55. Ik heb mijn plek gevonden

Door Si Fan, Zuid-Korea

Toen ik eenmaal in God geloofde, was ik erg enthousiast in mijn streven. Welke plicht de kerk ook voor me regelde, ik gehoorzaamde. Als ik moeilijkheden of problemen ervoer bij mijn plicht, was ik in staat te lijden en de prijs te betalen om zonder te klagen een oplossing te zoeken. Al gauw begon ik te oefenen met het begieten van nieuwkomers en werd daardoor telkens gepromoveerd. Ik had het idee een talent te zijn, iemand die door de kerk werd gecultiveerd, dat ik meer streefde dan anderen en dat ik, als ik maar hard werkte tijdens mijn plicht, gepromoveerd zou worden en belangrijke functies zou krijgen. Wanneer ik hieraan dacht, was ik erg tevreden over mezelf.

Iets later zag ik dat veel broeders en zusters van rond mijn leeftijd hadden gediend als groepsleiders of begeleiders en werd ik jaloers. Ik dacht: als zij op zo’n jonge leeftijd zulke belangrijke plichten kunnen vervullen, door de leiders kunnen worden gewaardeerd en door de broeders en zusters kunnen worden bewonderd, dan kan ik me niet tevredenstellen met de status quo. Ik moet doorzetten in mijn streven en een grote doorbraak in mijn plicht proberen te maken, zodat ook ik een belangrijke rol kan spelen. Dus werkte ik harder tijdens het vervullen van mijn plicht. Ik deinsde er niet voor terug om laat op te blijven en te lijden. Ondervond ik problemen bij mijn plicht, dan doorzocht ik Gods woorden om ze op te lossen. Maar mijn harde werk leidde niet tot verandering. Omdat ik niet vaardig was in het werk, werd me wat routinewerk toegewezen. Toen ik vervolgens zag hoe anderen om me heen gepromoveerd werden, werd ik nog jaloerser. Ik wist dat ik nog altijd erg inferieur aan hen was en moedigde mezelf daarom telkens aan om niet de moed te verliezen en geen genoegen te nemen met de status quo. Ik hield mezelf voor dat ik moest streven en beter moest worden, dat ik nog altijd meer van Gods woord moest eten en drinken en dat ik meer moeite moest doen om het leven binnen te gaan. Ik dacht dat als ik mijn professionele vaardigheden zou aanscherpen en me nog meer zou inzetten om het leven binnen te gaan, ik zeker gepromoveerd zou worden. Terwijl ik hard werkte om mezelf te verbeteren, keek ik dus ook uit naar de dag waarop ik zou worden gepromoveerd.

Voordat ik het wist, waren er twee jaren voorbijgegaan; nieuwe partners bleven komen en gaan. Sommigen werden gepromoveerd en sommigen werden leiders en werkers. Ik begon achterdochtig te worden en dacht: ik heb deze plicht nu al een hele tijd vervuld, en degenen die deze plicht korter hebben vervuld, worden gepromoveerd, de een na de ander. Waarom is mijn plicht dan nog steeds niet veranderd? Denken de leiders dat ik het niet waard ben gecultiveerd te worden en alleen geschikt ben voor routinewerk? Heb ik dan misschien geen enkele kans op promotie? Zal ik altijd met deze obscure plicht opgezadeld blijven? Toen ik hierover nadacht, voelde ik me plotseling als een leeggelopen bal. Ineens was er niets meer wat me dreef; ik vervulde mijn plicht niet meer zo ijverig als voorheen en voelde geen urgentie om taken af te handelen die gedaan moesten worden. Ik was maar werktuigelijk bezig, of ik modderde maar wat aan bij mijn taken. Daardoor vertoonde mijn werk vaak afwijkingen en nalatigheden, maar ik nam dat niet serieus en dacht niet goed over mezelf na. Later hoorde ik dat zelfs nog meer broeders en zusters die ik kende gepromoveerd werden, waardoor ik nog meer van streek raakte. Ik dacht: sommige van hen vervulden dezelfde plicht als ik, maar een voor een zijn ze gepromoveerd, terwijl ik precies daar blijf steken waar ik ben begonnen. Misschien ben ik niet iemand die de waarheid nastreeft of niet iemand die waardig genoeg is om te cultiveren. Deze gedachte was een zware last op mijn schouders. Het voelde ellendig. In die dagen was ik erg neerslachtig en voelde me ongemotiveerd tijdens mijn plicht. Ik bleef maar denken dat mijn geloof in God geen toekomst had. Ik voelde me erg gekrenkt en kon niet accepteren wat er gebeurde. Ik dacht: ben ik dan echt zo slecht? Ben ik dan echt alleen geschikt voor routinewerk? Heeft het dan totaal geen waarde om me te cultiveren? Het enige wat ik wil is één kans. Waarom moet ik altijd vast blijven zitten in een hoekje, waar niemand me opmerkt? Hoe meer ik nadacht, hoe gekrenkter en neerslachtiger ik me voelde. Ik zuchtte de hele dag door en mijn benen voelden te zwaar om te bewegen. ’s Nachts huilde ik soms stilletjes in bed en dacht: als mijn professionele vaardigheden inferieur zijn aan die van anderen, zal ik hard werken om de waarheid na te streven. Ik zal meer van Gods woorden lezen en me meer richten op het binnengaan van het leven. Als ik met wat praktische kennis kan communiceren en de leiders zien dat ik me richt op het nastreven van de waarheid, zullen ze mij dan ook niet promoveren? Maar terwijl ik zo dacht, voelde ik me ook een beetje schuldig. Ik dacht: de waarheid nastreven is iets positiefs; het is wat een gelovige moet nastreven. Maar ik gebruik dit om boven anderen uit te stijgen. Als mijn streven zo vol ambitie en begeerte is, zal God dat dan niet verafschuwen en haten? Waarom ben ik niet bereid om onopgemerkt mijn plicht te vervullen? Ik voelde verwijt, dus bad ik tot God en riep uit: “God, ik weet dat het verkeerd is om status na te streven, maar mijn ambities en begeerten zijn zo sterk. Ik voel steeds dat het zinloos is om op deze manier onopgemerkt mijn plicht te vervullen. God, ik kan me niet aan deze gesteldheid onttrekken. Leid me alstublieft en help me uw wil te begrijpen en mezelf te kennen.”

Op een dag las ik de woorden van God: “Voor antichristen zijn status en reputatie hun leven. Hoe ze ook leven, in welke omgeving ze ook leven, welk werk ze ook doen, wat ze ook nastreven, wat hun doelen ook zijn, in welke richting hun leven ook gaat, het draait allemaal om een goede reputatie en hoge status bezitten. En dit doel verandert niet; ze kunnen zulke dingen nooit opzijzetten. Dit is het ware gezicht van antichristen, en hun essentie. Als je hen in een oerbos diep in de bergen zou stoppen, zouden ze het najagen van reputatie en status nog steeds niet loslaten. Voeg hen bij enige groep mensen, en ze denken nog steeds alleen aan reputatie en status. Hoewel antichristen in God geloven, stellen ze het nastreven van reputatie en status gelijk aan geloof in God en hechten ze er evenveel waarde aan. Dat wil zeggen: terwijl ze het pad van geloof in God bewandelen, streven ze ook reputatie en status voor zichzelf na. Je kunt zeggen dat in het hart van antichristen het nastreven van de waarheid bij het geloof in God gelijkstaat aan het nastreven van reputatie en status, en het nastreven van reputatie en status is ook het nastreven van de waarheid; het winnen van reputatie en status is het winnen van de waarheid en het leven. Wanneer ze het idee hebben dat ze geen roem, gewin of status hebben verkregen, dat niemand hen bewondert, hoogacht of volgt, raken ze terneergeslagen, geloven ze dat het geen zin heeft om in God te geloven, dat het geen waarde heeft, en vragen ze zich vanbinnen af: ‘Heb ik gefaald door op deze manier in God te geloven? Is er voor mij geen hoop?’ Vaak calculeren ze zulke dingen in hun hart. Ze calculeren hoe ze voor zichzelf een plekje kunnen bemachtigen in het huis van God, hoe ze in de kerk een verheven reputatie kunnen hebben, hoe ze ervoor kunnen zorgen dat mensen luisteren wanneer ze spreken en de loftrompet over hen steken wanneer ze handelen, hoe ze ervoor kunnen zorgen dat mensen hen volgen waar ze ook maar zijn, en hoe ze in de kerk een invloedrijke stem kunnen hebben, en roem, gewin en status – in hun hart richten ze zich echt op zulke dingen. Dit is wat zulke mensen nastreven(Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 3)). “Voor antichristen is het, als hun reputatie of status wordt aangevallen en weggenomen, een zaak die nog ernstiger is dan een poging om hen van het leven te beroven. Ongeacht naar hoeveel preken ze luisteren of hoeveel van Gods woorden ze lezen, ze zullen geen verdriet of spijt voelen over het feit dat ze nooit de waarheid hebben gepraktiseerd en dat ze het pad van antichristen hebben gekozen, noch over hun bezit van de aard-essentie van antichristen. In plaats daarvan pijnigen ze altijd hun hersens voor manieren om status te verkrijgen en hun reputatie te vergroten. […] In hun consequente streven naar reputatie en status ontkennen ze ook moedwillig wat God heeft gedaan. Waarom zeg Ik dat? In het diepst van het hart van antichristen geloven ze: alle reputatie en status worden verdiend door eigen inspanningen. Alleen door een stevige voet aan de grond te krijgen onder mensen en reputatie en status te verkrijgen, kunnen ze gods zegeningen genieten. Het leven heeft alleen waarde wanneer mensen absolute macht en status verkrijgen. Alleen dit is leven als een mens. Daarentegen zou het nutteloos zijn om te leven op de manier waarover in het woord van god wordt gesproken – je in alles onderwerpen aan gods soevereiniteit en regelingen, bereidwillig in de positie van een schepsel staan en leven als een normaal mens – niemand zou naar zo iemand opkijken. Iemands status, reputatie en geluk moeten worden gewonnen door zijn eigen strijd; er moet voor worden gevochten en ze moeten worden gegrepen met een positieve en proactieve houding. Niemand anders zal ze je geven – passief afwachten kan alleen maar tot mislukking leiden. Dit is hoe antichristen berekenen. Dit is de gezindheid van antichristen. Als je hoopt dat antichristen de waarheid aanvaarden, fouten toegeven en werkelijk berouw hebben, is dat onmogelijk – ze kunnen het absoluut niet(Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 3)).

Het lezen van Gods woord ging me recht door het hart. God openbaarde dat antichristen status belangrijker vinden dan het leven. Alles wat ze zeggen en doen draait om status en reputatie, en ze denken alleen aan het verwerven en behouden daarvan. Verliezen ze eenmaal hun status, dan verliezen ze hun motivatie om te leven. Omwille van status kunnen ze zich zelfs tegen God verzetten, God verraden en hun eigen koninkrijken stichten. Ik besefte dat ik status altijd als iets heel belangrijks had beschouwd. Toen ik jong was, leerde mijn familie me vaak dingen als ‘wie maaien wil, moet zaaien’ en ‘de mens worstelt zich naar boven, water vloeit naar beneden’. Deze satanische overlevingswetten had ik altijd beschouwd als woorden om naar te leven. Ik had altijd gedacht dat iemand alleen door status en aanzien te verwerven een waardig en waardevol leven kon leiden, terwijl tevredenheid met mijn lot en een gewoon, nuchter persoon zijn aangaf dat ik geen ambities of echte doelen had. Dat vond ik een waardeloze manier van leven. Toen ik eenmaal in God geloofde, veranderden mijn gedachten en zienswijzen niet. Uitwendig wedijverde en rivaliseerde ik niet, maar mijn ambities en wensen waren aanzienlijk. Ik wilde alleen maar een belangrijkere plicht vervullen, een hoge status verwerven en bewondering oogsten. Toen ik de mensen om me heen gepromoveerd zag worden tot groepsleiders en begeleiders, spoorde dat mijn verlangen zelfs nog meer aan en maakte me nog ontevredener met mijn huidige toestand. Om gepromoveerd te worden stond ik vroeg op en ging laat naar bed; ik was bereid om voor mijn plicht te lijden en elke prijs te betalen. Toen elke hoop me keer op keer werd ontnomen, raakte ik vervuld van beklag over en weerstand tegen mijn omgeving. Ik voelde zelfs dat het geen nut had om in God te geloven en raakte mijn motivatie om mijn plicht te vervullen kwijt. Ik was maar werktuigelijk bezig en modderde maar wat aan. Ik besefte dat het pad dat ik had bewandeld sinds ik in God was gaan geloven, helemaal niet het pad van het nastreven van de waarheid was. Alles wat ik deed was omwille van naam en status. God hoopt dat we bij onze plicht de waarheid kunnen nastreven, de werkelijkheden daarvan kunnen binnengaan en aan onze verdorven gezindheden kunnen ontsnappen. Maar ik verwaarloosde mijn taak. Met mijn hoofd was ik niet bij het nastreven van de waarheid. Ik verlangde niets anders dan een hoge status verwerven en toen mijn verlangens niet uitkwamen, begon ik de kantjes ervan af te lopen en werd ik alleen maar onverzettelijker. Ik had echt geen geweten of verstand! Ik bedacht dat ik, hoewel ik al jaren in God geloofde, nog altijd niet veel kennis had over mijn eigen verdorven gezindheid, omdat ik de waarheid niet nastreefde. De plicht die ik al had kon ik niet eens goed vervullen. Ik bleef maar aanmodderen en er waren vaak problemen en afwijkingen in mijn werk. Zelfs in deze toestand wilde ik gepromoveerd worden en omvangrijker werk doen. Wat was ik onbeschaamd! Toen pas besefte ik dat geloven in God zonder de waarheid na te streven en blindelings status na te jagen, me alleen maar ambitieuzer en mijn gezindheid arroganter zou maken. Ik zou altijd boven anderen willen staan, maar niet in staat zijn Gods soevereiniteit en regelingen te gehoorzamen. Zulk streven is zelfvernietigend; God haat het en vervloekt het. Net zoals die antichristen die uit de kerk werden gezet: zij streefden de waarheid niet na en waren altijd uit op reputatie, gewin en status. Ze wilden bewonderd en bewierookt worden en probeerden mensen in de val te lokken en te beheersen. Zo deden ze te veel kwaad en werden ze door God ontmaskerd en verstoten. Was mijn streven niet hetzelfde als dat van hen? Bewandelde ik niet het pad van verzet tegen God? Gods gezindheid is rechtvaardig en mag niet worden beledigd. Weigerde ik mezelf te corrigeren, dan zou God me beslist verwerpen en verstoten! Met dit in gedachten zwoer ik voor mezelf: vanaf nu streef ik geen status meer na en onderwerp ik me aan Gods orkestraties en regelingen. Ik zal de waarheid nastreven en mijn plicht naar behoren en nuchter vervullen.

Bij mijn godsdienstige oefeningen las ik op een dag Gods woord. “Omdat mensen Gods orkestraties en Gods soevereiniteit niet kennen, confronteren ze het lot altijd met een stemming van verzet en met een opstandige houding, en willen ze altijd losbreken van Gods gezag en soevereiniteit en de dingen die het lot voor hen in petto heeft. Tevergeefs hopen ze hun huidige omstandigheden en hun lot te veranderen. Maar ze kunnen nooit slagen en worden telkens weer gehinderd. Deze strijd, die zich diep in hun ziel afspeelt, pijnigt hen, en deze pijn wordt in hun botten gegrift en zorgt er tegelijkertijd voor dat ze stukje bij beetje hun leven verspillen. Wat is de oorzaak van deze pijn? Is het Gods soevereiniteit, of een ongelukkig lot? Het is duidelijk dat geen van beide waar is. Uiteindelijk komt dit door de wegen die mensen bewandelen en de manieren waarop ze ervoor kiezen hun leven te leven. Sommige mensen hebben deze dingen misschien niet meegemaakt. Maar als je echt weet en erkent dat God soevereiniteit heeft over het menselijk lot, als je echt begrijpt dat alles waarover God soeverein is en alles wat Hij voor je regelt een groot voordeel voor je is en jou veel bescherming biedt, zul je voelen dat je pijn geleidelijk lichter wordt en zal je hele wezen geleidelijk ontspannen, vrij en bevrijd worden. Te oordelen naar de gesteldheid waarin de meeste mensen verkeren, kunnen ze objectief gezien niet echt grip krijgen op de praktische waarde en betekenis van de soevereiniteit van de Schepper over het lot van de mens, al willen ze, subjectief gezien, niet blijven leven als voorheen, en willen ze dat hun pijn verdwijnt. Objectief gezien, kunnen ze de soevereiniteit van de Schepper niet echt herkennen en zich eraan onderwerpen, en nog minder weten ze hoe ze de orkestraties en regelingen van de Schepper moeten zoeken en accepteren. Dus als mensen niet echt kunnen erkennen dat de Schepper de soevereiniteit heeft over het lot van de mens en over alle menselijke kwesties, als ze zich niet echt kunnen onderwerpen aan de heerschappij van de Schepper, dan zal het moeilijk voor hen zijn om niet te worden gedreven en gekluisterd door het idee dat ‘iemand zijn lot in eigen handen heeft’. Het zal het moeilijk voor hen zijn om de pijn kwijt te raken van hun intense strijd tegen het lot en het gezag van de Schepper. Het is overbodig te zeggen dat het dan ook moeilijk voor hen zal zijn om echt bevrijd en vrij te worden, om mensen te worden die God aanbidden(Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke III). Gods woorden raakten mijn hart. Voorheen had ik mijn gesteldheid nooit vergeleken met wat deze woorden van God openbaren. Ik dacht dat ze aan ongelovigen waren gericht, terwijl ik een van de gelovigen was, in Gods soevereiniteit geloofde en die gehoorzaamde. Maar pas toen ik tot rust kwam en deze passage uit Gods woord overdacht, besefte ik dat Gods soevereiniteit erkennen niet neerkomt op kennis van Gods almachtige soevereiniteit, laat staan op gehoorzaamheid aan Gods soevereiniteit. Hoewel ik in God geloofde, waren mijn zienswijzen nog steeds dezelfde als die van ongelovigen. Ongelovigen denken altijd dat het lot van mensen in hun eigen hand ligt en verzetten zich altijd tegen het lot. Ze willen door eigen inzet hun bestemming veranderen en willen een voortreffelijk leven leiden. Daardoor lijden ze erg en betalen ze een hoge prijs, tot ze uiteindelijk bont en blauw zijn. Zelfs wanneer ze onder de littekens zitten, zien ze de werkelijkheid nog altijd niet onder ogen. Was ik niet ook zo? Ik wilde altijd door mijn eigen inspanningen de status quo veranderen en vertrouwde op mijn eigen worsteling tijdens het streven naar promotie en belangrijke functies. Omwille hiervan leed ik in stilte, betaalde een prijs en werkte hard om professionele vaardigheden te leren. Toen er van mijn verlangens niets kwam, werd ik passief, begon ik weerstand te bieden en werd ik onverzettelijker. Pas toen zag ik in dat ik zo gekweld en moe was omdat ik het verkeerde pad bewandelde en de verkeerde levenswijze had gekozen. Satanische misvattingen zoals ‘Je hebt je lot in eigen handen’ en ‘Met eigen handen kan de mens een prettig thuisland scheppen’ beschouwde ik als stelregels om naar te leven. Ik geloofde dat ik, om mijn doel te behalen, op mijn eigen inzet moest vertrouwen. Omdat ik zag dat mijn verlangens steeds weer op niets uitdraaiden en ik geen promoties of belangrijke functies kon verkrijgen, kon ik me niet onderwerpen en wilde ik altijd tegen God strijden, me ontworstelen aan Zijn regelingen en door eigen inzet status en reputatie verwerven. Toen pas begreep ik dat ik alleen in naam een gelovige was. In werkelijkheid geloofde ik in mijn hart niet in Gods soevereiniteit, laat staan dat ik bereid was Zijn regelingen te gehoorzamen. Wat was het verschil tussen een gelovige als ik en een ongelovige? God is de Heer van de Schepping en God heeft soevereiniteit en heerschappij over alles. Ieders bestemming, kaliber en sterke kanten; de plicht die we in de kerk kunnen vervullen; welke soort situaties we op welke tijd kan ervaren, enzovoorts, dit alles wordt door God geregeld en voorbestemd – niemand kan zich daaraan onttrekken of er iets aan veranderen. Alleen door Gods soevereiniteit en regelingen te gehoorzamen kunnen onze harten vrede kennen. Omdat ik dit wist, voelde ik mezelf ineens beklagenswaardig en erbarmelijk. Ik geloofde al jaren in God, en hoewel ik zoveel van Gods woord had gegeten en gedronken, was ik nog steeds net een ongelovige. Ik kende Gods almacht en soevereiniteit niet en verzette me altijd tegen God. Wat was ik arrogant en onwetend! Gods woorden zeggen: “Als je echt begrijpt dat alles waarover God soeverein is en alles wat Hij voor je regelt een groot voordeel voor je is en jou veel bescherming biedt, zul je voelen dat je pijn geleidelijk lichter wordt en zal je hele wezen geleidelijk ontspannen, vrij en bevrijd worden(Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke III). Terwijl ik Gods woord overdacht, vroeg ik me af hoe ik kon weten of deze omgeving gunstig voor me was en me beschermde. Terwijl ik zocht, besefte ik dat ik nooit een grote mislukking of tegenslag had meegemaakt sinds ik was begonnen in God te geloven en niet was ontslagen of overgeplaatst. Ik was doorlopend gepromoveerd en gecultiveerd. Zonder het te beseffen was ik gaan denken dat ik iemand was die de waarheid nastreeft en dat ik een belangrijk persoon was om in de kerk gecultiveerd te worden. ‘Gepromoveerd worden’ was ik daarom vanzelfsprekend gaan beschouwen als een doel om na te streven. Steeds als ik werd gepromoveerd, vatte ik dat niet op als een verantwoordelijkheid en een plicht van God; ik streefde de waarheid niet op een nuchtere manier na en dacht niet na over hoe ik tijdens mijn plicht principes moest toepassen. In plaats daarvan zag ik mijn plicht als een middel om status na te streven en door anderen te worden bewonderd. Hoe groter de plicht en hoe hoger de status, dacht ik, hoe meer mensen me zouden bewonderen en waarderen. Daarom was ik zo bezig om gepromoveerd te worden en maakte ik me elke dag zo druk over deze winsten en verliezen. Ik was al lang vergeten wat ik eigenlijk in mijn geloof in God hoorde na te streven. Als ik eraan terugdenk, waren mijn ambitie en verlangens zo groot. Was ik echt gepromoveerd en had ik, zoals ik wilde, een belangrijke functie gekregen, dan weet ik niet hoe arrogant ik misschien was geworden of wat voor kwaad ik misschien had aangericht. Van zulke mislukkingen zijn er te veel voorbeelden. Er zijn veel mensen die hun plichten oprecht kunnen vervullen wanneer ze geen status hebben, maar zodra ze status bezitten, groeien hun ambities, beginnen ze kwaad aan te richten, misleiden ze mensen en lokken ze mensen in de val. Om hun reputatie, gewin en status te behouden, sluiten ze anderen uit en onderdrukken hen met als gevolg dat ze zichzelf ruïneren. Ik realiseerde me dat voor wie de waarheid nastreven en het juiste pad bewandelen, status betekent: oefening en vervolmaking. Maar voor wie de waarheid niet nastreven en het juiste pad niet bewandelen, betekent het verleiding en openbaring. Op dat moment had ik nog altijd geen status. Alleen maar omdat ik niet was gepromoveerd en niet belangrijk werd geacht, was ik zo wrokkig dat ik niet eens mijn plicht wilde vervullen. Ik zag dat mijn ambities en verlangens immens waren en dat ik, als ik inderdaad was gepromoveerd om een belangrijke plicht te vervullen, beslist even ernstig zou falen als zij die al hadden gefaald. Op dat moment had ik echt het gevoel dat ik door Gods toestemming niet werd gepromoveerd tot groepsleider of begeleider. God gebruikte deze omgeving om me te dwingen over mezelf na te denken, zodat ik mezelf kon verbeteren en het pad van het nastreven van de waarheid kon bewandelen. Deze omgeving was wat mijn leven vereiste en was een grote bescherming voor me! Toen ik hierover nadacht, kreeg ik het gevoel erg onwetend en blind te zijn geweest en Gods wil niet te hebben begrepen. Ik had God verkeerd begrepen en de schuld gegeven. Ik had Gods hart echt verdriet gedaan.

Vervolgens las ik Gods woord: “Wat voor hart wil God dat mensen hebben? Ten eerste moet dat hart eerlijk zijn en ze moeten in staat zijn hun plicht gewetensvol te doen met beide benen op de grond, in staat zijn om het werk van de kerk te handhaven, niet langer zogenaamde ‘grote ambities’ of ‘verheven doelen’ hebben. Elke stap laat een voetdruk achter als ze God volgen en vereren, ze gedragen zich als geschapen wezens; ze streven er niet langer naar om een uitzonderlijk of geweldig iemand te worden, laat staan een bijzonder functioneel iemand, en ze vereren niet de scheppingen op vreemde planeten. Daarnaast moet dat hart de waarheid liefhebben. Wat wordt primair bedoeld met de waarheid liefhebben? Het betekent positieve dingen liefhebben, een gevoel van rechtvaardigheid hebben, in staat zijn om je oprecht uit te putten voor God, Hem echt lief te hebben, je aan Hem te onderwerpen en van Hem te getuigen(Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, De vijf voorwaarden waaraan moet worden voldaan om het juiste pad van geloof in God in te slaan). Na het lezen van Gods woord was ik erg ontroerd. Ik voelde Gods hoop voor mensen en de vereisten die Hij aan hen stelt. God wil niet dat mensen beroemd, groots of verheven zijn. God vraagt ons niet grootse projecten te ontwikkelen of glorieuze prestaties te leveren. God hoopt alleen dat mensen de waarheid nastreven, zich onderwerpen aan Zijn soevereiniteit en regelingen, en hun plichten op een nuchtere manier vervullen. Maar ik begreep Gods wil niet en kende mezelf niet. Ik wilde altijd status en een verheven of machtig iemand zijn. Zonder status en aandacht had ik het gevoel dat ik een droefgeestig, nutteloos leven leidde. Ik had totaal geen menselijkheid of rede. Ik was duidelijk gras dat een boom wilde zijn, een vink die een adelaar wilde zijn, en als gevolg daarvan spande ik me in tot ik me belabberd voelde en uitgeput was. Toen ik dit besefte, bad ik tot God: “God! In het verleden streefde ik altijd naar status, reputatie en gewin. Ik wilde altijd worden bewonderd en geprezen. Met onopgemerkt mijn plicht vervullen nam ik geen genoegen, iets wat u veracht en waar u een hekel aan hebt. Nu begrijp ik dat dit het verkeerde pad is. Ik wil me onderwerpen aan uw soevereiniteit en regelingen. Of ik nou gepromoveerd kan worden of niet, ik zal op een nuchtere manier de waarheid nastreven en mijn plicht goed vervullen.” Na mijn gebed voelde ik me enorm opgelucht en voelde ik me dichter bij God.

Later verwierf ik, door Gods woord te lezen, wat kennis van mijn verkeerde kijk op wat streven betekent. Gods woorden zeggen: “Wanneer mensen gepromoveerd worden tot leider of werker, of gevormd worden voor technisch werk, waarvoor ze als supervisor worden aangesteld, dan is dit niets anders dan een last die aan hen wordt toevertrouwd door Gods huis. Het is een opdracht, een verantwoordelijkheid, en natuurlijk ook een speciale plicht, een speciale kans en een uitzonderlijke verheffing – er is niets prijzenswaardig aan. Als mensen door Gods huis worden bevorderd en gecultiveerd, betekent dit niet dat ze een speciale positie of status hebben in Gods huis, zodat ze een speciale behandeling of gunst kunnen genieten. In plaats daarvan krijgen ze na uitzonderlijke verheffing in Gods huis de uitstekende voorwaarden om door Gods huis getraind te worden, om wezenlijk kerkwerk te oefenen, en tegelijk stelt Gods huis hogere normen aan hen, wat heel bevorderlijk is voor het binnengaan van het leven. Als iemand in Gods huis wordt bevorderd en gecultiveerd, betekent dit dat er strenge eisen aan hen worden gesteld en dat ze onder strikt toezicht komen. Gods huis zal het werk dat zij doen streng inspecteren, erop toezien en stimuleren, en begrip en aandacht hebben voor hun binnengaan van het leven. Genieten de mensen die door Gods huis worden bevorderd en gecultiveerd vanuit deze gezichtspunten een speciale behandeling, speciale status en speciale positie? Absoluut niet – en nog minder genieten ze een bijzondere rang. Als mensen die zijn bevorderd en gecultiveerd het gevoel hebben dat zij kapitaal hebben verkregen door hun plicht op redelijk effectieve wijze te doen en daardoor stagneren en de waarheid niet meer nastreven, zullen ze gevaar lopen als ze op beproeving en tegenspoed stuiten. Als hun gestalte te gering is, zullen ze waarschijnlijk geen stand kunnen houden. Sommigen zeggen: ‘Als mensen bevorderd en gecultiveerd zijn als leider, hebben zij een rang. Zelfs als ze geen eerstgeborenen zijn, hebben ze in ieder geval de hoop een van Gods mensen te worden. Ik ben nooit bevorderd of gecultiveerd, dus heb ik dan geen hoop om tot Gods volk te behoren?’ Het is verkeerd om zo te denken. Om tot Gods volk te behoren, moet je levenservaring hebben en iemand zijn die zich aan God onderwerpt. Of je nu een leider, werker of gewone volgeling bent: iedereen die de waarheidswerkelijkheid bezit, behoort tot Gods volk. Zelfs als je een leider of werker bent, ben je nog steeds een zwoeger als je de waarheidswerkelijkheid mist(Het Woord, Deel V, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers (5)). Uit Gods woord begreep ik dat promotie en cultivering in de kerk niet betekent dat mensen een speciale status hebben of een bijzondere behandeling krijgen, zoals mensen die in de wereld een functie bekleden. Het is eenvoudigweg een kans om te praktiseren en enkel een grotere verantwoordelijkheid voor mensen. Gepromoveerd en gecultiveerd worden betekent alleen dat we van de ene plicht op de andere overstappen. Het betekent niet dat iemands identiteit en status hoger zijn dan die van anderen en ook niet dat zo iemand de waarheid begrijpt of de werkelijkheden ervan bezit. Niet gepromoveerd worden betekent niet dat je minderwaardig bent en betekent ook niet dat je geen toekomst hebt en niet gered kunt worden. Kortom: welke plicht je ook vervult, en of je nu wel of niet wordt gepromoveerd, God behandelt alle mensen rechtvaardig en iedereen krijgt een kans om tijdens zijn plicht te praktiseren. De kerk regelt plichten op een redelijke manier overeenkomstig ieders kaliber en sterke kanten, zodat ieders kaliber en sterke kanten volledig kunnen worden aangesproken. Dit komt zowel het werk van de kerk als ons persoonlijke binnengaan in het leven ten goede. Of je nu wel of niet tot een belangrijke plicht wordt gepromoveerd, Gods verwachtingen van mensen en voorziening van iedereen zijn dezelfde. God wil dat mensen de waarheid nastreven en in de loop van hun plichten hun gezindheden veranderen. Daarom hangt Gods redding van mensen nooit af van hun status of kwalificaties. Die hangt eerder af van de houding van mensen tegenover de waarheid en hun plicht. Bewandel je het pad van het nastreven van de waarheid, dan kun je bij het vervullen van je plicht meer aan beoefening doen en blijf je vooruitgang boeken in het leven. Maar streef je de waarheid niet na, dan hou je het niet uit, hoe hoog je status ook is. Vroeg of laat word je ontslagen en verstoten. In het verleden had ik geen zuiver begrip van promotie. Ik dacht altijd dat gepromoveerd worden betekende dat je status verwierf, en hoe hoger mijn status, hoe beter mijn toekomst en lot. Daardoor richtte ik me bij mijn plicht niet op het nastreven van de waarheid en streefde ik alleen status na. Nu pas besef ik dat deze kijk op de zaken absurd is! In werkelijkheid gaf de kerk me de kans om te praktiseren, maar ik had gewoon te weinig kaliber voor belangrijkere taken. Maar ik had geen zelfbewustzijn en had daarom altijd het idee dat ik bekwaam was en gepromoveerd kon worden om belangrijker werk te doen. Ik kende mezelf eigenlijk helemaal niet. Wat voor werk we ook doen in Gods huis, we moeten allemaal de waarheid begrijpen en de principes van de waarheid binnengaan, willen we met ons werk goede resultaten behalen. Maar ik begreep de waarheid niet en kon helemaal geen praktisch werk doen. Al werd ik gepromoveerd, wat zou ik ooit voor goeds kunnen doen? Zou ik niet alleen maar in de weg lopen? Los van het feit dat ik dan totaal uitgeput zou zijn, ik zou ook het werk van de kerk belemmeren. Dat zou het niet waard zijn. Op dat moment besefte ik eindelijk dat mijn huidige plicht heel geschikt voor me was. Ik was er goed in en het deed een beroep op mijn sterke kanten. Dit was nuttig voor mijn persoonlijke binnengaan van het leven en kwam het werk van de kerk ten goede. Door de verlichting en sturing van Gods woorden werd ik me bewust van Gods wil, vond ik mijn eigen plek, wist ik welke plicht ik moest vervullen en werd mijn negatieve gesteldheid een positieve.

Hierna was ik veel minder in de greep van reputatie, gewin en status en droeg ik een last tijdens het doen van mijn plicht. Wanneer ik niet druk was met werk, gebruikte ik mijn vrije tijd om te oefenen met het prediken van het evangelie en het getuigen van God. Toen ik zag hoe mensen die echt in God geloven en naar de waarheid dorsten het werk van Almachtige God in de laatste dagen aanvaardden, kreeg ik een sterk gevoel van verlichting en troost. Eindelijk begreep ik dat het niet uitmaakt hoe belangrijk de functie is die je wordt toegewezen: wat ertoe doet is of je de rol van een schepsel kunt vervullen bij het vervullen van je plicht. Dat is het allerbelangrijkste. Hoewel ik vaak het nieuws hoor dat sommige broeders en zusters die ik ken gepromoveerd worden, ben ik nu een stuk rustiger en niet meer jaloers zoals voorheen. Ik weet immers dat we, hoewel we verschillende plichten vervullen, allemaal naar hetzelfde doel streven en ons uiterste best doen om Gods evangelie van het koninkrijk te verspreiden. Nu heb ik eindelijk mijn plek gevonden. Ik ben maar een klein schepsel. Mijn plicht is te gehoorzamen aan de orkestraties en regelingen van de Schepper. Welke plicht ik ook heb, voortaan ben ik bij het doen van mijn plicht bereid te aanvaarden, te gehoorzamen en mijn best te doen om God tevreden te stellen.

Vorige: 54. Egoïsme is verachtelijk

Volgende: 58. De keuze van een ambtenaar

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

44. Ik ben thuisgekomen

Door Chu Keen Pong, MaleisiëIk geloofde al ruim tien jaar in de Heer en diende twee jaar in de kerk, toen ik mijn kerk achterliet om in het...

Instellingen

  • Tekst
  • Thema's

Effen kleuren

Thema's

Lettertype

Lettergrootte

Regelruimte

Regelruimte

Paginabreedte

Inhoud

Zoeken

  • Zoeken in deze tekst
  • Zoeken in dit boek