17. Een speciale jeugdervaring
In 2002, toen ik achttien jaar was, aanvaardde ik Almachtige Gods werk van de laatste dagen. In juli 2004 werden broeder Wang en ik gearresteerd door de politie, terwijl we in een andere provincie het evangelie predikten. Ik dacht toen: we prediken alleen het evangelie en hebben geen wetten overtreden. Bovendien ben ik jong, dus de politie zal me vast niets doen. Misschien ondervragen ze me en laten ze me dan gaan. Maar ik had niet verwacht dat een agent op de tafel zou slaan en me venijnig zou ondervragen nadat ze ons naar het politiebureau hadden gebracht. “Hoe heet je? Waar woon je? Wie heeft je gevraagd om te komen? Aan wie heb je het evangelie verkondigd?” Toen ik niet antwoordde, sloeg hij me twee keer hard in het gezicht – zo hard dat mijn oren ervan suisden. Hij zei dat we door het evangelie te prediken de sociale orde verstoorden en de wet overtraden. Dat maakte me woedend en ik dacht: dit is belachelijk! We prediken het evangelie omdat we willen dat anderen goede mensen zijn en het juiste pad volgen. Hoe kun je dat nou een verstoring van de sociale orde noemen? Maar omdat ik zag hoe boosaardig de politieagenten waren, wist ik dat het zinloos was om met ze te praten en dus zweeg ik. Later sloegen ze broeder Wang en mij in de boeien en zetten ze ons in een politieauto. Terwijl ze reden, was ik heel ongerust. Ik was heel bang dat ze me op onze bestemming zouden slaan en martelen. Als ik de ontbering niet zou kunnen doorstaan en een Judas zou worden, zou ik niet alleen Gods gezindheid beledigen, maar zou ik er ook voor zorgen dat meer broeders en zusters zouden worden gearresteerd en dezelfde kwelling zouden ondergaan als ik. In stilte bad ik steeds weer tot God: “God, ik ben zo bang. Bescherm me alstublieft en geef me vertrouwen en kracht.” Na het bidden voelde ik me wat kalmer.
Ze brachten ons naar de gemeentelijke recherche. Toen ze ons fouilleerden, zag een van de agenten dat ik een pieper bij me had en zei hij dat ik wel een leider moest zijn. Ik hoorde dat en dacht: als ze denken dat ik een leider ben, zullen ze me vast niet zo gemakkelijk laten gaan. Omdat ik niets zei, zei een politieagent met de achternaam Zhao met een wezenloze lach: “Als je ons niet vertelt wat je weet, zullen we zien hoelang je het uithoudt!” Hij schopte me een paar keer terwijl hij me uitschold. Toen gaf hij me een dreun tegen de borst die vreselijk pijn deed en me de adem benam. Hij sloeg en schopte me meer dan twee meter naar achteren, zodat ik bijna omviel. Ik doorstond de pijn in stilte en zei niets. Toen hij moe was, stopte hij eindelijk en zei hij wreed: “Als je niet praat, zetten we je in de tijgerstoel en laten we je de elektrische wapenstok voelen!” Ik was doodsbang. Ik had al pijn van het schoppen en slaan. Ik wist niet of ik het wel aankon om op de tijgerstoel te worden vastgebonden en geëlektrocuteerd en bad daarom keer op keer in stilte tot God: “O, God, bescherm alstublieft mijn hart en geef me vertrouwen en moed. Ik wil op u vertrouwen om standvastig te staan; ik zal nooit een Judas worden.” Toen herinnerde ik me enkele van Almachtige Gods woorden: “Je moet niet bang zijn voor van alles en nog wat; hoeveel moeilijkheden en gevaren je ook kunt tegenkomen, je kunt standvastig blijven tegenover mij, zonder dat je door een of andere hindernis wordt tegengehouden, zodat mijn wil ongehinderd kan worden uitgevoerd. Dat is je plicht […]. De tijd is aangebroken dat ik je op de proef zal stellen: zul je mij je trouw aanbieden? Kun je mij tot het eind van de weg getrouw volgen? Wees niet bang; wanneer ik je steun, wie zou deze weg ooit kunnen blokkeren?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). God is inderdaad mijn steun en toeverlaat en mijn leven ligt in Zijn handen. Ik was gearresteerd met Gods toestemming. Dit was Gods test voor mij. Hoe de politie me ook martelde, ik zou absoluut standvastig staan in mijn getuigenis van God. Een van de politieagenten vroeg me naar mijn naam en adres. Ik dacht: mijn familie heeft momenteel thuis kerkleiders op bezoek. Als ik zeg waar ik woon en de politie doorzoekt ons huis, worden mijn familieleden en de leiders gearresteerd; ik mag dus niets zeggen. Toen hij zag dat ik zweeg, ging hij door het lint. Zonder iets te zeggen, pakte hij het boek van Gods woord en sloeg hij me er hard mee in het gezicht, waardoor mijn gezicht enorm pijn deed. Daarna schopte hij me gemeen. Ondertussen sloeg een andere politieagent me hard tegen de borst. Ze stopten pas toen ze buiten adem waren. Toen ze zagen dat ik nog steeds niet praatte, zei een van hen: “Hij is een echte fanatiekeling. Sluit hem op in de gevangenis en laat hem lijden!” Toen ik hoorde dat ik zou worden opgesloten, werd ik wat bang. Ik had gehoord dat in gevangenissen gevangenen andere gevangenen slaan. Als ik echt zou worden opgesloten, wat voor martelingen zou ik dan moeten doorstaan? Zouden ze me verminken? Wat als ik het niet aankon? Ik dacht er lang over na, maar ik wist dat ik in ieder geval geen Judas kon worden en God hoe dan ook niet kon verraden. Ik zwoer tegenover God: “God! Mijn gestalte is te klein en alleen sta ik niet sterk, maar ik ben bereid om op u te leunen. Wees alstublieft met mij en geef me de wil om leed te doorstaan. Ik zal nooit een Judas worden en mijn broeders en zusters niet verraden!” Na mijn gebed voelde ik een zekere kracht en vertrouwen.
Later deed een politieagent van middelbare leeftijd alsof hij vriendelijk was. Hij zei: “Kijk eens naar jezelf. Je bent jong, lang en knap. Waarom zoek je geen goede vriendin of goede baan? Waarom al die moeite doen om in God te geloven?” Toen wilde hij dat ik een brief van berouw ondertekende. Ik las de brief en besefte dat ik God zou verraden als ik deze zou ondertekenen. Ik kon die brief niet ondertekenen! Toen ik weigerde, sloeg de agent het harde boek met Gods woorden tegen mijn slaap, waardoor mijn oren weer suisden en er opeens een grote striem op mijn hoofd verscheen. Na zo’n klap was mijn hoofd helemaal gevoelloos en mijn gezicht gezwollen. Mijn benen deden pijn en waren gezwollen na al die harde schoppen. Het voelde alsof ik volledig verlamd was. Mijn lichaam deed zo’n pijn dat ik mijn tranen maar nauwelijks kon bedwingen. Ik dacht: als ik blijf weigeren om de brief van berouw te ondertekenen, zullen ze me dan nog harder slaan? Zullen ze me doden? Maar ik kan die brief niet ondertekenen, want dan zou ik God verraden. Op dat moment dacht ik aan een passage uit Almachtige Gods woorden: “Wanneer je geconfronteerd wordt met lijden, moet je in staat zijn je niet druk te maken over het vlees en geen klachten te uiten tegen God. Wanneer God Zich voor je verbergt, moet je het geloof kunnen hebben om Hem te volgen, om je vorige liefde te behouden zonder deze te laten haperen of verdwijnen. Wat God ook doet, je moet je aan Zijn plan onderwerpen en bereid zijn je eigen vlees te vervloeken in plaats van klachten over Hem te uiten. Wanneer je voor beproevingen staat, moet je God tevredenstellen, hoewel je misschien bitter zult wenen of zult aarzelen om afstand te doen van een geliefd object. Alleen dit is ware liefde en geloof” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Ik begreep dat deze tegenspoed en beproeving een test voor me waren om te zien of ik oprecht geloofde en of ik standvastig kon staan in mijn getuigenis van God. God zei dat je pas oprecht gelooft als je je in alle situaties aan Zijn regelingen onderwerpt en Hem behaagt zelfs als je daarvoor martelingen en pijn moet doorstaan. Ik moest mezelf volledig toevertrouwen aan God. Hoeveel lijden ik ook moest doorstaan, ik mocht mezelf niet onderwerpen aan Satan. Ik moest op God leunen en getuigen. Met dat in gedachten bad ik: “God, hoe ze me ook slaan, zelfs al slaan ze me dood, ik onderteken die brief van berouw nooit.” Die nacht stuurden de politieagenten mij en broeder Wang naar het huis van bewaring, waar we apart werden opgesloten.
De dienstdoende agent bracht me naar een cel. Er zaten ruim tien mensen binnen, allemaal met woeste gezichten en uitdrukkingen. De cel zag er zo griezelig en angstaanjagend uit dat ik echt bang was. De agent zei tegen de gevangenen: “Deze man gelooft in God. Zorg ‘goed’ voor hem.” Zodra hij dat had gezegd, kwamen enkele gevangenen me slaan en schoppen. Ze zeiden dat ik me moest uitkleden. Met een tuinslang bespoten ze ruim een halfuur lang mijn lichaam met koud water. Ik bibberde van de kou. Ze bleven me vragen hoe ik heette en aan wie ik het evangelie predikte. In stilte bleef ik tot God bidden en vroeg Hem om mijn hart te beschermen. Ik zei niets. De volgende dag sloegen ze me opnieuw. Een gevangene greep mijn haar en sloeg de achterkant van mijn hoofd zo hard tegen de muur dat mijn oren suisden en mijn neus bloedde. Later moest ik vooroverbuigen, terwijl twee gevangenen mijn armen grepen en me hard tegen de muur ramden, waardoor ik striemen op mijn hoofd kreeg en me duizelig en flauw voelde. Voor ik bij zinnen kon komen, gaven ze me een “pai gow”. Dat wil zeggen dat ze me tegen de grond hielden met mijn armen achter me. Eén persoon vooraan greep mijn handen en rukte me naar voren, terwijl een andere op mijn rug zat en mijn armen greep en me naar voren duwde. Het voelde alsof mijn armen uit de kom werden getrokken. Ik schreeuwde het uit van de pijn. Ze martelden me ruim tien minuten voor ze er genoeg van hadden en ze me eindelijk lieten gaan. Ik had geen gevoel meer in mijn armen. Ik dacht: zijn mijn armen nu verlamd? Ik ben nog jong, dus als dat zo is, hoe moet ik later overleven? Ik weet niet hoe ze me hierna gaan martelen. Gaan ze me doodslaan? Hoe meer ik erover nadacht, hoe banger ik werd. Maar toen dacht ik aan Almachtige Gods woorden: “Wanneer mensen bereid zijn om hun leven op te offeren, wordt alles een kleinigheid en kan niemand ze overmeesteren. Wat kan er belangrijker zijn dan het leven? Aldus kan Satan niets meer bewerkstelligen in de mensen, hij kan niets meer met de mens beginnen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Openbaringen van de mysteriën van ‘Gods woorden aan het hele universum’, hfst. 36). Ik besefte dat Satan weet dat mensen het leven liefhebben en de dood vrezen, en dat hij onze zwakheid gebruikt om ons aan te vallen en ons te dwingen om God te verraden. Ik mocht niet in Satans truc trappen en in schande leven om mijn eigen leven te behouden. Ik dacht aan de heiligen uit vroegere tijden die zoveel hadden geleden om het evangelie te prediken. Sommigen werden gearresteerd en gevangengezet en sommigen gaven zelfs hun leven. Het was een eer dat ik de stem van God in de laatste dagen kon horen, het evangelie kon prediken en kon getuigen voor Gods verschijning en werk. Zelfs als deze mensen me doodmartelden, werd ik omwille van de rechtvaardigheid vervolgd. Dit was iets glorieus en zou betekenen dat ik niet voor niets had geleefd. Toen ik dat besefte, vond ik kracht in mijn hart. Hoe ze me ook vervolgden, ik zou standvastig staan en God niet verraden.
Later, toen de politie me verhoorde, bedreigden ze me: “Je hebt nog een kans om te bekennen. Je bent een politieke gevangene en als je niet bekent, word je veroordeeld. De mensen die je in de gevangenis zult ontmoeten, zijn kwaadaardig. Je zult er spijt van krijgen! Het is moeilijk te zeggen of je het wel overleeft.” Zodra ik hoorde dat ik zou worden veroordeeld en als een politieke gevangene werd beschouwd, besefte ik dat dit een ernstig misdrijf was. Hoeveel jaar zou ik krijgen? Zou ik mijn hele jeugd in de gevangenis moeten doorbrengen? Van andere gevangenen hoorde ik dat er veel mensen in de gevangenis waren doodgeslagen. Ik maakte me nog meer zorgen. Ik wist niet welke methodes de gevangenen zouden gebruiken om me te martelen en of ik zou overleven. Hoe meer ik erover nadacht, hoe ellendiger ik me voelde. Ik wilde echt niet worden veroordeeld en wilde niets liever dan die plek verlaten. Ik bad steeds maar weer tot God met de woorden: “God! Ik ben nu heel zwak en ik begrijp uw wil niet, maar ik weet dat dit me met uw toestemming overkomt. Verlicht me en leid me, zodat ik standvastig kan staan.” Na mijn gebed herinnerde ik me Almachtige Gods woorden: “Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘Want onze lichte last, die maar voor even is, creëert voor ons een veel zwaarder gewicht van glorie, dat voor eeuwig is.’ Jullie allen hebben deze woorden eerder gehoord, maar niemand van jullie begreep de ware betekenis ervan. Tegenwoordig zijn jullie je diep bewust van hun echte belang. Deze woorden zullen in de laatste dagen door God worden vervuld, en ze zullen worden vervuld in hen die wreed zijn vervolgd door de grote rode draak in het land waar deze opgerold ligt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God, en dus worden de mensen in dit land blootgesteld aan vernedering en vervolging vanwege hun geloof in God, en deze woorden worden als gevolg daarvan vervuld in jullie, deze groep mensen. Omdat het ondernomen wordt in een land dat zich tegen God verzet, heeft al Gods werk te maken met enorme hindernissen, en het vervullen van veel van Zijn woorden kost tijd. Zodoende worden mensen gelouterd als gevolg van Gods woorden, wat ook deel uitmaakt van het lijden. Het is voor God bijzonder moeilijk om Zijn werk uit te voeren in het land van de grote rode draak – maar het is door deze moeilijkheid dat God één fase van Zijn werk uitvoert, waarbij Hij Zijn wijsheid en Zijn wonderbaarlijke daden duidelijk maakt en deze gelegenheid gebruikt om deze groep mensen compleet te maken” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Is het werk van God zo eenvoudig als de mens zich voorstelt?). Nadat ik had nagedacht over Gods woorden, begreep ik dat deze vervolging en beproeving vandaag ervoor waren bedoeld dat ik ze leerde doorstaan. Dit was vervolging omwille van rechtvaardigheid en lijden aan de zijde van Christus. Het was van grote betekenis. Deze arrestatie en vervolging lieten me duidelijk de boosaardige essentie van de grote rode draak zien. De grote rode draak is een vijand van God en een duivel die Hem weerstaat. Deze situatie liet me ook zien hoe de geïncarneerde God werkt en mensen in het land van de grote rode draak redt. Het is beslist heel moeilijk werk. Die gedachte inspireerde me enorm. Ik vond dat ik God niet mocht teleurstellen. Zelfs al sloegen ze me dood, ik was bereid om standvastig te staan en God tevreden te stellen.
Veertien dagen later begeleidde de politie mij en enkele andere broeders en zusters in een politieauto. Ze zeiden dat we waren veroordeeld tot heropvoeding door arbeid en dat ze ons naar een werkkamp brachten. Onderweg dacht ik: ik weet niet hoeveel jaar ik in dat werkkamp zal zijn. Hopelijk niet te lang, zodat ik weg kan, gauw samen kan komen met mijn broeders en zusters, en mijn plicht kan blijven vervullen. In het verleden was ik te frivool en deed mijn plicht niet altijd goed. Ik beloof de waarheid na te streven en mijn plicht goed te doen als ik vrijkom. Toen we aankwamen bij het Gemeentelijke Openbare Veiligheidsbureau, gingen de agenten naar binnen om de vonnissen van heropvoeding door arbeid te halen en die ze ons vervolgens in de auto voorlazen. Enkele broeders en zusters waren veroordeeld tot een jaar of anderhalf jaar, maar ik kreeg drie jaar. Toen ik dat hoorde, voelde ik me verlamd. Ik dacht: drie jaar? Waarom is mijn straf langer dan die van anderen? Hoe overleef ik zo lang? Ik verkeerde in doodsangst en kon het niet aanvaarden. Ik was wanhopig. Maar toen herinnerde ik me Almachtige Gods woorden: “Tijdens het ondergaan van beproevingen is het normaal dat mensen zwak zijn, innerlijk negatief zijn, Gods bedoelingen niet begrijpen, of duidelijkheid ontberen over het beoefeningspad. Maar in ieder geval moet je geloof hebben in Gods werk […]. God doet het werk van vervolmaking aan mensen, en ze kunnen het niet zien, kunnen het niet aanraken; onder zulke omstandigheden is geloof vereist. Wanneer iets niet met het blote oog kan worden gezien, is geloof vereist. Wanneer je je eigen noties niet kunt loslaten, is geloof vereist. Wanneer je geen duidelijkheid hebt over Gods werk, is het vereist dat je geloof hebt, een stevig standpunt inneemt en standvastig staat in je getuigenis. Toen Job dit punt bereikte, verscheen God aan hem en sprak tot hem. Dat wil zeggen: pas als je geloof hebt, zul je God kunnen zien. Wanneer je geloof hebt, zal God je vervolmaken, en als je geen geloof hebt, kan Hij dat niet doen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Nadat ik had nagedacht over Gods woorden, begreep ik dat hoe ellendig en afschuwelijk de omstandigheden ook waren waarmee ik werd geconfronteerd, ik alleen standvastig kon staan als ik in God geloofde. Maar ik had geen geloof in God. Zodra ik hoorde dat ik voor drie jaar werd weggestuurd voor heropvoeding door arbeid, kon ik dat niet aanvaarden. Ik probeerde met God te onderhandelen en deed mijn beklag bij Hem. Ik wilde een lichtere straf en minder lijden. In het verleden had ik tegenover God gezworen dat ik Hem zou volgen ook als dingen moeilijk werden. Maar nu, onder omstandigheden die niet met mijn noties overeenkwamen, werd ik negatief en klaagde ik. Ik was heel opstandig. Ik kon zo niet doorgaan. Ik moest op God vertrouwen om te doorstaan wat komen zou.
In het werkkamp kreeg ik elke dag niet genoeg te eten en moest ik hard werken op een lege maag. Soms moest ik zelfs tot 2.00 of 3.00 uur ’s nachts werken. Zei ik tijdens het werk iets verkeerds of maakte ik een fout, dan sloegen ze me. Telkens als ik terugkwam van het werk, werd ik gemarteld en ongeveer een uur lang opgesloten in de waterruimte. Dat ging zo het hele jaar door. De waterruimte was bijzonder vochtig en na verloop van tijd werden veel mensen ziek. Sommigen kregen schurft, sommigen kregen reuma en ik kreeg uitslag over mijn hele lichaam. Elke nacht had ik zo veel jeuk dat ik niet kon slapen. Ik krabde mezelf zoveel dat ik begon te bloeden, waarbij ik de pas gevormde korsten openkrabde en de huid losliet. Ik zei tegen de hoofdbewaker dat ik een dokter nodig had, maar hij zei nonchalant: “Het is maar uitslag. Je bent in orde. Je kunt er nog steeds mee werken.” Op dat moment voelde ik me bijzonder ellendig. Ik dacht: ik heb dit op zo’n jonge leeftijd gekregen. Wat moet ik doen als het niet weggaat? Ik ben elke dag overwerkt en word door de andere gevangenen geslagen en vernederd. Wanneer stopt deze pijn? Door zulke gedachten voelde ik me nog ellendiger. Ik voelde me vooral gekrenkt als ik zag dat andere broeders samen waren opgesloten en met elkaar konden communiceren en elkaar konden steunen, terwijl ik alleen was met ongelovigen en niemand om me heen had om mee te praten. ’s Nachts rolde ik me vaak op in bed en huilde ik stilletjes. Ik bad tot God: “God, ik voel me hier zo zwak. Verlicht me, zodat ik uw wil kan begrijpen.”
Toen we een keer buiten waren voor lichaamsbeweging, gaf een broeder uit een andere ploeg me in het geheim een pakketje. Ik nam het mee naar de werkplaats en opende het. Er zat een briefje in met daarop Gods woorden. Ik had niet verwacht om Gods woorden in de gevangenis te zien. Ik was heel ontroerd en geïnspireerd. De passage ging als volgt: “De mens zal helemaal compleet worden gemaakt in het Tijdperk van het Koninkrijk. De mens wordt na het overwinningswerk onderworpen aan loutering en verdrukking. Mensen die tijdens deze verdrukking kunnen overwinnen en getuigen, zullen uiteindelijk compleet worden gemaakt; zij zijn de overwinnaars. De mens moet deze loutering tijdens deze verdrukking aanvaarden en deze loutering is de laatste instantie van Gods werk. Het is de laatste keer dat de mens gelouterd zal worden vóór de voleinding van al het werk van Gods management, en allen die God volgen, moeten deze laatste test aanvaarden, en zij moeten deze laatste loutering aanvaarden. Mensen die onder verdrukking gebukt gaan, zijn zonder het werk van de Heilige Geest en de leiding van God, maar mensen die werkelijk overwonnen zijn en die God werkelijk zoeken, zullen uiteindelijk standhouden; zij bezitten menselijkheid en hebben God waarlijk lief. Wat God ook doet, deze overwinnaars zullen de visies niet kwijtraken en zullen de waarheid in praktijk blijven brengen en hun getuigenis behouden. Zij zullen uiteindelijk tevoorschijn komen uit de grote verdrukking” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Gods werk en de praktijk van de mens). Het lezen van Gods woorden ontroerde me. Ik zag dat ik ondanks alle tegenslag in God moest geloven en op God moest vertrouwen om standvastig te staan in mijn getuigenis van Hem. Ik was mijn eigen ploeg, ik had geen broeders om me heen en er waren veel worstelingen en ontberingen. Dit was een test voor mij. Zo kon ik mijn eigen tekortkomingen en mijn ware gestalte zien. Het was ook een kans voor mij om onafhankelijk te zijn, deze situatie te ervaren door op God te vertrouwen en ontbering en pijn te overwinnen. Toen ik zwak was, hielp een broeder me door me Gods woord te geven, wat me enorm inspireerde. Ik wist dat dit Gods liefde was en dat God altijd bij me was om over me te waken en met te beschermen. Die gedachte gaf me de kracht om verder te gaan en gaf me het zelfvertrouwen om deze situatie te doorstaan.
In 2006 kreeg ik ernstige voetschimmel. Mijn tenen waren zo pijnlijk dat ik niet kon lopen. Van de politie kreeg ik geen medische behandeling; ze gaven me alleen wat zalf die mijn voeten niet alleen niet genas, maar alles juist erger maakte. Dat maakte me heel verdrietig en ik voelde dat de ellende en duisternis van die plek onverdraaglijk waren. Niemand hoort zoiets te doorstaan. Maar toen herinnerde ik me een hymne van Gods woorden: “Hebben jullie ooit de zegeningen aanvaard die voor jullie werden voorbereid? Hebben jullie ooit de beloften nagestreefd die voor jullie gemaakt zijn? Onder leiding van mijn licht zullen jullie de wurggreep van de duistere machten doorbreken. Te midden van het donker zullen jullie de begeleiding van het licht niet verliezen. Jullie zullen de meesters over alle dingen zijn. Jullie zullen ten overstaan van Satan overwinnaars zijn. Als het land van de grote rode draak ten onder gaat, zullen jullie onder de veelheid aan mensen staan als bewijs van mijn overwinning. Jullie zullen standvastig en onwankelbaar zijn in het land van Sinim. Door jullie lijden zullen jullie mijn zegeningen erven, en jullie zullen mijn licht van heerlijkheid door het hele universum uitstralen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Gods woorden aan het hele universum, hfst. 19). Nadat ik over deze hymne van Gods woorden had nagedacht, begreep ik Gods goede bedoelingen. Hij wil een groep mensen in het land van de grote rode draak vervolmaken tot overwinnaars die kunnen ontsnappen aan Satans duistere heerschappij, die door God kunnen worden gered en die geschikt zijn om het koninkrijk van God binnen te gaan en Gods beloften te ontvangen. Toen ik daar zorgvuldig over nadacht, besefte ik dat als ik de wrede martelingen van de Communistische Partij en de onmenselijke behandeling in het werkkamp niet had ervaren, ik de boosaardige essentie van de haat en vijandigheid van de Communistische Partij niet duidelijk had kunnen zien, laat staan dat ik die vanuit het diepst van mijn hart had kunnen verwerpen. Zonder de kwellingen in die ellendige omgeving en ontmaskering door de feiten zou ik niet hebben beseft dat ik nog steeds eisen stelde aan God, dat ik nog steeds kon klagen tegen en kon onderhandelen met God als Gods daden niet overeenkwamen met mijn opvattingen, dat mijn gestalte zo klein was en dat ik zo weinig geloof had in God. Had ik al deze kennis en voordelen niet gekregen door deze ellendige omgeving? Dit was Gods genade voor mij! De gedachte aan Gods liefde en redding voor mij gaf me vertrouwen. Ik dacht er ook aan hoe Job zijn kinderen had verloren, over zijn hele lichaam zweren had gekregen en zo veel vleselijk lijden had doorstaan, maar toch zonder te klagen God bleef aanbidden. Dat beetje ziekte en lijden dat ik had doorstaan, was niets vergeleken met Job. Ik moest God gehoorzamen en op Hem vertrouwen om standvastig te staan in mijn getuigenis van Hem. Terwijl ik hierover nadacht, bad ik tot God: “God, hoe erg deze plek ook is of hoezeer mijn lichaam ook lijdt, ik ben bereid om me te onderwerpen. Ik wil niet meer negatief zijn. Ik moet volwassen worden, zodat u zich over mij geen zorgen hoeft te maken.”
In de dagen daarna was er één ding waar ik niet zonder kon: bidden. Als ik moe was van het werk of de pijn ondraaglijk werd en ik me negatief en zwak voelde, bad ik snel tot God. Beetje bij beetje werd ik sterker, voelde ik me minder vaak negatief en zwak, en kon ik deze situatie die God voor me had gekozen op de juiste manier onder ogen zien. Dank aan God! Door te bidden tot God, op God te vertrouwen en te vertrouwen op de leiding van Gods woorden, kon ik die moeilijke drie jaren doorstaan.
Na dit alles te hebben meegemaakt, zag ik duidelijk dat de rode grote draak Satan is, de duivel die God haat en mensen kwaad doet en verderft. Alleen God is liefde en alleen Hij kan mensen redden. Werd ik gemarteld, dan was het Gods woord dat me leidde, me vertrouwen en kracht gaf en me in staat stelde om de wreedheid van de duivel te overwinnen. Het was die ellendige omgeving die van mijn jonge, onwetende en kwetsbare zelf een sterke, volwassen en stabiele man maakte. Ik leerde om op God te vertrouwen en naar Hem op te kijken als ik in de problemen zat. Het gaf me ook de kans om Gods almacht en soevereiniteit te zien, te beseffen dat God er altijd voor me was, aan mijn zijde stond om over me te waken en me te beschermen, en altijd klaarstond om me in alles te voorzien en te helpen. Hoe groot mijn vervolgingen en beproevingen in de toekomst ook mogen zijn, ik ben vastberaden om God te volgen!