8. Praktiseer de waarheid, ook als dat aanstoot geeft
In mei 2020 aanvaardde ik het werk van Almachtige God in de laatste dagen. Ik streefde er enthousiast en actief naar om mijn plichten uit te voeren. Tien maanden later werd ik verkozen als een kerkleider. In die tijd stond ik onder grote druk. Ik voelde me nog erg jong en mijn begrip van de waarheid was naar mijn idee oppervlakkig. Ik was dan ook bang dat ik deze plicht niet aan zou kunnen. Dus bad ik tot God. Later dacht ik terug aan een passage uit Gods woord: “Je moet geloven dat alles in Gods handen ligt, en dat mensen slechts meewerken. Als je oprecht bent, zal God dit zien, Hij zal in elke situatie een uitweg voor je openen en geen enkele moeilijkheid zal onoverkomelijk zijn – dit geloof moet je hebben. Daarom hoef je je nergens zorgen over te maken terwijl je je plicht vervult, zolang je maar al je kracht aanwendt en je hart erin legt. God zal de dingen niet moeilijk maken voor jou of jou dwingen iets te doen waartoe je niet in staat bent” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Bij het geloven in God is het het belangrijkst Zijn woorden in praktijk te brengen en te ervaren). Het woord van God gaf me geloof en ik begreep dat God op het hart van mensen let. Zolang ik de wil van God echt voor ogen hield en mijn best deed, zou God me leiden. Met dat besef voelde ik me niet meer geremd en begon ik me op mijn plicht te storten.
Later moest de kerk dringend twee evangeliediakenen trainen. Ik merkte dat broeder Kevin van een goed kaliber was. Hij was behoorlijk actief in bijeenkomsten en begreep de principes voor verspreiding van het evangelie. Verder was er ook zuster Janelle, die actief in haar plichten was en wat resultaten had voortgebracht. In vergelijking met anderen leken deze twee de juiste personen voor deze plicht. Mijn leidinggevende stemde daarmee in. Ik maakte beiden dus evangeliediakenen. Na een tijdje raakten ze bekend met de rol, dus liet ik ze hun plichten zelfstandig uitvoeren. Ik stak al mijn energie in het begietingswerk. Na een paar weken kwam ik erachter dat sommigen die het evangelie net hadden ontvangen niet meer naar de bijeenkomst kwamen. Ook hadden sommigen die het evangelie verspreidden problemen met hun plichten die ze niet konden oplossen. Toen ik al die problemen in het evangeliewerk zag, begon ik me af te vragen of deze twee diakenen wel praktisch werk leverden. Dus nam ik hun werk goed onder de loep. Ik merkte dat ze alleen maar dingen regelden, maar het werk niet zelf deden. Ze zetten het werk niet voort en tijdens bijeenkomsten losten ze geen praktische problemen op. Ze wezen andere broeders en zusters alleen maar op hun plicht en spoorden ze aan die goed te doen. Daardoor werden de problemen van broeders en zusters niet opgelost. Toen ik die omstandigheden eenmaal kende, was ik erg teleurgesteld. Ik dacht bij mezelf: is het voor hen als diakenen van de kerk niet nalatig dat ze praktische problemen niet oplossen? Ik kwam er ook achter dat broeder Kevin het werk niet goed deed en spelletjes speelde. Daarnaast was zuster Janelle in die periode nogal lui en onverantwoordelijk in haar plichten. Ik wilde aanvankelijk wel met ze communiceren en op de problemen in hun plichten wijzen, maar omdat we altijd zo goed met elkaar konden opschieten, was ik bang dat dit onze relatie zou verpesten. Als ik op hun problemen zou wijzen, wat zouden ze dan van me denken? Zouden ze zeggen dat ik hun inspanningen niet zag, dat ik me alleen op hun tekortkomingen richtte en dat ik geen liefdevol hart had? Ik hoopte dat de broeders en zusters me als een goed mens zagen, iemand die begripvol en attent was. Ik wilde vanwege dit voorval geen schade toebrengen aan mijn reputatie. Als de twee diakenen het niet konden accepteren, negatief werden en hun plichten niet wilden uitvoeren, zouden mijn broeders en zusters dan denken dat ik niet geschikt was voor het werk van een leider? Dat ik een slechte leider was? Als mijn leider dit wist, zou ik wellicht aangepakt worden. Maar aangezien ik verantwoordelijk was voor het kerkwerk, vond ik het mijn taak om ze op hun problemen te wijzen, zodat ze tot bezinning konden komen en wat kennis zouden opdoen. Ik voerde een innerlijke strijd, maar uiteindelijk durfde ik het nog steeds niet te zeggen. In plaats daarvan stuurde ik ze enige woorden van God ter bemoediging en troost, en communiceerde vriendelijk hoe men zijn plicht goed vervult. Daarna voelde ik me erg schuldig. Ik voelde me oneerlijk en bedrieglijk.
Op een nacht lag ik wakker met de gedachte dat het ineffectieve evangeliewerk direct aan mij te wijten was. Ik zag dat twee evangeliediakenen onverantwoordelijk waren in hun plichten. Ze losten praktische problemen niet op en zorgden ervoor dat broeders en zusters ineffectief in hun plichten waren. Sommige broeders en zusters vervielen in een negatieve gesteldheid en sommige nieuwkomers kwamen niet meer naar de bijeenkomsten. Toch wees ik deze twee diakenen niet op hun problemen. Ik voelde me erg schuldig in mijn hart en wist niet wat ik moest doen, dus bad ik oprecht tot God. Ik zocht naar zijn verlichting en vroeg Hem me naar een oplossing voor dit probleem te leiden. Nadat ik had gebeden, bekeek ik een video van een ervaringsgetuigenis, met daarin enkele woorden van God die me erg inspireerden. Almachtige God zegt: “Het geweten en de rede moeten onderdeel uitmaken van de menselijkheid van een persoon. Beide zijn het fundamenteelste en belangrijkste. Wat voor iemand is de mens die geen geweten heeft en die het aan de rede van de normale menselijkheid ontbreekt? Over het algemeen zijn ze personen die menselijkheid missen, personen met een extreem gebrekkige menselijkheid. Gedetailleerder bekeken, welke kenmerken van verloren menselijkheid vertoont zo’n persoon? Probeer maar eens te analyseren welke eigenschappen zulke mensen hebben en welke specifieke kenmerken ze vertonen. (Ze zijn egoïstisch en gemeen.) Egoïstische en gemene mensen zijn nonchalant in hun daden en houden zich afzijdig van alles wat hen niet persoonlijk aangaat. Zij hebben geen oog voor de belangen van Gods huis en schenken geen aandacht aan Gods wil. Ze nemen de last niet op zich om hun plichten te vervullen of om voor God te getuigen en ze hebben geen verantwoordelijkheidsgevoel. […] Er zijn mensen die geen enkele verantwoordelijkheid nemen, ongeacht de plicht die ze aan het vervullen zijn. Ook melden ze de problemen die ze bespeuren ook niet onmiddellijk aan hun meerderen. Wanneer ze zien dat mensen bemoeizuchtig zijn en storen, kijken ze de andere kant op. Wanneer ze kwaadaardige mensen slechte dingen zien doen, proberen ze hen niet tegen te houden. Ze beschermen de belangen van Gods huis niet en denken niet na over wat hun plicht en verantwoordelijkheid is. Wanneer ze hun plicht vervullen, doen zulke mensen geen echt werk; het zijn hielenlikkers die het heel graag gerieflijk hebben; ze spreken en handelen alleen voor hun eigen ijdelheid, reputatie, status en belangen en zijn alleen bereid om hun tijd en inspanning te besteden aan dingen waar ze zelf voordeel van hebben” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Door je hart aan God te geven, kun je de waarheid verkrijgen). Ik las Gods woorden en was erg verdrietig. Ik had altijd gedacht dat ik een goed mens was, dat ik mijn broeders en zusters geduldig geholpen had en dat ik, als ik handelde, altijd rekening hield met de gevoelens van anderen en ze niet wilde kwetsen. Ik dacht dat ik Gods wil in acht nam en dat ik een goed mens was. Maar toen ik zag dat de twee diakenen onverantwoordelijk waren in hun plichten en het kerkwerk vertraagden, beschermde ik de belangen van de kerk niet en wees ik ze niet op hun problemen. In plaats daarvan liet ik ze begaan, omdat ik bang was dat het het einde van onze relatie zou betekenen als ik ze op hun problemen wees. Ik was ook bezorgd dat mijn leider me zou bekritiseren als ze door mij negatief werden en dat mijn broeders en zusters een slecht beeld van me zouden krijgen. Omwille van mijn imago, aanzien en eigen belangen stelde ik het werk van de kerk liever uit. Ik nam Gods wil geenszins in acht en ik was geen goed mens. Mensen met een goede menselijkheid zijn juist eerlijk, in staat om de waarheid in praktijk te brengen en de belangen van de kerk te beschermen. Als ze de problemen van anderen zien, hebben ze de moed om met die anderen te communiceren en zaken aan het licht te brengen, zodat ze kunnen veranderen. Ze behandelen hun broeders en zusters met een oprecht hart. Maar toen ik de problemen bij de diakenen zag, zei ik niets en wees ik ze er niet op. Ik liet het werk van de kerk er liever onder lijden om mijn eigen belangen te beschermen. Ik was echt een slecht mens. Ik schaamde me vanwege mijn gewetenloosheid en gebrek aan normale menselijkheid.
Later las ik een passage uit Gods woorden en kreeg ik meer inzicht in mezelf. Almachtige God zegt: “Wanneer sommige kerkleiders broeders of zusters hun plicht plichtmatig zien vervullen, berispen ze hen niet, hoewel ze dat wel zouden moeten doen. Wanneer ze duidelijk zien dat de belangen van Gods huis worden geschaad, bekommeren ze zich hier niet om, stellen ze geen vragen, en stoten ze niemand voor het hoofd. In werkelijkheid tonen ze geen echte inschikkelijkheid voor de zwakheden van mensen; hun bedoeling en doel is daarentegen om de harten van mensen voor zich te winnen. Ze zijn zich er terdege van bewust dat: ‘Zolang ik dit doe en niemand voor het hoofd stoot, zullen ze denken dat ik een goede leider ben. Ze zullen een goede, hoge dunk van me hebben. Ze zullen me goedkeuren en me aardig vinden.’ Het kan hun niet schelen hoeveel schade er wordt toegebracht aan de belangen van Gods huis, of hoe groot de verliezen zijn voor de ingang in het leven van Gods uitverkoren volk, of hoe zeer hun kerkleven wordt verstoord. Ze volharden gewoon in hun satanische filosofie en stoten niemand voor het hoofd. Er is nooit enig zelfverwijt in hun hart. Wanneer ze iemand verstoringen en hinder zien veroorzaken, zullen ze er hooguit een paar woorden over zeggen, het probleem bagatelliseren en het er dan bij laten. Ze zullen niet over de waarheid communiceren of de essentie van het probleem duidelijk maken aan die persoon, laat staan dat ze zijn gesteldheid zullen ontleden. Ze zullen ook nooit communiceren over Gods bedoelingen. Valse leiders ontmaskeren of ontleden nooit de fouten die mensen vaak maken, of de verdorven gezindheden die mensen vaak onthullen. Ze lossen geen enkel werkelijk probleem op. In plaats daarvan geven ze altijd toe aan de foutieve praktijken en onthullingen van verdorvenheid van mensen. Hoe negatief of zwak mensen ook zijn, ze nemen dit niet serieus. Ze prediken slechts wat woorden en doctrines en zeggen een paar woorden van aansporing om de situatie op een plichtmatige manier aan te pakken, in een poging de harmonie te bewaren. Het gevolg is dat Gods uitverkoren volk niet weet hoe ze over zichzelf moeten nadenken en zichzelf moeten leren kennen. Er is geen oplossing voor welke verdorven gezindheden dan ook die ze ook onthullen, en ze leven te midden van woorden en doctrines, noties en verbeeldingen, zonder enige ingang in het leven. Ze geloven zelfs in hun hart: ‘Onze leider heeft nog meer begrip voor onze zwakheden dan God. Onze gestalte is te klein om aan Gods vereisten te voldoen. We hoeven alleen maar aan de vereisten van onze leider te voldoen; door ons aan onze leider te onderwerpen, onderwerpen we ons aan God. Als er een dag komt dat de Boven onze leider ontheft, zullen we van ons laten horen. Om onze leider te behouden en te voorkomen dat hij wordt ontheven, zullen we met de Boven onderhandelen en hem dwingen in te stemmen met onze eisen. Zo doen we recht aan onze leider.’ Wanneer mensen zulke gedachten in hun hart koesteren, wanneer ze zo’n relatie met hun leider hebben opgebouwd, en dit soort afhankelijkheid, bewondering en aanbidding in hun hart is ontstaan voor hun leider, gaan ze steeds meer in deze leider geloven. Ze willen dan altijd naar de woorden van de leider luisteren, in plaats van de waarheid in Gods woorden te zoeken. Een dergelijke leider heeft bijna de plaats van God in de harten van mensen ingenomen. Als een leider bereid is een dergelijke relatie met Gods uitverkoren volk te onderhouden, als hij hier in zijn hart een gevoel van genot aan ontleent en gelooft dat Gods uitverkoren volk hem zo moet behandelen, dan is er geen verschil tussen deze leider en Paulus. Hij heeft reeds de weg van een antichrist betreden […]. Een antichrist doet geen werkelijk werk. Hij communiceert niet over de waarheid om problemen op te lossen en hij leidt mensen niet in het eten en drinken van Gods woorden en het binnengaan van de waarheidswerkelijkheid. Hij werkt alleen voor status, roem en gewin. Hij bekommert zich alleen om het vestigen van zichzelf, het beschermen van de plaats die hij in de harten van mensen inneemt. Hij wil ervoor zorgen dat iedereen hem voortdurend aanbidt, naar hem opkijkt en hem volgt; dit zijn de doelen die hij wil bereiken. Zo probeert een antichrist de harten van mensen voor zich te winnen en controle uit te oefenen over Gods uitverkoren volk. Is zo’n manier van werken niet boosaardig? Het is gewoonweg te walgelijk!” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt een: Ze proberen de harten van mensen voor zich te winnen). Toen ik deze passage uit Gods woorden had gelezen, voelde ik me blozen van schaamte, want Gods woorden hadden mijn gesteldheid precies aan het licht gebracht. Ik zag duidelijk dat de twee diakenen geen echt werk deden en dat het probleem ernstig was. Ik had Gods woorden moeten gebruiken die de verdorven gezindheid van mensen veroordelen en openbaren en die woorden tot hen moeten communiceren, zodat ze hun problemen konden onderkennen en hun houding jegens hun plicht tijdig konden veranderen. Dat zou verdere vertragingen van het werk van de kerk voorkomen. Maar ik wilde dat ze een goede indruk van me hadden en zouden zeggen dat ik een goede leider was. Daarom legde ik de kern van hun problemen niet bloot. Ik gebruikte Gods troostende woorden alleen maar om ze aan te moedigen, wat betekende dat hun problemen niet tijdig werden opgelost. Dit had gevolgen voor het werk van de kerk en leidde er zelfs toe dat sommigen die het evangelie net hadden ontvangen niet meer op de bijeenkomsten kwamen. Ik besefte dat ik daar de belangrijkste oorzaak van was. Het is de plicht van een leider om toezicht te houden op het werk van kerkdiakenen en groepsleiders, om te zorgen dat het werk wordt voortgezet en om problemen tijdig op te lossen. We moeten de situaties van onze broeders en zusters kennen. Als we dan ontdekken dat iemand dingen in zijn plicht doet die tegen principes ingaan of invloed hebben op het werk van de kerk, moeten we liefdevol met ze communiceren en hen helpen. Als er door onze herhaalde communicatie nog steeds niets verandert, moeten we ze snoeien, aanpakken of uit hun ambt zetten. Dit is de enige manier om het werk van de kerk te beschermen. Als kerkleider was ik helemaal niet verantwoordelijk geweest in mijn plicht. Ik had niet als leider gehandeld. In welk opzicht was ik anders dan die valse leiders die geen echt werk deden? Ik schaamde me en was verdrietig. Als ik met hen had gecommuniceerd en hun problemen had onthuld, had ik niet die schade berokkend aan het werk van de kerk. Deze huidige problemen waren ontstaan vanwege mijn nalatigheid. Ik hielp mijn broeders en zusters niet om de waarheid te begrijpen en kon ze niet voor God brengen. Ik wilde altijd alleen maar hun goedkeuring en bescherming, zodat ze een goed beeld van me in hun hart zouden hebben en ik aanzien had. Ik bewandelde het pad van de antichrist en weerstond God. Zonder het oordeel en de kastijding van Gods woord weet ik niet wat voor ander kwaad ik nog meer had kunnen begaan.
Toen ik dat eenmaal inzag, kreeg ik spijt van mijn daden, dus bad ik oprecht tot God: “God, ik besefte niet dat mijn zelfzucht zoveel schade zou berokkenen aan het werk van de kerk en het leven van mijn broeders en zusters in gevaar zou brengen. Ik ben zo’n belangrijk werk niet waardig. God, ik wil berouw tonen, geef me alstublieft inzicht in mezelf. Ik wil niet meer dezelfde fouten maken.” Na mijn gebed verbeterde mijn gesteldheid enigszins, maar ik voelde me nog steeds erg schuldig. Ik voelde me een zondaar, alsof alles wat ik deed Satan vertegenwoordigde, dat ik niet gered kon worden en dat er geen hoop voor me was. Op dat moment stuurde een zuster een passage uit Gods woorden naar de groepchat. Gods woord zegt: “Je vele ervaringen van mislukking, van zwakte, je tijden van negativiteit, kunnen allemaal worden gezien als Gods beproevingen. Dit komt doordat alles van God komt, en alle dingen en gebeurtenissen in Zijn handen liggen. Of je nu faalt of zwak bent en struikelt, het rust allemaal op God en is binnen Zijn bereik. Vanuit Gods oogpunt is dit een beproeving van jou, en als je dat niet kunt inzien, zal het verzoeking worden. Er zijn twee soorten gesteldheid die mensen moeten herkennen: de ene komt van de Heilige Geest en de waarschijnlijke bron van de andere is Satan. De ene is een gesteldheid waarin de Heilige Geest je illumineert en je toestaat jezelf te kennen, jezelf te verafschuwen en te betreuren en oprechte liefde voor God te hebben, om je hart te richten op het tevredenstellen van Hem. De andere is een gesteldheid waarin je jezelf kent, maar je negatief en zwak bent. Men zou kunnen zeggen dat deze gesteldheid Gods loutering is, en ook dat ze Satans verzoeking is. Als je herkent dat dit Gods redding van jou is en als je voelt dat je Hem nu heel veel verschuldigd bent, en als je vanaf nu probeert Hem terug te betalen en niet langer in zulke verdorvenheid te vervallen, als je je inspanning richt op het eten en drinken van Zijn woorden, en als je altijd denkt dat je tekortschiet, en een hart van verlangen hebt, dan is dit Gods beproeving. Nadat het lijden is geëindigd en je je weer voortbeweegt, zal God je nog steeds leiden, illumineren, verlichten en voeden. Maar als je het niet herkent en je negatief bent, en jezelf gewoon maar overgeeft aan wanhoop, als je op deze manier denkt, dan zal Satans verzoeking over je zijn gekomen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Degenen die vervolmaakt zullen worden, moeten loutering ondergaan). Toen ik deze passage uit Gods woorden had gelezen, voelde ik me getroost en had ik ook een beoefeningspad. Toen ik de harde woorden van God eerder las, waarin mijn verdorven gezindheid werd geopenbaard, voelde ik me alsof ik veroordeeld was en er geen hoop op redding was, dus was ik negatief en zwak. Maar toen ik deze passage uit Gods woorden las, begreep ik Gods wil. Als mensen de belangen van de kerk in hun plichten niet verdedigen, onthuld en aangepakt worden, is het normaal dat ze zich negatief en zwak voelen. Als ik in mijn mislukking maar naar waarheid kon zoeken en mezelf onder de loep kon nemen, was dit mijn kans om een les te leren. Maar als ik negatief werd, me terugtrok, me aan wanhoop overgaf of mezelf opgaf, zou ik voor Satans list vallen en aan verleiding toegeven. Gods woorden van oordeel en openbaring zijn er om mensen te reinigen en redden. God wilde dat ik mezelf kende, van mijn mislukkingen leerde en niet door satanische gezindheden werd beheerst. Dit was iets goeds, dit was een kans in mijn leven om te groeien. Toen ik dat doorhad, voelde ik me niet meer negatief en begreep ik God niet meer verkeerd. Ik was bereid om mijn plicht volgens Gods woord en principes te doen. Ik zou mijn naam, reputatie en aanzien niet meer oneigenlijk beschermen.
Later las ik iets uit Gods woorden: “Jullie moeten weten dat God gesteld is op wie eerlijk is. God heeft een essentie van trouw; daarom kan op Zijn woorden altijd worden vertrouwd. Bovendien zijn Zijn daden onberispelijk en onbetwistbaar. Dit is waarom God gesteld is op wie absoluut eerlijk jegens Hem zijn. Eerlijkheid betekent je hart aan God geven, niet onoprecht zijn tegenover God, in alles open naar Hem zijn, de feiten nooit verbergen, niet proberen de mensen boven je te misleiden en dingen te verbergen voor degenen onder je, en dingen niet alleen maar doen om bij God in een goed blaadje te komen. Kortom, eerlijk zijn is zuiver zijn in je woorden en daden, en God noch mensen misleiden” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Drie vermaningen). “Doe dingen niet altijd voor jezelf en denk niet voortdurend aan je eigen belangen; denk niet aan de belangen van de mens, houd niet je eigen trots, reputatie of status voor ogen. Je moet allereerst rekening houden met de belangen van Gods huis en die tot je eerste prioriteit maken. Je moet rekening houden met Gods wil en allereerst nagaan of je wel of niet onzuiver bent geweest bij het vervullen van je plicht, of je trouw bent geweest, of je je verantwoordelijkheden hebt vervuld, of je jezelf geheel hebt gegeven, en of je wel of niet met heel je hart aandacht hebt geschonken aan je plicht en het werk van de kerk. Die dingen moet je overwegen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Vrijheid en bevrijding kunnen alleen worden verkregen door je verdorven gezindheden af te werpen). Uit Gods woord begreep ik dat God bedrieglijke mensen haat, maar eerlijke mensen liefheeft. Eerlijke mensen zijn in staat om de belangen van de kerk te beschermen, verantwoordelijkheid voor het leven van hun broeders en zusters te nemen, en hun plichten goed uit te voeren. Ik moest mijn hoogmoed en status terzijde schuiven, de belangen van de kerk op de eerste plaats zetten, en de waarheid praktiseren bij het communiceren met de twee diakenen en het ontmaskeren van hen. Ik moest ervoor zorgen dat ze de ernst van hun problemen inzagen, tot oprechte bekering kwamen en weer verantwoordelijk handelden. Als ze na mijn communicatie nog steeds niet konden veranderen, had ik de verantwoordelijkheid om ze uit hun ambt te zetten en het werk van de kerk te beschermen.
Later vond ik enkele woorden van God en ging ik eerst in communicatie met broeder Kevin. Ik liet hem weten dat slechte sociale trends verleidingen van Satan zijn, dat hij zijn vleselijke neigingen moest loslaten en zich op zijn plicht moest storten, dat alleen dit in overeenstemming zou zijn met de wil van God. Toen communiceerde ik met zuster Janelle over haar gebrek aan urgentie en verantwoordelijkheid in haar plichten. Ik zei ook dat ze Gods wil in acht moest nemen. Na die communicatie met mij waren ze allebei bereid om hun houding jegens hun plicht te veranderen. Later bracht broeder Kevin wat veranderingen aan. Toen hij weer in verleiding kwam, kon hij bewust zijn eigen vlees verzaken. Zuster Janelle was ook in staat om proactiever in haar plicht te zijn. Toen ik dat resultaat zag, nam ik het mezelf kwalijk dat ik ze niet eerder op hun problemen had gewezen. Ik zag ook dat het woord van God mensen niet negatief maakt, en dat mensen die de waarheid kunnen aanvaarden in staat zijn zichzelf te leren kennen, zich echt te bekeren en hun plicht beter te vervullen. Ik ben erg blij dat ik deze ervaring heb gehad. Door de verlichting en leiding van Gods woorden ging ik mijn eigen verdorvenheid inzien. Ik ondervond ook dat de woorden van Almachtige God de waarheid zijn, en dat ze mensen echt kunnen veranderen en redden. Dank zij Almachtige God!