gesteldheid toen was, of het uit eigenzinnigheid of uit versneden bedoelingen voortkwam. In plaats van deze dingen te ontrafelen, laat staan ze onder de loep te nemen, pijnigen ze hun hersenen hoe ze de ware feiten kunnen verdoezelen. Tegelijkertijd doen ze hun uiterste best om voor Gods uitverkorenen met uitleg te komen, het goed te praten en ze om de tuin te leiden. Ze proberen grote problemen als klein af te beelden en kleine problemen als helemaal geen probleem, zich eruit te bluffen, zodat ze in het huis van God kunnen blijven, roekeloos wandaden blijven begaan, hun macht misbruiken, en doogaan met mensen misleiden en manipuleren, hen naar zich op laten kijken en dwingen hun bevelen op te volgen om hun ambities te bevredigen” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt elf). Gods woorden waren echt onrustbarend voor mij. Vooral toen ik de woorden ‘antichristen’, ‘pijnigen ze hun hersenen hoe ze de ware feiten kunnen verdoezelen’, ‘om de tuin te leiden’, en ‘in de war te brengen’ las, had ik het gevoel dat God me rechtstreeks veroordeelde en ontmaskerde. Ik dacht terug aan het moment dat zuster Li me vroeg of ik dat project had opgepakt, en ik toen niet onmiddellijk erkende dat ik dat niet had gedaan of zelfs maar de kans greep om over mezelf na te denken en na te gaan hoe ik mijn dwalingen weer ongedaan moest maken. Ik deed alsof ik haar bericht niet zag en ging snel op zoek naar antwoorden om te reageren. Zo zou zuster Li niet te weten komen dat ik het project niet bij had gehouden of dat ik in mijn plicht geen last op me had genomen en geen verantwoordelijkheid had genomen. Ze zou me betrouwbaar vinden, iemand die kon worden vertrouwd. Toen de leidster mijn werk kwam controleren, vond ze wat dingen waarin ik was afgeweken en problemen met mijn plicht, en snoeide en behandelde me. Niet alleen accepteerde ik dat niet en dacht ik niet na over mezelf, waarmee ik zou erkennen dat ik geen echt praktisch werk deed en zorgeloos en onverantwoordelijk was in mijn plicht, maar had ik gelogen, was ik bedrieglijk geweest en had ik de waarheid verdoezeld. Ik zei zelf tegen mezelf: ik moet voortaan harder werken om er zeker van te zijn dat ik alle vragen van de leidster snel kan beantwoorden, zodat ze de fouten en vergissingen in mijn werk niet zal zien, maar zal denken dat ik oog voor detail heb en verantwoordelijk ben. Ik pijnigde mijn hersenen om mijn nam en mijn status te beschermen, bang dat mensen me doorhadden en het beeld dat ze over mij hadden van een “gewetensvol, verantwoordelijk, standvastig en betrouwbaar mens” verloren zou gaan. Was mijn doel dan niet om te zorgen dat anderen mij waardeerden en een hoge dunk van mij hadden? Ik zag dat ik echt mijn onthulde gezindheid echt die van een antichrist was. Als een antichrist wordt aangepakt of ontmaskerd, onderwerpt hij zich niet en denkt niet over zichzelf na, maar doet schaamteloos zijn best zich te rechtvaardigen, zijn verantwoordelijkheid af te schuiven en zijn eigen problemen te verbergen. Ze kennen totaal geen schaamte. Antichristen tonen niet het minste verlangen de waarheid te aanvaarden, maar alleen hun kuiperijen om zo te spreken en te handelen, dat hun eigen status en naam wordt beschermd. Handelde ik niet ook precies zo? Ik verrichtte geen praktisch werk en wijdde me niet aan mijn plicht, dus had ik me schuldig en verplicht moeten voelen. Maar niet alleen had ik totaal geen perceptie, ik probeerde voortdurend uit alle macht van alles te bedenken om de zaak te verdoezelen en mezelf te beschermen. Ik was echt misleidend, geslepen, verachtelijk en slecht. Het voelde alsof ik helemaal was blootgelegd, aan het daglicht was blootgesteld, dat mijn daden geoordeeld en veroordeeld werden door God. Ook kon ik aanvoelen dat Gods gezindheid rechtvaardig is en geen belediging verdraagt. Ik was echt bang en beefde. Ik wist dat ik berouw moest tonen en onmiddellijk moest veranderen.
Toen las ik nog meer van Gods woorden: “Alleen wanneer mensen ernaar streven eerlijk te zijn kunnen ze weten hoe diep verdorven ze zijn en of ze wel of niet werkelijk enige menselijke gelijkenis hebben, en kunnen ze duidelijk bepalen waar ze met zichzelf aan toe zijn of hun tekortkomingen zien. Alleen wanneer ze eerlijkheid beoefenen kunnen ze zich ervan bewust worden hoeveel leugens ze vertellen en hoe diep verborgen hun bedrog en oneerlijkheid zijn. Alleen wanneer ze ervaren wat het is om eerlijkheid te beoefenen kunnen mensen geleidelijk de waarheid over hun eigen verdorvenheid leren kennen en hun eigen aard en essentie herkennen, en alleen dan kan hun verdorven gezindheid continu worden gezuiverd. Alleen tijdens het proces waarbij hun verdorven gezindheid voortdurend wordt gezuiverd, zullen mensen in staat zijn de waarheid te verkrijgen. Neem jullie tijd deze woorden te ervaren. God vervolmaakt niet degenen die bedrieglijk zijn. Als je hart niet eerlijk is – als je geen eerlijke persoon bent – dan zul je niet door God worden gewonnen. Evenmin zul je de waarheid verkrijgen of God kunnen winnen. Wat betekent het om God niet te winnen? Als je God niet wint en de waarheid niet hebt begrepen, zul je God niet kennen, waardoor je op geen enkele manier verenigbaar met God kunt zijn, en in dat geval ben je de vijand van God. Als je onverenigbaar bent met God, is God jouw God niet. En als God niet jouw God is, kun je niet gered worden. Als je er niet naar streeft gered te worden, waarom geloof je dan in God? Als je geen redding kunt verkrijgen, zul je voor altijd een bittere vijand van God zijn en zal je uitkomst vaststaan. Als mensen dus gered willen worden, moeten ze beginnen met eerlijk te zijn. Er is een teken dat degenen markeert die uiteindelijk door God zullen worden gewonnen. Weten jullie wat het is? Het staat in Openbaring, in de Bijbel: ‘Geen leugen komt over hun lippen, er valt niets op hen aan te merken’ (Openbaring 14:5). Wie zijn ‘hen’? Dat zijn degenen die door God gered, vervolmaakt en gewonnen zijn. Hoe beschrijft God deze mensen? Wat zijn de kenmerken van hun handelingen en hoe komen die tot uiting? Er valt niets op hen aan te merken. Geen leugen komt over hun lippen. Jullie begrijpen en bevatten waarschijnlijk allemaal wat niet liegen betekent: het betekent eerlijk zijn. ‘Er valt niets op hen aan te merken’: waar verwijst dit naar? Het betekent dat men geen kwaad doet. En op welk fundament berust het gegeven dat men geen kwaad doet? Zonder enige twijfel berust het op het fundament van de vrees voor God. Dat er niets valt aan te merken, betekent dus dat men God vreest en het kwaad vermijdt. Hoe definieert God iemand op wie niets valt aan te merken? In Gods ogen zijn alleen degenen die God vrezen en het kwaad vermijden volmaakt. Mensen op wie niets valt aan te merken, zijn dus diegenen die God vrezen en het kwaad vermijden, en alleen op hen die volmaakt zijn, valt niets aan te merken. Dit klopt volledig” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Zes indicatoren van groei in het leven). Uit Gods woorden maakte ik op dat bedrieglijke mensen altijd liegen. Ze leven een volkomen satanische gezindheid uit en zijn vijanden van God. Ze behoren toe aan Satan en kunnen niet gered worden door God. Ik zag hoe mijn leugens en misleiding mij in ernstig gevaar hadden gebracht en dat ik zo schaamteloos was! Zonder die ontmaskeringen had ik me nooit de omvang van mijn leugens en misleiding kunnen realiseren en evenmin de ernst van mijn doortrapte en slinkse gezindheid. Ik kon zo niet doorgaan. Ik moest mijn fouten toegeven, de waarheid praktiseren en een eerlijk mens zijn.
Ik maakte me op om de leidster een bericht te sturen om haar te vertellen wat er echt gebeurd was, maar ik voelde een soort aarzeling. Als ik haar vertel dat ik gelogen had, wat zal die leidster dan wel van me denken? Zal ze niet denken dat ik een ontzettend sluw persoon ben die veel te diep nadenkt over zoiets eenvoudigs, er zelfs over liegt, en dat ik niet te vertrouwen ben? Misschien zal ik dit keer niets vertellen maar zal ik de volgende keer eerlijk en rechtdoorzee zijn, wat dan als berouw zou tellen. Ik bleef mezelf troosten met de gedachte dat ik nooit meer zou liegen, maar mijn geweten was beschuldigd en ik voelde me schuldig. Ik las een passage van Gods woorden: “Wanneer mensen de ervaring van het eerlijk zijn ondergaan, zullen zich veel praktische problemen voordoen. Soms zullen ze hun mond openen zonder na te denken en, geleid door een verkeerde gedachte, een verkeerde drijfveer of een bepaald doel, of ijdelheid, een leugen vertellen. Het gevolg is dat ze dan steeds meer leugens moeten vertellen om dit te verdoezelen, met geestelijke onrust als uiteindelijke uitkomst. Maar ze kunnen die leugens niet terugnemen, ze hebben niet de moed om hun fouten recht te zetten, om toe te geven dat ze hebben gelogen; zodoende blijven ze maar in de fout gaan. Hierna is het altijd alsof er een steen op hun hart drukt; ze willen steeds een kans krijgen om de waarheid te vertellen, om hun vergissing toe te geven en berouw te tonen, maar dit brengen ze nooit in praktijk. Op den duur denken ze erover na en zeggen ze tegen zichzelf: ik zal het goedmaken wanneer ik in de toekomst mijn plicht vervul. Ze zeggen altijd dat ze het zullen goedmaken, maar doen dat nooit. Na te hebben gelogen kan men niet volstaan met alleen een verontschuldiging. Kun je de schade en de gevolgen van liegen en bedriegen goedmaken? Als je, met grote zelfhaat, berouw in de praktijk kunt brengen, en zoiets nooit opnieuw doet, dan kan door de vingers worden gezien wat je hebt gedaan en kunnen Gods tolerantie en genade je ten deel vallen. Als je de dingen mooi voorstelt en zegt dat je dit in de toekomst zult goedmaken, maar geen werkelijk berouw hebt, en vervolgens blijft liegen en bedriegen – als je koppig weigert berouw te hebben – dan zul je beslist worden verstoten. Dit moet worden onderkend door mensen die een geweten en verstand hebben. Na te liegen en bedriegen, is het niet genoeg om alleen maar te overwegen om het weer goed te maken; het belangrijkste is dat je echt berouw hebt. Als je eerlijk wilt zijn, moet je het probleem van liegen en bedriegen aanpakken; dan moet je de waarheid vertellen en echte dingen doen. Soms lijd je gezichtsverlies en word je aangepakt als gevolg van het vertellen van de waarheid, maar je hebt de waarheid in praktijk gebracht en God één enkele keer gehoorzaamd en voldoening geschonken – dat is het waard, en het is iets wat je zal troosten. In elk geval heb je eindelijk eerlijkheid in de praktijk kunnen brengen, heb je eindelijk kunnen zeggen wat er in je hart leeft, heb je niet geprobeerd jezelf te verdedigen of te rechtvaardigen en heb je hier werkelijke groei in bewerkstelligd. Ongeacht of je wordt aangepakt of vervangen, in je hart voel je je standvastig, want je hebt niet gelogen; omdat je je plicht niet naar behoren hebt vervuld, heb je het gevoel dat je moet worden aangepakt en er verantwoordelijkheid voor moet nemen. Dat is een positieve geestelijke gesteldheid. En toch – wat is het gevolg wanneer je eenmaal bedrieglijk bent? Hoe voel je je in je hart nadat je bedrieglijk bent geweest? Ongemakkelijk; in je hart voel je altijd schuld en verdorvenheid, voel je jezelf altijd beschuldigd: hoe heb ik leugens kunnen vertellen? Hoe heb ik weer eens bedrieglijk kunnen zijn? Waarom ben ik zo? Je voelt alsof je je hoofd niet opgeheven kunt houden, alsof je God niet onder ogen kunt komen. In het bijzonder is het zo dat wanneer mensen door God gezegend zijn en Gods goedheid, barmhartigheid en tolerantie ontvangen, zij dan voelen dat het schandelijk is om God te bedriegen; diep van binnen hebben ze een sterker gevoel van verwijt en kunnen bovendien geen vrede of vreugde vinden. Wat bewijst dit? Bedrieglijk zijn is de uitstorting van een verdorven gezindheid; het is opstandigheid en verzet tegen God, en het brengt je daarom pijn” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door een eerlijk iemand te zijn, kan men een ware menselijke gelijkenis naleven). Het was mijn gesteldheid die door Gods woorden geopenbaard werd. Het voelde alsof God dit allemaal rechtstreeks tegen mij zei en ik zag dat de paden van bedrieglijkheid en eerlijkheid lijnrecht tegenover elkaar staan. Bedrieglijk zijn is niet het juiste pad en het valt niet binnen een normale menselijkheid. Mensen kunnen soms hun doelen bereiken met leugens en trucjes, maar wat ze verliezen zijn hun integriteit en hun waardigheid. Het zal hun niets dan schuld en ongemak brengen en ze zullen in duisternis leven, bedrogen en bespot door Satan. Ik zag in dat ik met al mijn leugens en misleiding schandelijke geheimen koesterde die het daglicht niet konden verdragen en dat ik op een pijnlijke manier door Satan werd bespeeld! Mijn leugens en misleiding bevredigde tijdelijk mijn verwaandheid, maar werden door God afgekeurd en kregen Zijn goedkeuring niet. Was dat niet idioot? Op ieder cruciaal moment dat ik de waarheid hoorde te spreken, deed ik concessies aan mezelf en zei: De volgende keer zal ik de waarheid praktiseren, de volgende keer. Ik vergaf mezelf steeds makkelijk en bracht de waarheid die ik begreep niet in praktijk, dus leefde ik de werkelijkheid van een eerlijk mens zijn nooit uit en zette ik nooit mijn verwaande gezindheid aan de kant. Hoe zou God zo iemand kunnen redden? Wanneer ik hieraan dacht, zei ik tegen mezelf dat ik hier niet mee door kon gaan, dat het niet uitmaakte hoe mensen me zagen en dat ik bovenal vóór God moest leven, Zijn kritische blik moest aanvaarden en iemand moest zijn waar Hij goedkeuring aan kon geven. Daar draait alles om. Ik moest eenvoudig en open zijn en de waarheid spreken. Ook al had iemand me duidelijk door en leed ik gezichtsverlies en statusverlies, de waarheid in praktijk brengen en eerlijk zijn zou betekenen dat ik Gods goedkeuring zou krijgen en dat is het allerbelangrijkste en zo waardevol en zinvol! Ook verdoezelde ik altijd mijn eigen problemen en hoewel anderen daar misschien niet achter kwamen en ik wellicht niet zou worden aangepakt of beschuldigd, had ik geen werkelijke kennis over mijn eigen verdorvenheid en fouten en kon ik dus mijn verdorven gezindheid niet veranderen of mijn plicht beter doen. Die dingen bleven diep in mijn hart begraven als een tumor die niet ophield te groeien rn uiteindelijk mijn einde zou betekenen. Maar de broeders en zusters die open en eenvoudig waren legden gewoon al hun fouten of problemen in hun plicht openlijk op tafel. Soms werden ze dan flink aangepakt, beschuldigd of zelfs ontslagen maar dat raakte hen echt in hun hart. Ze waren eerder in staat hun problemen te zien en naar de waarheid op zoek te gaan om ze op te lossen en dat hielp hen goed vooruit in het leven. Hoewel het gênant had kunnen zijn om open en eenvoudig te zijn, verkregen zij Gods goedkeuring door de waarheid te beoefenen. Dat is intelligent zijn. Ik dacht altijd dat ik overliep van de ideeën, dat ik slim was, dat het slim was anderen zand in de ogen te strooien, maar ik was knettergek, volslagen idioot! Ik had teveel oog voor mijn eigen welzijn en verloor het grote geheel uit het oog. Ik was volslagen belachelijk! Toen ik me dat realiseerde, kon het me niet meer schelen wat mensen van me dachten en wilde ik alleen nog maar de waarheid beoefenen en Satan beschamen, in plaats van God weer teleur te stellen. Dus verzamelde ik mijn moed om de leidster de waarheid te vertellen, waaronder ook de reden waarom ik had gelogen en wat mijn bedoelingen waren. Nadat ik dat bericht had verstuurd, voelde ik me vredig en opgelucht. Al snel stuurde de leidster me een bericht terug. Ze zei: “Geweldig dat je er zo aan werkt om eerlijk te zijn. Ook ik heb een verdorven gezindheid…” Ik was zo ontroerd toen ik dat zag, en ook echt beschaamd. Deze ene poging om een eerlijk persoon te zijn liet me echt zien dat dit de enige juiste weg in om mens te zijn.
Daarna probeerde ik welbewust in woord en daad eerlijk te zijn in het dagelijks leven, en merkte ik dat ik bij veel bij de dingen die ik zei niet nauwkeurig of objectief was. Soms sprak ik op basis van mijn opvattingen en soms overdreef ik of sprak ik onjuist. Soms gaf ik opzettelijk een verkeerde voorstelling van mezelf en was ik bedrieglijk. Het werd steeds duidelijker dat ik eigenlijk een obsessieve leugenaar was. Ik herinner me dat een leider me eens vroeg naar de voortgang van een project, en dat ik onbewust dacht: Ik ben er niet op tijd achter gekomen hoe de vork in de steel zit, maar ik zeg: “ik weet het niet, dat moet ik even gaan vragen”, zou de leider dan denken dat ik niet pragmatisch was en dat ik alleen maar loze kreten kon uiten? Misschien moet ik wel niets zeggen maar snel polshoogte nemen en dan antwoorden. Dan zal de leider in ieder geval, zelfs als het niet klaar is, niets slechts over mij te zeggen hebben en zal het aantonen dat ik de dingen goed oppak. Toen ik op het punt stond dat te doen, besefte ik dat ik weer misleidend was, et het oog op mijn eigen reputatie en status. Dus bad ik in stilte tot God: “God, ik wil mijn sluwe motieven laten varen en de waarheid als een eerlijk mens beoefenen. Leid mij en help mij alstublieft.” Na mijn gebed kwamen deze woorden van God in me op: “Wanneer je liegt, verloochen je je eigen karakter en waardigheid. Deze leugens kosten mensen hun waardigheid en karakter, en God vindt ze onplezierig en verwerpelijk. Zijn ze het waard? Absoluut niet” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door een eerlijk iemand te zijn, kan men een ware menselijke gelijkenis naleven). De woorden ‘integriteit’ en ‘waardigheid’ spoorden me echt aan om de waarheid te spreken, om niet meer als een demon te leven. Dus stuurde ik gewoon een eerlijk antwoord terug en zei: “De details weet ik niet zeker. Ik moet het eerst even nakijken.” Nadat ik dat bericht had verstuurd, voelde ik me zo vredig in mijn hart. Ik voelde steeds sterker dat eerlijk zijn het meest fundamentele aspect van menselijkheid is, het is het meest wezenlijke bij menselijkheid. Alleen eerlijkheid is de gelijkenis van een normaal mens. Dank aan God dat Hij me heeft gered!