48. Negentien jaar lang bloed en tranen
Als klein meisje al geloofde ik samen met mijn ouders in de Heer. Toen ik in de dertig was, stierf mijn man aan een ziekte, en ik bleef achter om in mijn eentje twee zonen en een dochter op te voeden. Dankzij de genade van de Heer hadden mijn kinderen succesvolle loopbanen en werden ze erg welgesteld, met gelukkige gezinnen. In 1999 aanvaardden mijn hele familie en ik Almachtige Gods werk van de laatste dagen en begonnen we enthousiast het evangelie van het koninkrijk te verspreiden en ervan te getuigen. Maar een volledig onverwachte arrestatie verwoestte het vredige leven van onze familie.
Op een dag in juni 2002 kwam ik erachter dat de politie naar de werkplek van mijn oudste zoon was gegaan om hem te arresteren. Hij wist weg te glippen toen de politie even niet oplette. Ze zochten hem overal. Ik was ongerust en erg bezorgd toen ik dit nieuws hoorde. Zouden ze hem te pakken krijgen? Als hij echt werd gearresteerd, zouden ze hem ongetwijfeld martelen en ernstig toetakelen. We waren een gelukkige familie geweest die niets tekortkwam. Al mijn kinderen waren gelovig en vervulden hun plichten actief – het was geweldig! Maar nu zocht de politie mijn zoon. Hij had zijn baan verloren en durfde niet naar huis te gaan. Onze familie was uit elkaar gevallen. Ik had geen idee hoe het verder moest. Hoe meer ik erover dacht, hoe meer ik van streek raakte, dus verscheen ik voor God in gebed. Ik vroeg Hem over mijn zoon te waken en mij de weg te wijzen om Zijn wil te begrijpen. Na het bidden herinnerde ik me iets wat God had gezegd: “Wees niet ontmoedigd, wees niet zwak. Ik zal je dingen onthullen. De weg naar het koninkrijk is niet zo vlak; niets is zo eenvoudig! Jullie willen dat zegeningen makkelijk komen, nietwaar? Iedereen zal tegenwoordig bittere beproevingen moeten doorstaan. Zonder dergelijke beproevingen zal het liefhebbende hart dat jullie voor Mij hebben niet sterker worden en zullen jullie geen werkelijke liefde voor Mij hebben. Zelfs als deze beproevingen slechts bestaan uit geringe omstandigheden, zal iedereen ze toch moeten doorstaan. Het is alleen zo dat de heftigheid van de beproevingen zal variëren” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 41). Uit Gods woorden wist ik dat geloof hebben en God volgen geen moeiteloos pad is: iedereen moet tegenspoed en beproevingen doorstaan. Dat de politie achter mijn zoon aan zat, was iets wat God toeliet. Hij gebruikte zulke pijnlijke situaties om ons geloof en onze liefde te vervolmaken; dit leed was een zegen van God. Ik voelde me kalmer toen ik er zo over dacht en zegde een gebed op. Ik was bereid mijn zoon in Gods handen te laten en me te onderwerpen aan Zijn heerschappij en regelingen.
Later, toen de politie erachter kwam dat mijn zoon binnen de kerk boeken met Gods woorden had gedrukt, werd hij op een lijst van landelijk gezochte misdadigers gezet. Een groot aantal agenten werd ingeschakeld om hem te zoeken, en de politie verklaarde vastbesloten te zijn hem te pakken en dat dit onvermijdelijk zou gebeuren. Dit nieuws maakte me enorm ongerust en bezorgd. Hoe zou hij aan arrestatie kunnen ontsnappen als de Communistische Partij hem met hoge prioriteit zocht? Ik had onlangs gehoord over een broeder die door de politie was gearresteerd en vervolgens doodgeslagen. Zou de Communistische Partij, die gelovigen zo haat, mijn zoon niet zwaar martelen als ze hem te pakken kreeg? Hoe meer ik erover dacht, hoe banger ik werd. Elke dag leefde ik in uiterste spanning. Ik kon geen voedsel binnenhouden, ik kwam niet in slaap en mijn hart begon te bonzen telkens als ik een politiesirene hoorde. Ik was in die periode bijzonder angstig en mijn lichamelijke gezondheid was erg zwak. Een paar dagen later kwam de politie twee keer bij ons aan huis om te vragen waar mijn zoon was. Ze dreigden: “Als jullie hem niet uitleveren, verbergen jullie een misdadiger, en niemand in jullie familie zal daarmee wegkomen!” Ik was echt bang toen ik dat hoorde en wist niet wanneer de politie zou opdagen om ons huis te doorzoeken en misschien mij, mijn jongere zoon en zijn vrouw te arresteren. Nog bezorger was ik over wanneer ze mijn oudste zoon te pakken zouden krijgen. Ik bleef maar bidden tot God en vroeg Hem om mij geloof en kracht te geven en om over mijn oudste zoon te waken, zodat die sterk kon blijven. Na het bidden dacht ik aan iets uit Gods woorden: “Je moet niet bang zijn voor van alles en nog wat; hoeveel moeilijkheden en gevaren je ook kunt tegenkomen, je kunt standvastig blijven tegenover mij, zonder dat je door een of andere hindernis wordt tegengehouden, zodat mijn wil ongehinderd kan worden uitgevoerd. Dat is je plicht […]. Wees niet bang; wanneer ik je steun, wie zou deze weg ooit kunnen blokkeren?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Uitspraken van Christus aan het begin, hfst. 10). Gods woorden sterkten me in mijn geloof. God is almachtig en alle dingen liggen in Zijn handen; ligt het lot van onze hele familie dan ook niet in Zijn handen? Zonder Gods toestemming kon de politie ons niets maken. Mijn zorgen dat onze familieleden gearresteerd zouden worden en het feit dat ik doorlopend in angst leefde, betekende dat ik geen oprecht geloof in God had. Door de leiding van Gods woorden voelde ik me kalmer. Met God aan mijn zijde had ik niets te vrezen. Ik was bereid onze hele familie in Zijn handen te leggen en nam me voor dat ook al werd ik gearresteerd, ik onze broeders en zusters nooit zou verraden, dat ik God nooit zou verraden!
Toen de politie een paar maanden later mijn zoon nog altijd niet had gevonden, begonnen ze te dreigen met het arresteren van onze hele familie. Mijn jongste zoon, zijn vrouw en ik waren gedwongen ons huis te verlaten en onder te duiken. Ik was helemaal van slag voor ons vertrek: mijn oudste zoon was op de vlucht en ik had geen idee waar hij was, en nu we ons huis moesten ontvluchten, werd een heel gelukkige familie totaal door de Communistische Partij verscheurd. Ik voelde me zo ellendig. Wat is er mis met geloven en God aanbidden? De Communistische Partij was vastberaden ons ten gronde te richten. Ze wil gelovigen het leven compleet onmogelijk maken – de Communistische Partij is echt verachtelijk! Toen ik in de dertig was, was ik weduwe geworden en het viel me zwaar om in mijn eentje drie kinderen op te voeden. Het grootste deel van mijn leven had ik onvermoeibaar gewerkt en uiteindelijk had ik het gered. Nooit had ik gedacht dat ik op mijn gevorderde leeftijd gedwongen zou zijn om op de vlucht te gaan voor de Communistische Partij. Als we op deze manier vertrokken, zou de Partij dan niet gewoon al onze bezittingen en ons huis in beslag nemen? Waar moesten we dan van leven? Dit waren pijnlijke gedachten voor me. Ik verscheen voor God en bad: “God! In mijn hart kan ik onze bezittingen niet loslaten, en ik maak me zorgen over waar ik nu van moet leven. Help me alstublieft om uw wil te begrijpen.” Na het bidden herinnerde ik me een uitspraak van de Heer Jezus: “Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn” (Lucas 14:33). De discipelen van de Heer Jezus waren in staat alles wat ze hadden op te geven om Hem te volgen. Ik dacht aan Matteüs: hij was een tollenaar, maar toen de Heer Jezus hem riep, gaf hij al zijn bezittingen op en offerde alles wat hij had op om de Heer te volgen. En toen de Heer Petrus riep, gaf die zijn werk als visser op om Hem te volgen. Maar nu ik te maken kreeg met onderdrukking door de Communistische Partij, kon ik niet eens afstand nemen van een paar bezittingen. Mijn gebrek aan geloof was schrijnend. De vogels in de lucht zaaien niet en oogsten niet, maar God zorgt voor hen – waarom dan niet voor mensen? Deze gedachte verlichtte mijn zorgen. In de laatste dagen is God vleesgeworden en drukt waarheden uit om ons te zuiveren en te redden. Ik had het geluk God te kunnen volgen en de waarheid en het leven te kunnen verwerven – wat leed is dat ruimschoots waard! De waarheid is een kostbare schat die met geen enkele hoeveelheid materiële bezittingen kan worden gekocht, en ik wist dat elke mate van toekomstige tegenspoed het waard zou zijn.
Nadat we ons huis hadden verlaten, kwam de politie erachter dat ik en mijn volledige familie in Almachtige God geloofden en zochten ze de hele stad naar ons af. Om aan arrestatie te ontkomen, verhuisden we van plek naar plek en gingen soms al ergens weg als we er nog geen maand waren geweest. Telkens was ik uitgeput en had ik rugpijn. Bang als we waren om door de politie te worden ontdekt, moesten we in een bepaald type door particulieren gebouwde huisjes van één verdieping verblijven. ’s Winters was het binnen zo koud dat het water bevroor, en zelfs na de kachel een hele week aan te hebben, was het huis nog altijd niet warm. De huid van mijn handen barstte van de kou, en steeds als ik in aanraking kwam met water deed dat veel pijn. De laatste woning die we betrokken was een hutje in een dorp. Het hutje was bedoeld voor het uitbroeden van kuikens en was donker, vochtig en vol insecten. Het was zo misselijkmakend dat ik niet in staat was te eten. Ik dacht terug aan onze tijd thuis, in een prettig, warm en comfortabel appartement. Het voelde ellendig om dat te vergelijken met onze huidige situatie. Ik had geen idee wanneer aan deze dagen een einde zou komen. Omdat ik besefte dat ik me niet in de juiste gesteldheid bevond, kwam ik onmiddellijk voor God in gebed. Ik vroeg Hem mij te verlichten en mij te helpen Zijn wil te begrijpen. Na het bidden schoot iets uit Gods woorden me te binnen: “Je bent een schepsel – uiteraard moet je God aanbidden en een zinvol leven nastreven. Als je God niet aanbidt maar in je vuile vlees leeft, ben je dan niet slechts een beest in menselijke kledij? Aangezien je een menselijk wezen bent, moet je jezelf uitputten voor God en al het lijden verduren! Je moet het weinige lijden waaraan je tegenwoordig wordt onderworpen blijmoedig en kalm aanvaarden en je moet een zinvol leven leiden, zoals Job en Petrus. […] Jullie zijn mensen die het juiste pad nastreven, degenen die verbetering zoeken. Jullie zijn mensen die opstaan in de natie van de grote rode draak, degenen die God rechtvaardig noemt. Is dat niet het meest zinvolle leven?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Praktijk (2)). Gods woorden waren erg bemoedigend voor mij. Ik dacht aan Satan die Job had verzocht: Job verloor heel zijn familiebezit en zijn kinderen werden doodgedrukt. Hijzelf kwam helemaal onder de zweren te zitten. Zelfs toen hij zo immens leed, prees hij nog altijd Gods naam en gaf een klinkend getuigenis van God. God keurde Job goed en zegende hem. Petrus streefde ernaar om God lief te hebben en Hem te kennen. Hij onderging honderden beproevingen zonder ooit zijn geloof te verliezen; uiteindelijk werd hij ondersteboven gekruisigd voor God. Hij was in staat zich te onderwerpen tot aan de dood, gaf prachtig getuigenis en leefde een bijzonder betekenisvol leven uit. En ik? Ik kon het niet eens verdragen om een paar keer te moeten verhuizen en een beetje te moeten lijden. Ik was totaal niet onderworpen aan God! De ellende die ik toen verdroeg was volledig te wijten aan de vervolging door de grote rode draak. In plaats van de grote rode draak te haten, werd ik negatief en mopperde ik. Wat was dat onredelijk van mij! Achtervolgd worden door de grote rode draak bracht mij wel een zekere mate van leed, maar ik verwierf inzicht in zijn essentie. Ik zag duidelijk zijn demonische essentie van haat voor God en weerstand tegen Hem. We zijn door God geschapen en het is daarom juist en gepast om Hem te aanbidden. Dat is het kiezen van het juiste levenspad, en het verspreiden van het evangelie is bedoeld om iedereen te helpen de stem van God te horen en de waarheid te aanvaarden om gered te worden. Maar de Communistische Partij onderdrukt ons en dwarsboomt ons voortdurend. Ze rukt zelfs een moeder weg van haar kinderen. Ik zag duidelijk dat dit een boosaardige partij is en een bittere vijand van God – ik haatte de Partij en vervloekte haar met heel mijn hart. Als ik die pijn niet had ervaren, maar gewoon vredig thuis was gebleven, zou ik de essentie van de grote rode draak niet hebben doorzien. Dan had ik die niet kunnen verzaken en uit mijn hart kunnen verstoten. Op dat moment leed ik een beetje om God te volgen, maar ik won de waarheid en het leven – dat leed was enorm betekenisvol. God werd vlees, kwam werken in het land van de grote rode draak en werd vervolgd en achternagezeten door de Communistische Partij, zonder een kussen om Zijn hoofd op te rusten. De tegenspoed die Hij heeft ondergaan valt niet te becijferen. Nu volgde onze familie God, werd vervolgd door de Communistische Partij en moest op de vlucht, waardoor we deelden in de door Christus ervaren tegenspoed. Dit was Gods verheffing! Ik nam me in stilte voor dat, hoeveel ik ook moest lijden, ik God tot het einde toe zou volgen.
Later werd mijn dochter door de politie in de gaten gehouden en gevolgd terwijl ze op pad was om het evangelie te delen. Ze wist hen af te schudden door een grote supermarkt binnen te gaan en andere kleren aan te treken. Daarna was ze gedwongen de buurt te ontvluchten. Voordat we het wisten, was onze familie al een jaar uit elkaar en op de vlucht. Ik vroeg me de hele tijd af in wat voor omstandigheden mijn oudste zoon en mijn dochter zaten en was altijd bezorgd dat ze gearresteerd zouden worden. Ik kon nauwelijks eten of genoeg slaap krijgen en mijn astma speelde op. Ik raakte snel afgeleid en was vaak in gedachten verzonken. Mijn jongste zoon kon het niet verdragen me zo te zien, dus besloot hij het risico te nemen om naar huis te gaan en te zien hoe het er daar aan toe was. Toen hij was vertrokken, zat ik maar te wachten en te hopen… Het werd iets na zevenen in de avond en hij was nog steeds niet terug, dus ik werd bezorgd. Waar was hij? Had de politie hem te pakken gekregen? Nee, na meer dan een jaar zouden ze ons huis toch niet nog steeds in de gaten houden? Maar ik wachtte de hele nacht en nog altijd kwam hij niet terug. Ik was zeker dat er iets was gebeurd, want hij kon verder helemaal nergens terecht. Als hij echt was gearresteerd, had ik geen idee wat voor vreselijke methoden de politie zou gebruiken om hem te martelen. Ze zouden hem zelfs kreupel kunnen slaan. Zodra ik hieraan dacht, kon ik mijn tranen niet bedwingen. Meerdere dagen kon ik niet eten of slapen. Ik zat maar op mijn bed en keek totaal verdwaasd naar buiten. Ik voelde zo veel pijn – het voelde alsof er een mes in mijn hart was gestoken. Ik had geen idee of mijn oudste zoon nog leefde en ook niet of mijn dochter gevaar liep. En wat moest ik nu doen als mijn jongste zoon was gearresteerd? In mijn pijn en hulpeloosheid verscheen ik voor God om te bidden, waarop de volgende woorden van Hem in me opkwamen: “Het lot van de mens wordt door de handen van God beheerst. Je bent niet in staat om over jezelf te heersen: hoewel de mens op eigen houtje altijd druk voor zichzelf bezig is, blijft hij niet in staat om over zichzelf te heersen. Als jij je eigen vooruitzichten kon kennen, als jij je eigen lot zou kunnen beheersen, zou je dan nog een geschapen wezen zijn?” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het normale leven van de mens herstellen en hem meenemen naar een geweldige bestemming). Toen ik dit overdacht, begreep ik dat het lot van mensen volledig in Gods handen ligt. Hoeveel we ook lijden en in welke omstandigheden we ons ook bevinden, het is allemaal door God voorbestemd. Ik kon me nog zo veel zorgen maken, het zou niets helpen. In mijn hart deed ik een gebed; ik was bereid mijn kinderen in Gods handen te leggen. Later hoorde mijn schoondochter van een zuster in de kerk dat mijn jongste zoon was gearresteerd door de politie die ons huis in de gaten had gehouden. De politie had hem meegenomen naar het bureau, hem geslagen en tegen hem geschreeuwd om te weten te komen waar wij ons ophielden. Hij had niets gezegd en daarom hield de politie hem vijftien dagen onwettig vast voordat hij eindelijk werd vrijgelaten. Ze lieten hem gewoon gaan. Kennelijk had de politie daar spijt van, dus begon ze hem opnieuw te zoeken. Omdat hij bang was de politie naar ons te voeren, durfde mijn zoon niet terug naar huis te gaan en bleef hij op de vlucht. Ik was razend toen ik dit hoorde. We waren al meer dan een jaar niet thuis geweest, maar de politie probeerde ons nog steeds op te sporen en in de gaten te houden; ze deed er alles aan om ons te pakken te krijgen. Ze wilde ons uitroeien. De grote rode draak is zo boosaardig! Hoe meer deze mij onderdrukte, hoe beter ik zijn demonische gelaat zag en hoe vaster mijn besluit om geloof te hebben en God te volgen.
Al gauw wist mijn jongste zoon met hulp van de broeders en zusters de buurt te verlaten. Mijn schoondochter en ik bereikten kort daarna een andere provincie. Omwille van haar veiligheid moest ze wel afzonderlijk van mij onderduiken. Wat was het pijnlijk voor me om te bedenken dat onze hele familie door de Communistische Partij was verscheurd. Vooral wanneer ik andere mensen erg attent en vol zorg zag omgaan met hun ouders, miste ik mijn kinderen nog meer. Ik stond op het punt van instorten. Ik verscheen voor God om te zoeken en dacht aan deze passage uit Zijn woorden: “Het pad waarover God ons leidt gaat niet recht omhoog, maar is een kronkelweg vol kuilen. Verder zegt God dat, hoe rotsachtiger het pad, des te meer kan het onze liefhebbende harten onthullen. Toch kan geen van ons zo’n pad openleggen. In mijn ervaring heb ik veel rotsachtige, verraderlijke paden gelopen en heb ik zwaar leed doorstaan. Soms werd ik zelfs zo tot het uiterste door verdriet overmand dat ik het wilde uitschreeuwen, maar ik ben dit pad tot op deze dag gegaan. Ik geloof dat dit het pad is dat door God wordt geleid, dus verdraag ik de kwelling van alle lijden en loop ik verder. Want dit is wat God heeft verordineerd, wie kan er dus ontsnappen? Ik vraag niet om zegeningen. Ik vraag alleen in staat te zijn het pad te gaan dat ik zou moeten gaan volgens de wil van God. Ik probeer anderen niet te imiteren door het pad te gaan dat zij gaan. Ik probeer alleen mijn toewijding te volbrengen om het voor mij voorbestemde pad tot het einde uit te lopen. […] God heeft voorbestemd hoeveel een persoon moet lijden en welke afstand hij moet afleggen op zijn pad, en niemand kan echt iemand anders helpen” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het pad … (6)). Toen ik Gods woorden overdacht, begreep ik dat God voorbestemt hoeveel leed we ervaren en hoeveel paden we moeten bewandelen. Hoe kronkeliger mijn pad, hoe beter mijn ware gestalte getoond kan worden. Ik had vroeger al mijn kinderen om me heen gehad en we hadden zo’n volmaakt vredige, verenigde familie. Wat was ik toen gedreven in mijn streven. Maar door de onderdrukking en achtervolging door de grote rode draak en het feit dat mijn kinderen op de vlucht waren, voelde ik me nu ellendig en neerslachtig en zat ik vol klachten. Die onderdrukking en tegenspoed hadden me ontmaskerd. Pas toen besefte ik dat ik alleen maar geloof bezat om door God te worden gezegend en begenadigd, om te genieten van de geneugten van het vlees. Het was helemaal niet om de waarheid na te streven of mij aan God te onderwerpen. Hoe was dit nou oprecht geloof? Als dergelijke moeilijke omstandigheden mij niet zo hadden ontmaskerd, had ik nooit mijn foute zienswijzen over het streven in mijn geloof ingezien. Zo’n inzicht had ik niet in een vreedzame omgeving kunnen opdoen. Eindelijk begreep ik dat genade een zegen van God is, maar meer nog dat tegenspoed en beproevingen Gods zegen zijn. Ik wist dat hoe moeilijk mijn pad in de toekomst ook zou zijn, ik me er doorheen moest slaan door op God te leunen – ik moest me onderwerpen aan Gods heerschappij en regelingen. Met andere zusters bleef ik regelmatig Gods woorden lezen, bijeenkomen en communiceren over Gods woorden. Geleidelijk aan begon ik me beter te voelen.
Er ging enige tijd voorbij, en opnieuw begon de Communistische Partij een dolle jacht om overal gelovigen te arresteren. Overal werden er verkenners, informanten en ‘spionnen met rode mouwen’ werden er overal opuit gestuurd. Ik kwam niet uit de buurt en was een belangrijk doelwit. Ik was in die tijd bang gearresteerd te worden en was voortdurend bang dat mijn kinderen gearresteerd zouden worden. ’s Nachts kon ik niet slapen en soms had ik zelfs nachtmerries. Dan droomde ik dat de politie mijn kinderen martelde. Omdat ik al zolang ongerust, bang en erg depressief was, kreeg ik hyperthyreoïdie. Ik verloor zo veel gewicht dat ik een wandelend skelet was. Mijn hartslag was vrij zwak en het kostte me veel moeite om te lopen. Zelfs uit bed komen ging moeizaam. Ik dacht terug aan toen ik thuis was. Als ik ziek was, stonden al mijn kinderen altijd voor me klaar en verzorgden me. Mijn jonge kleinkind riep dan: “Oma! Oma!” Het was allemaal zo warm. Maar we waren allemaal uit elkaar gedreven door de Communistische Partij. Ik kon mijn kinderen niet zien en had geen idee waar ze waren. Hoe meer ik erover nadacht, hoe meer overstuur ik raakte. Ik had moeite om uit mijn bed te komen en knielde dan maar op mijn bed, huilde van de pijn en bad tot God: “God! Ik heb het op dit moment echt moeilijk! Ik kan niet meer. O God, geef me alstublieft de standvastigheid en het geloof om dit leed te dragen, zodat ik sterk kan staan.” Na mijn gebed las ik dit in Gods woorden: “In deze fase van het werk wordt van ons het uiterste aan geloof en liefde gevergd. We kunnen struikelen door de geringste onoplettendheid, want deze fase van het werk is anders dan alle voorgaande: wat God vervolmaakt, is het geloof van de mensen, dat zowel onzichtbaar als ontastbaar is. Wat God doet, is woorden omzetten in geloof, liefde en leven. Mensen moeten een punt bereiken waarop ze honderden louteringen hebben verdragen en een geloof hebben dat groter is dan dat van Job, wat van hen vereist dat ze ongelooflijk lijden en allerlei martelingen verdragen zonder God ooit te verlaten. Wanneer ze gehoorzaam zijn tot de dood en een groot geloof in God hebben, is deze fase van Gods werk voltooid” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Het pad … (8)). Uit Gods woorden begreep ik dat Zijn werk in de laatste dagen bedoeld is om het geloof van mensen te vervolmaken. Wanneer we ziekte ervaren, liggen daarin Gods goede bedoelingen besloten; we moeten de waarheid zoeken en het voorbeeld van Jobs geloof volgen. Job werd geconfronteerd met zulke ontzettende beproevingen en werd overdekt met zweren, en toen hij het niet langer kon verdragen, zat hij in de as en krabde zich met een potscherf. Toen Jobs vrouw erop aandrong dat hij afstand deed van zijn geloof in God, zei hij: “Moeten we dan voorspoed uit de hand van God aanvaarden, en tegenspoed niet?” (Job 2:10). Voor Job bestond er geen enkel misverstand en hij gaf God niet de schuld; hij behield zijn geloof. Maar ik, ik gaf God de schuld zodra ik hyperthyreoïdie kreeg. Ik zag hoe weinig ik in God geloofde en dat ik Gods wil niet begreep. Om ons te redden is God vleesgeworden en naar de aarde gekomen. Hij verdroeg enorme vernedering, onderdrukking door de Communistische partij en verwerping door de religieuze wereld. God heeft alles opgeofferd om de mensheid te redden, maar ik werd negatief door maar een klein beetje leed en gaf zelfs God de schuld. Ik was God zo veel schuldig. Toen dacht ik aan de heiligen uit het verleden die omwille van God waren vervolgd en tot martelaar waren gemaakt. Ze hadden met hun eigen leven van God getuigd; niets was eervoller dan dat. Ook al werd onze hele familie vervolgd door de Communistische Partij, we hadden een kans om van God te getuigen. Dit was Gods verheffing. Op basis van onze eigen vuilheid en verdorvenheid, op basis van onze identiteit, waren we niet waardig genoeg om van God te getuigen. Toen ik eenmaal Gods wil begreep, voelde ik me niet meer zo slecht. Een zuster hoorde van mijn gezondheidsproblemen en nam medicijnen voor me mee uit het ziekenhuis. Elke dag werd ik een beetje beter. God zij waarlijk gedankt!
Ik was meerdere jaren op de vlucht. Om huiszoekingen en arrestatie door de politie te ontwijken, verborg ik me in kisten en kelders. Door Gods wonderlijke bescherming ontsnapte ik aan de ene na de andere gevaarlijke situatie. In december 2008 werd ik aangegeven wegens het verspreiden van het evangelie. Het was een behoorlijk gespannen situatie: religieuze priesters namen politieagenten mee om ons te arresteren. Ik werd gezocht, dus als ik inderdaad werd gearresteerd, zou de politie me beslist niet zomaar laten gaan. Mijn broeders en zusters namen me onmiddellijk mee naar een geheim dorpje, en zuster Li bracht me wat voedsel en andere benodigdheden. Maar na een paar maanden kwam zuster Li ineens niet meer. Ik wist niet waarom. Het onderkomen werd verwarmd door gedroogde koeienmest te verbranden. In december was het koud en twintig graden onder nul. Toen de koeienmest bijna opgebrand leek, gebruikte ik er minder van. Binnen was het ijskoud en er zat rijp op de muren. ’s Ochtends als ik opstond was mijn hoofd bedekt met rijp. Ik hoopte dat zuster Li gauw zou komen, maar ik bleef maar wachten en ze kwam niet. Het was zo koud dat ik stampend door het huis bleef rondlopen. Ik bedacht dat ik daar een vreemdeling was. Ik durfde niet eens naar buiten te gaan om brandhout te kopen en kon geen andere broeders en zusters vinden. De omgeving was ondergesneeuwd; ik kon er onmogelijk op uit om brandhout te sprokkelen. Wat kon ik doen als zuster Li niet kwam? Zou ik daar gewoon doodvriezen? Bij die gedachte voelde ik me totaal verkild en hulpeloos. Steeds weer bad ik en riep God aan in mijn hart. Toen dacht ik aan de profeet Eliza: waar hij was, in de wildernis, zonder eten of drinken, droeg God raven op om hem brood en vlees te brengen, zodat hij zich kon voeden. Was dat niet iets wat God lang geleden Zelf had gedaan? Hoe kwam het dat mijn geloof in God in zo’n situatie tekortschoot? Ik las het volgende in Gods woorden: “De grote rode draak vervolgt God en is de vijand van God, en dus worden de mensen in dit land blootgesteld aan vernedering en vervolging vanwege hun geloof in God, […] Het is voor God bijzonder moeilijk om Zijn werk uit te voeren in het land van de grote rode draak – maar het is door deze moeilijkheid dat God één fase van Zijn werk uitvoert, waarbij Hij Zijn wijsheid en Zijn wonderbaarlijke daden duidelijk maakt en deze gelegenheid gebruikt om deze groep mensen compleet te maken. Het is door het lijden van mensen, door hun kaliber en door alle satanische gezindheden van het volk van dit vuile land dat God Zijn werk van zuivering en overwinning doet, zodat Hij hierdoor glorie kan verwerven en diegenen kan winnen die van Zijn daden zullen getuigen. Dat is het volledige belang van alle offers die God omwille van deze groep mensen heeft gebracht” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Is het werk van God zo eenvoudig als de mens zich voorstelt?). Het verlichtte me onmiddellijk om dit te lezen. In de laatste dagen gebruikt God de grote rode draak als dienstdoener voor Zijn werk van het compleet maken van een groep overwinnaars. Ik ben een verdorven mens, dus de kans om Gods werk te ervaren, om van God te getuigen tijdens onderdrukking en arrestatie door de grote rode draak, was zo’n grote eer van God die elke hoeveelheid leed waard was! Toen ik dat besefte, richtte ik een gebed tot God: ik was bereid me te onderwerpen aan Zijn heerschappij en regelingen. Al moest ik daar doodvriezen, ik zou niets te klagen hebben. Toen ik me eenmaal onderwierp, kwam er onverwacht een zuster langs. Ik vernam dat de politie op het spoor was van zuster Li. Daarom kwam ze niet terug, bang als ze was om mij te betrekken. Die andere zuster zag hoe koud het was waar ik verbleef en nam me mee naar haar huis, waar ik mocht verblijven. Ze vertelde me dat haar man geen gelovige was en al jaren niet werkte. Maar nu was hij vastberaden om er op uit te gaan om te werken en liet zich niet tegenhouden. Als haar man thuis was geweest, had ik daar onmogelijk kunnen zijn – God opende hier echt een pad voor me! Toen ik haar dit hoorde zeggen, was ik zo verheugd dat ik mijn tranen niet kon inhouden. Ik zag dat God al dingen voor me had geregeld – het punt was alleen dat ik te weinig geloof had, dat ik negatief en zwak werd als ik tegen problemen opliep. Gods liefde is zo echt, en ik heb er werkelijk van mogen proeven.
In 2014 verhevigde de Communistische Partij haar vervolging van De Kerk van Almachtige God, waarbij ze haar bewapende politie mobiliseerde om door het hele land als een wilde christenen te arresteren. Ik raakte weer bezorgd om mij kinderen en wist niet hoe ze er op dat moment aan toe waren. Op een dag, terwijl ik video’s bekeek met mijn zusters, flitste er plotseling een scène voorbij waarin ik mijn oudste zoon dacht te zien. Ik durfde mijn ogen nauwelijks te geloven; ik wreef in mijn ogen en tuurde opnieuw naar de video, bang om iets te missen. Al gauw kwam mijn zoon opnieuw in beeld, dit keer heel duidelijk. Ik wist zeker dat hij het was. Ik riep: “O, wauw!” en toen: “Mijn zoon, mijn zoon! Hij heeft het land weten te verlaten!” Onmiddellijk daarna was er nog een beeld waarin ik mijn jongste zoon zag. Ik was zo uitgelaten dat ik opsprong uit mijn stoel. Wanneer waren ze uit China vertrokken? God is werkelijk almachtig! Ik bleef kijken en zag ook mijn schoondochter. Ze hadden allemaal het land verlaten en ik hoefde me niet langer zorgen te maken over hun veiligheid. Ik was zo ontroerd dat ik troebel zag door de tranen, en in stilte dankte ik God telkens weer. Ook mijn zusters prezen blij Gods almacht. Mijn beide zoons en mijn schoondochter werden allemaal gezocht door de Communistische Partij, maar ze waren onder de neus van de Partij naar het buitenland ontsnapt – dit was Gods gezag en kracht. Voorheen was ik altijd bezorgd over de veiligheid van mijn kinderen, maar op die dag zag ik dat hoe bruut Satan ook is, hij nog altijd ondergeschikt is aan Gods genade. Als God het niet toestaat, krijgt Satan geen vat op ons. Dit besef sterkte mijn geloof in God.
Na zestien jaar lang voortvluchtig te zijn geweest, riskeerde mijn dochter het in 2018 om thuis te komen om poolshoogte te nemen. Ze had droevig nieuws: mijn kleinzoon van twaalf had de vervolging door de grote rode draak niet aangekund en had zelfmoord gepleegd. Na de ontsnapping van mijn oudste zoon had de politie kennelijk voortdurend mijn huis en de school bezocht. Ze bedreigden en intimideerden mijn kleinzoon, probeerden hem te dwingen om te zeggen waar zijn vader verbleef en zeiden dat hij voor de rest van zijn leven naar de gevangenis zou gaan als hij hun dat niet vertelde. Hij was bang en had altijd nachtmerries. Ook zorgden zijn leraren er op last van de politie voor dat zijn klasgenoten hem uitsloten en pestten. Zijn leraren en klasgenoten boezemden hem angst in, en dat de politie nergens voor terugdeinsde om hem te ondervragen en vernederen beangstigde hem nog meer. Na vier jaar terreur door de treiterijen en intimidatie van de politie kon mijn kleinzoon het uiteindelijk niet meer aan. Hij pleegde zelfmoord: hij hing zich thuis op. Mijn hoofd tolde toen ik het nieuws hoorde en ik viel bijna flauw. Een tijdlang kwam ik niet bij zinnen. De Communistische Partij, de oude demon, had niet alleen onze hele familie verscheurd, maar had niet eens mijn kleinzoontje gespaard. Hij was nog maar twaalf, precies de leeftijd waarop hij vol vreugde was en aan het opgroeien was. Maar de Communistische Partij joeg hem de dood in. Ik werd verscheurd door verdriet en was ziedend op de demonische Communistische Partij. Toen mijn dochter zag hoeveel pijn ik leed, las ze me deze passage uit Gods woorden voor: “Hoe zou de koning van de duivels die mensen vermoordt, zonder maar met een oog te knipperen, in een duistere samenleving zoals deze, waar de demonen meedogenloos en onmenselijk zijn, het bestaan van een God kunnen tolereren die liefdevol, vriendelijk en tevens heilig is? Hoe zou hij de komst van God kunnen verwelkomen en toejuichen? Deze lakeien! Zij betalen vriendelijkheid terug met haat, al heel lang geleden zijn zij God als vijand gaan bejegenen, zij mishandelen God, zij zijn beestachtig tot in het extreme, zij hebben geen greintje achting voor God, zij plunderen en roven, hun geweten is helemaal zoek, zij zijn onverenigbaar met welke vorm van geweten dan ook, en zij verleiden de onschuldigen tot gevoelloosheid. Voorvaderen van de alouden? Geliefde leiders? Zij keren zich allemaal tegen God! Hun bemoeienis heeft alles onder de hemel in een toestand van duisternis en chaos achtergelaten! Godsdienstvrijheid? De wettelijke rechten en belangen van burgers? Dat zijn allemaal trucjes om zonde te bedekken! […] Dit is de tijd: de mens heeft reeds lang geleden al zijn kracht verzameld, hij heeft hiervoor al zijn inzet toegewijd en elke prijs betaald, om het afschrikwekkende gezicht van deze demon af te rukken en mensen, die verblind zijn en die allerlei leed en moeilijkheden hebben doorstaan, boven hun pijn uit te laten stijgen en deze boze oude duivel de rug toe te laten keren” (Het Woord, Deel I, De verschijning en het werk van God, Werk en intrede (8)). De Communistische Partij is de vijand van God; het is een demon die zich tegen God verzet en die mensen verslindt. Ze zou graag alle gelovigen oppakken en Gods werk volledig uitwissen; ze is erop gebrand om de volledige mensheid voorgoed te domineren. In de laatste dagen werkt God om de mensheid te redden, en de Communistische Partij probeert dat uit alle macht te stoppen en te saboteren. Ze wil wanhopig alle gelovigen compleet uitvagen en laat nog niet eens een kind van twaalf met rust. Ze vervolgde ons zozeer dat onze familie niet terug naar huis kon komen, dat we uit elkaar werden gerukt en dat mijn kleinzoon stierf. De Communistische Partij is zo boosaardig, zo vals, zo zonder respect voor menselijk leven. Ze is de prins van de duivels, die mensen zonder aarzeling afslacht. Ik haat de Partij met mijn hele hart, en hoe meer ze me op deze manier vervolgt, hoe vastberadener ik ben om God te volgen en deze oude duivel te vernederen.
Tot op de dag van vandaag blijft de Communistische Partij onze familie achtervolgen. Terugkijkend op negentien jaar leven als voortvluchtige, zie ik dat Gods woorden mij de weg hebben gewezen en hebben verlicht. Ze hebben me geloof en kracht gegeven en me tot de huidige dag geleid. Zonder Gods bescherming, zonder Gods woorden om me te begeleiden en tot steun te zijn, ben ik bang dat ik deze wereld lang geleden zou hebben verlaten, dat ik al zou zijn gestorven of mijn verstand zou hebben verloren. De Communistische Partij heeft ons op elke mogelijk manier als een dolle opgejaagd, alleen maar omdat we in God geloven. Hierdoor kon ik niet naar huis en werd mijn familie verscheurd. De Communistische Partij is zo kwaadaardig – het is een God-hatende, God-bestrijdende demon. Ik verwerp haar met heel mijn hart! Het goede geluk om tot de dag van vandaag te overleven heb ik volledig te danken aan Gods zorg en bescherming. Alleen God houdt werkelijk van mensen, en alleen God kan mensen echt redden. Ik heb gezien hoe ongelooflijk lieflijk God is. Hoe moeilijk en zwaar ik het ook zal krijgen, ik zal God helemaal tot het einde volgen, mijn plicht vervullen en Gods liefde terugbetalen! God zij gedankt!