26. Gezocht maar onschuldig
In mei 2014 verzon de Chinese Communistische Partij (CCP) de ‘zaak Zhaoyuan’ in Shandong om De Kerk van Almachtige God in de val te lokken en te belasteren. Onmiddellijk daarna begon de CCP een ‘Arrestatiegolf van Honderd Dagen’ om leden van De Kerk van Almachtige God te arresteren. Veel broeders en zusters werden gearresteerd. Binnen slechts twee maanden, van september tot november, werden meer dan dertig broeders en zusters in mijn district gearresteerd, de ene na de andere.
Rond die tijd was ik verantwoordelijk voor het werk van meerdere kerken. Onder het spiedende oog van de politie regelde ik elke dag dat broeders en zusters die gevaar liepen konden verhuizen en dat boeken over geloof in God verzonden konden worden. Ik liep het gevaar om elk moment gearresteerd te worden. Op een nacht vertelde een broeder die was gearresteerd en vrijgelaten me dat de politie tijdens zijn verhoor mijn persoonlijke gegevens had genoemd. Ze hadden hem zelfs mijn foto laten zien en gevraagd of hij me kende. De broeder zei dat ik een primair doelwit was om gearresteerd te worden en gaf me de raad om onmiddellijk te vertrekken. Ik dacht: er zijn zo veel broeders en zusters gearresteerd en er is nog steeds veel werk te doen in de nasleep daarvan. Bovendien voelen sommige broeders en zusters zich zwak als gevolg van de arrestaties en vervolging door de grote rode draak. Ze hebben steun en hulp nodig. Ik wacht nog een paar dagen voor ik wegga. Maar mijn broeder bleef aandringen: “Je kunt het best vannacht vertrekken. Blijf hier niet. Er zijn overal camera’s op de weg en zodra de politie de surveillancegegevens doorneemt, zal ze je vinden.” De angst sloeg me plotseling om het hart toen ik dat hoorde. Ik raakte in paniek. Daarom maakte ik gauw een plan voor het resterende kerkelijke werk en vluchtte naar een aangrenzend district.
Een oudere broeder en zuster namen het risico om me te ontvangen. Vanwege de camera’s buiten kon ik het huis niet uit en moest ik binnenblijven. Hun zoon werkte op een school. De overheid had een brief rondgestuurd waarin stond dat onderwijzend personeel en hun familieleden geen religieuze overtuigingen mocht hebben; anders zou men uit zijn functie worden ontheven. De zoon vreesde daarom voor zijn toekomst en verzette zich ertegen dat zijn ouders in God geloofden. De zuster was bang dat haar zoon me thuis zou zien en me zou aangeven bij de politie. Daarom moest ze ervoor zorgen dat ik op zolder kon wonen. Telkens wanneer haar zoon thuiskwam, was ik erg nerveus. Op een keer kwam hij naar boven om iets te halen. Ik was bang dat hij me zou ontdekken en verborg me achter de deur. Ik durfde me niet te bewegen. Net op dat moment kwam er rook van olie uit de keuken naar boven door de schoorsteen en moest ik hoesten. Ik hield snel een deken over mijn hoofd en mond en kon nauwelijks ademen. De zuster had nog een zoon, die naast haar woonde; ik kon zijn televisie horen wanneer het volume hoog stond. Om verborgen te blijven, durfde ik het licht op zolder niet aan te doen en sprak ik meestal zo zacht mogelijk. Het was winter en de kamer was erg koud, maar ik durfde niet naar buiten te gaan om de zon op te zoeken. Na lange tijd werd ik erg neerslachtig en vroeg me af: wanneer zal ik niet langer zo hoeven te leven? Wanneer word ik weer verenigd met mijn familie en kan ik er weer met mijn broeders en zusters op uit om mijn plicht te vervullen? In die tijd bad ik vaak tot God en vroeg Hem mij te begeleiden en te verlichten, zodat ik Zijn wil kon begrijpen en deze omgeving kon leren verdragen. Later las ik een passage uit Gods woorden: “Misschien herinneren jullie je allemaal deze woorden: ‘Want onze lichte last, die maar voor even is, creëert voor ons een veel zwaarder gewicht van glorie, dat voor eeuwig is.’ Jullie allen hebben deze woorden eerder gehoord, maar niemand van jullie begreep de ware betekenis ervan. Tegenwoordig zijn jullie je diep bewust van hun echte belang. Deze woorden zullen in de laatste dagen door God worden vervuld, en ze zullen worden vervuld in hen die wreed zijn vervolgd door de grote rode draak in het land waar deze opgerold ligt. De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God, en dus worden de mensen in dit land blootgesteld aan vernedering en vervolging vanwege hun geloof in God, en deze woorden worden als gevolg daarvan vervuld in jullie, deze groep mensen. Omdat het ondernomen wordt in een land dat zich tegen God verzet, heeft al Gods werk te maken met enorme hindernissen, en het vervullen van veel van Zijn woorden kost tijd. Zodoende worden mensen gelouterd als gevolg van Gods woorden, wat ook deel uitmaakt van het lijden. Het is voor God bijzonder moeilijk om Zijn werk uit te voeren in het land van de grote rode draak – maar het is door deze moeilijkheid dat God één fase van Zijn werk uitvoert, waarbij Hij Zijn wijsheid en Zijn wonderbaarlijke daden duidelijk maakt en deze gelegenheid gebruikt om deze groep mensen compleet te maken” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Is het werk van God zo eenvoudig als de mens zich voorstelt?). Uit Gods woord begreep ik dat vervolging onvermijdelijk is wanneer je in God gelooft in het land waar de CCP regeert, maar dat God zo’n omgeving gebruikt om het geloof van mensen te vervolmaken. Ik dacht terug aan de tijd waarin ik me niet in zo’n omgeving bevond. Ik had gedacht dat ik tegenspoed kon verdragen en dat ik geloof in God bezat. Maar toen ik eenmaal zozeer werd opgejaagd dat ik dakloos was, moest onderduiken en al mijn vrijheid had verloren en ik echt leed, koesterde ik klachten in mijn hart en wilde ik alleen maar ontsnappen. Pas door de openbaarde feiten besefte ik dat ik helemaal geen waar geloof in God had, geen gehoorzaamheid, en dat mijn gestalte heel klein was. Ik dacht er ook aan hoe de CCP in deze paar maanden verwoed woningen doorzocht en mensen arresteerde, het geld van de kerk in beslag nam en veel broeders en zusters hun huizen deed ontvluchten, waardoor hun levens volledig overhoop werd gehaald en waardoor ze zelfs geen plek meer hadden om te wonen. De CCP richtte zo veel kwaad aan door mensen te arresteren en vervolgen. Was het haar doel niet gewoon om te zorgen dat mensen zich van God afkeren en God verraden? Als ik in zo’n omgeving zwak werd, me terugtrok of zelfs maar klaagde, zou ik voor Satans trucjes vallen en mijn getuigenis verliezen. Toen ik dit besefte, voelde ik minder pijn en kwelling in mijn hart. Ik dacht: hoelang ik hier ook moet blijven en hoeveel ik ook moet lijden, ik wil me onderwerpen aan Gods regelingen.
Na een paar maanden leek het erop dat de opsporingen minder intensief werden en ging ik naar een andere stad om mijn plicht te vervullen. Voor de veiligheid knipte ik mijn lange haar af en wanneer ik naar bijeenkomsten ging, droeg ik een hoed, masker en bril. Ik koos smalle straatjes en omwegen en probeerde geen aandacht te trekken. Als ik maar voorzichtig was, dacht ik, zou ik mijn plicht kunnen blijven doen. Het verbaasde me toen mijn leider een paar maanden later op een avond op me af kwam snellen en zei: “De politie heeft je informatie op internet gezet. Ze zoeken je. Het opsporingsbericht is naar de mobieltjes van bewoners van het stadscentrum en een paar omliggende districten gestuurd met de opdracht om jou aan te geven als ze je zien. De politie is erachter gekomen dat je oom het evangelie aan je heeft verkondigd en je oom en tante zijn al gearresteerd. Om veiligheidsredenen kun je er niet meer opuit gaan om je plicht te vervullen.” Later bereikte me het nieuws dat de politie mijn tachtigjarige grootvader had gelokaliseerd en ondervraagd over waar ik was. Ook hadden ze het fysiotherapiecentrum van mijn oom gesloten. Bovendien zocht de politie mijn moeder en zus, zodat ook zij niet naar huis konden. Ik was woedend toen ik dit nieuws hoorde. Mijn geloof in God was juist en gepast. Waarom onderdrukte de CCP mensen die in God geloven zo wreed? Waarom bestond er in China geen rechtvaardigheid en geloofsvrijheid? Mijn oorspronkelijke plan was om in het geheim terug te keren en mijn familie te bezoeken, maar ik had niet verwacht dat ik als gezocht geregistreerd stond of dat mijn familie bedreigd en geïntimideerd zou worden. Ook al had ik een thuis, ik kon niet terug; mijn familie was erbij betrokken en gearresteerd. Ik besefte nu dat ik een gezochte misdadiger was en vroeg me af wat mijn vrienden en familie over me zouden zeggen. Zouden ze denken dat ik iets slechts had gedaan? Hoe zou ik hen nog onder ogen kunnen komen? Terwijl ik hierover nadacht, kon ik mijn tranen niet bedwingen. Hoe meer ik erover nadacht, hoe ellendiger ik me voelde. Ik voelde dat het in China te moeilijk was om in God te geloven. In mijn pijn bad ik tot God: “God! Ik weet niet hoe ik dit moet doorstaan. Geef me alstublieft geloof en kracht en help me uw wil te begrijpen.” Na mijn gebed dacht ik aan het loflied van Gods woord ‘Het meest betekenisvolle leven’, waarin staat: “Je bent een schepsel – uiteraard moet je God aanbidden en een zinvol leven nastreven. Aangezien je een menselijk wezen bent, moet je jezelf uitputten voor God en al het lijden verduren! Je moet het weinige lijden waaraan je tegenwoordig wordt onderworpen blijmoedig en kalm aanvaarden en je moet een zinvol leven leiden, zoals Job en Petrus. Jullie zijn mensen die het juiste pad nastreven, degenen die verbetering zoeken. Jullie zijn mensen die opstaan in de natie van de grote rode draak, degenen die God rechtvaardig noemt. Is dat niet het meest zinvolle leven?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Praktijk (2)). Ik werd tot tranen geroerd toen ik hiernaar luisterde. Het is juist en gepast dat schepsels in God geloven en Hem vereren, en God keurt dit goed. Ik dacht aan Job, die God vreesde en het kwaad schuwde. Al verloor hij zijn kinderen en bezit, werd zijn hele lichaam met zweren bedekt, oordeelden zijn vrouw en zijn vrienden over hem en begrepen ze hem verkeerd, toch behield hij zijn geloof in God, prees God te midden van zijn lijden, stond standvastig in zijn getuigenis van God en vernederde Satan. Of neem Petrus, die zijn hele leven lang God probeerde te kennen en lief te hebben. Hij onderging honderden beproevingen en louteringen, verdroeg zware pijn en werd uiteindelijk omwille van God ondersteboven gekruisigd, waarmee hij een prachtig en klinkend getuigenis schiep. Het is zo betekenisvol om als schepsel standvastig te kunnen staan in je getuigenis van God en de goedkeuring van de Schepper te winnen! Op dat moment werd ik gezocht en achternagezeten door de CCP vanwege mijn geloof in God. Zelfs als mijn familieleden en vrienden me verkeerd begrepen en in de steek lieten, hoefde ik me daarvoor niet te schamen, want ik volgde het juiste levenspad en deed wat het meest rechtvaardig was. Terwijl ik dit overdacht, voelde ik minder pijn en in plaats daarvan was ik trots op mezelf dat ik op deze manier kon lijden.
Op een dag in januari 2016 gaf een zuster me een pak speelkaarten. Ik pakte het aan en zag dat mijn persoonsgegevens en mijn foto erop afgedrukt stonden. Mijn naam, identiteitsnummer en het adres waarop ik ingeschreven was stonden allemaal vermeld. Er stond dat het Bureau voor Openbare Veiligheid mij op internet als voortvluchtige had aangemerkt; als ‘crimineel die verdacht wordt van het organiseren en gebruiken van een sekte om de uitvoering van de wet te ondermijnen’. Op de speelkaarten stond ook een speciaal telefoonnummer om mij aan te geven met de melding dat informanten mogelijk een beloning zouden krijgen. Volgens de zuster verspreidde de politie pakjes speelkaarten met de foto’s en gegevens van mijzelf en nog drie andere zusters die belast waren met kerkelijk werk, samen met de foto’s en gegevens van moordenaars en dieven. Later vernam ik van mijn broeders en zusters dat ze een opsporingsposter van me hadden gezien op de grote schermen buiten het treinstation en op het mededelingenbord bij de ingang van het Bureau voor Openbare Veiligheid. Ik was domweg verbijsterd toen ik dit allemaal hoorde. Ik wilde vragen: “Welke wet heb ik overtreden? Waarmee heb ik de wet overtreden? Waarom gebruiken jullie zulke gewetenloze methoden om mij op te jagen en te vangen?” Onwillekeurig werd ik aan een passage uit Gods woord herinnerd: “Duizenden jaren lang is dit het land van vuil geweest. Het is ondraaglijk smerig, ellende heerst alom, geesten waren overal ongebreideld rond met trucjes en misleiding, ze doen ongefundeerde beschuldigingen,[1] zijn meedogenloos en kwaadaardig, vertreden deze spookstad en laten de plaats bezaaid met dode lichamen achter; de stank van ontbinding bedekt het land en doordringt de lucht, en het wordt zwaar bewaakt.[2] Wie kan de wereld voorbij het uitspansel zien? De duivel knevelt het lichaam van de mens, versluiert beide ogen en sluit zijn lippen stevig toe. De koning van de duivels raast al enkele duizenden jaren, tot op de dag van vandaag, en houdt nog steeds de spookstad nauwlettend in de gaten, alsof deze een ondoordringbaar paleis van demonen was; deze horde waakhonden staren inmiddels met loerende ogen, ontzettend bang dat God ze onverhoeds zal vangen en ze allemaal zal wegvagen, zonder ze een plek van vrede en geluk te gunnen. Hoe kunnen de mensen van een spookstad zoals deze God ooit hebben gezien? Hebben zij ooit de genegenheid en liefde van God genoten? Welke waardering hebben zij voor de kwesties van de mensenwereld? Wie van hen kan Gods hunkerende wil begrijpen? Het is dan ook niet verwonderlijk dat de vleesgeworden God volslagen verborgen blijft: hoe zou de koning van de duivels die mensen vermoordt, zonder maar met een oog te knipperen, in een duistere samenleving zoals deze, waar de demonen meedogenloos en onmenselijk zijn, het bestaan van een God kunnen tolereren die liefdevol, vriendelijk en tevens heilig is? Hoe zou hij de komst van God kunnen verwelkomen en toejuichen? Deze lakeien! Zij betalen vriendelijkheid terug met haat, al heel lang geleden zijn zij God als vijand gaan bejegenen, zij mishandelen God, zij zijn beestachtig tot in het extreme, zij hebben geen greintje achting voor God, zij plunderen en roven, hun geweten is helemaal zoek, zij zijn onverenigbaar met welke vorm van geweten dan ook, en zij verleiden de onschuldigen tot gevoelloosheid. Voorvaderen van de alouden? Geliefde leiders? Zij keren zich allemaal tegen God! Hun bemoeienis heeft alles onder de hemel in een toestand van duisternis en chaos achtergelaten! Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken!” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). Gods woorden openbaarden de ware aard van de grote rode draak. De CCP is een vijand van God, een duivel die zich tegen God verzet en Hem haat, en de plek waarover ze heerst is het hol van de duivel Satan. Ze weigert het gewoon God te laten bestaan, en al helemaal staat ze het mensen niet toe om in de ware God te geloven en het juiste pad te volgen. Daarom kenmerkt ze het christendom als een ‘sekte’ en de Bijbel als ‘sektarische lectuur’, en arresteert ze christenen zo meedogenloos. Om Gods werk van de laatste dagen uit te bannen en om De Kerk van Almachtige God in de val te lokken en verdacht te maken, verzint ze allerlei geruchten en strafzaken, vervolgt mensen die in God geloven, geeft opdracht hen te arresteren alsof ze de gruwelijkste misdadigers waren, misleidt mensen die de feiten niet kennen en spoort hen aan om gelovigen te haten en zich bovendien tegen God te verzetten. De CCP vertelt echt elke denkbare leugen en verricht elk denkbaar kwaad! Toen ik dit eenmaal begreep, sterkte dit mijn vastberadenheid om de grote rode draak te verzaken en God tot het einde te volgen! Later hoorde ik van mijn leider dat de twee zusters die samen met mij op de speelkaarten als gezocht stonden vermeld, waren gearresteerd en vier jaar cel hadden gekregen.
Vier maanden later loofde de politie nog 10.000 yuan extra uit voor mijn arrestatie. Een zuster in mijn woonplaats stuurde me een brief waarin stond dat de partijsecretaris van het dorp het gerucht verspreidde dat ik vanwege mijn geloof in God mijn familie niet meer wilde zien en de overheid tegenwerkte. Na verloop van tijd werden de geruchten steeds wilder. Sommige mensen zeiden dat ik gek was geworden of in drugs handelde. Toen de mensen in nabije dorpen die geruchten hoorden, belasterden en veroordeelden ze me allemaal. Mijn jongere broer vond de geruchten zo onverdraaglijk en was zo bezorgd over mij dat hij huilde en mij wilde komen zoeken. Toen ik dit nieuws hoorde, kon ik mezelf niet bedaren en mijn tranen niet tegenhouden. Ik wilde zielsgraag voor mijn familie en vrienden staan en uitleggen dat ik in de ware God geloofde, het juiste pad volgde en niets illegaals had gedaan. Ik wilde direct naar mijn broer snellen, hem troosten en zeggen dat hij zich over mij geen zorgen moest maken. Maar als ik terug zou gaan zoals het er nu voor stond, zou de politie mij ongetwijfeld arresteren en zou ik ook de broeders en zusters met wie ik contact had in gevaar brengen. Zenuwachtig ijsbeerde ik door de kamer. Hoe meer ik over deze dingen nadacht, hoe minder goed het me lukte om stil te zitten. Uiteindelijk besloot ik het risico te nemen en mijn broer te bellen.
Ik wist dat het mobieltje van mijn broer waarschijnlijk door de politie werd afgetapt, maar ik wilde alleen maar met hem praten, dus om zulke kleinigheden maalde ik niet. Ik vermomde mezelf en fietste naar een plek op tientallen kilometers afstand om hem te bellen. Tot mijn verbazing kreeg ik geen verbinding. Ik wilde niet opgeven en probeerde het dus opnieuw, maar met hetzelfde resultaat. Plotseling had ik een vaag besef dat dit waarschijnlijk Gods tussenkomst was. Als het mobieltje van mijn broer afgetapt werd, liepen we beide gevaar. Met dit in gedachten bad ik tot God: “God! Vandaag ben ik bijna in een van Satans listen getrapt. Had u me niet op tijd tegengehouden, dan had ik waarschijnlijk gevaar gelopen. God, u kent mijn zwakheden. Leid me, wijs me alstublieft de weg en geef me geloof en kracht…” Toen ik terugkeerde naar het huis van mijn gastgezin om godsdienstoefeningen te doen, las ik een passage uit Gods woorden: “Degenen naar wie God verwijst als ‘overwinnaars’ zijn degenen die nog altijd standvastig kunnen staan in hun getuigenis, en die hun oorspronkelijke vertrouwen en hun toewijding aan God kunnen behouden terwijl ze onder invloed van Satan staan en door Satan worden belegerd – dat wil zeggen: wanneer ze zich onder de duistere machten bevinden. Als je ten overstaan van God, wat er ook gebeurt, nog altijd een zuiver hart kunt behouden en je oprechte liefde voor God kunt behouden, sta je standvastig in je getuigenis ten overstaan van God. Dit is waar God naar verwijst met een ‘overwinnaar’ zijn” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Je moet je trouw aan God in stand houden). Uit Gods woord begreep ik dat God in de laatste dagen een groep overwinnaars maakt. Hoeveel pijn of loutering ze ook verdragen, of hoe de machten van Satan hen ook hinderen en aanvallen, ze zijn in staat hun geloof in God te behouden en God tot het einde toe te volgen. Toen dacht ik eraan dat, toen ik werd belasterd, ik negatief en zwak werd omdat ik bang was dat mijn reputatie verwoest zou worden. Ook was ik bang dat mijn jongere broer het niet zou begrijpen, dus om hem gerust te stellen veronachtzaamde ik de veiligheid van mijn broeders en zusters. Ik zag in dat ik geen geloof had en God niet trouw was. Verloor ik mijn getuigenis niet door dit te doen? De grote rode draak maakte jacht op mij alsof ik een misdadiger was. Hij jutte iedereen op om me aan te vallen en te belasteren en zorgde ervoor dat mijn familie me verkeerd begreep. Deze dingen deed hij willens en wetens om mij negatief en zwak te maken en me te dwingen God te verraden. Ik mocht de doortrapte trucjes van de grote rode draak niet laten slagen. Toen ik dit eenmaal besefte, nam ik een besluit: onder beleg van Satan zou ik standvastig staan in mijn getuigenis om God tevreden te stellen – ik zou de grote rode draak vernederen!
Ziekte was ook een probleem dat me tijdens mijn vlucht kwelde. Op mijn vijftiende was een lobectomie van mijn linkerlong uitgevoerd. Ook mijn rechterlong was niet erg goed. De dokter zei destijds dat ik meer frisse lucht moest inademen en goed in beweging moest blijven om mijn longcapaciteit te verbeteren. Maar omdat de politie me zocht, was ik gedwongen om me lange tijd binnenshuis te verbergen. Ik kon niet naar buiten voor frisse lucht. Ik had niet eens de gelegenheid om op een balkon aan beweging te doen. Ik moest heel voorzichtig zijn wanneer ik nu en dan het raam opende voor wat frisse lucht: als de buren me zouden ontdekken, bracht ik niet alleen mezelf maar ook de broeders en zusters die me herbergden in gevaar. Na lange tijd in zo’n omgeving, verslechterde mijn lichamelijke conditie. Er was binnen geen luchtcirculatie, waardoor mijn ademhaling steeds moeilijker werd. Mijn borst voelde verstopt en na een tijdje begon mijn long pijn te doen en moest ik vaak hoesten. Wanneer ik knielde en bad, voelde het alsof er vloeistof op het punt stond uit mijn mond te lopen. Sliep ik op mijn zij, dan voelde ik de vloeistof in mijn long bewegen. Het werd nog erger en ik begon bloed op te hoesten. Mijn broeders en zusters raadden me aan om naar het ziekenhuis te gaan, maar om dat te doen en een dokter te spreken zou ik me moeten registreren met mijn identiteitskaart. Ik was een voortvluchtige; als er dus iets gebeurde, zou niet alleen ik gearresteerd worden, maar zouden ook de broeders en zusters die voor me gezorgd hadden erbij zijn. Daarom durfde ik niet naar het ziekenhuis. Een paar broeders en zusters brachten me traditionele Chinese geneesmiddelen, maar daar werd ik niet beter van. Ik hoestte nog altijd bloed op. Ik kon niet eten en mijn lichaam werd steeds zwakker. Ik was een beetje bang: als ik mijn kwaal onbehandeld liet en deze erger werd, zou ik dan niet op een gegeven moment ophouden met ademen en stikken? Zou dat niet betekenen dat mijn hoop op redding en een prachtige bestemming verkeken was? Zouden die jaren van verzaken, me inzetten en hard werken binnen mijn geloof in God dan niet allemaal voor niets zijn geweest? Ik wilde beslist niet sterven. Toen ik zag dat mijn toestand met de dag erger werd en dat ik bloed ophoestte, kon ik niet anders dan huilen en voelde ik me volslagen ellendig.
Later zocht ik naar delen van Gods woord die van toepassing waren op mijn gesteldheid. Ik vond deze passage: “Job sprak niet over handel met God en deed geen verzoeken of eisen aan God. Zijn lof voor Gods naam was vanwege de grote macht en gezag van God in het besturen van alle dingen, en was niet afhankelijk van het feit of hij zegeningen had gekregen of door rampspoed werd getroffen. Hij geloofde dat, ongeacht of God mensen zegent of rampspoed over hen brengt, Gods macht en gezag niet zullen veranderen, en dat daarom, ongeacht iemands omstandigheden, Gods naam geprezen moet worden. Dat de mens is gezegend door God is vanwege Gods soevereiniteit, en wanneer de mens een ramp overkomt, is het ook vanwege Gods soevereiniteit. Gods macht en gezag heersen over alles van de mens en bepalen dit; de grillen van het geluk van de mens zijn de manifestatie van Gods macht en gezag, en ongeacht iemands standpunt zou Gods naam geprezen moeten worden. Dit is wat Job in de jaren van zijn leven heeft meegemaakt en heeft leren kennen. Alle gedachten en handelingen van Job kwamen God ter ore, belandden bij God en werden door God als belangrijk gezien. God koesterde deze kennis van Job en koesterde Job vanwege het hebben van zo’n hart. Dit hart wachtte altijd op Gods gebod, overal, het maakte niet uit op welk tijdstip of welke plek, het wachtte op wat hem toekwam. Job stelde geen eisen aan God. Wat hij van zichzelf eiste, was het afwachten, accepteren, aanschouwen en gehoorzamen van alles wat van God kwam; Job geloofde dat dit zijn plicht was en dat was precies wat God wilde” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf II). Na het lezen van Gods woorden begreep ik Gods wil een klein beetje. Dat mijn ziekte erger werd, gebeurde met Gods toestemming. Het was Gods proef voor mij om te zien of ik waar geloof en ware gehoorzaamheid had. Maar wanneer ik pijn leed, dacht ik alleen maar aan mijn eigen leven, sterven en uiteindelijke bestemming. Ik was bang dat ik niet zou worden gered als ik zou sterven. Ik zag dat ik alleen maar in God geloofde om zegeningen te verkrijgen, dat ik probeerde het op een akkoordje te gooien met God, dat ik niet het geweten en de rede had die een schepsel hoort te hebben en dat ik God volslagen ongehoorzaam was. Ik dacht aan Job. Of God hem nou grote rijkdom gaf of Satan toestond hem alles af te nemen, hij prees de naam van God en geloofde dat God rechtvaardig is, of Hij nou geeft of neemt. Jobs geloof in God was niet verwaterd door persoonlijke drijfveren; hij hield geen rekening met zijn eigen belangen, winsten of verliezen. Wat God ook deed, Job kon de positie van een schepsel innemen en God eenvoudigweg gehoorzamen. Gehoorzaam zijn aan God was belangrijker voor hem dan zijn eigen leven. Vooral Jobs menselijkheid, geweten en rede beschaamden me. Tot dusver had ik in mijn geloof in God geprobeerd met God te onderhandelen en was ik nog steeds erg opstandig en verdorven. Al zou ik echt aan mijn ziekte overlijden, dan zou dat Gods rechtvaardigheid zijn. Toen ik dit inzag, wist ik hoe ik met ziekte en dood moest omgaan. Ik dacht: hoe mijn ziekte zich ook ontwikkelt, ik vertrouw mijzelf toe aan Gods handen en onderwerp me aan Gods regelingen.
Op een ochtend in november 2016, net toen ik wilde opstaan, begon mijn long pijn te doen. Het kostte me zo’n tien minuten en al mijn kracht om omhoog te komen en op het hoofdeinde te leunen. Op dat moment kwam de ijzige wind het raam binnen en voelde ik me echt wanhopig. Ik kon het niet helpen om te huilen. Na een tijdje werd ik kortademig, mijn hart ging sneller kloppen, mijn hele lichaam raakte gespannen, het kostte me grote moeite om in en uit te ademen en mijn hele lichaam voelde ongemakkelijk. Het voelde alsof ik op elk moment kon stikken en ik dacht dat ik het deze keer misschien niet zou overleven. Toen mijn zusters me zo zagen, waren ze zo bezorgd dat ze niet wisten wat te doen. Daarom lieten ze een zuster komen die een kliniek had. Ze gaf me in alle haast een intraveneus infuus, maar zelfs na het inbrengen van de naald werd de vloeistof niet opgenomen, omdat mijn bloed bijna niet meer circuleerde. Ze verloor alle hoop, liep naar de deur van de kamer, schudde haar hoofd en zei: “We kunnen niets doen.” Een paar zusters keerden zich af en veegden in stilte tranen weg. Ik wist dat ik op het punt stond te sterven en was wat bang. Ik was bang dat ik, als ik stierf, de verwezenlijking van het koninkrijk niet zou zien. Op dat moment kwamen steeds Jobs woorden in me op: “Jehova heeft gegeven en Jehova heeft genomen. De naam van Jehova zij gezegend” (Job 1:21). Ook dacht ik aan de passage uit Gods woord die ik eerder had gelezen: “Wanneer je geconfronteerd wordt met lijden, moet je in staat zijn je niet druk te maken over het vlees en geen klachten te uiten tegen God. Wanneer God Zich voor je verbergt, moet je het geloof kunnen hebben om Hem te volgen, om je vorige liefde te behouden zonder deze te laten haperen of verdwijnen. Wat God ook doet, je moet je aan Zijn plan onderwerpen en bereid zijn je eigen vlees te vervloeken in plaats van klachten over Hem te uiten. Wanneer je voor beproevingen staat, moet je God tevredenstellen, hoewel je misschien bitter zult wenen of zult aarzelen om afstand te doen van een geliefd object. Alleen dit is ware liefde en geloof” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Gods woord inspireerde me enorm. Eerder was ik al bang geweest voor de dood en was God daarom volkomen ongehoorzaam geweest, maar deze keer kon ik niet langer in opstand komen tegen God. Al zou ik sterven, ik had niets te klagen. Ik ben een schepsel en moet God dus gehoorzamen. Bovendien had ik het geluk dat ik Gods evangelie van de laatste dagen had aanvaard en waarheden had gehoord die de heiligen van alle voorbije tijdperken nooit hadden gehoord. Dit was al Gods genade en gratie voor mij. Al stond ik op het punt te sterven, ik had niettemin God te danken! Daarom bracht ik met moeite twee woorden uit – papier, pen. De zusters brachten dat snel en ik steunde op hen en gebruikte al mijn kracht om in het notitieboek te schrijven: ‘God is eeuwig rechtvaardig! Hij verdient eeuwig onze lof!’ Zodra ik ophield met schrijven en de pen losliet, werd mijn zicht langzaam waziger.
De zusters huilden en hielden mijn hand vast. Ze moedigden me aan om me op God te verlaten en vol te houden. Maar gezien de feiten voelde ik dat ik het echt niet meer kon volhouden, dat het leven onmogelijk was. Het voelde alsof mijn hart geleidelijk naar de bodem van de oceaan zonk. De geluiden om me heen vervaagden. Maar net toen ik voelde dat er geen hoop was, schoot me een passage uit Gods woorden haarscherp te binnen: “Wanneer iets niet met het blote oog kan worden gezien, is geloof vereist. Wanneer je je eigen noties niet kunt loslaten, is geloof vereist. Wanneer je geen duidelijkheid hebt over Gods werk, is het vereist dat je geloof hebt, een stevig standpunt inneemt en standvastig staat in je getuigenis. Toen Job dit punt bereikte, verscheen God aan hem en sprak tot hem. Dat wil zeggen: pas als je geloof hebt, zul je God kunnen zien. Wanneer je geloof hebt, zal God je vervolmaken, en als je geen geloof hebt, kan Hij dat niet doen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). De verlichting van Gods woord gaf me veel troost en bemoediging. Mijn leven komt van God en of ik die dag zou leven of sterven lag in Gods handen. Zonder Gods toestemming konden noch Satans boze machten noch ziekte me mijn leven afnemen. Zolang ik nog kon ademen, mocht ik niet opgeven en mocht ik de hoop in God niet verliezen. Ik bad tot God: “God! Hoewel ik vandaag de dood onder ogen zie, heb ik diep vanbinnen gevoeld dat u altijd bij mij bent. God, ik wil mezelf volledig aan u toevertrouwen en ik leg mijn leven en dood volledig in uw handen! Ik geloof dat u rechtvaardig bent, wat u ook doet. Ik ben in dit leven voor u verschenen en heb enige kennis over u verworven, dus al sterf ik, ik heb niets om over te klagen en geen spijt. Sterf ik vandaag niet en kan ik blijven leven, dan wens ik vanaf vandaag de waarheid na te streven, mijn plicht goed te doen en uw grote liefde terug te betalen.” Op dat moment draaide een zuster de lofzang “Pure liefde is zonder smet”. “‘Liefde’, zoals het wordt genoemd, verwijst naar een genegenheid die puur en smetteloos is, waarbij je je hart gebruikt om lief te hebben, te voelen en attent te zijn. In de liefde zijn er geen voorwaarden, zijn er geen belemmeringen en is er geen afstand. In de liefde is er geen argwaan, geen bedrog en geen sluwheid. In de liefde zijn er geen transacties en is er geen enkele onzuiverheid. Als je liefhebt, zul je jezelf graag toewijden, zul je graag tegenspoed ondergaan, zul je verenigbaar zijn met mij […]” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren). Na het horen van deze liedtekst voelde ik een groot zelfverwijt. Na al zo lang in God te hebben geloofd, had ik niets van Gods woord in praktijk gebracht, laat staan dat ik God echt had liefhad. Op dat moment, of ik nou zou leven of sterven, wilde ik alleen maar gehoorzaamheid aan God nastreven. Terwijl ik Gods woorden overdacht, gebeurde er een wonder. Zonder dat ik het merkte, ging ik geleidelijk makkelijker ademen. Ik ademde minder snel in en uit en mijn hart werd veel kalmer. Toen de zusters zagen dat ik beter was geworden, dankten ze God verheugd. Ik zag werkelijk Gods wonderbaarlijke daden. Hoewel ik weer normaal kon ademen, was mijn lichaam sterk uitgeput. Mijn zusters raadden me daarom nog steeds aan om naar het ziekenhuis te gaan. Een van hen gaf me haar identiteitskaart, maar ik was bang om haar erbij te betrekken. Ze hield mijn hand vast en zei: “Laten we samen tot God bidden. Wat nu van belang is, is naar het ziekenhuis gaan. Bid gewoon tot God om volharding en alles komt goed.” Ik was zo ontroerd dat ik niet wist wat te zeggen. Ook had ik niet de kracht om iets te zeggen; ik kon alleen knikken en wist dat dit alles door Gods liefde kwam. Na aankomst in het ziekenhuis, had de dokter enige twijfel over mijn identiteitskaart. Maar mijn echte identiteit werd niet nauwgezet nagegaan en de behandeling verliep relatief vlekkeloos. Mijn toestand werd stukje bij beetje beter en ongeveer een week later werd ik uit het ziekenhuis ontslagen.
Na mijn ontslag uit het ziekenhuis hervatte ik mijn onderduikleven. Omdat de broeders en zusters om mij heen vaak gearresteerd werden, moest ik vaak hals over kop verhuizen, wat me vreselijk zwaar viel. Tijdens het verhuizen moest ik een masker dragen om niet door camera’s herkend te worden, maar dat bemoeilijkte het ademhalen. Op een keer, toen ik met een masker op langs de weg snelde, kreeg ik geen adem. Het kostte me grote moeite om de bus in te komen. Die zat vol mensen en de lucht was zo bedompt dat ik diep naar adem hapte. Mijn borstkas voelde pijnlijk beklemd aan en zonder dat ik het kon helpen sperden mijn ogen zich wijd open. Ik voelde dat als ik de bus niet uitging, ik daar zou kunnen sterven. Ik bad onophoudelijk en riep God aan in mijn hart. Na een lange tijd kon ik wat makkelijker ademen. Na zo vaak te zijn verhuisd voelde ik me zwak. Ik was bang dat mijn lichaam het niet aan zou kunnen en dat deze kwelling, als die nog langer zou duren, mijn dood zou betekenen. Later las ik een passage uit Gods woorden: “In deze fase van het werk wordt van ons het uiterste aan geloof en liefde gevergd. We kunnen struikelen door de geringste onoplettendheid, want deze fase van het werk is anders dan alle voorgaande: wat God vervolmaakt, is het geloof van de mensen, dat zowel onzichtbaar als ontastbaar is. Wat God doet, is woorden omzetten in geloof, liefde en leven. Mensen moeten een punt bereiken waarop ze honderden louteringen hebben verdragen en een geloof hebben dat groter is dan dat van Job, wat van hen vereist dat ze ongelooflijk lijden en allerlei martelingen verdragen zonder God ooit te verlaten. Wanneer ze gehoorzaam zijn tot de dood en een groot geloof in God hebben, is deze fase van Gods werk voltooid” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het pad … (8)). Het is waar: het pad van God volgen is per definitie oneffen en moeilijk begaanbaar. De vervolging van christenen door de CCP is nooit verminderd. Als we in God geloven, lopen we het gevaar om op elk moment gearresteerd, gemarteld of zelfs gedood te worden. Maar God gebruikt zulke omgevingen om ons geloof te vervolmaken. Als iemand die in God gelooft en Hem volgt, wist ik dat ik deze vervolging en tegenspoed moest verduren. Zodra ik hieraan dacht, kreeg ik nieuw geloof.
Terugkijkend op mijn jaren van geloof in God, zie ik dat de CCP verschillende methoden heeft gebruikt om mij stapje voor stapje een dood spoor op te duwen. Maar Gods woorden hebben mij altijd de weg gewezen en verlicht. Tegenwoordig heb ik enig inzicht in de demonische essentie van de CCP en heb ik enig begrip verworven van de verwaterde manier waarop ik zegeningen zocht in mijn geloof. Ook heb ik geleerd hoe ik redelijk moet zijn tegenover God en heb ik Gods wonderbaarlijke daden gezien. Toen ik me op het randje van de dood bevond, begeleidde God me, zodat ik volhardde en overleefde, en mijn geloof in God werd sterker. Dit is allemaal winst die ik in een comfortabele omgeving nooit had kunnen verkrijgen. Ik neem me voor dat hoe erg de CCP me ook vervolgt en hoe moeilijk het ook wordt, ik God zal volgen, mijn plicht goed zal vervullen en Gods liefde zal terugbetalen.
Voetnoten:
1. “Ze doen ongefundeerde beschuldigingen” verwijst naar de methoden waardoor de duivel mensen schade toebrengt.
2. “Zwaar bewaakt” geeft aan dat de methoden waardoor de duivel mensen leed berokkent bijzonder kwaadaardig zijn en mensen zozeer onder de duim houden dat ze geen ruimte hebben om te bewegen.