25. Nadat ik werd verklikt
Op een dag in 2016 ontving ik opeens een brief waarin ik werd verklikt. Hij was geschreven door twee zusters die ik eerder had ontslagen. Ze meldden dat ik autocratisch en willekeurig had gehandeld in mijn plichten in hun kerk, dat ik twee mensen had bevorderd die valse leiders bleken te zijn en dat een van hen, met de achternaam Zhang, een zondaar was die het werk van de kerk had verstoord nadat ze leider was geworden en bijna het werk van de hele kerk had stilgelegd. In de brief stond ook dat ik niet twee valse leiders zou hebben gekozen en het werk van de kerk niet zoveel zou hebben geschaad als ik toen naar hun raad had geluisterd of meer tijd had genomen om te informeren bij de broeders en zusters. Toen ik die brief las, was ik verbijsterd en een beetje bang. Ik dacht: hoe kan dit? Dit is vast een fout. Ik kon dit feit niet echt aanvaarden. Ik had een slechte dunk van de twee zusters die de brief hadden geschreven en dacht dat ze wraak op me wilden nemen. Ze waren oorspronkelijk leiders van die kerk geweest, maar ze hadden een slecht kaliber en deden geen echt werk. Ze hadden valse leiders beschermd en hun verklikkers veroordeeld en aangevallen, dus ze werden uiteindelijk vervangen. Ik herinnerde me dat ik naar hun mening had gevraagd toen ik Zhang had bevorderd. Ze zeiden alleen maar dat ze een slechte menselijkheid had en niet met anderen kon samenwerken. Ze zeiden nooit specifiek dat ze een zondaar was. Maar nu Zhang was ontmaskerd, verklikten ze me. Waren ze niet gewoon bitter omdat ik ze had verwijderd? Bovendien waren de arrestaties van de CCP toen zo hevig en was de situatie zo zwaar dat we geen fatsoenlijke verkiezingen konden houden en er lange tijd geen geschikte kandidaat kon worden gevonden. Zhang had een iets beter kaliber en meer onderscheidingsvermogen gehad dan de anderen, dus wie kon ik in die situatie anders kiezen? Iemand moest worden gekozen als leider. Ik had ook navraag gedaan bij diverse broeders en zusters toen ik haar bevorderde en niemand had me verteld dat ze een zondaar was. Alle mensen maken fouten in hun plichten. Wie kan iemands essentie meteen goed inschatten? Het is normaal dat ongeschikte leiders worden geselecteerd. Wie kan garanderen dat altijd de juiste persoon wordt gekozen? Waren ze niet gewoon aan het muggenziften? In mijn hoofd bleef ik proberen mezelf te rechtvaardigen. Ik verzette me hevig tegen de verklikkingsbrief. Maar de twee mensen die in de brief werden genoemd, waren inderdaad ontmaskerd als valse leiders, en Zhang was ontmaskerd als een zondaar. Als leiders hadden ze het werk van de kerk en het binnengaan in het leven van Gods uitverkorenen serieus geschaad. Ik kon niet aan de feiten ontkomen toen ik ermee werd geconfronteerd. Met tegenzin gaf ik toe dat ik mensen niet had kunnen doorzien, dat ik arrogant en zelfingenomen was en dat ik mensen blindelings gebruikte. Maar ik begreep mijn eigen problemen niet echt en dacht er niet over na. Ten slotte ging de zaak voorbij.
Toen mijn leider dit hoorde, onthulde hij tot mijn verbazing ook dat ik een zondaar had gebruikt als leider, dat ik niet luisterde naar waarschuwingen en dat ik arrogant en zelfingenomen was. Pas toen kreeg ik enig besef. Had ik echt een fout gemaakt? Was ik echt te arrogant en zelfingenomen? Maar hoe had ik in die situatie anders kunnen handelen? Ik snapte niet wat ik fout had gedaan. Terwijl ik zocht, herinnerde ik me Gods woord: “Hoe meer je het gevoel hebt dat je het goed hebt gedaan op bepaalde gebieden of juist hebt gehandeld, en hoe meer je denkt dat je Gods wil kunt bevredigen of op bepaalde gebieden kunt opscheppen, hoe waardevoller het voor je is jezelf op deze gebieden te kennen en hoe waardevoller het voor je is er diep in te graven om te zien welke onzuiverheden in je bestaan, evenals welke dingen in jou Gods wil niet kunnen bevredigen. […] Dit is omdat wat je denkt dat goed is, datgene is wat je als juist zult beschouwen, en je zult er niet aan twijfelen, er niet over nadenken, of analyseren of er iets in zit wat zich tegen God verzet” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door je eigen verkeerde zienswijzen te kennen, kun je werkelijk transformeren). Gods woord schudde me wakker en gaf me een beoefeningspad. Steeds als ik tijd had, dacht ik erover na en door te zoeken besefte ik dat ik inderdaad te arrogant en zelfingenomen was. Sinds ik de brief had ontvangen, had ik mijn redenen gegeven: de situatie was toen heel zwaar geweest, we konden geen normale verkiezingen houden en er waren geen geschikte kandidaten. Zhang was de beste beschikbare kandidaat en in die context was het geen fout geweest om haar te selecteren. Niemand had kunnen voorspellen dat ze later zou worden ontmaskerd als zondaar. Ik had zeker niet met opzet een zondaar aangesteld om het werk van de kerk te verstoren. Dus ik vond dat ik niets fout had gedaan, dacht niet na over mezelf en probeerde mezelf niet te leren kennen. Ik was heel opstandig en afkerig tegenover de zusters die de verklikkingsbrief hadden geschreven en in mijn hart oordeelde ik zelfs dat ze met opzet iets zochten om me op te pakken. Nu ik eraan terugdenk, hadden die twee zusters toen ik Zhang had gekozen er inderdaad op gewezen dat ze een slechte menselijkheid had. Ik wist ook dat ze bezorgd waren dat de keuze voor een zondaar als leider het werk van de kerk zou schaden, maar ze konden Zhangs essentie toen niet duidelijk zien en durfden haar dus niet direct als zondaar te bestempelen. Maar ik was te arrogant en zelfingenomen, en keek op ze neer. Ik vond dat zij in hun tijd als leiders meestal slechte mensen hadden gekozen. Als zij mensen niet konden beoordelen, hoe nuttig was hun raad dan? Toen ik na veel moeite eindelijk iemand had gevonden om hun werk over te nemen, waren ze het er niet mee eens. Ik dacht dat ze expres zaten te muggenziften, dus ik had helemaal niet naar ze geluisterd. Nu ik mezelf opzij had gezet, had nagedacht en de waarheid had gezocht, besefte ik dat er inderdaad problemen waren met de manier waarop ik leiders koos. Hoewel een normale verkiezing onmogelijk was geweest, had ik instemming moeten vragen van degenen die de waarheid begrepen voor ik een leider selecteerde. Ik had het alleen besproken met mijn collega-zuster en een paar andere mensen gevraagd wat ze van Zhang vonden. De twee zusters die de verklikkingsbrief hadden geschreven, waren het toen niet eens met mijn keuze, maar door mijn vooroordelen tegen hen zocht ik niet verder. Ik vertrouwde simpelweg op mijn subjectieve aannames dat Zhang een geschikte leider was. In deze zaak had ik duidelijk de principes van het bevorderen van mensen tot leiders in Gods huis geschonden. Ik had niet verder gekeken naar ingewijden om Zhangs gebruikelijke prestaties te begrijpen en te verduidelijken. Ook had ik niet gezocht bij degenen die de waarheid begrepen. Belangrijker nog, toen ik verschillende meningen hoorde, was ik arrogant en zelfingenomen. Ik had de suggesties van anderen ontkend en genegeerd, en had zelf autocratisch besloten om Zhang aan te stellen als leider. Ik gedroeg me echt heel dwaas. Gods huis heeft steeds weer benadrukt dat het een groot taboe is om zondaars en bedriegers als leiders te kiezen. Mijn twee zusters hadden gezegd dat Zhang een slechte menselijkheid had. Als ik toen God echt in mijn hart had gevreesd, zou ik het aan meer mensen met volledige kennis van zaken hebben gevraagd, de toestand van Zhangs menselijkheid hebben verduidelijkt en hebben vastgesteld of ze een zondaar was. Als ik het na mijn onderzoek nog niet zeker wist en er verder niemand was die geschikt was, had ik haar kunnen gebruiken terwijl ik haar observeerde. Ik had haar kunnen ontslaan zodra ik ontdekte dat ze geen goede persoon was en niet het juiste pad volgde. Dat zou het werk van de kerk niet hebben verstoord. Als ik ook maar een beetje vrees voor God in mijn hart had gehad, had ik nooit zomaar iemand gekozen als leider en dan gedacht dat alles in orde zou zijn en mijn handen ervan afgetrokken. Ik zag nu in dat wat ik voor juist had gehouden volledig was gebaseerd op mijn eigen ideeën. Het waren mijn noties en verbeelding. Ik was zelfingenomen geweest en had koppig vastgehouden aan mijn eigen ideeën. Het resultaat was dat ik een zondaar ruim een jaar had laten dienstdoen als leider, wat al het werk van de kerk bijna had stilgelegd. Toen besefte ik eindelijk dat ik niet zomaar een kleine fout had gemaakt bij het selecteren van een leider. Ik had kwaad gedaan en me daarmee serieus tegen God verzet. Om te bereiken dat Gods uitverkorenen God volgen, de waarheid nastreven en worden gered, hebben ze een goede leider nodig, maar ik beschouwde het kiezen van een leider helemaal niet als een serieuze zaak. In mijn hart had ik geen enkele vrees voor God. Ik was er niet in geslaagd om een goede leider te kiezen voor mijn broeders en zusters. Sterker nog: ik had een zondaar aangesteld en haar Gods uitverkorenen laten schaden. Ik gaf helemaal niet om de levens van mijn broeders en zusters, en nam er geen verantwoordelijkheid voor. Hoe kon ik een geschikte leider zijn als ik zo’n houding had tegenover mijn plicht? Ik had haastig, roekeloos en onzorgvuldig een leider gekozen, zo arrogant en zelfingenomen dat ik niet luisterde toen anderen me wilden waarschuwen. Ik was autocratisch en willekeurig, en bijgevolg waren het werk van de kerk en het binnengaan in het leven van mijn broeders en zusters ernstig beschadigd. Ik kon die schade onmogelijk herstellen. Ik had een boosaardige leider gekozen voor mijn broeders en zusters, en heel veel kwaad gedaan, en toen mijn twee zusters me verklikten en ontmaskerden, voelde ik geen schuld of spijt. In plaats daarvan had ik geprotesteerd en mezelf verdedigd. Ik was heel koppig en walgelijk!
Daarna begon ik na te denken over waarom ik zo arrogant en autocratisch was dat ik geen raad kon aannemen of de principes van de waarheid niet kon zoeken. Wat voor gezindheid was dat? Hoe zag God de kwestie? Op een dag vond ik deze passage uit Gods woord: “Arrogantie en zelfingenomenheid is de meest opvallende satanische gezindheid van de mens, en als mensen de waarheid niet accepteren, zullen ze die op geen enkele manier kunnen zuiveren. Mensen beschikken allemaal over een arrogante en zelfingenomen gezindheid, en ze zijn altijd verwaand. Wat ze ook denken, of wat ze ook zeggen, of hoe ze de dingen ook zien, ze denken altijd dat hun eigen standpunten en hun eigen houdingen correct zijn, en dat wat anderen zeggen niet zo goed of juist is als datgene wat zijzelf zeggen. Ze houden zich altijd vast aan hun eigen mening, en wie er ook spreekt, ze zullen er niet naar luisteren. Zelfs als wat iemand anders zegt correct is, of in overeenstemming met de waarheid, zullen ze dat niet accepteren; ze zullen alleen maar lijken te luisteren, maar ze zullen het idee niet écht overnemen, en als het tijd is om te handelen, zullen ze de dingen nog steeds op hun eigen manier doen, altijd denkend dat wat ze zeggen juist en redelijk is. Het is mogelijk dat wat jij beweert, inderdaad juist en redelijk is, of dat wat jij hebt gedaan, inderdaad juist en foutloos is, maar wat voor gezindheid heb je dan onthuld? Is dat er niet een van arrogantie en zelfingenomenheid? Als je deze arrogante en zelfingenomen gezindheid niet afwerpt, zal dit dan geen invloed hebben op de uitvoering van jouw plicht? Zal het jouw beoefening van de waarheid niet beïnvloeden? Als je jouw arrogante en zelfingenomen gezindheid niet verandert, zal jouw gezindheid jou in de toekomst dan geen ernstige tegenslagen bezorgen? Tegenslagen zul je zeker ervaren, dit is onvermijdelijk. Zeg me, kan God dergelijk gedrag van de mens zien? God is heel goed in staat om het te zien! God onderzoekt niet alleen de diepten van de harten van de mensen, Hij observeert ook al hun woorden en daden, altijd en overal. Wat zal God zeggen als Hij dit gedrag van jou ziet? God zal zeggen: ‘Jij bent onbuigzaam! Het is begrijpelijk dat je je misschien vastklampt aan jouw eigen ideeën als je er niet van bewust bent dat je je vergist, maar wanneer je zeker wel weet dat je je vergist en nog steeds vasthoudt aan jouw ideeën en zou sterven voordat je berouw toont, dan ben je gewoon een koppige dwaas, en zit je in de problemen. Als je, ongeacht wie een suggestie doet, altijd een negatieve, weerbarstige houding aanneemt en zelfs niet een klein beetje van de waarheid accepteert, en als jouw hart volledig weerstand biedt, gesloten en afwijzend is, dan ben je zo belachelijk, je bent een absurd persoon! Je bent te lastig om mee om te gaan!’ Op welke manier ben je lastig om mee om te gaan? Je bent lastig om mee om te gaan omdat dat wat jij laat zien geen foutieve benadering of foutief gedrag is, maar een uitstorting van jouw gezindheid. Een uitstorting van welke gezindheid? Een gezindheid waarin jij de waarheid zat bent en de waarheid haat. Als je eenmaal bent geïdentificeerd als een persoon die de waarheid haat, zit je in Gods ogen in de problemen en zal Hij je verafschuwen, afwijzen en negeren. Vanuit het perspectief van de mensen geldt dat ze hoogstens zullen zeggen: ‘De gezindheid van deze persoon is slecht, en hij is ongelooflijk koppig, onverzettelijk en arrogant! Deze persoon is moeilijk in de omgang en houdt niet van de waarheid. Hij heeft de waarheid nooit aanvaard en brengt de waarheid niet in praktijk.’ Hoogstens zal iedereen je deze beoordeling geven, maar kan deze beoordeling jouw lot bepalen? De beoordeling die mensen je geven, kan jouw lot niet bepalen, maar er is één ding dat je niet mag vergeten: God onderzoekt de harten van mensen, en tegelijkertijd observeert God elk woord en elke daad. Als God je op deze manier definieert, en zegt dat je de waarheid haat; als Hij niet alleen zegt dat je enigszins over een verdorven gezindheid beschikt, of dat je enigszins ongehoorzaam bent, is dat dan geen zeer serieus probleem? (Dat is zeker serieus.) Dit betekent problemen, en deze problemen komen niet voort uit de manier waarop mensen je zien, of hoe ze je beoordelen, maar uit hoe God naar jouw verdorven gezindheid van het haten van de waarheid kijkt. Dus, hoe ziet God dit? Heeft God alleen bepaald dat je de waarheid haat en niet liefhebt, en blijft het daarbij? Is het zo simpel? Waar komt de waarheid vandaan? Waar staat de waarheid voor? (De waarheid staat voor God.) Denk hier over na: als iemand de waarheid haat, hoe zal God deze persoon dan vanuit Gods perspectief bezien? (Als Zijn vijand.) Is dat geen ernstig probleem? Wanneer iemand de waarheid haat, haten ze God! Waarom zeg ik dat ze God haten? Hebben ze God vervloekt? Verzetten ze zich tegenover God in Zijn aangezicht? Oordeelden of veroordeelden ze Hem achter Zijn rug om? Niet noodzakelijkerwijs. Dus waarom zeg ik dat het uitstorten van een gezindheid die de waarheid haat hetzelfde is als God haten? Dit is niet van een muis een olifant maken, het is de realiteit van de situatie. Dit is vergelijkbaar met de hypocriete farizeeën die de Heer Jezus aan het kruis nagelde omdat ze de waarheid haatten–de gevolgen hiervan waren verschrikkelijk. Wat dit betekent is dat als iemand over een gezindheid beschikt die genoeg heeft van de waarheid en de waarheid haat, deze gezindheid altijd en overal uit hem zal vloeien, en als hij ernaar leeft, zal hij zich dan niet tegen God keren? Als ze worden geconfronteerd met iets dat met de waarheid te maken heeft of het maken van een keuze, als ze de waarheid niet kunnen accepteren, en als ze leven volgens hun verdorven gezindheid, zullen ze zich als vanzelfsprekend tegen God verzetten en Hem verraden, omdat hun verdorven gezindheid er een is die God haat en de waarheid haat” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door vaak vóór God te leven kun je een normale relatie met Hem hebben). Gods woord wees op de essentie en kern van het probleem, vooral deze woorden: “Op welke manier ben je lastig om mee om te gaan? Je bent lastig om mee om te gaan omdat dat wat jij laat zien geen foutieve benadering of foutief gedrag is, maar een uitstorting van jouw gezindheid. Een uitstorting van welke gezindheid? Een gezindheid waarin jij de waarheid zat bent en de waarheid haat.” Die woorden doorboorden mijn hart en raakten me echt diep. Ik had niet verwacht dat de arrogante gezindheid die ik had onthuld in Gods ogen betekende dat ik de waarheid verafschuwde, haatte en niet aanvaardde. Dat is de gezindheid van een zondaar en een antichrist! Als ik door God werd beschouwd als iemand die de waarheid verafschuwt en haat, was ik een duivel, een Satan, die niet kon worden gered. Ik was heel bang. Hoewel ik wist dat ik een arrogante en zelfingenomen gezindheid had, niet snel naar raad van anderen luisterde en daarom overtredingen beging, deed ik niets meer dan dat toegeven. Soms dacht ik zelfs dat arrogantie en zelfingenomenheid gangbare eigenschappen van verdorven mensen waren die niet gemakkelijk konden worden veranderd, dus ik maakte het mezelf gemakkelijk en behandelde het niet als een serieus probleem dat ik moest oplossen. Daarom openbaarde ik in mijn plicht vaak mijn arrogante en zelfingenomen gezindheid, maar ik deed er minachtend over. Ik voelde enkel verdriet en spijt als ik werd gesnoeid en behandeld, en dan hield ik mezelf bewust in, maar daarna openbaarde ik het vaak weer onbewust. Degenen die me kenden, beschouwden me als arrogant en zelfingenomen, en in het werk dat mijn leider me gaf, herinnerde hij me er vaak aan om niet arrogant en zelfingenomen te zijn en om meer te luisteren naar de meningen van anderen, opdat mijn arrogantie en zelfingenomenheid het werk van de kerk niet zouden schaden. Nu, door wat Gods woord openbaarde, zag ik in dat ik arrogant en zelfingenomen was en de waarheid niet aanvaardde. Dus hoe juist of goed de raad van anderen ook was voor het werk van de kerk, ik hield koppig vast aan mijn eigen ideeën. Als iemand communiceerde over de principes van waarheid of suggesties deed, was ik afkerig en verzette ik me ertegen. Dat liet zien dat ik de gezindheid had van een antichrist die de waarheid haatte en verafschuwde. In het begin hadden mijn twee zusters me erop gewezen dat een leider van mijn keuze niet geschikt was, uit angst dat ik een zondaar de kerk zou laten schaden. Toch had ik helemaal niet naar hun raad geluisterd en koppig vastgehouden aan mijn eigen opvattingen. Nu voelden de twee zusters zich niet langer beperkt door mijn positie en schreven ze een brief om mij te ontmaskeren en mijn problemen te verklikken. Ze deden dat om het werk van de kerk te beschermen, maar het diende ook als een waarschuwing aan mij. Maar ik weigerde om die te aanvaarden, erover na te denken of te proberen mezelf te leren kennen, en in mijn hart verafschuwde ik hen. Ik wees hen af, oordeelde over hen en veroordeelde hen zelfs omdat ik dacht dat ze probeerden iets in handen te krijgen om tegen mij te gebruiken. Met die houding deed ik toch niets anders dan de waarheid verafschuwen en haten? Ik dacht aan een passage uit Gods woord: “Waar komt het haten van de waarheid op neer? Is het jezelf tegenover God opstellen? Is het openlijk vijandig zijn tegenover God? Komt het neer op het openlijk tegen God zeggen: ‘Ik hou er niet van om te luisteren naar wat u hebt te zeggen. Als het me niet bevalt dan is het niet de waarheid en zal ik het niet aanvaarden als de waarheid. Het zal alleen de waarheid zijn wanneer ik het erken en het me bevalt.’ Wanneer je deze houding tegenover de waarheid hebt, betekent dit dan niet dat je openlijk vijandig bent tegenover God? Als je openlijk vijandig bent tegenover God, zal God je dan redden? Nee. Dit is precies de reden voor Gods toorn” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Om je plicht te vervullen, is het van het grootste belang om de waarheid te begrijpen). God zegt dat onze houding tegenover de waarheid gelijkstaat aan onze houding tegenover Hem, dus door de waarheid te haten en te verafschuwen, verafschuwde ik God en zag ik Hem als mijn vijand. Dat was een duidelijke manifestatie van een satanische gezindheid. Degenen die de waarheid haten, zijn zondaars, duivels en Satans! Als de raad van mijn broeders en zusters kwam van de verlichting van de Heilige Geest, overeenstemde met de waarheid en bevorderlijk was voor het werk van de kerk, terwijl ik zo arrogant en zelfingenomen was dat ik niet zocht, aanvaardde of me onderwierp, dan ging ik in tegen de verlichting van de Heilige Geest en weerstond ik God. Toen ik dat eenmaal begreep, werd ik nog banger, want ik wist dat mijn probleem heel ernstig was. Het was niet, zoals ik had gedacht, zo simpel als een beetje arrogant en zelfingenomen zijn en de raad van anderen niet aanvaarden. Het probleem had betrekking op mijn houding tegenover het werk van de Heilige Geest en tegenover God, evenals mijn verzet tegenover God.
Later analyseerde mijn leider mijn gedrag ook met de woorden: “Toen je de zondaar bevorderde, herinnerden anderen je eraan dat die persoon ernstige problemen had, maar je luisterde niet en vertrouwde alleen op je eigen opvattingen. Als je opvattingen een basis in Gods woord hebben, dan kun je op jezelf vertrouwen. Maar zo niet, als ze je eigen absurde noties zijn, dan is op jezelf vertrouwen een probleem met je menselijkheid. Je handelde niet volgens principes en het ontbreekt je aan gevoel voor eerlijkheid. Je was irrationeel en onverantwoordelijk.” De communicatie van mijn leider raakte me echt diep in mijn hart. Het was waar dat ik niet alleen een arrogante en zelfingenomen gezindheid had. Ik had ook problemen met mijn menselijkheid en kon mensen niet eerlijk behandelen. Als ik eenmaal mensen had gekozen en van plan was om ze te gebruiken, aanvaardde ik andermans kritiek op hen niet, vooral als ik neerkeek op degenen die suggesties deden of als ze waren ontslagen. Ik haalde mijn neus op voor hun raad en lette er niet op. Ik dacht dat degenen die waren ontslagen omdat ze hun plicht niet goed deden geen goede raad konden geven. In mijn hart had ik die twee zusters volledig verworpen. Ik behandelde en selecteerde mensen op basis van mijn eigen emoties en ideeën. Ik kon mensen niet eerlijk behandelen volgens de principes van waarheid. Het laat zien dat mijn menselijkheid, karakter en gezindheid allemaal problemen hadden. Hoe meer ik erover nadacht, hoe ernstiger ik mijn probleem vond. Vanwege mijn arrogantie en zelfingenomenheid luisterde ik niet naar de raad van mijn zusters over belangrijk werk in de kerk, wat de kerk enorm had geschaad. Gedurende mijn geloof in God was dit weer een kwaadaardige daad, weer een schandvlek. Ik voelde me heel verdrietig en schuldig, en begon me af te vragen waarom ik altijd onbewust kwaad deed en God weerstond. Wat was de onderliggende oorzaak? Gods woord gaf me het antwoord. God zegt: “Als je in je hart de waarheid echt begrijpt, zul je weten hoe je de waarheid moet beoefenen en God moet gehoorzamen. Dan kom je vanzelfsprekend op het pad van het nastreven van de waarheid. Als het pad dat je bewandelt het juiste is, en overeenstemt met Gods wil, zal het werk van de Heilige Geest je niet verlaten. Dan zal de kans steeds kleiner worden dat je God zult verraden. Zonder de waarheid is het gemakkelijk om kwaad te doen, en doe je dat in weerwil van jezelf. Als je bijvoorbeeld een arrogante en verwaande gezindheid hebt, maakt het geen verschil voor je als je te horen krijgt dat je God niet moet trotseren. Je kunt het niet voorkomen, het ligt buiten je macht. Je zou het niet expres doen, je zou het doen omdat je arrogante en verwaande aard over je heerst. Door je arrogantie en verwaandheid zou je op God neerkijken en Hem als onbelangrijk beschouwen, ze zouden je ertoe brengen om jezelf te verheffen, steeds met jezelf te pronken; ze zouden je ertoe brengen om anderen te minachten, ze zouden niemand anders in je hart laten blijven dan jezelf; ze zouden je beroven van een plek voor God in je hart, waardoor je uiteindelijk Gods plaats inneemt en eist dat mensen zich aan je onderwerpen, en ze zouden ervoor zorgen dat je je eigen gedachten, ideeën en noties vereert als de waarheid. Zo veel kwaad wordt gedaan door mensen die in de greep zijn van hun arrogante en verwaande aard!” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door de waarheid na te streven, kan iemand een verandering in gezindheid bereiken). Het was waar. Mijn aard was heel arrogant en onredelijk. Ik dacht altijd dat ik gelijk had, alsof mijn opvattingen en meningen de waarheid waren. Andere mochten me niet in twijfel trekken, laat staan me andere suggesties geven. Betreffende de keuze voor een leider schrijft Gods huis bijvoorbeeld duidelijk voor dat slechte en bedrieglijke mensen niet mogen worden gekozen. Dat is verboden en een heel ernstige kwestie. Toen mijn twee zusters me herinnerden aan Zhangs slechte menselijkheid, vroeg ik er enkele mensen plichtshalve naar en in combinatie met mijn subjectieve aannames wees ik hun raad blindelings af. Broeders en zusters die de waarheid begrepen, vroeg ik niet om raad. Ook verduidelijkte ik het verschil niet tussen iemand met een slechte menselijkheid en iemand die in essentie een zondaar is. Bovendien probeerde ik niet achter de specifieke reden te komen waarom Zhang niet met anderen kon samenwerken, of het door een verdorven gezindheid of een boosaardige menselijkheid kwam. Als het slechts een kwestie van een verdorven gezindheid was en ze de waarheid kon aanvaarden, zou ze veranderen en niet als kwaadaardig kunnen worden beschouwd. Als ze iemand was met een boosaardige menselijkheid die de waarheid haatte en verafschuwde, was ze een zondaar. Hoe ze ook zou worden behandeld voor de kwaadaardige dingen die ze deed, ze zou het niet aanvaarden en ze zou nooit oprecht berouw tonen. Als ik toen de waarheid had gezocht en had gezien dat Zhangs typische gedrag de essentie en kenmerken van zondaars vertoonde, had ik enig inzicht in haar gehad en had ik er niet op gestaan om haar te gebruiken. Dan had ik zulke schade aan het werk van de kerk kunnen vermijden. De gevolgen waren volledig te wijten aan het feit dat ik te arrogant was en niet de waarheid zocht. Als ik God ook maar een beetje had gevreesd en gehoorzaamd, had ik niet zo’n grote fout gemaakt en niet zulk kwaad gedaan. Maar ik was arrogant en zelfingenomen geweest en in deze ernstige zaak van het selecteren van een leider had ik de waarheid niet gezocht en niet geluisterd naar de suggesties van mijn zusters. Ik had een kwaadaardige persoon geselecteerd als leider en het hele werk van de kerk in een verlammende toestand gebracht. Heel veel broeders en zusters hadden geleden en hun leven was geschaad, en ik had een onherstelbare overtreding begaan. Ik was te star en koppig! Vanuit mijn hart verafschuwde een vervloekte ik mezelf. Ik bad tot God en wilde oprecht berouw tonen.
Ik las nog een passage uit Gods woord en vond een beoefeningspad. God zegt: “Hoe moet je over jezelf nadenken en jezelf proberen te kennen, als je iets hebt gedaan dat in strijd is met de principes van de waarheid en wat God onaangenaam vindt? Toen je op het punt stond dat ding te doen, heb je toen tot Hem gebeden? Heb je ooit het volgende overwogen: is het in overeenstemming met de waarheid om dingen op deze manier te doen? Hoe zou God deze zaak bekijken als deze aan Hem zou zijn voorgelegd? Zou Hij blij of geïrriteerd zijn als Hij ervan wist? Zou Hij het verafschuwen of ervan walgen? Dat heb je zeker niet uitgezocht? Zelfs als anderen je erop wezen, dacht je nog steeds dat het niet zo belangrijk was en dat het tegen geen enkel principe indruiste en geen zonde was. Daarmee heb je gedaan Gods gezindheid beledigd en een woede in Hem uitgelokt, zozeer zelfs dat Hij jou veracht. Dit komt voort uit de opstandigheid van de mensen. Daarom moet je in alle dingen de waarheid zoeken. Dat is wat je moet volgen. Als je serieus vóór God kunt komen om vooraf te bidden en dan de waarheid zoekt volgens de woorden van God, dan zul je niet verkeerd gaan. Er kunnen wat afwijkingen in je praktisering van de waarheid voorkomen, maar dat is nauwelijks te vermijden en je zult in staat zijn juist te praktiseren nadat je enige ervaring hebt opgedaan. Als je echter weet hoe je volgens de waarheid moet handelen, maar dit niet in praktijk brengt, dan is jouw afkeer van de waarheid het probleem. Zij die de waarheid niet liefhebben, zullen haar nooit zoeken, wat hun ook overkomt. Alleen zij die de waarheid liefhebben, hebben een godvrezend hart en als er dingen gebeuren die ze niet begrijpen, zijn ze in staat de waarheid te zoeken. Als je Gods wil niet kunt begrijpen en niet weet hoe je moet praktiseren, moet je met mensen communiceren die de waarheid wel begrijpen. Kun je niemand vinden die de waarheid begrijpt, dan moet je een paar mensen met een zuiver begrip zoeken om samen met één geest en één hart tot God te bidden, bij God te zoeken, Gods tijd af te wachten en te wachten tot God een weg voor jullie openlegt. Zolang jullie allemaal verlangen naar de waarheid, de waarheid zoeken en samen communiceren over de waarheid, kan er een tijd komen dat een van jullie met een goede oplossing komt. Als jullie de oplossing allemaal passend vinden en het een goede manier is, dan kan dit te danken zijn geweest aan de verlichting en illuminatie van de Heilige Geest. Als jullie dan samen verder communiceren om met een nauwkeuriger beoefeningspad te komen, dan is dat zeker in overeenstemming met de principes van de waarheid. Als je in je praktijk ontdekt dat jouw manier van praktiseren nog steeds een beetje ongeschikt is, dan moet je dit snel bijstellen. Als je een beetje afwijkt, zal God je niet veroordelen, omdat je bedoelingen met wat je doet kloppen en je volgens de waarheid praktiseert. Je bent gewoon een beetje in de war over de principes en hebt een fout gemaakt in je praktijk, wat je niet kwalijk kan worden genomen. Maar wanneer de meeste mensen iets doen, doen zij dat op basis van hoe zij zich voorstellen dat het gedaan zou moeten worden. Ze gebruiken Gods woorden niet om na te denken over hoe ze volgens de waarheid kunnen praktiseren of hoe ze Gods goedkeuring kunnen verkrijgen. In plaats daarvan denken ze er alleen aan hoe ze zelf kunnen profiteren, hoe ze ervoor kunnen zorgen dat anderen naar hen opkijken en hen bewonderen. Ze doen dingen helemaal vanuit hun eigen ideeën en louter voor hun eigen bevrediging, wat vervelend is. Zulke mensen zullen nooit iets volgens de waarheid doen en God zal hen altijd haten. Als je echt iemand bent met een geweten en verstand, dan zou je, wat er ook gebeurt, vóór God moeten kunnen komen om te bidden en te zoeken, om de motieven en vervalsingen in je daden serieus te onderzoeken, te bepalen wat volgens Gods woorden en vereisten gepast is om te doen en regelmatig te wikken en wegen welke daden God bevallen, welke God tegen de borst stuiten en welke Gods goedkeuring kunnen wegdragen. Je moet in gedachten deze zaken steeds opnieuw doornemen totdat je ze duidelijk begrijpt. Als je weet dat je je eigen motieven hebt om iets te doen, dan moet je nadenken over wat je motieven zijn. Of je er jezelf mee wil behagen, of God, of het jezelf ten goede komt of het uitverkoren volk van God, en welke consequenties het ten gevolge zal hebben … Als je meer zo zoekt en nadenkt in je gebeden en jezelf meer vragen stelt om de waarheid te zoeken, zullen de afwijkingen in je daden steeds kleiner worden. Alleen zij die op deze manier de waarheid kunnen zoeken, zijn mensen die met Gods wil rekening houden en die godvrezend zijn, omdat ze zoeken volgens de vereisten van Gods woorden en met een gehoorzaam hart. De conclusies die je trekt door op deze manier te zoeken, zullen in lijn zijn met de principes van de waarheid” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). Gods woord gaf me de principes om te beoefenen: wat ik ook doe, ik moet een hart hebben dat God vreest en op zoek gaan naar de waarheid en de principes waarnaar ik moet handelen. Vooral in zaken met betrekking tot het werk en de belangen van de kerk kan ik niet blindelings handelen op basis van mijn eigen ideeën. Want als ik de kerk ernstige schaad of het werk van de kerk verstoor, zal ik kwaad hebben gedaan en hebben gezondigd tegenover God. Bovendien kan ik niet in mijn eentje beslissen bij het uitvoeren van mijn plichten, noch dingen op mijn eigen manier doen en autocratisch zijn. Ik moet dingen bespreken met mijn broeders en zusters, meer zoeken en communiceren met broeders en zusters die de waarheid begrijpen, en luisteren naar meningen die verschillen van die van mij. Ongeacht of iemand status, speciale gaven of talenten heeft, moet ik nederig luisteren naar hun raad. Als ik iets niet begrijp, moet ik mijn leider meteen om hulp vragen, helder krijgen welke principes erbij betrokken zijn en leren hoe ik moet handelen in overeenstemming met de waarheid en zonder God te beledigen voor ik actie onderneem. Ik moet ook leren om mezelf te verloochenen. Hoe meer ik denk dat iets juist is, hoe minder ik me eraan kan vasthouden, en ik moet zoeken of het overeenkomt met de principes van waarheid. Dit kan het probleem van arrogantie en zelfingenomenheid oplossen en voorkomen dat ik kwaad doe en Gods gezindheid beledig. Eerder had ik mezelf niet gekend. Ik had geen zelfbewustzijn en was veel te zeker van mezelf. Toen ik zeker was van mezelf, toen ik dacht dat ik het onmogelijk mis kon hebben, en zelfs toen ik een stevige basis had om te denken dat ik gelijk had, lieten de feiten zien dat ik het mis had, dat ik het vreselijk, absurd en verfoeilijk mis had, en de gevolgen waren rampzalig. Pas na deze pijnlijke mislukking zag ik dat in. In het verleden beging ik veel overtredingen vanwege mijn arrogantie. Ik had toen echt gedacht dat ik gelijk had en soms had ik zelfs Gods woorden als basis gebruikt. Later onthulden de feiten echter dat ik het mis had gehad, omdat ik Gods woord en de principes niet echt had begrepen. In plaats daarvan had ik Gods woord lukraak gebruikt en blindelings regels toegepast. Toen ik dat eenmaal besefte, gaf ik vanuit mijn hart toe dat ik de werkelijkheden van waarheid niet had, dat ik mensen en zaken niet duidelijk kon zien en dat sommige van mijn opvattingen absurd en belachelijk waren. Bovendien had ik een laag kaliber, was ik dwaas, dacht ik niet goed over dingen na en begreep ik de waarheid niet. Ik kende alleen enkele doctrines en volgde star enkele regels. Op dat moment was ik ervan overtuigd dat ik volkomen waardeloos was, dat ik arm en zielig was, en ik wilde niet langer volharden in mijn eigen opvattingen.
Sindsdien denk ik terug aan die pijnlijke lessen als anderen suggesties doen die verschillen van die van mij, als ik wil volharden in mijn eigen weg. Ik weet weer hoeveel opvattingen die in mijn ogen zeker juist waren helemaal fout waren wanneer ze werden afgezet tegen de waarheid, en werden veroordeeld door God. Ik durf niet langer te volharden in mijn eigen inzichten en zoek meteen de opvattingen en raad van anderen. Als er zaken worden besproken, wijs ik soms onbewust suggesties van anderen af, maar als ik besef wat ik heb gedaan, vraag ik snel wat de meerderheid denkt om te voorkomen dat ik niet de juiste raad volg en het werk van de kerk schaad. Als ik denk dat ik gelijk heb, durf ik niet meer alleen te beslissen en kan ik mijn collega-broeders en -zusters bewust om raad vragen of hulp zoeken bij mijn leider. Zo voel ik me meer op mijn gemak en voorkom ik bovendien dat ik het werk van de kerk schaad door autocratisch te handelen. Hoewel ik nog steeds een arrogante en zelfingenomen gezindheid kan laten zien, gaat het nu veel beter dan eerst.
Ik ben heel arrogant en zelfingenomen. Als ik denk dat ik gelijk heb, vind ik het moeilijk om mezelf te verloochenen of om te luisteren naar de suggesties van anderen. Zonder het oordeel en de openbaring van Gods woorden, zonder het verklikken en onthullen door mijn broeders en zusters, en zonder God die me steeds weer ontmaskerde en behandelde, zou ik nooit in staat zijn geweest om mezelf te kennen en te verloochenen. Het kleine beetje dat ik nu ben veranderd, het feit dat ik enig verstand en menselijke gelijkenis heb, komt puur door Gods onverdroten werk en is de vrucht van de verlichting en leiding van Zijn woorden. Ik dank God vanuit de grond van mijn hart voor mijn redding.