4. Overdenkingen na isolatie
In maart 2023 hield ons district een tussentijdse verkiezing voor een districtsleider. Ik dacht bij mezelf: ‘Hoewel mijn binnengaan in het leven niet zo goed was, ben ik altijd verantwoordelijk geweest voor het evangeliewerk. De reikwijdte van mijn verantwoordelijkheid is behoorlijk breed en het werk heeft ook enige resultaten opgeleverd. De broeders en zusters zouden mij bij deze verkiezing voor districtsleider waarschijnlijk wel kiezen, toch? Hoewel ik momenteel supervisor ben van het evangeliewerk, is dat maar een enkele taak en slechts weinig mensen weten wie ik ben. Maar districtsleider zijn is heel wat anders. Zij houden toezicht op het algehele werk en er wordt meer tegen hen opgekeken en ze worden meer bewonderd. Als ik uiteindelijk word gekozen, zullen de broeders en zusters vast denken dat ik de waarheid nastreef, en dat ik niet alleen toezicht kan houden op het evangeliewerk, maar ook een leider kan zijn.’ Toen ik daaraan dacht, werd ik heel blij.
In die tijd was ik erg actief in mijn plichten; als iemand een vraag stelde in de groepschat, reageerde ik meteen, en soms legde ik problemen voor aan de leiders en meldde ik problemen die ik tegenkwam privé aan hen, in de hoop dat ze zouden denken dat ik verantwoordelijkheidsgevoel had en een last droeg, zodat ze op mij zouden stemmen bij de verkiezing. Tot mijn grote verbazing zag ik op een avond een bericht van de hogere leiders waarin werd aangekondigd dat zuster Charlotte was verkozen tot districtsleider. Toen ik die naam zag, voelde ik me erg van streek en dacht: ‘Hoewel Charlotte altijd leiderschapsplichten heeft vervuld, is ze pas net in ons district om het evangelie te prediken en kent ze de situatie hier niet zo goed. Waarom is zij dan gekozen als districtsleider? Ik heb een tijdlang toezicht gehouden op haar werk, maar nu is ze verkozen tot leider en gaat zij mijn werk opvolgen. Hoe kan ik me ooit nog laten zien? Zou het kunnen dat de broeders en zusters mij echt zo minderwaardig vinden?’ Ik was het er totaal niet mee eens. ‘Waarin ben ik precies minder dan Charlotte? Wat betreft onze respectievelijke verantwoordelijkheidsgebieden is het hare niet breder dan het mijne; en qua werkervaring en de principes die we beheersen is ze ook niet beter dan ik; en wat betreft lijden en een prijs betalen: ik heb zeker veel geleden. Tijdens mijn periode als supervisor van het evangeliewerk, deed ik alles wat de kerk ook voor me regelde, en als ik problemen tegenkwam in het werk, hoe zwaar of pijnlijk het ook was, ik heb nooit geklaagd of gemopperd. Maar waarom is Charlotte gekozen en niet ik, ondanks al mijn harde werk? Mankeert er soms iets aan mij? Was ik niet geschikt als districtsleider? Was ik alleen geschikt om een enkele taak te doen?’ Hoe meer ik erover nadacht, hoe ongemakkelijker ik me voelde, en ik verloor mijn motivatie om mijn plichten te vervullen.
In die tijd stuitte het evangeliewerk van de kerk op wat moeilijkheden en problemen, en dat viel toevallig precies onder Charlottes hoofdverantwoordelijkheid. Charlotte zocht contact met broeders en zusters om te bespreken hoe deze problemen opgelost konden worden. Hoewel dit werk buiten mijn toezicht viel, hield ik al langer toezicht op het evangeliewerk, dus ik had met hen moeten samenwerken om oplossingen te bespreken. Maar toen ik bedacht dat dit het werkgebied was waar Charlotte verantwoordelijk voor was, dacht ik dat als ik de problemen echt zou oplossen, de hogere leiders vast zouden denken dat dit Charlottes prestatie was, en zouden zeggen dat zíj werkvermogen had. Toen ik hieraan dacht, wilde ik niet deelnemen aan de discussie. Zelfs als ze het me vroegen, maakte ik beleefd excuses en zei: “Bespreken jullie het maar, ik weet hier niet zoveel van.” Ik klampte me zelfs vast aan Charlottes tekortkomingen, en af en toe uitte ik mijn ontevredenheid tegen de zusters om me heen door te zeggen: “De principes niet begrijpen is volstrekt onvoldoende. Er zijn nu zoveel problemen in het werk; hoe kan ze het werk opvolgen en problemen oplossen zonder de principes te begrijpen?” Ze luisterden, waren het met me eens en zeiden: “Ja, het kan echt niet dat ze de principes niet begrijpt, want zo kan ze geen problemen oplossen.” Na dit te horen, voelde ik me stiekem blij vanbinnen. Ik dacht: ‘Aangezien jullie geen hoge pet van mij op hebben, laat degene die jullie hebben gekozen het werk dan maar doen. Ik wil weleens zien hoe goed ze het werk daadwerkelijk kan doen. Als er problemen ontstaan in het werk, zal ik met feiten bewijzen dat jullie een verkeerde keuze hebben gemaakt, en zal ik jullie de gevolgen laten zien van het feit dat jullie mij niet hebben gekozen.’ In werkelijkheid was ik in die tijd vervuld van duisternis en pijn, en als ik zag dat er problemen ontstonden in het werk, voelde ik me soms ook schuldig, en dacht ik dat ik met Charlotte moest samenwerken om deze kwesties zo snel mogelijk op te lossen. Ik wilde Charlotte meerdere keren een bericht sturen, maar wanneer ik eraan dacht dat ik niet als districtsleider was gekozen, kon ik mijn trots niet inslikken en trok ik mijn handen terug van het toetsenbord. Mijn hart werd gekweld, ik was in een innerlijke strijd verwikkeld; het was een kwelling. Ik besefte dat mijn gesteldheid verkeerd was en dat ik die onmiddellijk moest bijsturen en omkeren, maar ik wilde mijn trots niet loslaten om communicatie met Charlotte te zoeken. In die tijd werd ik verteerd door reputatie en status, en lag mijn focus niet op mijn plicht. Ik was onwillig om samen te werken toen de leiders bepaalde taken implementeerden; toen mijn broeders en zusters de principes in hun plichten niet begrepen, in moeilijkheden leefden en richting misten, hielp ik hun moeilijkheden niet op te lossen; en toen de hogere leiders begeleiding boden om me te helpen het evangeliewerk op te volgen, gaf ik er geen gehoor aan en implementeerde ik de begeleiding niet tijdig. Als gevolg hiervan bleef de effectiviteit van het evangeliewerk afnemen, totdat het een staat van bijna verlamming bereikte.
Niet lang daarna werd ik ontheven. De leiders wezen me vervolgens de verantwoordelijkheid toe voor het werk van een evangeliegroep. Ik reflecteerde niet alleen niet op waarom ik was ontheven, maar in plaats daarvan klaagde ik dat de leiders me niet hadden moeten ontheffen, en ik bleef leven in gevoelens van weerstand, zonder enige intentie om het werk op te volgen. De supervisor ontmaskerde en snoeide me omdat ik de problemen in het werk niet tijdig oploste en zo traag was met het opvolgen van het werk, maar ik kon het gewoon niet aannemen. Na iets meer dan een maand vertoonde het werk waarvoor ik verantwoordelijk was nog steeds geen verbetering. De supervisor zag dat ik consequent weigerde de waarheid te aanvaarden en op mezelf te reflecteren, dus onthief hij me uit mijn functie als groepsleider. Hierna werd ik overgeplaatst naar een gewone kerk, en mijn gesteldheid verslechterde nog meer. Ik wilde met niemand praten en deed tijdens bijeenkomsten zelfs mijn mond niet open om te communiceren. De leiders probeerden me meerdere keren te helpen, maar ik weigerde hun telefoontjes te beantwoorden. Ik voelde weerstand tegen de groepsleider die mijn werk opvolgde, en meerdere maanden achter elkaar boekte ik geen resultaten in mijn plichten. Vier maanden later nam een leider plotseling contact met me op en zei: “Broeders en zusters hebben gerapporteerd dat je houding ten opzichte van je plichten plichtmatig was, dat je geen echte resultaten behaalde en dat je een slechte menselijkheid hebt. Sinds je ontheven bent, leef je in een negatieve en onwillige gesteldheid. Je hebt geen houding van het aanvaarden van de waarheid en je accepteert niet dat de teamleider toezicht houdt op en je werk opvolgt. Volgens de principes moet je worden geïsoleerd om op jezelf te reflecteren.” Toen ik hoorde dat ik geïsoleerd zou worden, werd mijn hoofd helemaal leeg. Ik had nooit gedacht dat ik, na zoveel jaren in God te hebben geloofd en mijn gezin en carrière te hebben opgegeven voor mijn plicht, uiteindelijk geïsoleerd zou worden. In die dagen dacht ik vaak aan wat de leider zei toen ze me ontleedde: ‘Je bent niet iemand die de waarheid aanvaardt,’ ‘Je menselijkheid is slecht,’ en ‘Je hebt geen echte onderwerping.’ Deze woorden bleven door mijn hoofd spoken. Ik bleef mezelf afvragen: ‘Zou het kunnen dat mijn geloofsreis ten einde is gekomen?’ Mijn hart voelde leeg en ik wilde huilen, maar de tranen wilden niet komen. Ik had het gevoel dat er geen goede uitkomst voor mij was, en ik had zelfs gedachten om terug te keren naar de wereld. Toen ik echt wilde vertrekken, werd mijn hart vervuld van schuldgevoel, en herinnerde ik me hoe ik ooit een gelofte had afgelegd dat ik God nooit zou verlaten, wat er ook gebeurde. Ik geloofde al zoveel jaren in God, en ik had zoveel van Gods woord gegeten en gedronken en zoveel van Zijn genade en zegeningen genoten. Dan zou ik echt geen geweten hebben als ik zo zou vertrekken. Maar toen ik eraan dacht dat ik al door de kerk was geïsoleerd, werd ik echt negatief en wist ik niet wat ik moest doen. In die tijd wilde ik niemand zien en bracht ik mijn dagen door als een wandelend lijk.
Op een dag deed mijn tand plotseling verschrikkelijk pijn, en geen enkel medicijn dat ik gebruikte hielp. ’s Nachts huilde ik alleen onder de dekens, en mijn hart was vervuld van een onbeschrijfelijke eenzaamheid en troosteloosheid. Ik wilde tot God bidden, maar ik schaamde me te diep om Hem onder ogen te komen. Ik had het gevoel dat ik niet iemand was die God zou redden, en dat ik het niet langer waard was om tot God te bidden. Hoe meer ik mijn hart voor God sloot, hoe erger de pijn in mijn tand werd. Ik riep uit in mijn hart: ‘God, God …’ Ik knielde en bad tot God: ‘God, ik voel me verschrikkelijk. Ik wil mijn geloof in U niet opgeven, maar ik weet niet wat ik moet doen.’ Na het bidden herinnerde ik me deze passages van Gods woorden: “Aangezien je er zeker van bent dat deze weg waar is, moet je hem tot het einde volgen; je moet je toewijding aan God in stand houden” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Je moet je trouw aan God in stand houden). “Het doet er niet toe wat je verkeerd hebt gedaan, ongeacht hoe ver je bent afgedwaald of hoeveel overtredingen je hebt begaan, laat geen van deze dingen lasten of overbagage worden die je met je mee moet dragen in je streven om God te begrijpen. Ga door met marcheren” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke VI). Toen ik over Gods woorden nadacht, was ik diep geraakt. Ik voelde dat God me nog steeds begeleidde en me aanmoedigde om niet op te geven en om vooruit te blijven gaan. Ik voelde een grote kracht in mijn hart en voelde me ook erg schuldig. Ik had reputatie en status nagestreefd, niet het juiste pad bewandeld, en het werk van de kerk gehinderd en verstoord. Gezien mijn gedrag was het gerechtvaardigd hoe de kerk ook met mij omging. Toch wilde ik God na mijn isolatie zelfs verraden. Ik was zo onbuigzaam! Ik geloofde al vele jaren in God, ik had zoveel van Zijn woorden gegeten en gedronken, en ik wist dat dit de ware weg was. Zelfs zonder een goede uitkomst, zou ik God tot het einde moeten volgen. Ik bad tot God: ‘God, ik heb verkeerd gehandeld, en ik ben zo opstandig geweest. Dat ik dit punt heb bereikt, is mijn eigen schuld. God, ik ben bereid serieus op mezelf te reflecteren en weer op te staan waar ik gevallen ben. Verlicht en begeleid me alstublieft, zodat ik mezelf kan begrijpen.’ In die dagen bleef ik zo tot God roepen.
Tijdens een van mijn devotionals las ik Gods woorden en kreeg ik enig begrip van mezelf. Almachtige God zegt: “Antichristen vinden hun eigen status en reputatie belangrijker dan wat dan ook. Deze mensen zijn niet alleen bedrieglijk, sluw en boosaardig, maar ook extreem venijnig. Wat doen zij wanneer ze merken dat hun status in het geding is, of wanneer ze hun plek in het hart van mensen kwijtraken, wanneer ze de steun en genegenheid van deze mensen kwijtraken, wanneer mensen hen niet langer vereren en niet langer naar hen opkijken, en wanneer ze in ongenade zijn gevallen? Dan worden ze plotseling vijandig. Zodra ze hun status verliezen, zijn ze niet bereid om enige plicht te vervullen, is alles wat ze doen plichtmatig en hebben ze geen interesse om ook maar iets te doen. Maar dat is nog niet de ergste uiting. Wat is de ergste uiting? Zodra deze mensen hun status kwijtraken, en niemand naar hen opkijkt, en niemand door hen wordt misleid, dan steken haat, jaloezie en wraak de kop op. Niet alleen hebben ze geen Godvrezend hart, ze hebben ook geen greintje onderwerping. In hun hart zijn ze bovendien geneigd Gods huis, de kerk, de leiders en de werkers te haten; ze verlangen ernaar dat het kerkwerk in de problemen komt of stil komt te staan. Ze willen de kerk en de broeders en zusters bespotten. Ook haten ze iedereen die de waarheid nastreeft en God vreest. Ze vallen iedereen aan en drijven de spot met iedereen die zijn plicht trouw doet en bereid is een prijs te betalen. Dit is de gezindheid van de antichristen – is die venijnig of niet?” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 2)). Toen ik deze passage van Gods woorden zag, voelde ik me diep bedroefd. Ik had het gevoel dat elk gedrag dat God ontmaskerde mij beschreef, vooral toen ik zag dat God zei dat antichristen hun eigen reputatie en status boven alles koesteren, en dat ze geen onderwerping aan of vrees voor God hebben. Ze breken zich het hoofd en gebruiken allerlei middelen om status te verkrijgen, en zodra ze hun reputatie en status verliezen, of de steun en bewondering van mensen verliezen, worden ze onmiddellijk vijandig, worden ze negatief en verslappen ze in hun werk, en voelen ze wrok en ontevredenheid in hun hart. Ze wensen dat er problemen ontstaan in het werk van de kerk, zodat ze de kerk kunnen uitlachen. Toen dacht ik aan mijn eigen gedrag – was dat niet precies hetzelfde? In het verleden, om verkozen te worden tot districtsleider en de waardering van de broeders en zusters te winnen, antwoordde ik onmiddellijk als ik zag dat de broeders en zusters berichten stuurden met vragen, om de aandacht van de leiders te trekken. Maar toen ik hoorde dat Charlotte als districtsleider was gekozen, reflecteerde ik niet op waar ik tekortschoot. In plaats daarvan werd ik, omdat ik niet gekozen was en omdat ik geen status of bewondering van meer mensen kon krijgen, onwillig en ging ik in mijn hart in discussie. Ik dacht dat ik meer ervaring had en langer toezicht had gehouden op het evangeliewerk dan Charlotte, en door deze dingen als mijn kapitaal te beschouwen, werd ik ontevreden en misnoegd, en gebruikte ik mijn plichten om mijn frustraties af te reageren. Toen ik zag dat het evangeliewerk waar Charlotte verantwoordelijk voor was problemen tegenkwam, hielp ik niet alleen niet om de kwesties op te lossen, maar schepte ik ook leedvermaak in deze tegenslagen en lachte ik haar uit, waarbij ik zelfs wenste dat deze problemen niet opgelost zouden worden, zodat ze vernederd zou worden in het bijzijn van de broeders en zusters en iedereen kon zien dat ze inderdaad niet zo goed was als ik. Niet alleen dat, ik uitte mijn ontevredenheid ook tegen de zusters om me heen. Ik greep enkele kleine kwesties in Charlottes plichten aan en oordeelde over haar achter haar rug om, in de hoop dat de broeders en zusters mijn kant zouden kiezen en zouden denken dat de kerk de verkeerde persoon had gekozen en iemand die zo getalenteerd was als ik had weggestopt. Nadat ik was ontheven, dacht ik niet alleen niet over mezelf en kende ik mezelf niet, maar bleef ik me ook verzetten en weigeren me te onderwerpen, en toen de leiders met mij probeerden te communiceren, was ik onwillig om met hen in gesprek te gaan. Ik had helemaal geen houding van het aanvaarden van of het zoeken naar de waarheid. Op dat moment besefte ik plotseling dat het eigenlijk een bescherming voor mij was dat ik niet als leider gekozen werd. Omdat mijn gezindheid venijnig was en ik me te veel op status richtte, werd ik hatelijk toen ik geen status verwierf, lachte ik anderen uit, oordeelde zelfs over hen en ondermijnde hen zelfs. Als ik echt status had verworven, zou ik iedereen die niet naar me luisterde zeker hebben onderdrukt en buitengesloten, en zou ik nog grotere wandaden hebben begaan. Toen ik hierover nadacht, besefte ik hoe gevaarlijk mijn gesteldheid was geweest. Toch was ik me er volledig onbewust van geweest en onbuigzaam en onverzettelijk gebleven. Als ik niet was geïsoleerd, zou ik koppig en onberouwvol zijn gebleven. Ik bad tot God: ‘God, dank U voor Uw leiding. Ik heb nu een beetje begrip van mezelf, en ik zie dat ik aan de rand van een afgrond sta. Dat ik niet ben weggestuurd, is al Uw genade en het feit dat U mij de kans geeft om berouw te tonen. God, ik ben bereid om echt berouw te tonen. Leid me alstublieft om de essentie en gevolgen van het nastreven van status te doorzien.’
Tijdens een van mijn devotionals las ik Gods woorden en kreeg ik enig inzicht in mijn aard-essentie. Almachtige God zegt: “Het koesteren door antichristen van hun status en prestige gaat verder dan die van normale mensen. Het is iets in hun gezindheidsessentie, niet een tijdelijk belang of het voorbijgaande effect van hun omgeving – het is iets binnen hun leven, in hun botten, en dus is het hun essentie. Dat wil zeggen dat bij alles wat antichristen doen, hun gedachten eerst naar hun eigen reputatie en status gaan, en naar niets anders. Voor antichristen zijn reputatie en status hun leven, en het doel dat ze hun hele leven nastreven. […] Je kunt zeggen dat voor antichristen reputatie en status niet maar een extra vereiste zijn, laat staan dingen die voor hen extern zijn en waar ze ook zonder kunnen. Ze maken deel uit van de aard van antichristen; ze zitten in hun botten, in hun bloed, ze zijn hen aangeboren. Antichristen zijn er niet onverschillig over of ze reputatie en status bezitten; dat is niet hun houding. Wat is dan wel hun houding? Reputatie en status zijn nauw verbonden met hun dagelijks leven, met hun dagelijkse gesteldheid, met wat ze dagelijks nastreven. Voor antichristen zijn status en reputatie hun leven. Hoe ze ook leven, in welke omgeving ze ook leven, welk werk ze ook doen, wat ze ook nastreven, wat hun doelen ook zijn, in welke richting hun leven ook gaat, het draait allemaal om een goede reputatie en hoge status bezitten. En dit doel verandert niet; ze kunnen zulke dingen nooit opzijzetten. Dit is het ware gezicht van antichristen, en hun essentie. Als je hen in een oerbos diep in de bergen zou stoppen, zouden ze het najagen van reputatie en status nog steeds niet loslaten. Voeg hen bij enige groep mensen, en ze denken nog steeds alleen aan reputatie en status. Hoewel antichristen in God geloven, stellen ze het nastreven van reputatie en status gelijk aan geloof in God en hechten ze er evenveel waarde aan. Dat wil zeggen: terwijl ze het pad van geloof in God bewandelen, streven ze ook reputatie en status voor zichzelf na. Je kunt zeggen dat in het hart van antichristen het nastreven van de waarheid bij het geloof in God gelijkstaat aan het nastreven van reputatie en status, en het nastreven van reputatie en status is ook het nastreven van de waarheid; het winnen van reputatie en status is het winnen van de waarheid en het leven. Wanneer ze het idee hebben dat ze geen roem, gewin of status hebben verkregen, dat niemand hen bewondert, hoogacht of volgt, raken ze terneergeslagen, geloven ze dat het geen zin heeft om in God te geloven, dat het geen waarde heeft, en vragen ze zich vanbinnen af: ‘Heb ik gefaald door op deze manier in God te geloven? Is er voor mij geen hoop?’ Vaak calculeren ze zulke dingen in hun hart. Ze calculeren hoe ze voor zichzelf een plekje kunnen bemachtigen in het huis van God, hoe ze in de kerk een verheven reputatie kunnen hebben, hoe ze ervoor kunnen zorgen dat mensen luisteren wanneer ze spreken en de loftrompet over hen steken wanneer ze handelen, hoe ze ervoor kunnen zorgen dat mensen hen volgen waar ze ook maar zijn, en hoe ze in de kerk een invloedrijke stem kunnen hebben, en roem, gewin en status – in hun hart richten ze zich echt op zulke dingen. Dit is wat zulke mensen nastreven” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 3)). Uit Gods woorden zag ik dat het nastreven van reputatie en status door een antichrist niet tijdelijk is, en dat het iets binnen zijn aard en essentie is. Antichristen maken van het nastreven van reputatie en status hun levensdoel. Ze geloven dat ze door het verkrijgen van reputatie en status alles verkrijgen, en dat zodra ze reputatie en status verliezen, het leven zijn betekenis verliest. Ik besefte dat ik precies zo was geweest. Sinds mijn kindertijd leefde ik volgens de satanische vergiften van ‘Streef ernaar om op te vallen en uit te blinken’ en ‘Je moet de grootste ontberingen doorstaan om de allerbeste te worden’. Op school streefde ik ernaar om de beste leerling en de beste van de klas te zijn, en ik dacht dat dit me de bewondering van mijn leraren en klasgenoten zou opleveren. Toen ik getrouwd was en zag dat veel familieleden en buren aan de kant van mijn man het beter hadden dan wij, wilde ik niet achterblijven. Daarom begon ik een bedrijf met mijn man. Omdat ik iemand wilde zijn die rijk was in het dorp en door anderen bewonderd werd. Nadat ik God had gevonden, maakte ik reputatie en status nog steeds tot het doel van mijn streven. Als ik leider werd, dacht ik, zouden mijn verantwoordelijkheden toenemen en zouden meer mensen naar me opkijken. Ik geloofde dat dit de enige manier was om een zinvol en waardevol leven te leiden. Om status en bewondering te verkrijgen, brak ik mijn hoofd over hoe ik dat kon bereiken. Maar toen ik niet als leider werd gekozen en de bewondering en steun van mijn broeders en zusters niet kon krijgen, werd ik ontevreden en misnoegd, en oordeelde ik over de nieuw gekozen leider. Toen ik problemen zag in het evangeliewerk, negeerde ik ze en schepte ik er zelfs plezier in dat ze zich voordeden. Toen ik werd ontheven, bleef ik negatief en opstandig, en toen anderen mijn werk opvolgden, voelde ik ook weerstand. Zelfs toen ik werd geïsoleerd, dacht ik niet over mezelf na en overwoog ik zelfs om God te verraden en Zijn huis te verlaten. Ik zag dat alles wat ik deed een strijd was om reputatie en status, dat het nastreven van reputatie en status deel was geworden van mijn aard, en dat ik al de weg van een antichrist bewandelde. Op dat moment voelde ik diep vanbinnen dat reputatie en status me echt enorme schade hadden berokkend. Omwille van reputatie en status had ik mijn menselijkheid en verstand verloren. Ik hinderde het kerkwerk en berokkende schade aan de mensen om me heen; mijn streven naar reputatie en status dreef me steeds verder weg van God, en zorgde ervoor dat ik steeds minder menselijke gelijkenis had. Ik wilde me snel losmaken van de beperkingen en boeien van reputatie en status, en begon de vastberadenheid te krijgen om de waarheid na te streven.
Daarna las ik nog een passage van Gods woorden, en ik besefte duidelijk dat het nastreven van reputatie en status een pad is dat naar de ondergang leidt. Almachtige God zegt: “Het nastreven van reputatie en status is niet het juiste pad – het loopt precies in de tegenovergestelde richting van het nastreven van de waarheid. Kortom, ongeacht wat de richting of het doel van je streven is, als je niet nadenkt over het nastreven van status en reputatie, en als je het erg moeilijk vindt om dit opzij te zetten, dan zal dat je ingang in het leven beïnvloeden. Zolang status een plaats in je hart heeft, zal het volledig in staat zijn om je levensrichting en het doel van je streven te beheersen en te beïnvloeden, in welk geval het erg moeilijk voor je zal zijn om de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan, om nog maar te zwijgen van het bereiken van veranderingen in je gezindheid; of je uiteindelijk Gods goedkeuring kunt verkrijgen, spreekt natuurlijk voor zich. Bovendien, als je nooit in staat bent om je streven naar status op te geven, zal dit je vermogen beïnvloeden om je plicht te doen op een manier die aan de norm voldoet, wat het erg moeilijk voor je zal maken om een schepsel te worden dat aan de norm voldoet. Waarom zeg Ik dit? God verafschuwt niets meer dan wanneer mensen status nastreven, omdat het nastreven van status Satans gezindheid is, het is een verkeerd pad, het is geboren uit de verdorvenheid van Satan, het is iets dat door God wordt veroordeeld, en het is precies datgene wat God zal oordelen en reinigen. Er is niets wat God meer verafschuwt dan het nastreven van status door mensen, en toch blijf je koppig om status strijden, laat je het nooit na om status te koesteren en te beschermen, en probeer je het altijd voor jezelf op te eisen. Zit hier niet iets vijandigs jegens God in? Status is niet door God voor mensen verordend; God voorziet mensen van de waarheid, de weg en het leven, zodat ze uiteindelijk een schepsel worden dat aan de norm voldoet, een klein en onbeduidend schepsel – niet iemand die status en prestige heeft en door duizenden mensen wordt vereerd. En dus, ongeacht vanuit welk perspectief het wordt bekeken, is het nastreven van status een weg naar de ondergang. Hoe redelijk je excuus voor het nastreven van status ook is, dit pad is nog steeds het verkeerde en wordt niet door God goedgekeurd. Hoe hard je ook probeert of hoe groot de prijs ook is die je betaalt, als je naar status verlangt, zal God je geen status geven; als God je geen status geeft, zul je falen in de strijd om die te verkrijgen, en als je blijft strijden, zal er maar één uitkomst zijn: je zult worden onthuld en geëlimineerd – je zult op een weg naar de ondergang zijn. Je begrijpt dit, toch?” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 3)). Uit Gods woorden zag ik dat het nastreven van reputatie en status niet het juiste pad is, en dat dit is wat God het meest haat. God geeft mensen plichten, geen status, en Zijn bedoeling is dat mensen als schepsel aan de norm voldoen, niet dat mensen ernaar streven beroemd of groot te worden. Als mensen voortdurend reputatie en status nastreven, druist dit in tegen Gods vereisten, en in wezen is dit verzet tegen God, en de uiteindelijke uitkomst hiervan is dat ze door God worden onthuld en geëlimineerd. Toen ik reflecteerde op mijn vroegere dienst als supervisor van het evangeliewerk, zag ik dat ik veel verantwoordelijkheden had, maar ik concentreerde me niet op hoe ik mijn primaire werk goed kon doen. In plaats daarvan wilde ik alleen maar verkozen worden tot districtsleider om een hogere status te verkrijgen en door meer mensen bewonderd te worden. Toen ik niet tot districtsleider werd gekozen en mijn ambities en begeerten niet werden vervuld, werd ik ontevreden en misnoegd, en reageerde ik mijn frustraties zelfs af op het werk van de kerk, waardoor het evangeliewerk bijna verlamd raakte. Als ik geen berouw toonde, zou ik zeker worden weggestuurd en geëlimineerd vanwege mijn vele slechte daden. Op dat moment begon ik enig inzicht te krijgen in wat God zei: dat het nastreven van reputatie en status een doodlopende weg is. Toen ik hierover nadacht, was ik God echt dankbaar. Als ik niet was geïsoleerd, zou ik niet op tijd tot inkeer zijn gekomen, en zou ik de aard en gevolgen van het nastreven van reputatie en status niet hebben gekend. Dat de kerk mij niet verdreef en mij alleen maar isoleerde, was al Gods genade voor mij, en ik moest snel berouw tonen.
Op een dag las ik een passage van Gods woorden, en wist ik hoe ik om moest gaan met het feit dat ik niet tot districtsleider was gekozen. Almachtige God zegt: “Als je denkt dat je geschikt bent om leider te zijn, en het talent, het kaliber en de menselijkheid voor leiderschap hebt, maar Gods huis je niet heeft gepromoveerd en de broeders en zusters je niet hebben verkozen, hoe moet je daar dan mee omgaan? Er is hier een pad van de praktijk dat je kunt volgen. Je moet jezelf grondig kennen. Ga bij jezelf na of het er in wezen op neerkomt dat het probleem bij je menselijkheid ligt, of dat mensen de onthulling van een bepaald aspect van je verdorven gezindheid walgelijk vinden; of dat je de waarheidswerkelijkheid niet hebt en daardoor niet overtuigend bent voor anderen, of dat de vervulling van je plicht niet aan de norm voldoet. Je moet over al deze dingen nadenken en precies zien waar je tekortschiet. […] Je moet ingang in het leven nastreven, eerst je buitensporige verlangens oplossen, gewillig een volgeling zijn zodat je je werkelijk aan God onderwerpt, zonder te klagen over wat Hij ook maar orkestreert of regelt. Wanneer je deze gestalte hebt, zal je kans komen. Dat je een zware last op je wilt nemen, dat je deze last hebt, is een goede zaak. Het toont aan dat je een proactief hart hebt dat vooruitgang probeert te boeken, dat je Gods bedoelingen in acht wilt nemen en dat je Gods wil wilt volgen. Dit is geen ambitie, maar een ware last; het is de verantwoordelijkheid van degenen die de waarheid nastreven en het doel van hun streven. Je hebt geen egoïstische motieven en handelt niet voor je eigen bestwil, maar om getuigenis af te leggen van God en Hem tevreden te stellen – dit is wat het meest door God wordt gezegend, en Hij zal gepaste regelingen voor je treffen. […] Gods bedoeling is om meer mensen te winnen die van Hem kunnen getuigen; het is om allen die Hem liefhebben te vervolmaken en zo spoedig mogelijk een groep mensen compleet te maken die één van hart en ziel met Hem zijn. Daarom hebben in Gods huis allen die de waarheid nastreven grote vooruitzichten, en de vooruitzichten van degenen die God oprecht liefhebben zijn onbegrensd. Iedereen zou Gods bedoeling moeten begrijpen. Het is inderdaad een positief ding om deze last te hebben, en het is iets wat degenen met een geweten en verstand moeten bezitten, maar niet iedereen zal noodzakelijkerwijs een zware taak op zich kunnen nemen. Waar komt dit verschil vandaan? Wat je sterke punten of bekwaamheden ook zijn, en hoe hoog je IQ ook mag zijn, wat cruciaal is, is je streven en het pad dat je bewandelt” (Het Woord, Deel V, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers, De verantwoordelijkheden van leiders en werkers (6)). Terwijl ik over Gods woorden nadacht, besefte ik dat de verkiezing van leiders in de kerk gebaseerd is op principes. Als leider moet men menselijkheid hebben, over de waarheid kunnen communiceren om problemen op te lossen, over bepaalde werkvermogens beschikken en de waarheid nastreven. Als iemand de waarheid niet nastreeft en het verkeerde pad bewandelt, zal hij, zelfs als hij leider wordt, niet ver komen. Maar ik beoordeelde of iemand leider kon zijn uitsluitend op basis van de omvang van de plichten waarvoor ze verantwoordelijk waren, hoeveel lijden ze hadden doorstaan en hoe lang ze getraind hadden. Mijn normen waren volledig in strijd met Gods woorden. Terugkijkend, hoewel ik lange tijd had getraind om het evangelie te prediken, enkele principes van het prediken van het evangelie begreep en wat resultaten had in mijn plicht, richtte ik me niet op mijn binnengaan in het leven, en was ik tevreden met alleen maar elke dag druk bezig zijn met mijn plicht. Ik dacht zelden over mezelf na en had zelden zelfkennis in de dingen die ik meemaakte en dacht zelden na over de waarheidsprincipes. Ik was helemaal niet iemand die de waarheid liefhad of nastreefde. De belangrijkste verantwoordelijkheid van een leider is om broeders en zusters te leiden om de waarheid te begrijpen en de werkelijkheid van Gods woorden binnen te gaan. Ik concentreerde me niet op het reflecteren op en kennen van mezelf, alleen op het doen van uiterlijk werk, en had weinig ingang in het leven, dus ik was niet gekwalificeerd om leider te zijn. Als ik echt als leider was verkozen maar het daadwerkelijke werk niet kon doen, zou ik dan geen valse leider zijn? Bovendien moet men om leider te zijn toezicht houden op alle aspecten van het werk en over bepaalde werkvermogens beschikken. Ik hield destijds alleen toezicht op het evangeliewerk, en soms als er te veel taken waren, kon ik ze niet aan. Ik had simpelweg niet het kaliber of de capaciteiten om leider te zijn. Charlotte was eerder altijd leider geweest en communiceerde duidelijker over de waarheid dan ik. Hoewel het haar ontbrak aan ervaring met toezicht houden op evangeliewerk, zat haar hart op de juiste plaats en was ze bereid om te praktiseren en te leren. Haar verkiezing tot leider was gepast, en ik zou Charlottes werk moeten steunen. Nadat ik hierover had nagedacht, had ik er vrede mee dat ik niet tot leider was verkozen.
Later las ik twee passages van Gods woorden en ging ik begrijpen wat voor soort mens God wil. Almachtige God zegt: “Als lid van de geschapen mensheid moet je je gepaste plek innemen en jezelf goed gedragen. Houd je plichtsgetrouw aan datgene wat de Schepper je heeft toevertrouwd. Overschrijd de grenzen niet en doe geen dingen die buiten je vermogen liggen of waar God van walgt. Streef er niet naar om een groots iemand te zijn, een supermens of een verheven persoon, en streef er niet naar om God te worden. Dit zijn allemaal wensen die mensen niet horen te hebben. Ernaar streven om een groots iemand of een supermens te zijn is absurd. Ernaar streven om God te worden is zelfs nog schandelijker; het is walgelijk en verachtelijk. Wat werkelijk waardevol is, en waar schepselen aan vast moeten houden, meer dan aan wat dan ook, is een waar schepsel worden; dit is het enige doel dat alle mensen zouden moeten nastreven” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke I). “Wanneer God vereist dat mensen hun plicht vervullen, vraagt Hij hen niet om een bepaald aantal taken te voltooien of grote ondernemingen te volbrengen, noch om baanbrekende prestaties te leveren. Wat God wil, is dat mensen in staat zijn om op een nuchtere manier alles te doen wat ze kunnen, en naar Zijn woorden te leven. Je hoeft van God niet groots of nobel te zijn, je hoeft van Hem geen enkel wonder tot stand te brengen en Hij wil geen enkele aangename verrassing in je zien. Hij heeft zulke dingen niet nodig. Het enige wat God nodig heeft, is dat je op een nuchtere manier volgens Zijn woorden praktiseert. Nadat je Gods woorden hebt begrepen, moet je ernaar handelen en ze uitvoeren, of nadat je Gods woorden hebt gehoord, moet je ze goed onthouden, en wanneer de tijd komt om te praktiseren, doe dat dan volgens Gods woorden. Laat ze je leven worden, je werkelijkheden, en wat je uitleeft. Op die manier zal God tevreden worden gesteld. […] Het moet jullie allemaal duidelijk zijn wat voor soort mensen gered wordt door Gods werk, en wat de betekenis is van Zijn redding van de mens. God vraagt van de mensen om voor Hem te verschijnen, naar Zijn woorden te luisteren, de waarheid te aanvaarden, hun verdorven gezindheid af te werpen en te praktiseren zoals God zegt en opdraagt, dat betekent leven naar Zijn woorden, in tegenstelling tot leven naar menselijke opvattingen en fantasieën of satanische filosofieën en menselijk ‘geluk’ na te streven. Als iemand niet naar de woorden van God luistert of de waarheid aanvaardt en nog steeds naar de filosofieën van Satan en naar de gezindheden van Satan leeft, en weigert berouw te hebben, dan kan zo’n persoon niet door God gered worden. Wanneer je God volgt, ben je natuurlijk ook door God uitverkoren – wat betekent het dan om door God uitverkoren te zijn? Het is om je te veranderen in iemand die op God vertrouwt, die God echt volgt, die alles in de steek kan laten voor God en die Gods weg kan volgen, iemand die zijn satanische gezindheid heeft afgeworpen en Satan niet meer volgt of onder Satans macht leeft. Als je God volgt en een plicht vervult in Gods huis, maar jezelf toch in elk opzicht tegen God opstelt, en in geen enkel opzicht naar Zijn woorden handelt of ervaart, zou God je dan kunnen goedkeuren? Beslist niet. Wat bedoel ik hiermee? Het is niet echt moeilijk om een plicht te vervullen, of om dat toegewijd te doen en op een aanvaardbaar niveau. Je hoeft je leven niet op te offeren of iets bijzonders of moeilijks te doen, je moet alleen maar Gods woorden en aanwijzingen eerlijk en volhardend volgen, zonder je eigen ideeën toe te voegen of je eigen plan uit te voeren; je moet het pad van het nastreven van de waarheid bewandelen. Als mensen dit kunnen doen, hebben ze in de aard van de zaak een menselijke gelijkenis. Wanneer ze God werkelijk gehoorzaam zijn en eerlijke mensen zijn geworden, zullen ze de gelijkenis hebben met een echt menselijk wezen” (Het Woord, Deel III, De gesprekken van Christus van de laatste dagen, Om een plicht goed te vervullen is harmonieuze samenwerking nodig). God vraagt ons om ons op een nuchtere manier te gedragen, onze juiste plaats als schepsels in te nemen en ons aan onze plichten te houden. Dit zijn de doelen die we moeten nastreven, en dit is de gelijkenis die een waar mens zou moeten hebben. Als iemand de waarheid nooit nastreeft en nooit accepteert, dan is hij, hoe groot zijn status of prestige ook wordt, in Gods ogen laag en waardeloos, en kan hij Zijn goedkeuring niet ontvangen. Ik dacht eraan dat ik ooit een behoorlijk breed verantwoordelijkheidsgebied had, maar alleen reputatie en status nastreefde en niet de waarheid. Toen ik niet tot districtsleider werd gekozen, gebruikte ik het werk om mijn frustraties af te reageren. Zonder het te weten, bewandelde ik uiteindelijk de weg van verzet tegen God, en werd ik ontheven omdat ik het werk van de kerk hinderde en verstoorde en koppig weigerde berouw te tonen. Ik dacht er ook aan hoe sommige antichristen leiders waren geweest en een hoge status hadden, maar ze streefden reputatie en status na, deden hun plichten zonder principes te zoeken, en weigerden resoluut om gesnoeid te worden. Uiteindelijk werden ze vanwege hun vele slechte daden door de kerk weggestuurd en geëlimineerd. Uit deze feiten bleek voor mij Gods rechtvaardigheid. Hoe hoog iemands status ook is of hoeveel mensen hem ook bewonderen, als hij de waarheid niet nastreeft, zal hij uiteindelijk geëlimineerd worden. Status hebben of bewonderd worden is niet belangrijk, want reputatie en status kunnen iemand niet helpen de waarheid te begrijpen en gered te worden. God meet en bepaalt iemands uitkomst op basis van de vraag of hij uiteindelijk de waarheid kan verkrijgen, niet op hoe hoog zijn status is. Als ik in God geloofde enkel om de bewondering van anderen na te streven, de waarheid niet nastreefde en me niet richtte op het zoeken naar de waarheid om in de dingen die ik meemaakte aan Gods bedoelingen te voldoen, dan zou ik, zelfs als ik tot het einde geloofde, de waarheid niet kunnen begrijpen of verkrijgen, en zou ik nog steeds geëlimineerd worden. Alleen degenen die de waarheid nastreven, hun plichten vervullen en zich onderwerpen aan Gods orkestraties en regelingen zijn kostbaar in Gods ogen. In Gods huis bepaalt de kerk op redelijke wijze welke plichten bij elke persoon passen en wijst die dienovereenkomstig toe op basis van de behoeften van het werk en hun sterke punten en kaliber. Ik zou me moeten onderwerpen aan Gods soevereiniteit, mijn plaats moeten kennen en mijn best moeten doen in mijn huidige plicht. Zelfs als ik de kleinste van allemaal in een hoekje was, zou ik me nog steeds aan mijn plicht moeten houden. Nadat ik dit begrip had gekregen, voelde ik me vrediger en bevrijd. Dus bad ik tot God: ‘God, ik ben bereid me te onderwerpen aan Uw orkestraties en regelingen. Of iemand me nu bewondert of niet, en wat mijn status in de ogen van anderen ook is, zelfs als mijn plicht niet in het oog springt, zal ik mijn plicht vervullen en doen wat ik kan.’ Ik bad vaak zo, en langzaam namen mijn eerdere negatieve, passieve en onwillige emoties af, en de resultaten van mijn plichten verbeterden beetje bij beetje.
Kort daarna hield onze kerk een tussentijdse verkiezing voor een leider, en een zuster op wie ik ooit toezicht had gehouden, werd gekozen. Daarna vroegen de leiders me om groepsleider te worden en toezicht te houden op de bijeenkomst van een kleine groep. Ik was God erg dankbaar dat Hij me nog een kans gaf om te trainen, maar tegelijkertijd voelde ik enige teleurstelling, Terwijl ik eraan dacht dat ik slechts groepsleider was en niet de allure had van kerkleider zijn. Ik besefte dat mijn verlangen naar reputatie en status weer de kop opstak, dus bad ik stilletjes tot God in mijn hart. Ik dacht aan Gods woorden: “Als lid van de geschapen mensheid moet je je gepaste plek innemen en jezelf goed gedragen. Houd je plichtsgetrouw aan datgene wat de Schepper je heeft toevertrouwd. Overschrijd de grenzen niet” (Het Woord, Deel II, Over het kennen van God, God Zelf, de unieke I). “Status is niet door God voor mensen verordend; God voorziet mensen van de waarheid, de weg en het leven, zodat ze uiteindelijk een schepsel worden dat aan de norm voldoet, een klein en onbeduidend schepsel – niet iemand die status en prestige heeft en door duizenden mensen wordt vereerd” (Het Woord, Deel IV, Antichristen ontmaskeren, Punt negen (deel 3)). Terwijl ik over Gods woorden nadacht, klaarde mijn hart op, en besefte ik dat deze kwestie die op me afkwam, God was die mijn hart nauwkeurig onderzocht. In het verleden probeerde ik altijd bewonderd te worden en hechtte ik meer waarde aan reputatie en status dan aan het leven zelf. Toen ik hoorde dat ik niet tot districtsleider was gekozen, verwaarloosde ik mijn plicht en had ik leedvermaak om de mislukkingen van mijn broeders en zusters, wat het werk van de kerk vertraagde en een eeuwige smet achterliet. Dit liet ook blijvende pijn in mijn hart achter. Nu begreep ik duidelijk dat verantwoordelijkheden belangrijker zijn dan status. Deze keer kon ik status niet nastreven zoals ik eerder had gedaan. Ik was vastbesloten om mijn plicht naar behoren te doen. Zelfs als ik in de meest onopvallende hoek werd gezet, zou ik mijn plicht nog steeds goed doen, een argeloos en plichtsgetrouw schepsel zijn, en de schuld die ik in het verleden had opgebouwd goedmaken. Ik kon niet langer het lachertje van Satan zijn, laat staan God teleurstellen. Voortaan werkte ik in mijn plicht proactief samen met de leiders. Ik vroeg welke problemen in de groep mijn hulp nodig hadden om opgelost te worden, en soms, als de leiders me vroegen om de gesteldheid van de broeders en zusters te controleren, deed ik dat proactief. Door op deze manier te praktiseren, voelde ik me erg op mijn gemak. Later hoorde ik geleidelijk dat sommige broeders en zusters om me heen promotie kregen. Sommigen van hen waren zelfs personen op wier werk ik ooit toezicht had gehouden. Hoewel ik me destijds een beetje onrustig voelde, bad ik tot God en ging ik correct met deze zaak om. Toen ik zag dat sommige broeders en zusters met moeilijkheden te maken kregen, deed ik mijn best om met hen te communiceren en hen te helpen, en de resultaten van onze plichten verbeterden steeds meer. Na enige tijd vertelde de kerkleider me dat ik weer in de kerk was opgenomen. Toen ik dit nieuws hoorde, had ik een onbeschrijfelijk gevoel in mijn hart. Ik was erg emotioneel, maar voelde nog meer zelfverwijt. Ik had reputatie en status nagestreefd, niet het juiste pad bewandeld, en het werk van de kerk gehinderd en verstoord. Daarom werd ik ontheven – dit onthulde volledig Gods rechtvaardigheid. Maar God elimineerde mij niet; in plaats daarvan oordeelde Hij over mij met Zijn woorden en snoeide Hij mij via de broeders en zusters om mij heen. Zijn doel was om mij het verkeerde pad waarop ik me bevond te laten inzien en op tijd te laten omkeren, om zo snel mogelijk te ontsnappen aan het lijden dat reputatie en status met zich meebrachten, het geweten en verstand te herstellen dat ik behoorde te hebben, en een menselijke gelijkenis na te leven. Toch begreep ik Gods hart niet en verliet ik Hem bijna. Ik voelde me echt schatplichtig aan God! Ik zag Gods liefde, en vanuit de grond van mijn hart bood ik Hem oprecht mijn dankbaarheid en lof aan.
Nu ik deze dingen heb ervaren, voel ik echt dat wat God ook doet, het altijd in de hoop is dat mensen oprecht berouw tonen en het juiste pad bewandelen. Zelfs als iemand wordt ontheven of geïsoleerd, verlaat God hem nooit, maar blijft Hij voor hem zorgen en hem leiden. Hij gebruikt verschillende middelen om de harten van mensen wakker te schudden en hen tot inkeer te brengen. Door deze ervaring kreeg ik enig begrip van Gods rechtvaardige gezindheid. Toen ik tegen God in opstand bleef komen en me tegen Hem bleef verzetten, kwam Zijn toorn over mij. Hij snoeide en disciplineerde mij streng via mensen, gebeurtenissen en dingen om mij heen, en zette mij opzij. Op het moment dat ik bereid was berouw te tonen voor Hem, gebruikte God Zijn woorden om mij te blijven verlichten en leiden; toen ik echt terugkeerde naar God en praktiseerde volgens Zijn woorden, nam de kerk mij weer op. Gods gezindheid is levendig en echt, en Zijn hart bij het redden van mensen is oprecht en goed. Dank God!