62. Ontwaakt uit mijn arrogantie
In 2015 begon ik het evangelie te verspreiden. Dankzij Gods sturing had ik enig succes. Soms hadden degenen tot wie ik predikte sterke opvattingen en wilden ze zich niet verder verdiepen in het evangelie. Daarom bad ik en vertrouwde ik op God en communiceerde geduldig met hen over de waarheid, en al snel accepteerden ze Gods werk van de laatste dagen. Na enig succes in mijn plicht, voelde ik me beter dan de andere broers en zussen, alsof ik een of ander zeldzaam talent had.
Toen begonnen partner Liam en ik allebei begietingswerk voor een kerk. De kerk waar ik dat deed was ngroot, met behoorlijk veel leden. Toen ik begon, bad ik daarom altijd en vertrouwde op God en besprak dingen met broeders en zusters. Al snel liep het goed. De meeste broeders en zusters gingen regelmatig naar bijeenkomsten en vervulden hun plichten erg proactief. Ik was best tevreden over mezelf. Ik dacht dat als ik zelfs bij zo’n grote kerk met zoveel leden zo snel resultaten boekte, ik wel enig kaliber moest hebben. Ik zag ook dat het met het begietingswerk van Liam niet al te best ging, dat sommige begieters in zijn kerk ongeschikt waren en hun plicht moest worden aangepast en dat sommigen communicatie nodig hadden omdat hun gesteldheid negatief was. Ik keek daarom een beetje op hem neer, en dacht dat hij deze problemen alleen kon oplossen met mijn hulp. Daarna begon ik me met zijn werk te bemoeien. Op bijeenkomsten somde ik voor iedereen vergissingen en fouten op. Ik communiceerde over Gods woorden om te helpen met de negatieve gesteldheden van anderen. Waar nodig pasteik de plichten aan van de ongeschikte mensen. Het werk ging al snel beter. Ik had onze problemen heel vlug opgelost, dus voelde ik me nog meer onmisbaar en alsof ik een zeldzaam talent had. Hierna bleef mijn arrogantie maar groeien. Ik klaagde er vaak over dat de broeders en zusters hun plichten niet met vollee overtuiging uitoefenden en berispte hen. Ik zei: “Het begietingswerk loopt enorm achter. Is er ook maar iemand die Gods in acht neemt en het werk correct uitvoert? Jullie zijn allemaal zo onverantwoordelijk en slordig geweest. Het is maar goed dat er de afgelopen weken wat vooruitgang is geweest. Wie zou er anders verantwoordelijkheid kunnen nemen voor deze achterstand?” Niemand durfde iets te zeggen. Ik vroeg me af of ik niet wat te fel had gereageerd. Maar vervolgens dacht ik dat het hen niet zou kunnen schelen tenzij ik zei waar het op stond. Omdat ik vaak op hen neer keek keek ze berispte en liet doen wat ik zei, distantieerden ze zich na enige tijd van mij wanneer ik problemen en afwijkingen vond in hun werk. Ze praatten nauwelijks nog met me, behalve over dingen die met het werk te maken hadden. Soms praatten en lachten ze onder elkaar, maar zodra ik eraan kwam, gingen ze uit elkaar, alsof ze bang voor me waren. En omdat ze bang waren fouten te maken en berispt te worden, kwamen ze voor elke kwestie naar mij toe en wachtten ze op mijn beslissing. Ik voelde me wel een beetje ongemakkelijk toen ik dat zag. Ik vroeg me af of ik autoritair was en het pad van de antichrist beliep. Maar vervolgens vond ik dat ik bij het werk streng moest zijn. Niemand zou luisteren als ik ze niet een beetje streng aanpakte. En hoe zouden we dan iets kunnen bereiken? Voor mij betekende het meteen benoemen van problemen dat ik gevoel voor rechtvaardigheid had. Daarna werd mij arrogantie zelfs nog intenser. Ik wilde over alles, grote en kleine kwesties, het laatste woord hebben en moest opvolgen hoe leden werden geplaatst en georganiseerd, want naar mijn idee was niemand in ons team zo bedreven als ik. Zelfs wanneer ik wel dingen met hen besprak, deden we uiteindelijk altijd wat ik wilde. Daarom vond ik dat we tijd konden besparen als ik de beslissingen meteen nam. Soms kwam een leider naar een bijeenkomst en had ik geen respect voor hem. Ik dacht: je bent een leider, nou en? Kun jij het evangelie delen en getuigenis afleggen? Kun jij ook maar enig aspect van dit werk goed doen? Als je alleen maar kan communiceren op bijeenkomsten zonder praktisch werk te leveren, dan kun je je niet met mij meten. Telkens wanneer de leider me vroeg hoe het ging met ons werk, vertelde ik meer als ik zin had in een praatje, maar wanneer ik geen zin had om te praten, dan zei ik slechts enkele woorden. Ik vond het niet nodig om erover te praten, want uiteindelijk was ik het zelf die het werk zou doen. De leider onthulde mijn arrogantie en zei dat ik altijd het laatste woord had over zaken en niet goed samenwerkte met de broeders en zusters. Toen ik op deze manier werd behandeld en gesnoeid, gaf ik rechtstreeks aan hem toe dat ik arrogant was, maar ik trok me er verder niets van aan. Ik vond dat ik van goed kaliber en bekwaam was. Wat maakte het dan uit dat ik een beetje arrogant was, zolang ik mijn werk goed deed? Bovendien was ik het die aan het hoofd van het meeste kerkwerk stond, dus wat konden ze doen? Mij ontslaan? Het behandelen en snoeien de leider sloeg ik in de wind. Ik bleef mijn plicht precies doen zoals ik dat wilde en behield de volledige leiding, tot ik werd blootgesteld door God.
Op een keer had een nieuw gevestigd kerk meer mensen nodig voor begietingswerk. Zonder het te bespreken met Liam en de anderen, regelde ik dat er een zuster heen ging om ze te helpen. Ik bedacht me dat ze het meestal eens waren met mijn voorstellen, zodat ik het net zo goed zelf kon beslissen. Maar tot mijn verbazing kwam ik er achter dat omdat het begrip van deze zuster te oppervlakkig was het werk niet kon doen en geen praktische problemen kon oplossen. Dit was een serieus struikelblok voor het werk van de kerk en ze moest later worden overgeplaatst naar een andere plicht. Maar toch dacht ik nog steeds niet over mezelf na. Omdat ik zo aanhoudend arrogant bleef, en geen waarheidsprincipes zocht in mijn plicht en de anderen niet aanstuurde om bij hun plicht principes te volgen, was iedereen maar druk in de weer zonder dat er echte resultaten werden geboekt. Het zat de vooruitgang van ons werk erg in de weg. Toch was ik me nog steeds niet bewust van mijn eigen problemen. Ik verweet gewoon de anderen dat ze hun lasten niet droegen. Gedurende een tijdje leek ik dingen voor elkaar te krijgen, maar er hing een onbeschrijflijke dreiging in de lucht, alsof er iets vreselijks ging gebeuren. Op bijeenkomsten en in gebed wist ik niet wat ik moest zeggen. Tijdens het werkoverleg had ik vaak slaap, en ik had nergens inzicht in. Ik voelde me mentaal onscherp en had nergens energie voor. Ik wilde alleen maar uitrusten. Ik wist dat ik het werk van de Heilige Geest kwijt was, maar ik wist niet waarom. Ik bad tot God en vroeg Hem mij te helpen mezelf te begrijpen.
Een paar dagen later kwam mijn leider naar een bijeenkomst en behandelde me en onthulde mijn gedrag. Hij zei: “Je bent arrogant geweest. Je doet altijd hooghartig en berispt mensen, je beperkt ze en pronkt vaak met je anciënniteit. Je luistert naar niemand en je bent moeilijk om mee te werken. Bovendien doe je wat je wilt zonder dit met iemand anders te bespreken, je gaat willekeurig en autocratisch te werk. Op basis van je gedrag hebben we besloten je te ontslaan.” Elk woord raakte me keihard in mij hart. Ik dacht terug aan hoe ik me had gedragen. Ik deed de dingen altijd maar op mijn manier en was dictatoriaal. Was ik niet precies zoals een antichrist? Die gedachte maakte me echt angstig en ik dacht bij mezelf: “Word ik onthuld en uitgestoten door God? Gaan mijn jaren van geloof zo ten einde komen?” Een paar dagen lang voelde ik me als een zombie. Vanaf het moment dat ik ontwaakte was ik doodsbenauwd, en keek ik vreselijk tegen de dag op. Ik bad tot God: “God, ik weet dat uw goedgezinde wil hier een rol speelt, maar ik weet niet hoe ik hier doorheen moet komen. O God, ik ben zo depressief. Verlicht me alstublieft, zodat ik uw wil leer kennen.” Toen las ik het volgende in Gods woorden: “God houdt Zich niet bezig met wat jou elke dag overkomt of met hoeveel werk je doet, hoeveel moeite je doet; waar Hij naar kijkt, is je houding tegenover deze dingen. En waarmee hangt de houding waarmee je deze dingen doet, en de manier waarop je ze doet, samen? Die hangt samen met of je de waarheid nastreeft en ook met je intreden in het leven. God kijkt naar je intreden in het leven, naar het pad dat je bewandelt. Als je het pad van het streven naar de waarheid bewandelt en intreden in het leven hebt, zul je harmonieus kunnen samenwerken bij het vervullen van je plichten, en zal het eenvoudig voor je zijn om je plichten bekwaam te vervullen. Maar als je bij het vervullen van je plicht doorlopend benadrukt dat je kapitaal hebt, dat je jouw soort werk begrijpt, dat je ervaring hebt en dat je Gods wil in gedachten houdt, en de waarheid meer nastreeft dan wie dan ook, en als je dan denkt dat je met het oog op die dingen het laatste woord zou moeten hebben, en niets met anderen bespreekt, en altijd voor eigen rechter speelt, en probeert je eigen plannetjes uit te voeren, en altijd ‘de enige bloeiende bloem’ wilt zijn, bewandel je dan het pad van het binnengaan van het leven? Nee: dit is het nastreven van status, het bewandelen van het pad van Paulus; het is niet het pad van het binnengaan van het leven” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Hoe vervult men zijn plicht op een manier die aan de norm voldoet?). “Er was iemand met een talent voor het verspreiden van het evangelie. Hij doorstond veel tegenspoed bij het verspreiden van het evangelie en werd zelfs gevangengezet en veroordeeld tot een jarenlange gevangenisstraf. Toen hij vrijkwam, bleef hij het evangelie verspreiden en bekeerde honderden mensen. Sommigen van hen bleken erg getalenteerd; sommigen werden zelf tot leider of werker gekozen. Als gevolg hiervan dacht deze persoon dat hij aanzienlijke eerbewijzen waard was. Hij gebruikte dit als kapitaal waarover hij overal opschepte. Hij pronkte en getuigde van zichzelf: ‘Ik heb acht jaar lang in de gevangenis gezeten en heb standvastig gestaan in mijn getuigenis. Ik heb veel mensen bekeerd; sommigen van hen zijn nu leiders of werkers. In het huis van God ben ik erkenning waard, heb ik een bijdrage geleverd.’ Waar hij maar het evangelie verspreidde, schepte hij onveranderlijk op tegen de plaatselijke leiders of werkers. Ook zei hij dan: ‘Jullie moeten luisteren naar wat ik zeg; zelfs jullie hogere leiders zijn beleefd wanneer ze met me praten. Wie dat niet is, zal ik een lesje leren!’ Deze persoon is een bullebak, of niet? Als zo iemand het evangelie niet had verspreid en die mensen niet had bekeerd, zou hij het dan wagen om zo hoogdravend te zijn? Dat zou hij. Dat hij zo hoogdravend kan zijn, bewijst dat dit in zijn aard ligt. Zijn aard en wezen brengen hem ertoe zo arrogant te zijn dat hij volledig onredelijk is. Na het verspreiden van het evangelie en het bekeren van een paar mensen, zwelt zijn arrogante aard en wordt hij zelfs nog hoogdravender. Zulke mensen pochen waar ze maar gaan over hun kapitaal, ze proberen waar ze maar gaan de eer op te eisen en ze zetten zelfs leiders op verschillende niveaus onder druk. Ze proberen hun gelijke te zijn en denken zelfs dat zijzelf een hoge leider in het huis van God zouden moeten zijn. Op basis van wat er spreekt uit het gedrag van zo iemand, moet het voor ons allemaal duidelijk zijn wat voor aard zij precies hebben en hoe het waarschijnlijk met hen zal aflopen. Wanneer een demon met vleierij het huis van God binnen weet te komen, doet die een beetje dienst voordat hij zijn ware gezicht toont. Hij luistert niet, wie hem ook aanpakt of snoeit, en volhardt in zijn strijd tegen het huis van God. Wat is de aard van zijn handelingen? In Gods ogen doodt hij zichzelf en zal hij niet rusten tot hij zichzelf heeft omgebracht. Dit is de enige passende manier om het te formuleren” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Het evangelie verkondigen is de plicht die elke gelovige moet vervullen). Het lezen van deze woorden van God deed me beven van angst. Ik voelde dat God me persoonlijk ontmaskerde, dat Hij mijn gesteldheid openbaarde, en de diepste geheimen die ik nooit aan iemand had verteld. Ik had de afgelopen jaren van het verspreiden van het evangelie enige resultaten geboekt. Daarom dacht ik dat ik een enorme bijdrage had geleverd, dat ik onmisbaar was en een zeldzaam talent had. Vaak ik hield ik in mijn hoofd alles bij wat ik had gedaan. Ik had het gevoel dat ik wat eer verdiende en dat ik een steunpilaar was in de kerk. Ik vatte deze dingen op als persoonlijk kapitaal en keek arrogant op iedereen neer. Ik berispte mensen ook graag minachtend, wat de broeders en zusters kort hield. Ik moest overal het laatste woord over hebben en werkte niet mee in mijn plicht. Ik was daarentegen autocratisch en deed wat ik maar wilde, waardoor het werk van de kerk ernstig werd gehinderd en vertraagd. Zelfs toen de leider me aanpakte, trok ik me daar niets van aan. Ik liep zelfs met mijn anciënniteit te koop. Ik keek op hem neer en vond niet dat hij beter was dan mij. Ik wilde zijn supervisie of leiding niet accepteren. Ik wilde alles zelf beslissen. Wanneer broeders en zusters niet aan mijn verwachtingen voldeden, gaf ik ze een uitbrander. Ik zei dingen zoals: “Je zult ontslagenen verstoten worden als je je plicht niet goed doet.”. Zo bleven ze geobsedeerd met werk. Ze waren bang dat ze aangepakt zouden worden of hun plicht kwijt zouden raken als ze een foutje maakten en in een verkeerde gesteldheid leefden. Hoe kon dat het vervullen van mijn plicht genoemd worden? Deed ik zo geen kwaad, verzette ik me zo niet tegen God? Die gedachte maakte me echt angstig. Ik had me nooit voorgesteld dat ik zoveel kwaad zou doen, dat ik broeders en zusters zozeer zou kwetsen en beperken, dat ik ons werk zozeer in de weg zou zitten en verstoren. Ik vocht tegen God, maar dacht dat ik mijn plicht om Hem tevreden te stellen aan het doen was. Ik was zo blind, onwetend en onredelijk! Gods woorden lieten me zien dat je met zulk gedrag jezelf ter dood brengt. In Gods woorden: ‘doodt hij zichzelf’, kreeg ik een idee van hoezeer God walgt van zulke personen. Het was hartverscheurend, alsof God me ter dood had veroordeeld. Ik dacht dat ik alles kon opofferen voor mijn plicht, dat ik daar altijd in was geslaagd, zodat God vast tevreden over me was, en dat een klein beetje arrogantie er nauwelijks toe deed. Maar toen besefte ik dat als ik de waarheid niet nastreefde en mijn gezindheid niet veranderde, ik gewoon maar een dienstdoener was, hoeveel ik ook opofferde en hoeveel ik ook bereikte in mijn plicht. Het oordeel en de openbaring van Gods woorden lieten me Zijn rechtvaardige gezindheid zien die niet beledigd mag worden. Ik zag dat God iZijn daden volmaakte principes heeft. Als iemand in de wereld het een en ander bereikt, levert dat misschien wat kapitaal en invloed op. Maar in Gods huis heersen waarheid en rechtvaardigheid. Wie kapitaal en macht gebruikt in de kerk, doodt zichzelf en beledigt Gods gezindheid.
Later overdacht ik waarom ik voelde alsof ik wat kapitaal had en zo roekeloos, arrogant en dictatoriaal begon te worden na een paar dingen bereikt te hebben in mijn plicht. Wat voor aard had mij in zijn greep? Ik las dit in Gods woorden. “Als je in je hart de waarheid echt begrijpt, zul je weten hoe je de waarheid moet beoefenen en God moet gehoorzamen. Dan kom je vanzelfsprekend op het pad van het nastreven van de waarheid. Als het pad dat je bewandelt het juiste is, en overeenstemt met Gods wil, zal het werk van de Heilige Geest je niet verlaten. Dan zal de kans steeds kleiner worden dat je God zult verraden. Zonder de waarheid is het gemakkelijk om kwaad te doen, en doe je dat in weerwil van jezelf. Als je bijvoorbeeld een arrogante en verwaande gezindheid hebt, maakt het geen verschil voor je als je te horen krijgt dat je God niet moet trotseren. Je kunt het niet voorkomen, het ligt buiten je macht. Je zou het niet expres doen, je zou het doen omdat je arrogante en verwaande aard over je heerst. Door je arrogantie en verwaandheid zou je op God neerkijken en Hem als onbelangrijk beschouwen, ze zouden je ertoe brengen om jezelf te verheffen, steeds met jezelf te pronken; ze zouden je ertoe brengen om anderen te minachten, ze zouden niemand anders in je hart laten blijven dan jezelf; ze zouden je beroven van een plek voor God in je hart, waardoor je uiteindelijk Gods plaats inneemt en eist dat mensen zich aan je onderwerpen, en ze zouden ervoor zorgen dat je je eigen gedachten, ideeën en noties vereert als de waarheid. Zo veel kwaad wordt gedaan door mensen die in de greep zijn van hun arrogante en verwaande aard!” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Alleen door de waarheid na te streven, kan iemand een verandering in gezindheid bereiken). “Er zijn vele soorten verdorven gezindheden die deel uitmaken van de gezindheid van Satan, maar de duidelijkste en meest in het oog springende gezindheid is een arrogante gezindheid. Arrogantie is de wortel van de verdorven gezindheden van de mens. Hoe arroganter mensen zijn, hoe onredelijker ze zijn, en hoe onredelijker ze zijn, hoe meer ze geneigd zijn om zich tegen God te verzetten. Hoe ernstig is dit probleem? Aangezien mensen arrogante gezindheden hebben, vinden ze niet alleen dat alle anderen minder zijn dan zij, maar – en dit is het allerergst – ze hebben geen achting voor God en totaal geen Godvrezend hart. Al geloven mensen in God en volgen ze Hem, behandelen ze Hem absoluut niet als God. Ze hebben altijd het gevoel dat ze de waarheid bezitten en vinden zichzelf geweldig. Dit is de essentie en de wortel van de arrogante gezindheid, en het komt van Satan. Daarom moet het probleem van de arrogantie worden opgelost. Het gevoel hebben dat je beter bent dan anderen is triviaal. De kwestie waar het om draait is dat die arrogante gezindheid iemand ervan weerhoudt zich te onderwerpen aan God, Zijn heerschappij en Zijn regelingen; zo iemand voelt altijd de neiging met God te wedijveren om de macht over anderen. Dit soort persoon vereert God niet in de verste verte, laat staan dat hij God liefheeft of zich aan Hem onderwerpt. Mensen die arrogant en zelfingenomen zijn, met name degenen die zo arrogant zijn dat ze hun verstand kwijt zijn, kunnen zich niet aan God onderwerpen in hun geloof in Hem en die verheerlijken zelfs zichzelf en getuigen zelfs voor zichzelf. Die mensen verzetten zich het meest tegen God en hebben absoluut geen vrees voor God. Als mensen zover willen komen dat ze God vereren, moeten ze eerst een oplossing voor hun arrogante gezindheid vinden. Hoe grondiger je je arrogante gezindheid verhelpt, hoe meer verering je zult voelen voor God, en pas dan kun je je aan Hem onderwerpen, de waarheid verwerven en Hem kennen. Alleen zij die de waarheid verwerven zijn werkelijk mens” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, deel drie). Gods woorden leerden me dat arrogantie aan de wortel ligt van verzet en tegenstandtegen God. Wanneer iemand een arrogante aard heeft, kan hij het niet nalaten om zich te verzetten tegen God en kwaad te begaan. Toen ik nadacht over wat ik openbaarde tijdens deze periode, was dit te wijten aan mijn arrogante aard. Als ik een paar dingen had bereikt, voelde ik me geweldig. Ik vond dat ik goed kaliber had, dat ik bekwaam en dat ik een zeldzaam talent had en dat de kerk niet zonder mij kon. Op andere broeders en zusters keek ik neer. Ik gebruikte mijn functie vaak om hen te berispen en beperken. Van niemand had ik een hoge dunk. Bij mijn plicht was ik dictatoriaal en eigenzinnig. Met niemand besprak ik iets. Naar mijn idee kon ik het goed zelf af en kon ik eenzijdig beslissingen nemen. Ik was ongelooflijk arrogant en had geen enkele eerbied voor God. Toen de leider me aanpakte, gaf ik mijn arrogantie wel toe, maar het deed me niet echt iets. Naar mijn idee was er niets verkeerd met arrogantie. Dat ik arrogant werd genoemd, betekende dat ik bepaalde vaardigheden had. Als ik geen kapitaal had, waarom zou ik dan arrogant zijn? Ik was enorm onredelijk en had geen enkele schaamte. Ik leefde volgens Satans vergif: ‘In heel het universum regeer alleen ik oppermachtig’. In de kerk speelde ik de baas en had ik alleen het laatste woord over alles. Waarin verschilde ik van de dictatuur van de grote rode draak? De grote rode draak is arrogant en wetteloos. Ze grijpt naar ongekende methodes van gewelddadige onderdrukking tegen iedereen die niet wil luisteren. Ik was dictatoriaal en onbuigzaam in de kerk. Ik duldde niemands toezicht. Was dat soort gezindheid niet precies zoals de grote rode draak? Pas dan beseft ik hoe arrogant ik was, dat ik om niemand gaf, zelfs niet om God, dat ik onbewust tegen de waarheid in ging, me tegen God verzette en me op een pad tegen God bevond. Als ik geen berouw toonde, zou God me uiteindelijk beslist vervloeken en straffen, net zoals de grote rode draak. Toen zag ik duidelijk hoe ernstig de gevolgen van mijn arrogante aard waren, dat mijn probleem niet niet zo eenvoudig was als de onthulling van een beetje verdorvenheid, zoals ik voorheen had gedacht. Die gedachte herinnerde me eraan hoe ik anderen had berispt en gekleineerd en mezelf had verheven, dat ik praatte en mezelf presenteerde alsof er geen tweede zoals ik was op de hele wereld. Ik werd er misselijk van, ik walgde van mezelf. Ik nam me voor om de waarheid na te streven zoals het hoort, om overal principes in te zoeken, God te eren in mijn hart en niet langer volgens mijn arrogante aard te leven en me niet langer tegen God te verzetten.
Later, toen ik uitzocht hoe ik gepast moest omgaan met eventuele successen die ik zou kunnen hebben in mijn plichten, las ik een passage uit Gods woorden. “Merken jullie, onder het vervullen van jullie plicht, Gods begeleiding en de verlichting van de Heilige Geest? (Ja.) Als jullie het werk van de Heilige Geest merken en toch nog een hoge dunk hebben van jezelf, en denken dat jullie de werkelijkheid bezitten, wat is hier dan aan de hand? (Wanneer het vervullen van onze plicht enige vruchten heeft afgeworpen, denken we dat de helft van de eer daarvoor God toekomt en dat de andere helft ons toekomt. Dan blazen we onze samenwerking op tot een onbegrensde omvang, met het idee dat niets belangrijker is dan onze samenwerking, en dat Gods verlichting zonder die samenwerking niet mogelijk was geweest.) Waarom heeft God je dan verlicht? Kan God ook andere mensen verlichten? (Ja.) Wanneer God iemand verlicht, is dat de genade van God. En wat is dat kleine beetje samenwerking van jou? Is het iets waar je erkenning voor verdient – of is het je plicht, je verantwoordelijkheid? (Plicht en verantwoordelijkheid.) Wanneer je inziet dat het plicht en verantwoordelijkheid zijn, is dit de juiste geestestoestand en zul je niet over het proberen opeisen van erkenning denken. Het is verkeerd als je altijd gelooft: ‘Dit is mijn bijdrage. Zou Gods verlichting mogelijk zijn geweest zonder mijn samenwerking? Dit vergt de samenwerking van mensen; die samenwerking neemt het overgrote deel hiervan voor haar rekening.’ Hoe had je kunnen samenwerken als de Heilige Geest je niet had verlicht en als niemand de principes van de waarheid aan je had gecommuniceerd? Je zou niet weten wat God vereist en zou het beoefeningspad niet kennen. Zelfs als je God wilde gehoorzamen en zou willen samenwerken, zou je niet weten hoe. Bestaat die ‘samenwerking’ van jou niet uit lege woorden? Zonder ware samenwerking handel je alleen maar naar je eigen ideeën – zou in dat geval de plicht die je vervult goed genoeg kunnen zijn? Beslist niet, en dat wijst op een probleem. Op welk probleem wijst het? Wat voor plicht iemand ook vervult – of men resultaat boekt, zijn plicht naar behoren doet en Gods goedkeuring verkrijgt, hangt af van de handelingen van God. Al voer je je verantwoordelijkheden uit en vervul je je plicht – als God niet werkt, als God je niet verlicht en begeleidt, zul je je pad, je richting en je doelen niet kennen. Waar loopt dat op uit? Het zou vergeefse moeite zijn en je zou niets winnen. Je plicht naar behoren doen, ten voordele van je broeders en zusters, en Gods goedkeuring verkrijgen, hangt dus allemaal van God af! Mensen kunnen alleen die dingen doen waartoe ze persoonlijk in staat zijn, die ze zouden moeten doen en die in hun inherente vermogen liggen – niets meer. Je plichten effectief vervullen hangt dus uiteindelijk af van de leiding van Gods woorden en de verlichting van de Heilige Geest, zodat je het pad, de principes, de richting en de doelen kunt begrijpen die God je heeft gegeven. Dit zijn de genade en zegeningen van God, en als mensen dit niet kunnen zien, zijn ze blind” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, De principes die iemands zelf-gedrag moeten sturen). Uit Gods woorden begreep ik dat het bereiken van bepaalde dingen tijdens mijn plicht volledig te danken was aan Gods genade en de verlichting en leiding van de Heilige Geest. God werd vlees en drukte de waarheid uit om de mens te begieten en voorzien, en communiceerde duidelijk en concreet over alle aspecten van de waarheid en principes. Pas toen begreep ik enkele waarheden, kreeg ik richting in mijn plicht en had ik een beoefeningspad, en het was helemaal niet te danken aan mijn goede kaliber of mijn vermogen om wat werk te doen. Zonder de sturing van Gods woorden of de verlichting van de Heilige Geest, ongeacht mijn kaliber of hoe welbespraakt ik was, zou ik nooit iets bereiken. En dit kleine beetje werk dat ik had gedaan, was het vervullen van mijn plicht als geschapen wezen. Het was mijn verantwoordelijkheid. Wat voor plicht dat ook is, het is wat een geschapen wezen hoort te doen. Alles wat we bereiken is gewoon wat gedaan moet worden, en het mag niet onze persoonlijke bijdrage of ons persoonlijk kapitaal zijn. Maar ik wist niet waaruit ik was opgebouwd. Ik dacht dat een paar prestaties betekende dat mijn kaliber goed was en dat ik goed was in wat ik deed. Ik vatte het op als iets wat ik ten gunste van mezelf kon aanwenden. Ik was erg tevreden over mezelf, en probeerde Gods glorie te stelen. Wat was ik arrogant en onredelijk! In werkelijkheid, als ik eraan terugdenk: niet alleen kon ik niets presteren wanneer ik werkte op basis van mijn arrogantie; maar ik hield ook vaak ons werk op. Bijvoorbeeld toen ik roekeloos de verkeerde persoon een begietingstaak gaf; daardoor kregen een heleboel nieuwkomers niet op tijd de begieting en voeding die ze nodig hadden. Dat verstoorde het werk van de kerk ernstig. Op hetzelfde moment trad ik niet in de waarheidsprincipes en stuurde de anderen niet aan om principes te volgen bij het vervullen van hun plicht. Daardoor kregen we bij ons werkdingen niet voor elkaar en werd de voortgang vertraagd. Maar over dat alles had ik nooit nagedacht. In plaats daarvan was ik in mijn nopjes met mezelf en werd ik nog arroganter, alsof de kerk niet zonder mij kon. Maar als God mij kon verlichten, kon Hij natuurlijk ook anderen verlichten. K het kerkwerk dan ook niet gewoon doorgaan na mijn ontslag? Omdat ik zo’n hoge dunk van mezelf had, dacht ik dat de kerk niet zonder mij kon. Ik dacht aan Paulus in het Tijdperk van Genade. Hij dacht enig kapitaal te hebben toen hij wat werk had gedaan. Daarom had hij geen achting voor anderen. Hij zei rechtstreeks dat hij niets minder dan de grootste discipel was en hijkeek neer op kleineerde Petrus vaak. Uiteindelijk probeerde hij zijn werk te gebruiken om van God een beloning te vragen. Hij was zo arrogant dat hij redeloos werd. Was ik niet gewoon zoals Paulus? Ik bevond me op hetzelfde pad als hem. Zonder het oordeel en de openbaring van Gods woorden zou ik me nog steeds niet bewust zijn van mijn problemen, zou ik mezelf geweldig vinden. Toen ik dit allemaal inzag, haatte ik mezelf echt. Ik wilde belijden en berouw aan God tonen.
Toen las ik een passage in Gods woorden: “Weet iemand hoeveel jaar God al werkt te midden van de mensheid en de hele schepping? Het specifieke aantal jaren dat God al werkt en de hele mensheid managet, is onbekend; niemand kan een exact cijfer geven, en God rapporteert deze zaken niet aan de mensheid. Maar als Satan zoiets zou doen, zou hij het dan rapporteren? Zeker wel. Hij wil met zichzelf pronken om meer mensen te misleiden en meer mensen bewust te maken van zijn bijdragen. Waarom rapporteert God deze zaken niet? Er is een nederig en verborgen aspect aan Gods essentie. Wat is het tegenovergestelde van nederig en verborgen zijn? Het is arrogant zijn en jezelf op de voorgrond plaatsen. […] God leidt de mensheid, voert zulk geweldig werk uit en bestuurt het hele heelal. Zijn gezag en kracht zijn zo enorm en toch heeft Hij nooit gezegd: ‘Mijn kracht is buitengewoon.’ Hij blijft verborgen te midden van alle dingen, bestuurt alles, voedt de mensheid en voorziet in haar behoeften, en stelt de hele mensheid in staat generatie na generatie voort te bestaan. Neem bijvoorbeeld de lucht en de zonneschijn, of alle materiële dingen die nodig zijn voor het menselijk bestaan op aarde – ze stromen allemaal onophoudelijk voort. Dat God in de behoeften van de mens voorziet, staat buiten kijf. Als Satan iets goeds zou doen, zou hij het dan stilhouden en een onbezongen held blijven? Nooit. Het is net zoals er enkele antichristen in de kerk zijn die voorheen gevaarlijk werk hebben verricht, die dingen hebben opgegeven en lijden hebben doorstaan, die misschien zelfs naar de gevangenis zijn gegaan; er zijn er ook die ooit hebben bijgedragen aan één aspect van het werk van het huis van God. Ze vergeten deze dingen nooit, ze zijn van mening dat ze daar levenslang erkenning voor verdienen, ze denken dat dit het kapitaal van hun leven is – wat laat zien hoe klein mensen zijn! Mensen zijn werkelijk klein, en Satan is schaamteloos” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt zeven: Ze zijn boosaardig, verraderlijk en bedrieglijk (deel 2)). “God heeft de mensheid lief, zorgt voor de mensheid en bekommert Zich om de mensheid. Ook voorziet hij voortdurend en onophoudelijk in de behoeften van de mensheid. Nooit voelt Hij in Zijn hart dat dit extra werk is of iets wat veel lof verdient. Evenmin heeft Hij het gevoel dat Hij een enorme bijdrage aan de mensheid levert door de mensheid te redden, hun de nodige dingen te verschaffen en hun alles te geven. Hij zorgt eenvoudigweg in alle rust en stilte voor de mensheid, op Zijn eigen manier en via Zijn eigen wezen en wat Hij heeft en is. Hoeveel zorg en hoeveel hulp de mensheid ook van Hem krijgt, God denkt er nooit aan om met de eer te strijken en Hij doet daar ook geen pogingen toe. Dit wordt bepaald door het wezen van God en het is tevens precies een ware uitdrukking van Gods gezindheid” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, Gods werk, Gods gezindheid en God Zelf I). Ik dacht na over Gods woorden en zag in hoe welwillend Zijn gezindheid en essentie zijn. God is de Schepper die over absoluut alles heerst en absoluut alles in stand houdt. Hij is weer vlees geworden, drukt waarheden uit om de mensheid te redden, en betaalt daarbij een zware tol voor ons. Hij heeft dit echter nooit beschouwd als een grote bijdrage aan de mensheid. En Hij heeft het nooit mooier voorgesteld of erover opgeschept. Hij doet gewoon in stilte al Zijn eigen werk. De essentie van Gods leven is zo welwillend en zonder enige arrogantie of pronken. Hij is onze liefde en eeuwige lof waard. Ik ben zo’n onbeduidende persoon, ik ben helemaal niets, maar toch ik was zo arrogant en wilde ik altijd het laatste woord. Het kleinste beetje succes bracht me het hoofd op hol, alsof het een soort van meesterwerk was, een of andere geweldige bijdrage. Ik keek op iedereen neer en wilde altijd mijn zin krijgen. Ik was zo onredelijk en oppervlakkig. God is zo nederig en verborgen en heeft zo’n welddadige essentie. Hierdoor voelde ik me nog sterker hoe walgelijk en afgrijselijk mijn arrogante gezindheid was. Ik verlangde er echt naar om de waarheid te leren om die gezindheid snel kwijt te raken, zodat ik een menselijke gelijkenis kon naleven.
Op een keer, tijdens een bijeenkomst, las ik deze passage uit Gods woorden. God zegt: “Vandaag oordeelt God over, tuchtigt en veroordeelt Hij jullie, maar je moet weten dat het doel van jouw veroordeling is dat je jezelf kent. Hij veroordeelt, vervloekt, oordeelt en tuchtigt zodat jij jezelf kunt kennen, zodat je gezindheid kan veranderen en zodat je bovendien je waarde mag kennen, en mag zien dat alle daden van God rechtvaardig zijn en in overeenstemming met Zijn gezindheid en de vereisten van Zijn werk, dat Hij werkt volgens Zijn plan voor het heil van de mens, en dat Hij de rechtvaardige God is die de mens liefheeft, hem redt, over hem oordeelt en hem tuchtigt” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Jullie moeten de zegeningen van status opzijzetten en Gods bedoeling om de mens redding te brengen, begrijpen). Gods woorden raakten me diep en ik begreep Zijn wil iets beter. Ik deed mijn plicht door te vertrouwen op een verdorven gezindheid, waardoor het werk werd verstoord. Daarom werd ik door de kerk ontslagen op basis van principes. Ik dacht dat God mij ontmaskerde en verstootte, en ik dacht dat Hij me veroordeelde en dat ik niet meer gered kon worden. Ik realiseerde me eindelijk dat ontslagen worden niet hetzelfde was als ontmaskerd of verstoten worden. Ontslag zorgde ervoor dat de kwade stappen die ik zette op tijd werden beteugeld. Het liet me mijn verdorven gezindheid inzien en beseffen dat ik op het verkeerde pad was. Dit was Gods redding en de meest oprechte liefde voor mij.
Daarna stelde ik me op een bijeenkomst bloot en analyseerde ik mezelf over hoe arrogant ik voorheen was geweest in de uitvoering van mijn plicht, dat ik broeders en zusters had gekwetst. Ik vertelde waarover ik had nagedacht nadat ik ontslagen was. Ik dacht dat de anderen van me zouden walgen omdat ik zo onmenselijk was geweest, dat ze niets met me te maken zouden willen hebben. Tot mijn verrassing voeren ze niet tegen me uit. Toen voelde ik me nog meer bij hen in het krijt staan. Ik had iedereen gekwetst met mijn arrogantie, ik was zo onmenselijk. Toen ik weer een plicht ging vervullen met broeders en zusters, drong ik mezelf veel minder op. Ik keek niet langer op broeders en zusters neer of haalde mijn neus niet op voor hen vanwege hun tekortkomingen. Ik kon ze correct behandelen. Ik spande me ook bewust in om te luisteren naar andermans suggesties over kwesties, en ging niet langer zo sterk op mezelf af en handelde niet langer willekeurig. Mijn gesteldheid was na een tijdje ten goede veranderd en ik werd weer benoemd als leidinggevende. Ik wist dat het God was die me op deze manier vooruithielp en begunstigde. Ik dacht terug aan hoe ik daarvoor zo arrogant was geweest in mijn plicht en hoe ik het werk van de kerk en de intrede in het leven van de broeders en zusters had verstoord en gehinderd. Maar toch gaf God met nog een nieuwe kans om zo’n belangrijke plicht te doen. Ik ervoer echt Gods genade en clementie. Daarna vertrouwde ik niet langer op mijn eigen arrogante gezindheid om eigengereid te handelen. Ik voelde een zekere vrees voor God en bad continu tot Hem in mijn plichten. Wanneer ik iets een probleem tegenkwam dat ik niet kon oplossen, besprak ik dat met de anderen, zodat we samen de principes van de waarheid konden zoeken. Nadat ik dat een poosje had gedaan, besefte ik dat ons hele team een stuk beter presteerde. Toen ik alles in mijn eentje deed en niet met de anderen samenwerkte of sprak, was dat echt uitputtend voor me. Er waren veel dingen waar ik geen rekening mee hield of volledig overwoog en behaalde geen goede resultaten. Maar nu ik met broeders en zusters kwesties bespreek die zich voordoen en elkaars tekortkomingen compenseren met onze kwaliteiten, is het zoveel makkelijker om problemen op te lossen. Door met de anderen samen te werken zag ik in dat ze echt wel wat sterke kanten hebben. Sommigen van hen besteden aandacht aan het zoeken van de waarheid in hun plichten en werken in overeenstemming met principes. Sommigen hebben misschien niet veel kaliber, maar ze zijn ijverig en houden het werk van Gods huis hoog. Dat zijn sterke kanten die ik niet heb. Vroeger dacht ik altijd dat ik superieur en sterker was dan anderen. Vaak verhefte ik mezelf en berispte ik hen. Hierdoor voelde iedereen zich beperkt en vervreemd van mij, wat pijnlijk voor me was. Nu weet ik dat ik gewoon een geschapen wezen ben, een verdorven mens, en dat er niets is dat me beter maakt dan de rest. Ik ga normaal om en werk harmonieus samen met de broeders en zusters. Ik kan leren van de sterke punten van mijn broeders en zusters om mijn eigen tekortkomingen goed te maken. De manier waarop ik nu leef, is veel vrijer en makkelijker.
Ongeveer een jaar later organiseerde onze kerkleider een algemene bijeenkomst. Daar zou iedereen kunnen communiceren over wat men dat jaar had geleerd en ervaren. Ik luisterde in stilte en dachtna over alles wat ik had geleerd in het jaar. Toen besefte ik dat God mij had gered door mij te vervangen. Als dat niet was gebeurd, zou ik nog steeds niet inzien hoe ernstig mijn arrogante aard was, dat ik zelfvoldaan en eigenzinnig was, alleen maar omdat ik wat gaven had. Ik zou nog altijd niet beseft hebben dat ik me verzette tegen God. Dankzij de disciplinering van God en de openbaring van Gods woorden zag ik mijn arrogante aard in. Dit liet me ook iets begrijpen over Gods rechtvaardige gezindheid en boezemde me een zekere vrees voor God in. Ik ben zo dankbaar voor Gods redding!