Door de bitterheid van vervolging te ondergaan leer ik liefde en haat duidelijk te onderscheiden

30 januari 2021

Door Zhao Zhi, provincie Hebei

Ik heet Zhao Zhi en ik ben 52. Ik ben al veertien jaar volgeling van Almachtige God. Voordat ik tot mijn geloof kwam, was ik in zaken. Ik was vaak bezig met vermaak, mensen geschenken sturen en gezellig samenzijn. Ik liep constant uitgaansgelegenheden in en uit zoals karaokebars en gokhuizen. Mijn vrouw maakte hier met mij voortdurend ruzie over en dreigde uiteindelijk van me te scheiden en ons huis te verlaten. In die tijd zat ik helemaal vast in dit moeras en kon ik mezelf niet bevrijden, en hoewel ik mijn best deed om goed voor ons gezin te zorgen, lukte me dat gewoon niet. Ik voelde dat het leven echt ellendig was; ik was uitgeput. In juni 1999 kwam de genade van de redding van Almachtige God tot ons en door het lezen van Gods woorden en het communiceren met broeders en zusters, realiseerde mijn vrouw zich dat de duisternis in de wereld en menselijke verdorvenheid volledig te wijten zijn aan Satan die ons kwaad doet en met ons speelt. Ze uitte begrip voor mijn situatie en opende haar hart in communicatie met mij. Door de leiding van Gods woorden zag ook ik dat ik me wentelde in een ketel van zonde, en dat God hiervan walgde en het haatte. Sterker nog, ik zag dat ik me helemaal niet als een mens had gedragen. Ik voelde me berouwvol en schuldig en dus besloot ik voor God om een nieuw mens te worden. Vanaf dat moment hebben mijn vrouw en ik elke dag gebeden en Gods woorden gelezen, en we kwamen vaak samen met broeders en zusters om te communiceren. Voordat we het wisten, verdwenen de conflicten tussen ons en het verdriet dat we hadden gevoeld loste als een rookwolk op; ons leven werd vervuld van vrede en vreugde. Ik was me er diep van bewust dat Almachtige God ons gezin had gered toen het op de rand van de ondergang stond, en ons een volledig nieuw leven had gebracht. Naast mijn ongelooflijke dankbaarheid, besloot ik ook in stilte mijn hele wezen op te offeren om Gods genade terug te betalen. Daarna wierp ik mezelf op het uitvoeren van mijn plicht en begon het evangelie te delen, zodat meer mensen de redding konden krijgen die God ons in de laatste dagen heeft gebracht. De atheïstische CCP overheid in China staat echter niet toe dat mensen God aanbidden of de juiste weg nemen, en ze staat met name niet toe dat mensen het evangelie verspreiden en getuigen van God. Omdat ik in God geloofde en het evangelie verspreidde, werd ik het slachtoffer van arrestatie en vervolging door de CCP-regering.

Het was een lentedag in 2002. Een broeder en ik werden door een kwaadwillend persoon bij de politie aangegeven terwijl we in een dorp het evangelie deelden. De politie kwam onmiddellijk en zonder eerst de situatie in ogenschouw te nemen, sloegen ze me in de boeien, sleepten me een politieauto in en namen me mee naar het bureau. Zodra we de verhoorkamer binnenkwamen, zelfs voordat ik de kans had om te reageren, stormde er een agent op me af, greep me bij mijn kraag en sloeg me een paar keer hard. Ik werd meteen duizelig en zag sterretjes, ik kon niet voorkomen dat ik struikelde en op de grond viel. Ik bloedde uit mond en neus en mijn gezicht brandde van pijn. Toen hij dit zag, schopte de politieman me kwaadaardig en tierde knarsetandend tegen mij: “Jij stuk stront, stel je niet aan. Sta op!” Twee andere agenten kwamen naar me toe, trokken me bij mijn armen omhoog en gooiden me opzij. Toen begonnen ze me alle drie te slaan en te schoppen. Ik had ondraaglijke pijn over mijn hele lichaam; ik viel op de grond en kon niet meer omhoog komen. Ze keken me aan met moorddadige blikken, met een blik als van een tijger die zijn prooi ziet. Een van hen blafte tegen me: “Hoe heet je? Waar kom je vandaan? Waarom was je in het huis van die man? Als je niet praat, zal ik je werkelijk iets laten voelen!” Ik bad zwijgend tot God en vroeg Hem om mijn hart te beschermen, zodat ik stil voor God kon blijven, en om me geloof en moed te geven, zodat ik niet geïntimideerd zou raken door hun bedreigingen. Toen ze begrepen dat ik niet zou spreken, pakte een echt woest uitziende agent een stroomstok en zwaaide die heen en weer voor mijn gezicht, en liet hem opzettelijk knetteren. Toen wees hij naar mij en zei hij dreigend: “Zul je praten of niet? Als je het niet doet, zal ik je dood taseren.” Dit beangstigde me toch wel en ik bad snel tot God. “Oh God! Alle dingen zijn in uw handen, dus ook dit roedel kwaadaardige agenten. Hoe ze me ook behandelen, het is met uw toestemming. Ik ben bereid me te onderwerpen aan uw orkestraties en regelingen. Het is alleen dat mijn gestalte te klein is en ik me zwak en angstig voel. Geef me alstublieft geloof en kracht, en bescherm me zodat ik geen Judas word. Laat me mijn getuigenis niet verliezen nu ik voor Satan sta.” Na het bidden kwam er een passage van Gods woorden in me op: “Het leven van de herrezen Christus is in ons. We hebben echt te weinig geloof voor Gods aangezicht. Moge God waar geloof in ons brengen! Wat is Gods woord zoet! Gods woord is een krachtig medicijn! Beschaam de duivels en Satan! Als we Gods woord bevatten, vinden we steun: Zijn woord redt meteen ons hart! Alle dingen verdwijnen en overal is vrede. Geloof is een wankel bruggetje. Zij die stumperig aan het leven hangen, kunnen het niet oversteken, maar zij die bereid zijn hun leven op het spel te zetten, kunnen er gerust overheen gaan. Als mensen laffe of bange gedachten hebben, worden ze door Satan in de luren gelegd. Want hij is bang dat we de brug van geloof oversteken om binnen te treden in God(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 6). Het is waar! dacht ik. Ik ben zo bang omdat ik ben gevallen voor het bedrog van Satan. Ondanks de woeste verschijning van de agenten, is alles in Gods handen en is God mijn steun. Ik moet op mijn geloof vertrouwen en op Gods woorden steunen om Satan te overwinnen! Dus hield ik mijn mond en toen hij merkte dat ik geen enkel woord zei, zwaaide die agent zijn stok omhoog en porde hij mij ermee. Ik kneep mijn ogen dicht en beet op mijn tanden in afwachting van de marteling van intense pijn, maar verrassend genoeg voelde ik niets, hoewel ik steeds opnieuw werd gepord met de stroomstok. Ze vonden het allemaal heel vreemd en zeiden verbijsterd: “Waarom werkt dit ding vandaag niet? Het moet kapot zijn − probeer een andere.” Ze haalden een andere om me mee te taseren, maar ook die werkte niet. Ik riep voortdurend in mijn hart uit: “Oh God, dank u! U hoorde mijn gebed en u beschermt me in het geheim. Je bent zo vol liefde, zo trouw! God, wat voor wrede marteling ik ook in de toekomst onder ogen moet zien, ik ben bereid met heel mijn hart op u te vertrouwen. Ik ben vastbesloten om standvastig te blijven in mijn getuigenis!” Toen ze zagen dat hun taser geen resultaten bij mij opleverde, waren ze nog steeds geenszins bereid om het daarbij te laten, dus ketenden ze me aan handen en voeten en sleepten me naar een politieauto, en reden me naar een gebouw met twee verdiepingen ver weg van het dorp.

Toen we naar binnen gingen, produceerde een agent een kille glimlach en zei dreigend: “Je kunt zien dat er hier niets is en niemand zal deze plek ooit vinden. Nu je hier bent: als je nog steeds niet praat, eindigt het hier voor jou. Dan zul je hier worden begraven en zal niemand het ooit weten. Denk er maar eens over na – als je slim bent, vertel je ons wat we moeten weten.” Mijn hart klopte in mijn keel toen ik dat hoorde. Ik kon me gewoon niet voorstellen wat deze bloeddorstige ‘Volkspolitie’ die voor mij stond en die zich gedroeg als een stel misdadigers uit de onderwereld, mij zou aandoen. Ik riep snel God aan in mijn hart, en vroeg Hem om mij kracht en de vastberadenheid te geven om het lijden te weerstaan, zodat ik de komende wrede marteling kon verdragen. Toen ze merkten dat ik nog steeds weigerde een woord te zeggen, wierpen twee van de agenten zich gewelddadig op mij en scheurden me alle kleding van het lijf. Daarna moet ik aan de kant gaan staan. Een van hen wees naar mijn neus en zei spottend: “Kijk daar eens, je kent echt geen schaamte.” Een andere begon mijn kleding te doorzoeken, als een hongerige hond die op zoek is naar voedsel. Uiteindelijk vond hij slechts dertig yuan, draaide toen zijn hoofd om en terwijl hij het geld in zijn eigen zak duwde, grauwde hij naar me: “Je bent gewoon een arme sloeber!” Het maakte me woedend en haatdragend. Ik dacht: is dit de manier waarop deze politie ‘het volk dient’? Het is gewoon een roedel schurken en bandieten die de mensen tiranniseert en het gewone volk uitbuit. Als ik dit vandaag niet met mijn eigen ogen had gezien, weet ik niet hoe lang ik voor de gek gehouden zou blijven worden door de leugens van de CCP. Ik besefte toen dat Gods goede wil die dag achter mijn arrestatie zat; God liet me niet met opzet lijden, maar in plaats daarvan gebeurde het zodat ik duidelijk het slechte gezicht van de CCP kon zien. Na nog ongeveer tien minuten kwam er een andere agent binnen met twee elektriciteitskabels en met een valse grijns op zijn gezicht. Hij gebaarde mij dreigend en zei: “Bang? Eerverleden jaar was er nog een crimineel die niet wilde praten, maar hij kon de elektrocutie niet verdragen. Uiteindelijk bekende hij alles. Ik weet zeker dat we die mond van jou open zullen wrikken!” Toen ik besefte dat ze me zouden elektrocuteren, voelde ik zowel haat als angst. Als dat soort marteling lang genoeg zou voortduren, zou ik zeker sterven. Ik zei snel een gebed tot God: “God, deze agenten zijn zo gemeen − ik ben bang dat ik dit niet te boven zal kunnen komen. Bescherm me alstublieft en geef me kracht, zodat ik geen Judas word en u verraad vanwege de zwakte van mijn vlees.” Nadat ik had gebeden, verlichtte God me door me aan deze hymne te laten denken: “Mijn hoofd mag dan misschien kapotgaan en er mag dan bloed vloeien, maar de moed van Gods volk kan niet verdwijnen. Gods vermaningen rusten op het hart. Ik neem me voor Satan de duivel te vernederen. Pijn en tegenspoed zijn voorbeschikt door God, ik zal vernedering verduren om trouw aan Hem te zijn. Ik zal nooit meer maken dat God tranen plengt of Zich zorgen maakt” (‘Ik wil de dag van Gods heerlijkheid zien’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Het is waar, dacht ik, de mensen van het koninkrijk moeten de integriteit en de standvastigheid hebben van iemand uit het koninkrijk – begerig zijn naar leven en vrezen voor de dood is lafheid. Satan heeft het dwaze idee, dat hij me er door marteling toe kan brengen om God te verraden en daarmee mijn kans te verknallen om verlossing te bereiken. Ik mag zijn plan absoluut geen vrucht laten dragen, en ik kan absoluut niet toestaan dat Gods naam vanwege mij wordt beschaamd. Toen ik dit alles had overwogen, voelde ik kracht in me opwellen en vond ik de moed om de marteling het hoofd te bieden.

Net toen ik aan dit alles dacht, kwamen twee agenten op me af, duwden me op mijn buik op de grond en drukten toen een stoel boven op me neer. Er kwamen nog twee agenten, één aan elke kant van mij, en ze trapten elk met een voet op een van mijn handen. Het voelde alsof mijn handen op de vloer waren genageld − ik kon me helemaal niet bewegen. De politieman met de elektrische snoeren bracht twee draden vanuit de schakelkast en bond er één aan een vinger aan mijn linkerhand, één aan een vinger aan mijn rechterhand, en zette toen de stroom van de schakelkast aan. Onmiddellijk schoot er een golf van elektrische stroom door elke zenuw in mijn lichaam; het was zowel verdovend als pijnlijk en onwillekeurig verkrampte mijn hele lichaam. Het was zo pijnlijk, dat ik het uitschreeuwde. De politie duwde een schuimrubberen pantoffel in mijn mond. Op die manier dienden ze me keer op keer elektrische schokken toe; het deed zoveel pijn, dat ik kletsnat was van het zweet, en al snel doorweekte het al mijn kleding, alsof ik een plens water over me heen had gekregen. Terwijl de elektrische schokken werden toegediend, bleef de agent tegen me schreeuwen: “Ga je nog praten? Ik zal je dood elektrocuteren als je niet spreekt! Dit komt ervan als je niet praat!” Ik klemde mijn tanden hard op elkaar en dwong mezelf de pijn te verdragen zonder geluid te maken. Toen ze dit zagen, begonnen ze de stroom langer aan te houden. Uiteindelijk voelde ik dat ik het niet langer kon verdragen en gewoon wilde sterven. Ik gebruikte het laatste greintje kracht in mijn lichaam om de twee agenten die de stoel bovenop me drukten van me af te duwen en sloeg toen mijn hoofd hard tegen de vloer. Maar vreemd genoeg voelde die harde betonnen vloer plotseling zo zacht aan als katoen, en hoe hard ik er ook mijn hoofd tegen aan stootte, het had geen effect. Op dat moment kwamen er plotseling een paar regels uit Gods woorden duidelijk in me op, die vroeger regelmatig tijdens communicatie waren besproken: “Het lijden van sommige mensen bereikt een bepaald punt en hun gedachten keren zich tot de dood. Dit is niet de ware liefde voor God. Zulke mensen zijn lafaards, ze hebben geen doorzettingsvermogen, ze zijn zwak en machteloos!(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Alleen door pijnlijke beproevingen te ervaren, kun je de liefelijkheid van God kennen ). “Hoewel je vlees lijdt, heb je Gods woord en Gods zegen. Je kunt niet sterven, zelfs niet als je dat zou willen: kun je er jezelf bij neerleggen dat je God niet kent en Zijn waarheid niet verwerft als je sterft?(‘Alleen door de waarheid na te streven kun je veranderingen in je gezindheid realiseren’ in ‘Verslagen van de gesprekken van Christus’). Gods woorden dienden als een vriendelijke herinnering voor mij dat ik wilde sterven omdat ik het lijden niet kon verdragen, en dat ik geen getuigenis van God zou afleggen, maar God zou beschamen en verraden. Het zou kleinhartig zijn, het zou laf zijn, en het zou Satan helemaal niet beschamen. Gods verlichting deed me beseffen, dat de vloer plotseling zacht aanvoelde omdat God me in stilte tegenhield, me beschermde en me niet toestond om te sterven, in de hoop dat ik zou kunnen getuigen in deze verschrikkelijke situatie, en zo Satan te beschamen en glorie te brengen aan God. Het zien van Gods liefde en bescherming was enorm inspirerend voor mij en ik nam stilletjes een besluit: hoe deze kwaadaardige politie mij ook mag martelen, ik blijf doorgaan. Zelfs mijn laatste ademtocht zal ik goed besteden en daarmee getuigen voor God en ik zal Hem absoluut niet teleurstellen. Mijn hele lichaam liep over van kracht − ik beet op mijn tanden en bereidde me voor op nog brutere elektrische marteling.

Toen ze zagen dat ik nog steeds niet toegaf, waren de agenten zo boos, dat hun aderen opzwollen. Ze hadden een felle blik in hun ogen, ze knarsten met hun tanden en balden hun vuisten, alsof ze stonden te popelen om me te verslinden. Een van hen stormde tot het uiterste getergd op me af en greep me bij mijn haar, rukte met geweld mijn hoofd omhoog, boog zich over mijn hoofd en schreeuwde met een duivelse blik recht tegen me: “Jij stuk stront, ga je praten of niet? Als je dat niet doet, zal ik je huid afstropen en je aan de poort van de dood achterlaten. Dat krijg je ervan als je niet praat!” Hij liet mijn haar los en schreeuwde verwoed naar een andere politieman: “Geef hem een dodelijke spanning aan elektriciteit!” Ik kon deze hogere spanning niet weerstaan en raakte buiten bewustzijn. Ze plensden koud water over me heen om me bij te brengen en zetten hun marteling voort. Na nog een aantal schokken had ik ondraaglijke pijn in mijn hele lichaam. Ik kon er echt niet meer tegen en had het gevoel dat ik elk moment kon sterven. In deze crisis leidde God me door me aan deze hymne te laten denken: “In tegenspoed versterkt de leiding van Gods woorden mijn hart; ik kan niet mijn hand aan de ploeg slaan én omkijken. Het komt zo zelden voor dat je in staat bent de training van het koninkrijk te aanvaarden en ik mag absoluut de kans niet laten lopen te worden vervolmaakt. Als ik God zou teleurstellen, zou ik de rest van mijn leven spijt hebben. Als ik God de rug toekeer, zal ik door de geschiedenis worden veroordeeld. […] Mijn hart koestert alleen de waarheid en is toegewijd aan God, ik zal nooit meer rebelleren en God verdriet doen. Ik ben vastbesloten God lief te hebben en volkomen toegewijd te blijven aan God, en niets en niemand kan me stoppen. Ik zal getuigenis afleggen om God te verheerlijken, hoe zwaar de beproevingen en tegenspoed ook zijn. Ik wil een betekenisvol leven leiden door de waarheid en Gods vervolmaking te verwerven” (‘Vastbesloten geheel toegewijd aan God te blijven’ in ‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Ik dacht ook aan deze woorden van God: “Zolang je nog adem hebt, zal God je niet laten sterven(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 6). Geleid door Gods woorden, werd mijn zwakke hart opnieuw versterkt. Ik dacht bij mezelf: Hoe woest jullie roedel demonen ook zijn, jullie kunnen alleen mijn vlees martelen en mijn leven slechter maken dan de dood, maar je zult nooit en te nimmer mijn verlangen om God te volgen kunnen veranderen. Hoe meer jullie me kwellen, hoe duidelijker ik jullie kwaadaardige gezichten zie en hoe vastberadener ik ben in mijn besluit om God te volgen. Waag het niet te denken dat je me ertoe kunt brengen om ook maar een ​​enkele broeder of zuster te verraden – zelfs als het betekent dat ik vandaag sterf, zal ik God deze ene keer tevreden stellen! Toen ik me eenmaal bereid had verklaard om mijn leven op te offeren, was ik opnieuw getuige van Gods almacht en van Zijn genade en zorg voor mij. Ze elektrocuteerden me nog ettelijke keren en toen ze merkten dat mijn hele lichaam echt ernstig verkrampt raakte, durfden ze niet door te gaan. Ze waren bang dat ik zou sterven en dat zij verantwoordelijk zouden worden gehouden. Maar ze wilden nog steeds niet opgeven; ze sjorden me weer omhoog van de grond, draaiden mijn armen krachtig achter mijn rug en bonden ze stevig vast met een touw. Het was zo strak, dat mijn polsen veel pijn hadden en al snel werden mijn handen koud en gezwollen; ze werden zo verdoofd, dat ik alle gevoel in hen verloor. De politieagenten wilden me omhoog hijsen om me verder te martelen, maar elke keer als ze het touw omhoog trokken, raakte het los. Ze probeerden dit vaak, maar elke keer mislukte het. Verward zeiden ze: “Wat is er vandaag aan de hand? Het touw is zo moeilijk te hanteren − het is echt raar! Misschien is het een teken dat we deze kerel niet het loodje mogen laten leggen?” Een van hen zei: “Laat maar! Dit is genoeg voor vandaag. Het wordt laat.” Die vreselijke agent die me op wilde takelen had geen andere keus dan toe te geven, maar hij wees naar mij en zei dreigend: “Je hebt echt geluk gehad vandaag, maar wacht maar af wat ik morgen voor je in petto heb!” Ik wist dat God me opnieuw had beschermd en ik bedankte Hem keer op keer in mijn hart. Juist toen kwamen deze woorden van God bij me op: “Alle dingen in het universum liggen in mijn handen. Als ik spreek, zal het zijn. Als ik het beveel, zal het zo zijn. Satan ligt onder mijn voeten, hij is in de put van de afgrond!(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 15). “Ik ben je ruggensteun en je moet de geestkracht hebben van het mannelijk kind! Satan haalt uit in zijn laatste stuiptrekkingen, maar zal toch niet in staat zijn om aan mijn oordeel te ontsnappen. Satan is onder mijn voeten en wordt ook vertrapt onder jullie voeten – dat is waar!(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). Die dag was ik persoonlijk getuige van Gods wonderlijke bescherming van mij, en ik heb persoonlijk ervaren dat God waarlijk almachtig is en dat Hij over alles heerst, dat absoluut alles in hemel en aarde in Zijn handen ligt, en dat alle dingen, levend of niet, volledig worden bestuurd door God. Ik zag dat die politieagenten in het bijzonder onderworpen waren aan Gods orkestraties. Hoewel ze misschien barbaars leken aan de buitenkant, ze konden zonder Gods toestemming geen haar op mijn hoofd krenken. Zolang ik mijn geloof in God behield en bereid was mijn leven los te laten om Hem te behagen, en bereid was om voor Hem te getuigen, zouden die demonen zeker worden beschaamd en verslagen. Dit was de belichaming van Gods almacht en Zijn totale triomf!

Die agenten martelden me in dat kleine, twee verdiepingen tellende gebouw van twee tot zes uur ‘s middags non-stop, totdat ze me terugbrachten naar het politiebureau. Toen we terugkwamen, stopten ze me in een ijzeren kooi en ze weigerden me iets te eten of drinken te geven. Koud, hongerig en fysiek zwak leunde ik tegen de tralies van de kooi en dacht ik terug aan alles wat er die dag was gebeurd. Enkele woorden van God kwamen bij me op: “Deze bende medeplichtigen![1] Ze komen naar beneden onder de stervelingen om zich uit te leven aan pleziertjes en chaos op te stoken. Hun stoornis veroorzaakt wispelturigheid in de wereld en zaait paniek in het hart van de mensheid, en ze hebben de mensheid vertekend zodat de mensen op ondragelijk lelijke beesten lijken, waarin geen spoor meer te bekennen is van de oorspronkelijke heilige mens. Zij wensen zelfs macht aan te nemen als tirannen op aarde. Zij belemmeren het werk van God zodat het nauwelijks vooruit komt en sluiten de mens als het ware af achter muren van koper en staal. Als ze zoveel zonden begaan hebben en zoveel problemen veroorzaakt hebben, hoe kunnen ze iets anders verwachten dan tuchtiging?(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (7)). Door Gods woorden te vergelijken met de feiten, zag ik eindelijk duidelijk dat de politieagenten tegen wie ik in het verleden had opgekeken, eigenlijk ongelooflijk woest en gemeen waren. Ze lijken erg waardig en oreren altijd over plicht en integriteit. Ze zetten een gezicht van welwillendheid op als ‘dienaren van het volk’, maar in feite zijn ze een roedel wrede en gevoelloze beesten, demonen die iemand kunnen vermoorden zonder met hun ogen te knipperen. Wat was er mis met me dat ik geloof had? Wat was er mis mee dat ik God aanbad? Die kwaadaardige agenten zagen me als een dodelijke vijand en behandelden me met zo’n onmenselijke wreedheid, dat ik op het randje van de dood verkeerde. Hoe kan een mens tot zulke dingen in staat zijn? Zijn het niet dingen die alleen een demon zou kunnen doen? Pas toen besefte ik dat die politieagenten er van buiten menselijk uitzagen, maar van binnen was hun essentie die van demonen en boze geesten die de waarheid haten en God haten, en die de natuurlijke vijanden van God zijn. Ze zijn met name in de wereld gekomen als levende geesten om mensen te schaden en te verslinden. Ik was vervuld van haat jegens hen en tegelijkertijd kreeg ik een diep gevoel van Gods vriendelijkheid en lieflijkheid. Hoewel ik in een duivelshol was gevallen, was God altijd bij me en beschermde Hij me in stilte, bemoedigde en troostte me met Zijn woorden en gaf me geloof en kracht zodat ik keer op keer kon doorstaan dat die demonen me martelden en teisterden. Met Zijn enorme kracht beschermde God me zelfs verschillende keren toen ik op de rand van de dood stond, en redde Hij me van de ondergang. Gods liefde voor mij is zo ontzettend echt! Ik spoorde mezelf zachtjes aan: het maakt niet uit hoe deze demonen me in de toekomst martelen, ik zal getuigen en God tevreden stellen. De verlichting en leiding van Gods woorden troostten mijn hart en mijn fysieke pijn werd aanzienlijk verlicht. Vergezeld door Gods liefde heb ik de lange nacht doorstaan.

De volgende dag kwamen twee van de agenten voor de kooi staan, ​​nadat ze hun ontbijt hadden gegeten. Een van hen glimlachte sluw en vroeg: “Hoe gaat het? Heb je vannacht tijd gehad om na te denken? Nou, wil je praten of niet?” Ik wierp een blik op hem maar reageerde niet. Toen hij dit zag, veranderde zijn stemming onmiddellijk − hij stak een hand in de kooi, greep me bij mijn haar en trok me recht voor zijn gezicht. Toen verbrandde hij mijn neus met het eind van zijn sigaret, keek me woest aan en zei: “Ik zeg je, er komen hier veel criminelen en zelfs degene die het meest onwillig is om te praten, kan niet aan mijn greep ontkomen. Zelfs als je hier niet sterft, ga ik je nog steeds levend villen!” Niet veel later kwamen er twee andere agenten binnen; ze openden de kooi en trokken me eruit. Tegen die tijd voelden mijn benen rubberachtig en zwak aan en kon ik niet meer opstaan. Ik zakte ineen op de vloer. Een van de agenten dacht dat ik het deed alsof, dus hij kwam naar me toe en schopte me een paar keer woest en schreeuwde daarbij: “Denk je dat je kan doen alsof je dood bent?” Twee andere agenten tilden me op, haalden naar me uit met hun vuisten en stompten me in mijn gezicht en bovenlichaam. Nadat ze er een tijdje mee bezig waren geweest, zagen ze dat mijn lichaam erbij hing als een lijk, er kwam bloed uit mijn neus en mond en mijn gezicht was tot een bloedige pulp geslagen en reageerde niet. Een van hen zei: “Laat maar, laten we maar ophouden. Het lijkt erop dat hij niet lang zal leven en als hij onder onze handen sterft, zal dat ons veel problemen bezorgen.” Pas toen stopten ze hun gewelddadige aanval op mij en wierpen ze me opzij. Ik kon ze zachtjes onder elkaar horen praten, en een van hen zei: “Sinds ik bij de politie zit heb ik nog nooit iemand gezien die zo hard is als hij. Hij heeft de hele tijd geen enkel woord gezegd – dat is werkelijk opmerkelijk!” Het voelde alsof ik het geluid kon horen van Satan die zijn hoofd liet zakken en neerslachtig zuchtte onder hun woorden, en ik zag hem – geconfronteerd met deze mislukking – in paniek vluchten. Ik kon ook zien dat God glimlachte vanwege de glorie die Hij had verkregen en ik voelde een onbeschrijflijke vreugde. In stilte dankte ik God en kon mezelf niet weerhouden in mijn hart de hymne, ‘Het Koninkrijk’, te zingen: “God is mijn steun, wat valt er te vrezen? Ik bevecht Satan tot het eind. God verheft ons: verlaat alles, vecht om te getuigen van Christus. God zal Zijn wil zeker uitvoeren op aarde. Ik zal mijn liefde, toewijding en trouw geven aan Hem. Ik zal Zijn terugkeer verwelkomen wanneer Hij komt in glorie. Wanneer Christus' koninkrijk wordt gerealiseerd, zal ik Hem opnieuw ontmoeten, Hem opnieuw ontmoeten. […] Vele zegerijke, goede strijders doorstonden ontberingen. Zegevierend met God, nu zijn we Zijn getuigenis. Alle volken stromen naar deze berg, lopen in Gods licht. Kijk uit naar de dag dat God glorie verkrijgt, die komt spoedig. De pracht van het koninkrijk moet door de hele wereld zichtbaar zijn” (‘Volg het Lam en zing een nieuw lied’). Hoe meer ik zong, hoe energieker ik me voelde. Ik voelde dat het echt een eer voor mij was om, in het volgen van God, dit soort onderdrukking en ontbering te kunnen ervaren. Mijn geloof groeide exponentieel en ik zwoer om tot het einde tegen Satan te strijden. Op die manier heb ik opnieuw een dag doorstaan.

Op de derde dag kwam er rond negen uur ’s ochtends een politieagent binnen. Zodra hij binnenkwam, stelde hij zich aan mij voor en zei dat hij politiechef was op dat bureau. Hij stond voor me en zei met schijnheilige vriendelijkheid: “Je hebt echt geleden. Ik ben de afgelopen dagen in het district in vergadering geweest; ik ben net terug en hoorde wat er met je gebeurd is. Ik heb hen heel streng berispt − hoe konden ze iemand zo eigenmachtig in elkaar slaan zonder eerst de situatie te begrijpen? Dat kon echt niet door de beugel.” Geconfronteerd met deze onverwachte ‘vriendelijkheid’ van een kwaadaardige politieagent, kon ik niet voorkomen dat ik verward raakte, maar op dat moment werd ik aan enkele woorden van God herinnerd: “Mijn volk moet te allen tijde waken voor de sluwe plannen van Satan(Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Gods woorden aan het hele universum, hfst. 3). Ik realiseerde me dat dit een van Satans trucs was − als hij ziet dat de stok niet werkt, probeert hij de stroop in een poging me ertoe te brengen God en de kerk te verraden. Mijn hart klaarde op en ik kreeg een gevoel van innerlijk vertrouwen. Ik dacht: Gods wijsheid wordt uitgeoefend op basis van het bedrog van Satan. Dus hoe sluw en listig je ook bent, jij oude duivel, ik heb Gods woorden om me te leiden. Je droomt als je denkt dat je trucs zullen slagen! Hoeveel ‘aardige dingen’ hij ook zei om me te verleiden, ik schonk er geen aandacht aan. Toen hij merkte dat het allemaal vruchteloos was, had hij uiteindelijk geen andere keuze dan te vertrekken. Daarna kwamen twee andere agenten binnen en schreeuwden woedend tegen me: “Jij kleine drol, wacht maar af. Als je niet praat, kom je hier nooit meer weg! We kunnen je veroordelen zonder ook maar enig bewijs. Wacht maar af!” Ondanks hun bedreigingen was ik heel rustig en dacht ik bij mezelf: ik geloof dat alles in Gods handen is en of ik word veroordeeld of niet, ligt ook in Zijn handen. Deze demonen hebben niet het laatste woord, God heeft het laatste woord. Wat er ook gebeurt, ik geloof dat wat God doet zin heeft en ik ben bereid tot het einde te gehoorzamen.

De politie had geen bewijs voor een veroordeling, maar ze wilden me toch niet laten gaan. Ze hadden me verschillende dagen achtereen voedsel en water geweigerd. Die avond had ik zo’n honger dat ik helemaal geen fysieke kracht had en ik vroeg me af of ik zou sterven van de honger als het zo doorging. Op dat moment dacht ik: het lot van de mensen ligt in de handen van God, dus als God niet wil dat iemand sterft, gaat hij niet dood. Het enige dat ik moet doen, is me onderwerpen aan Gods regelingen en orkestraties. Niet lang daarna bracht de politie zes mensen binnen die waren betrapt op gokken. Alle zes lieten de agenten elk ongeveer een pond knoedels kopen en de agenten brachten ongeveer zeven pond mee. Uiteindelijk betaalden ze hun boetes en werden snel vrijgelaten; vlak voordat ze vertrokken, gaven ze hun overgebleven knoedels aan mij, zonder medeweten van de politie. Ik zag eens te meer dat alle mensen, gebeurtenissen en dingen door God worden georkestreerd. Mijn ogen vulden zich met tranen en ik was getroffen op een manier die ik niet kan uitleggen. Ik voelde alleen hoe lieflijk en hoe wonderbaarlijk God is! Hoewel ik in een demonenhol was gevallen, was God altijd aan mijn zijde geweest, had voor mij gezorgd en over mij gewaakt, en als mijn innerlijke levenskracht gefungeerd, en mij ondersteund om te zorgen dat ik niet keer op keer door Satan werd verleid. Hij toonde ook medeleven met mijn zwakte, waardoor Hij me door deze ontberingen heen hielp. God is zo praktisch en Zijn liefde is zo echt!

Tegen de zesde dag had de politie nog steeds geen enkel bewijs kunnen vinden om me te veroordelen voor een misdrijf, dus uiteindelijk legden ze me een boete op van 200 yuan en lieten ze me gaan. Ik was me er diep van bewust dat dit alles op bevel van God gebeurde en dat God zeker wist hoeveel leed ik moest dragen en hoeveel wegen ik moest bewandelen. God stond het niet toe dat ik ook maar één dag moest lijden als dat niet nodig was. Ik wist dat de politie me die dag niet had willen laten gaan, omdat ze me vanwege hun duivelse, sinistere natuur nooit zo gemakkelijk zouden laten gaan. Maar God stond het niet langer toe, dus hadden ze er niets over te zeggen. Hierdoor kon ik ook zien dat Satan en zijn demonen dienstbaar zijn aan God, terwijl Hij Zijn uitverkoren volk vervolmaakt. Ze lijken wel erg fel, maar God regeert over alles. Zolang we echt op God steunen en ons aan Hem onderwerpen, zal Hij ons beschermen zodat we alle demonische krachten kunnen overwinnen en door gevaar heen naar veiligheid kunnen gaan.

Ik werd zes dagen lang op het politiebureau gemarteld, en de buitengewone ervaring van die zes dagen hielp me echt het lelijke gezicht van de CCP-regering en haar slechte, reactionaire natuur en essentie te zien. Ik zag dat ze een demon is die een vijand van God is, en dat ze bestaat uit een bende schurken. Hierdoor kon ik ook Gods almacht, soevereiniteit, wonderbaarlijkheid en wijsheid begrijpen, en persoonlijk Gods liefde en redding ervaren. Ik leerde begrijpen dat God een almachtige, trouwe, geweldige en lieflijke God is, en dat Hij Degene is die eeuwig het vertrouwen en de verering van de mensheid waardig is. Meer nog, Hij is de liefde van de mensheid waardig. Die ervaring werd een keerpunt in mijn geloofsleven omdat ik zonder die ervaring nooit ware haat voor Satan zou hebben ontwikkeld en ook geen waar begrip van God zou hebben gekregen. Dan zou mijn geloof in God erg leeg zijn geweest en zou ik niet in staat zijn geweest om volledige redding te bereiken. Alleen door die brute vervolging en onderdrukking door de CCP te doorstaan, kwam ik te weten wat Satan en zijn demonen zijn, wat de hel op aarde is en wat duistere, kwade krachten zijn. Alleen door die ervaring kon ik waarnemen hoe ik – geboren in China, in zo’n donker, kwaadaardig, smerig land – door de enorme genade en compassie die God me toonde aan Satans klauwen kon ontsnappen, het pad van geloof kon gaan bewandelen en het licht in het leven kon zoeken! Ik was ook getuige van Gods almacht en soevereiniteit en ervoer het gezag en de macht van Zijn woorden. Zijn woorden kunnen waarlijk iemands leven worden; ze kunnen mensen redden van de invloed van Satan en hen helpen de beperkingen van de dood te overwinnen. Ik heb ook echt ervaren dat alleen God in staat is tot ware liefde voor mensen en ware redding van mensen, terwijl het enige dat Satan en zijn demonen kunnen doen, bestaat uit mensen bedriegen, schaden en verslinden. Ik dank God dat Hij gebruik heeft gemaakt van de onderdrukking van de CCP om mij in staat te stellen onderscheid te maken tussen goed en fout, om duidelijk goed en kwaad te zien. Vanaf vandaag wil ik proberen meer van de waarheid te begrijpen en te verkrijgen om ware kennis van God te bereiken en het evangelie van God actief te verspreiden en van Zijn naam te getuigen, zodat meer mensen voor God kunnen komen en Hem kunnen aanbidden!

Voetnoot:

1. “Medeplichtigen” zijn van hetzelfde soort als “een groep gangsters”.

Rampen zoals oorlogen en pandemieën komen vaak voor over de hele wereld. Hoe kunnen we de terugkeer van de Heer verwelkomen en Gods bescherming krijgen tijdens rampen? Neem deel aan onze gebedsbijeenkomst om de weg te vinden.

Gerelateerde inhoud

Geef een reactie