54. Egoïsme is verachtelijk

Door Yang Shuo, China

Begin dit jaar bood ik samen met zuster Zhang ondersteuning aan een pas opgerichte kerk. Zuster Zhang was nieuw in het geloof en had niet veel levenservaring, maar ze was van goed kaliber en streefde actief de waarheid na. Ik wilde haar zo snel mogelijk vormen, zodat het werk van de kerk soepeler zou lopen. Bewust betrok ik zuster Zhang bij de verschillende projecten binnen de kerk en als ik tekortkomingen bij haar opmerkte, hielp ik haar. Na een periode van training boekte zuster Zhang flinke vooruitgang. Een paar maanden later werd ze echter bevorderd en overgeplaatst. Ik zag er tegenop haar te laten gaan en had het gevoel dat ik mijn rechterhand verloor. Ik dacht eraan hoe ik voortaan al het werk in de kerk alleen zou moeten doen. Harder werken was één ding, maar als mijn prestaties eronder zouden lijden, wat zouden de mensen dan van me denken? Toen bedacht ik me dat het goed zou zijn voor de kerk als zij een grotere werklast op zich kon nemen. Ik moest niet zo egoïstisch zijn. Na het vertrek van zuster Zhang zou ik wel iemand anders kunnen vormen.

Niet lang daarna organiseerden enkele kerken in de omgeving een bijeenkomst waar begieters hun ervaringen konden samenvatten en delen. De leider vroeg mij om een begieter uit te kiezen voor die bijeenkomst. Ik dacht toen zuster Wang aan te bevelen, want zij was een effectieve begietster en zeer nauwgezet en verantwoordelijk. Als ik haar naar de bijeenkomst liet gaan, zou ze bij terugkomst nog meer broeders en zusters kunnen vormen. Het begietingswerk van de kerk zou nog effectiever zijn, en dat zou positief op mij afstralen. Dus ik stuurde zuster Wang naar de bijeenkomst. Maar een paar dagen na zuster Wangs terugkeer van de bijeenkomst bleef de leider haar opzoeken. Ik vroeg me af: gaat de leider zuster Wang een promotie geven? Zij is zo belangrijk voor het begietingswerk van onze kerk. Zal ons begietingswerk er niet onder lijden als zij vertrekt? En wat zullen de broeders en zusters dan van me denken? Als ik dit had geweten, had ik haar nooit naar die bijeenkomst laten gaan. Later vertelde zuster Wang me dat een andere kerk dringend behoefte had aan begietingswerkers en dat de leider van plan was haar over te plaatsen. Ik ging hier niet graag in mee, maar ik was bang dat de leider, als ik niet instemde, zou zeggen dat ik egoïstisch was, en geen rekening hield met Gods wil. Ik had geen andere keus dan zuster Wang te laten gaan. Na haar vertrek voelde ik me erg terneergeslagen. Ik dacht bij mezelf: als de nieuwe gelovigen de kerk verlaten omdat er geen capabele mensen zijn om hen te begieten, zal de leider mij dan aanpakken en zeggen dat ik mijn verantwoordelijkheid niet heb vervuld? Hoe moest ik met die vernedering omgaan? Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer weerstand ik voelde.

Op een dag kwam ik thuis van een bijeenkomst en twee zusters die zich bezighielden met het begieten van nieuwe gelovigen spraken me aan: “we hebben een brief ontvangen van de leider met het verzoek aan jou om nog twee begietingswerkers te vinden en een beoordeling van ons beiden te schrijven.” Toen ik dit hoorde, was ik zichtbaar ongelukkig. Ik dacht bij mezelf: gaat de leider hen ook overplaatsen? Ik heb deze twee zusters nog maar net opgeleid. Ik heb veel werk aan hen kunnen delegeren, en hoef me nu veel minder druk te maken. Als ze worden overgeplaatst, zal mijn werklast toenemen en zullen mijn prestaties er zeker onder lijden. En als dat gebeurt, zal de leider dan niet zeggen dat ik geen goede leider ben? Toen deze gedachten allemaal door me heen waren gegaan, antwoordde ik ongelukkig: “ik begrijp echt niet wat de leider van plan is.” De twee zusters zagen dat ik mijn ogen neersloeg en vroegen verbijsterd: “Wat is er aan de hand? De leider vraagt je toch gewoon om nog twee begietingswerkers te vinden?” Door hun reactie voelde ik me een beetje beschaamd. Ik herpakte me, en antwoordde kortaf: “Goed, dan moeten we een paar gekwalificeerde kandidaten selecteren.” Dat was wat ik hardop zei, maar mijn gedachten gingen er dwars tegenin: behandelt de leider onze kerk nou echt als een trainingscentrum voor talent? Eerst wil ze deze persoon, en nu wil ze die. We boeken eindelijk vooruitgang met het werk van de kerk. Hoe moeten we verder als ze deze talenten overplaatst? Hoe meer ik erover nadacht, hoe slechter ik me voelde, en ik werd wat vijandig tegenover de leider. Hoewel ik mijn taken bleef vervullen, deed ik dat met minder enthousiasme dan daarvoor. Kort daarna, tijdens een bijeenkomst, gaf de leider aan dat ze meer wilde weten over broeder Zhao, omdat ze hem wilde bevorderen en vormen. Zodra ik dit hoorde, kwam het wrevelige gevoel terug. Broeder Zhao heeft zijn plichten goed vervuld, dacht ik bij mezelf, en ik wil hem de leiding geven over het begietingswerk. Als al deze mensen worden overgeplaatst, hoe moet ik dan al het werk in mijn eentje doen? Kan ik dan wel goede resultaten boeken? Hoe meer ik erover nadacht, hoe kwader ik werd: ga je gang, plaats hem maar over! Ik zou nooit in de weg durven staan van het werk van de kerk. Het lukte me niet om daarna te kalmeren; de hele verdere bijeenkomst was ik prikkelbaar. Na afloop sleepte ik mezelf naar huis, en ik besloot een brief te schrijven aan de leider, met het verzoek om broeder Zhao niet over te plaatsen. Op dat moment realiseerde ik me dat ik irrationeel bezig was, en ik liet het idee om een brief te schrijven varen. Maar ik was nog steeds overstuur en somber gestemd.

Later was er een bijeenkomst met de leider, en ik deelde mijn recente gemoedstoestand en gedrag. De leider toonde me een passage uit Gods woord. “De egoïstische en laaghartige aard van antichristen is duidelijk. Hun uitingen daarvan zijn zeer opvallend. De kerk vertrouwt hen een taak toe, en als dit werk hen roem en voordelen oplevert, en een kans om hun gezicht te laten zien, dan zijn ze zeer geïnteresseerd en accepteren ze het werk graag. Als het werk ondankbaar is of er mensen bij beledigd moeten worden, of als het hen niet in staat stelt hun gezicht te laten zien of hun status niet ten goede komt, hebben ze geen belangstelling en nemen ze het niet aan. Dan is het alsof zij er niets mee te maken hebben en dit niet het werk is dat zij zouden moeten doen. Stuiten ze op moeilijkheden, dan is er geen kans dat ze de waarheid gaan zoeken om tot een oplossing te komen, laat staan dat ze het grotere geheel proberen te zien en enige aandacht schenken aan het kerkwerk. Zo kan het voorkomen dat er voor het werk in Gods huis, afhankelijk van de algemene werkbehoeften, personeel wordt overgeplaatst. Als een paar mensen van een kerk worden overgeplaatst, hoe zouden kerkleiders dat dan op verstandige wijze kunnen aanpakken? Wat is het probleem als zij zich alleen met de belangen van hun eigen kerk bezighouden, in plaats van de algemene belangen, en als ze absoluut niet bereid zijn die mensen over te plaatsen? Waarom zijn zij als kerkleiders niet in staat om zich te onderwerpen aan de gecentraliseerde regelingen van Gods huis? Houden zulke mensen rekening met Gods bedoelingen? Kijken zij naar het werk in z’n geheel? Als ze niet aan het werk van Gods huis als geheel denken, maar alleen de belangen van hun eigen kerk voor ogen hebben, zijn zij dan niet erg egoïstisch en laaghartig? Kerkleiders moeten zich onvoorwaardelijk onderwerpen aan de soevereiniteit en regelingen van God, en aan de centrale regelingen en coördinatie van Gods huis. Dit is in overeenstemming met de waarheidsprincipes. Wanneer het werk van Gods huis het vereist, moet iedereen, wie het ook is, zich onderwerpen aan de coördinatie en regelingen van Gods huis. Het mag absoluut niet zo zijn dat één enkele leider of werker andere mensen aanstuurt alsof zij diens eigendom zijn of onderworpen zijn aan zijn beslissingen. De gehoorzaamheid van Gods uitverkoren volk aan de centrale regelingen van Gods huis is compleet natuurlijk en gerechtvaardigd en deze regelingen mogen door niemand worden betwist, tenzij een individuele leider of werker een willekeurige overplaatsing uitvoert die niet strookt met het principe (een situatie waarin ongehoorzaamheid is toegestaan). Als er een normale overplaatsing wordt uitgevoerd volgens de principes, moeten al Gods uitverkoren mensen gehoorzamen. Geen enkele leider of werker heeft het recht of een reden om anderen te overheersen. Bestaat er volgens jullie werk dat niet het werk van Gods huis is? Is er werk dat niet gaat over de verspreiding van het evangelie van Gods koninkrijk? Het is allemaal het werk van Gods huis. Al het werk is gelijk, en er is geen onderscheid tussen ‘jouw’ werk en ‘mijn’ werk. Als de overplaatsing in lijn is met het principe en gebaseerd op de vereisten van het kerkwerk, dan moeten deze mensen daarheen gaan waar zij het meest nodig zijn. Maar hoe reageren antichristen op dit soort situatie? Ze vinden verschillende voorwendsels en uitvluchten om deze geschikte mensen bij zich te houden, en bieden slechts twee doorsnee mensen aan en komen dan met smoesjes om het je moeilijk te maken. Ze zeggen bijvoorbeeld hoe druk het werk is en dat ze te weinig mensen hebben, dat het moeilijk is mensen te vinden, en dat het werk eronder zal lijden als deze twee worden overgeplaatst. En dan vragen ze aan jou wat ze moeten doen, en geven jou het gevoel dat je hen iets verschuldigd bent als mensen worden overgeplaatst. Is dit niet de werkwijze van duivels? Dit is hoe ongelovigen te werk gaan. Degenen die altijd hun eigen belangen in de kerk proberen te beschermen; zijn dat goede mensen? Zijn dit mensen die handelen volgens het principe? Absoluut niet. Zij zijn ongelovigen en niet-gelovigen. En is dit niet egoïstisch en laaghartig? Als iemand met een goed kaliber van onder de leiding van een antichristen wordt overgeplaatst om een andere plicht te doen, zullen antichristen zich daar van harte tegen verzetten en het verwerpen. Ze willen de handdoek in de ring gooien en hebben geen animo meer om leider of teamhoofd te zijn. Wat is hier het probleem? Waarom gehoorzamen ze de regelingen van de kerk niet? Zij denken dat de overplaatsing van hun ‘rechterhand’ gevolgen zal hebben voor de resultaten en voortgang van hun werk en dat hun status en reputatie daar dus onder zullen lijden. Dan moeten zij harder werken en meer lijden om resultaten te waarborgen, en dat is wel het laatste wat zij willen. Ze zijn gewend geraakt aan comfort en willen niet harder werken of meer lijden, dus willen ze die persoon niet laten gaan. Als Gods huis op de overplaatsing aandringt, klagen ze hard en willen ze zelfs hun eigen werk opgeven. Is dit niet egoïstisch en laaghartig? Gods uitverkoren mensen moeten centraal worden toegewezen door Gods huis. Dit heeft niets van doen een leider, teamhoofd of individu. Iedereen moet handelen naar het principe. Dit is de regel in Gods huis. Antichristen handelen niet naar de principes van Gods huis, ze beramen voortdurend plannetjes voor hun eigen status en belangen, en zetten broeders en zusters van goed kaliber ten dienste van henzelf in om hun macht en status veilig te stellen – dat is toch egoïstisch en laaghartig? Zo op het oog lijkt het alsof zij het kerkwerk in gedachten hebben wanneer zij mensen van goed kaliber aan hun zijde houden en hen niet laten overplaatsen door Gods huis, maar feitelijk denken ze alleen aan hun eigen macht en status, en totaal niet aan het werk van de kerk. Ze zijn bang dat zij het kerkwerk slecht zullen doen en zij dan worden ontheven en hun status verliezen. Antichristen geven niets om het werk van Gods huis in z’n totaliteit, denken alleen aan hun eigen status, beschermen hun eigen status zonder zich te bekommeren om de schade aan de belangen van Gods huis, en verdedigen hun eigen status en belangen te ten koste van het kerkwerk. Dit is egoïstisch en laaghartig(Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Uitweiding vier: Samenvatting van het karakter van antichristen en hun gezindheidsessentie (deel 1)). Gods woorden leggen bloot dat antichristen zeer egoïstisch en verachtelijk zijn. Om hun status en reputatie te behouden, houden antichristen mensen vast die ze niet met anderen willen delen, waarbij ze totaal geen rekening houden met het werk voor de kerk. Ik zag in dat ik me op dezelfde manier had gedragen als een antichrist. Vooral toen ik de volgende regels las: “Antichristen handelen niet naar de principes van Gods huis, ze beramen voortdurend plannetjes voor hun eigen status en belangen, en zetten broeders en zusters van goed kaliber ten dienste van henzelf in om hun macht en status veilig te stellen – dat is toch egoïstisch en laaghartig?” raakten Gods woorden mij diep in het hart. Ik dacht na over mijn recente gedrag: Toen ik hoorde dat zuster Wang misschien een promotie zou krijgen, maakte ik me zorgen dat het begietingswerk en mijn reputatie eronder zouden lijden. Dat was de reden dat ik haar niet wilde laten gaan, en dat ik er zelfs spijt van had dat ik haar naar de bijeenkomst had gestuurd. Toen de leider me vroeg om nog twee begieters te vinden en een beoordeling te schrijven over mijn zusters, vermoedde ik dat zij ze wilde overplaatsen. Daardoor voelde ik weerstand en ik werd opstandig. Ik ontwikkelde zelfs vijandigheid tegenover de leider. Toen de leider broeder Zhao een promotie wilde geven, wist ik dat hij voldeed aan de voorwaarden voor promotie en training. Toch wilde ik hem niet laten gaan, want ik dacht aan de gevolgen die zijn vertrek zouden hebben voor het evangelie en het begietingswerk van de kerk. Ik zag mijn broeders en zusters als capabele mensen die mijn rechterhand waren, en ik wilde ze voor mijzelf houden om mijn status en reputatie te versterken en mijn egoïstische behoeften te bevredigen. Ik stond niet stil bij de belangen van de kerk en dacht niet na over hoe ik met mijn handelen God tevreden kon stellen. Ik was echt heel egoïstisch en laaghartig. De ongelovigen van de seculiere wereld doen er alles aan om hun toptalent aan zich te binden, zodat zij hun eigen organisatie kunnen uitbreiden en laten groeien. Op precies dezelfde manier ging ik met mijn eigen plicht om. Ik behandelde mijn plicht als mijn eigen persoonlijke onderneming en handelde volgens zelfzuchtige principes. Ik had alleen oog voor mijn eigen reputatie en status. God had een hekel aan en walgde van zulke handelingen. Ik begaf mij op het pad van de antichrist die zich tegen God verzet.

Later kwam ik nog een passage tegen in Gods woorden. “Als iemand zegt dat hij de waarheid liefheeft en nastreeft, maar het doel dat hij nastreeft is in wezen om zich te onderscheiden, te pronken, ervoor te zorgen dat mensen hem hoog hebben, zijn eigen belangen te behartigen, en hij zijn plicht niet vervult om zich aan God te onderwerpen of God tevreden te stellen, maar veeleer om roem, gewin en status te bereiken, dan is zijn streven onrechtmatig. Als dat het geval is, zijn hun handelingen dan een belemmering voor het werk van de kerk, of helpen ze het vooruit? Ze zijn duidelijk een belemmering; ze helpen het niet vooruit. Sommige mensen zwaaien met de vlag van het doen van het werk van de kerk, maar streven hun eigen persoonlijke roem, gewin en status na, zijn met hun eigen zaakjes bezig, creëren hun eigen kleine groep, hun eigen kleine koninkrijk – vervullen zulke mensen hun plicht? Al het werk dat ze doen, hindert, verstoort en schaadt in wezen het werk van de kerk. Wat is het gevolg van hun streven naar roem, gewin en status? Ten eerste beïnvloedt dit hoe Gods uitverkorenen normaal Gods woord eten en drinken en de waarheid begrijpen, het belemmert hun ingang in het leven, weerhoudt hen ervan het juiste spoor van het geloof in God te betreden en leidt hen op het verkeerde pad – wat de uitverkorenen schaadt en te gronde richt. En wat doet het uiteindelijk met het werk van de kerk? Het is verstoring, beschadiging en ontmanteling. Dit is het gevolg van het streven van mensen naar roem, gewin en status. Wanneer ze hun plicht op deze manier vervullen, kan dit dan niet worden gedefinieerd als het bewandelen van de weg van een antichrist? Wanneer God vraagt dat mensen roem, gewin en status opzijzetten, is het niet zo dat Hij mensen het recht ontneemt om te kiezen; het is veeleer omdat mensen, terwijl ze roem, gewin en status nastreven, het werk van de kerk en de ingang in het leven van Gods uitverkoren volk hinderen en verstoren, en zelfs invloed kunnen hebben op het eten en drinken van Gods woorden, het begrijpen van de waarheid en dus het bereiken van Gods redding door meer mensen. Dit is een onbetwistbaar feit. Wanneer mensen hun eigen roem, gewin en status nastreven, is het zeker dat ze de waarheid niet zullen nastreven en dat ze hun plicht niet trouw zullen vervullen. Ze zullen alleen spreken en handelen omwille van roem, gewin en status, en al het werk dat ze doen, zonder de minste uitzondering, is omwille van die dingen. Zich op zo’n manier gedragen en handelen is, zonder twijfel, het bewandelen van de weg van antichristen; het is hinder en verstoring van Gods werk, en al zijn verschillende gevolgen belemmeren de verspreiding van het koninkrijksevangelie en de uitvoering van Gods wil binnen de kerk. Men kan dus met zekerheid zeggen dat het pad dat wordt bewandeld door degenen die roem, gewin en status nastreven, het pad van verzet tegen God is. Het is opzettelijk verzet tegen Hem, Hem ontkennen – het is samenwerken met Satan om God te weerstaan en tegenover Hem te staan. Dit is de aard van het streven van mensen naar roem, gewin en status. De fout in het nastreven door mensen van hun eigen belangen is dat de doelen die ze nastreven de doelen van Satan zijn, en het zijn boosaardige en onrechtvaardige doelen. Wanneer mensen persoonlijke belangen zoals roem, gewin en status nastreven, worden ze onbewust een werktuig van Satan, worden ze een uitlaatklep voor Satan en bovendien worden ze een belichaming van Satan. Ze spelen een negatieve rol in de kerk; hun invloed op het werk van de kerk, het normale kerkleven en het normale streven van Gods uitverkoren volk heeft een verstorende en schadelijke uitwerking; ze hebben een nadelig en negatief effect(Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 1)). Door Gods woorden besefte ik de ernst van de aard en de gevolgen van het niet in de praktijk brengen van de waarheid en het altijd veiligstellen van je eigen belangen. Het verstoort en belemmert het werk van de kerk en het is een dienst ten gunste van Satan. De kerk vormt en bevordert mensen zodat ze kunnen worden opgeleid in een geschikte functie en het beste uit zichzelf kunnen halen. Dit is goed voor het binnengaan in het leven van onze broeders en zusters en voor het werk van de kerk, en het is in overeenstemming met Gods wil. Het is een positieve zaak die ik, als leider, zou moeten koesteren en ondersteunen. In plaats daarvan was ik bij de promotie van mijn broeders en zusters niet blij voor hen geweest maar had ik alleen gedacht aan mijn eigen reputatie en status. Ik vond dat deze broeders en zusters hun werk goed deden, ze functioneerden als mijn rechterhand, waren capabele plaatsvervangers. Als zij hun plicht in de kerk bleven vervullen, zou ik me veel minder zorgen hoeven maken. We zouden dan veel efficiënter kunnen werken, en mijn status zou worden versterkt. Dus toen de een na de ander werd bevorderd en overgeplaatst, voelde ik weerstand en wrok en wilde ik hen niet laten gaan. Ik dacht er helemaal niet aan wat beter zou zijn voor het werk van de kerk of wat voor omgeving hun de beste training zou kunnen bieden en het beste in hen naar boven zou kunnen halen. Noemde ik dát het vervullen van mijn plicht? Door het werk van de kerk te belemmeren, handelde ik duidelijk als afgezant van Satan. Ik vervulde mijn plicht uitsluitend voor mijn eigen reputatie en status, en hoeveel werk ik ook verzette, God zou het niet erkennen. Ik dacht aan de voorgangers en ouderlingen van de religieuze wereld die zich volledig bewust zijn van het feit dat de Kerk van de Almachtige God getuigenis heeft afgelegd dat de Heer is teruggekeerd, en toch, omwille van status en inkomen, tot het uiterste gaan om gelovigen ervan te weerhouden de ware weg te onderzoeken en de Heer te verwelkomen. Zij behandelen hun gelovigen als hun privé-eigendom en houden hen stevig in hun macht. Ze strijden met God om de gelovigen en zijn antichristen en dienaars van het kwaad geworden, veroordeeld en vervloekt door God. Was er enig verschil tussen mijn handelswijze en die van deze voorgangers en ouderlingen? Als ik geen berouw toonde, zou ik hetzelfde lot treffen als de farizeeën van de religieuze wereld. Ik zou Gods gezindheid beledigen en door Hem gestraft en vervloekt worden.

In die periode stuitte ik op nog een andere passage in Gods woorden. “Voor iedereen die zijn plicht vervult, hoe diepgaand of oppervlakkig zijn begrip van de waarheid ook is, is de eenvoudigste manier van praktiseren om de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan: in alles de belangen van Gods huis voor ogen houden, zelfzuchtige verlangens, persoonlijke bedoelingen, motieven, trots en status loslaten, en de belangen van Gods huis vooropstellen – dat is wel het minste dat men zou moeten doen. Wanneer iemand bij het vervullen van zijn plicht zelfs dat niet eens kan, hoe kun je dan zeggen dat hij zijn plicht doet? Op zo’n manier vervult iemand zijn plicht niet. Je moet eerst rekening houden met de belangen van Gods huis, rekening houden met Gods wil en met het werk van de kerk. Deze zaken moet je altijd voorop stellen. Pas daarna kun je over de stabiliteit van je status denken of over hoe anderen jou zien. Heb je niet het idee dat het wat makkelijker wordt als je het in deze stappen verdeelt en enkele concessies doet? Als je dit enige tijd in de praktijk brengt, zul je gaan voelen dat God tevreden stellen niet zo moeilijk is. Als je verder je verantwoordelijkheden kunt vervullen; je verplichtingen en plicht kunt vervullen; je egoïstische verlangens, bedoelingen en motieven opzij kunt zetten; Gods bedoelingen in acht kunt nemen; en voorrang kunt geven aan de belangen van Gods huis, het werk van de kerk en de plicht die je behoort te vervullen, dan zul je, na dit een tijdje te hebben ervaren, voelen dat het goed is om je op deze manier te gedragen, dat mensen op een eerlijke en zuivere manier moeten leven en dat ze geen laf, smerig, laag bestaan moeten leiden maar in plaats daarvan rechtschapen en rechtvaardig moeten zijn. Je zult voelen dat dit het beeld is dat men moet uitleven. Geleidelijk zal het verlangen in je hart om je eigen belangen te bevredigen verminderen(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). Gods woorden wijzen op een beoefeningspad. De sleutel tot het vervullen van onze plicht is dat we de belangen van de kerk voorop stellen en onze persoonlijke belangen opzij schuiven om het werk van de kerk veilig te stellen. Gewetensvolle, verstandige en menselijke mensen zullen in de praktijk nagaan wat het werk vereist, en zich bij overplaatsing van mensen onderwerpen aan de regelingen die de kerk treft. Zij denken niet aan hun eigen belangen. De kerntaak van een leider is om broeders en zusters te begieten en talent te vormen, zodat alle broeders en zusters hun talenten kunnen inzetten en de plicht kunnen vervullen die het best bij hen past. Gods uitverkorenen behoren God toe. Zij zijn niet van één persoon. De kerk kan ervoor kiezen mensen over te plaatsen op basis van wat nodig is voor het werk en wie het meest geschikt is voor een bepaalde taak. Ik had niet het recht mensen voor mezelf te houden. Toen ik dit eenmaal begreep, was ik bereid mijn vlees te verzaken en niet langer op egoïstische en verachtelijke wijze mijn eigen belangen voorop te stellen.

Op een dag ontving ik een brief van de leider, waarin ze me vroeg om een beoordeling van broeder Zhao te schrijven. Ze wilde nagaan of hij bevorderd kon worden tot leider van het begietingswerk. Ik dacht bij mezelf: broeder Zhao heeft op dit moment de leiding over het evangelie en begietingswerk van onze kerk. Als hij vertrekt en ons werk eronder lijdt, zal de leider dan niet zeggen dat ik incompetent ben? Precies op dat moment realiseerde eik me dat ik weer egoïstisch was en alleen aan mijn eigen belangen dacht. Broeder Zhao was een getalenteerde begieter en de kerk zou er meer baat bij hebben als hij verantwoordelijk zou worden voor een groter deel van het werk. Hij zou ook meer training krijgen, en dus moest ik hem steunen. Op dat moment herinnerde ik me Gods woorden, die zeggen: “God blijft altijd het hoogst verheven en eerzaam, terwijl de mens voor eeuwig minderwaardig en waardeloos blijft. Dit komt doordat God Zichzelf altijd opoffert en aan de mensheid wijdt, terwijl de mens altijd alleen voor zichzelf neemt en zich alleen voor zichzelf inspant. God doet altijd moeite voor de overleving van de mens, en toch draagt de mens nooit iets bij aan het licht of rechtvaardigheid. Zelfs als de mens enige tijd zijn best doet, is dit nog zo zwak dat het nooit tegen een stootje kan, want de inspanning van de mens is altijd voor zijn eigen belang en nooit voor anderen. De mens is altijd zelfzuchtig, terwijl God altijd onbaatzuchtig is. God is de bron van alles wat rechtvaardig, goed en mooi is, terwijl de mens degene is die alle lelijkheid en kwaad opvolgt en zichtbaar maakt. God zal Zijn wezen van rechtvaardigheid en schoonheid nooit veranderen, maar de mens is heel goed in staat op ieder moment en in iedere situatie de rechtvaardigheid te verraden en ver van God af te dwalen(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het is heel belangrijk Gods gezindheid te begrijpen). God is de allerheiligste! God is eeuwig onbaatzuchtig. Hoe Hij ook werkt en in welke situatie Hij mensen ook plaatst, Hij doet dat altijd in het belang van het leven van de mensen. Het is allemaal bedoeld om onze verdorven gezindheid te zuiveren en te transformeren, zodat we gered kunnen worden en onze normale menselijkheid kunnen uitleven. Wanneer ik nadenk over mezelf, zie ik dat ik in de klaagstand ging en opstandig, vreselijk egoïstisch en verachtelijk werd zodra de situatie waar God me in plaatste mijn belangen bedreigde. Denkend aan Gods heiligheid en onbaatzuchtigheid voelde ik schaamte, spijt en berouw. Ik realiseerde me dat leven op die manier ellendig, laaghartig en waardeloos was. Ik kon niet langer zo egoïstische en verachtelijk zijn en alleen denken aan mijn eigen reputatie en status. Ik moest de belangen van de kerk voorop stellen. Dus verzamelde ik alle beoordelingen van broeder Zhao en legde ze voor aan de leider. Vervolgens werd broeder Zhao bevorderd tot supervisor. Toen ik dit in de praktijk had gebracht, voelde ik me geaard en vredig.

Enige tijd later merkte ik dat zuster Li van goed kaliber was, de waarheid op gedetailleerde, gelaagde wijze overbracht, liefdevol en geduldig was met de broeders en zusters, de talenten had die nodig zijn voor het verspreiden van het evangelie en het begieten van nieuwe gelovigen, en geschikt was voor training. Ons evangeliewerk leed niet onder het vertrek van broeder Zhao, het werd zelfs beter. Vroeger dacht ik dat ons werk eronder zou lijden als deze mensen vertrokken. Nu realiseer ik me dat ik het helemaal mis had. Dit was slechts mijn excuus om te vertrouwen op bestaande bronnen en geen praktisch werk te doen. Wat werkelijk van belang is, is dat iemands hart op de juiste plaats zit. Als je Gods wil in acht kunt nemen, niet in je eigen belang handelt, nieuwe talenten opleidt wanneer anderen worden overgeplaatst en problemen bij het werk tijdig oplost, zul je door God geleid worden. En je werk zal steeds beter worden. Godzijdank!

Vorige: 52. Mijn bazige gedrag loslaten

Volgende: 55. Ik heb mijn plek gevonden

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

2. De weg naar zuivering

Door Christopher, FilipijnenMijn naam is Christopher, en ik ben voorganger in een huiskerk op de Filipijnen. Ik ben in 1987 gedoopt en...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek