Hoe de waarheid na te streven (24)
De vorige keer hebben we gecommuniceerd over de inhoud van het loslaten van de barrières tussen zichzelf en God en de vijandigheid jegens God, wat valt onder het grotere onderwerp ‘loslaten’ in ‘Hoe de waarheid na te streven’. Deze inhoud betreft noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God. Over welke aspecten hebben we gecommuniceerd? (De vorige keer heeft God voornamelijk gecommuniceerd over enkele van onze noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God en deze blootgelegd, en heeft God ook over twee beoefeningsprincipes voor ons gecommuniceerd: het ene was de geïncarneerde God niet vergelijken met de God in de hemel, en het andere was de geïncarneerde God niet op één lijn stellen met de verdorven mensheid.) Om noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God op te lossen, moeten mensen deze twee principes beoefenen die in de laatste communicatie zijn genoemd. Wat was het eerste? (De geïncarneerde God niet vergelijken met de God in de hemel.) En wat was het tweede? (De geïncarneerde God niet op één lijn stellen met de verdorven mensheid.) Het waren voornamelijk deze twee. De vorige keer heb ik gecommuniceerd over het eerste principe – de geïncarneerde God niet vergelijken met de God in de hemel – en heb ik kort onderwerpen geïntroduceerd met betrekking tot het leven van de geïncarneerde God die mensen kunnen zien en die ze nog niet begrijpen. Vandaag zal ik verder communiceren over het onderwerp van de geïncarneerde God. Hoe meer ik communiceer, hoe meer dingen mensen zullen begrijpen en hoe grondiger hun begrip zal zijn. Hoe meer ik communiceer over de betekenis van de normale menselijkheid of de nederigheid en verborgenheid van de geïncarneerde God, hoe beter mensen de geïncarneerde God zullen begrijpen, en hoe praktischer hun begrip van Hem zal zijn. Ze zullen meer kunnen begrijpen van de praktische kant van de geïncarneerde God, of de aspecten van Hem die mensen kunnen zien en waarmee ze in contact kunnen komen, en hun kennis zal nauwkeuriger en praktischer zijn. Zodoende zullen mensen een deel van hun noties en verbeeldingen over de God in de hemel, die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, loslaten. Hoe meer mensen hun noties en verbeeldingen over de God in de hemel loslaten, en hoe meer ze het praktische en de normaalheid van de geïncarneerde God kennen en begrijpen, des te normaler de relatie tussen mensen en God zal worden. Eén punt over het niet vergelijken van de geïncarneerde God met de God in de hemel, is dat je een begrip moet hebben van het praktische en de normaalheid van de geïncarneerde God. Hoe meer je het praktische en de normaalheid van de geïncarneerde God begrijpt, hoe meer je de God in de hemel zult begrijpen, en je zult de God in de hemel niet met jouw noties en verbeeldingen meten. Natuurlijk zal er objectief bezien nog iets anders gebeuren: je zult de juiste houding ten opzichte van God hebben, je zult een objectieve kijk hebben op de verschillende uitingen die door de geïncarneerde God in Zijn menselijkheid zijn geopenbaard, en je zult de God in de hemel ook nauwkeuriger en praktischer kennen. Dit voorkomt dat je altijd noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God hebt die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, en het voorkomt ook dat je de geïncarneerde God altijd vergelijkt met de God in de hemel. Wanneer we Gods geïncarneerde vlees bespreken – dat wil zeggen: Christus – is er een bepaald onderwerp dat vaak ter sprake komt: de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid van de geïncarneerde God. Mensen spreken vaak over Zijn normaalheid en het praktische van Hem, en ze spreken ook vaak over Zijn nederigheid en verborgenheid; als het echter gaat om de praktische kwesties die hierbij komen kijken, kan men stellen dat het alle mensen aan duidelijkheid ontbreekt. Wat is Gods normaalheid en het praktische van God nu precies? Wat is Zijn nederigheid en verborgenheid? Dat wil zeggen: als het erom gaat wat de normaalheid, het praktische, de nederigheid en de verborgenheid van de geïncarneerde God nu precies zijn in de harten van mensen, en hoe deze dingen te begrijpen en te kennen, weten mensen niet goed wat de waarheid of de essentie is, en prediken ze er slechts over alsof het een soort theorie of geestelijke terminologie is. Daarom is er grote behoefte aan dat we in detail en systematisch communiceren over dit onderwerp van de normaalheid, het praktische, de nederigheid en de verborgenheid van de geïncarneerde God. Door dergelijke communicatie zal het mensen duidelijk worden wat de uitleving van de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God inhoudt, deze Mensenzoon die een speciale identiteit bezit.
Wat kunnen jullie begrijpen van de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God in de zin van jullie letterlijke begrip, of voor zover jullie noties en verbeeldingen reiken? Wat hebben jullie in deze jaren van in contact komen, omgaan of praten met de geïncarneerde God nu precies gevoeld en leren kennen met betrekking tot de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God? De meeste onderwerpen waarover voorheen werd gecommuniceerd, gingen over de problemen van de verdorven mensheid. Dat wil zeggen: we hebben gecommuniceerd over de verschillende problemen die jullie hebben, waarbij verdorven gezindheden, het dienen van God en het vervullen van plichten komen kijken, evenals menselijkheid, kaliber, de noties en verbeeldingen van mensen, en houdingen en zienswijzen ten opzichte van God – over al deze dingen hebben we gesproken. Ik heb zoveel jaren de waarheid gepredikt en preken gehouden, en het ging allemaal over jullie problemen. Ditmaal praten we eindelijk niet over jullie problemen, maar veeleer over enkele dingen die betrekking hebben op de geïncarneerde God, waardoor we de dingen vanuit een andere invalshoek kunnen bekijken. Vinden jullie dit onderwerp niet heel ontspannend, geheel vrij van enige last, en niet zo ongemakkelijk? (Ja.) Wat zijn dan de dingen die jullie kunnen zien, tot je kunnen laten doordringen of kunnen begrijpen als het gaat om de normaalheid en het praktische of de nederigheid en verborgenheid van de geïncarneerde God? Jullie kunnen over theorieën of feiten spreken; alles is goed. Jullie weten geen antwoord te geven – hebben jullie dan gewoonlijk geen gedachten in jullie hoofd over Gods geïncarneerde vlees? Helemaal geen kennis? En totaal geen gevoelens? Jullie moeten er toch wel enkele hebben? Soms kan het een vluchtige gedachte zijn, soms is het misschien iets waar jullie even over nadenken, en soms kunnen het enkele diepe indrukken zijn die jullie in jullie hart hebben. Als het een vluchtige gedachte is, herinner je je die misschien niet; of soms duikt er een bepaalde gedachte of zienswijze op in je onderbewustzijn, en die herinner je je misschien ook niet noodzakelijkerwijs. Maar soms heb je een bepaalde indruk van de geïncarneerde God, en deze indruk zorgt er op zijn beurt voor dat je een opvatting ontwikkelt. Deze indruk zal lange tijd in je geest blijven bestaan. Je zult je die zeker kunnen herinneren. Het zou toch niet zo moeten zijn dat je nergens op kunt komen? Vertel dus over jullie begrip van de normaalheid en het praktische, of de nederigheid en verborgenheid van de geïncarneerde God. (God, mijn begrip van de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God is dat Hij ook de normale behoeften van het vlees heeft. Wanneer Christus bijvoorbeeld lange tijd spreekt, krijgt Hij dorst en moet Hij water drinken. Wanneer Hij in bijeenkomsten drie of vier uur met ons communiceert, wordt Hij ook moe en moet Hij rusten. Wanneer Hij lange tijd wandelt, zal Hij ook pauzes moeten nemen. Dat wil zeggen: van buitenaf is Christus hetzelfde als een normale persoon en heeft Hij ook het volledige scala aan emoties van de normale menselijkheid: Hij is blij wanneer Hij vreugdevolle dingen hoort en verdrietig wanneer Hij ontstellende dingen hoort. Dit zijn ook uitingen van de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God.) Je hebt enkele feiten genoemd. Dit zijn dingen die jullie hebben gezien, en ook dingen waarmee jullie in contact kunnen komen en die jullie kunnen voelen. Nog iets anders? (God, ik zal een punt toevoegen: ik heb eerder gehoord dat wanneer U bepaald professioneel werk gaat begeleiden, U ook wat gespecialiseerde kennis moet leren en begrijpen.) Is dit iets wat jullie allemaal hebben gehoord? Dat wanneer Ik bepaald professioneel werk begeleid, Ik er ook op een praktische manier over moet leren, en wat relevante professionele kennis moet begrijpen en beheersen – is dit de informatie die de meeste mensen hebben ontvangen? Is dit wat jullie allemaal denken? (Nee. Wanneer U bijvoorbeeld het werk van het filmproductieteam begeleidt, kijkt U af en toe gewoon naar wat films en tv-programma’s om op de hoogte te raken; U maakt niet specifiek tijd vrij om erover te leren of het te onderzoeken.) De feiten moeten worden rechtgezet. Ik heb werkelijk niet de energie om bronnen op te zoeken of enige vorm van professionele kennis op te doen. Het is alleen zo dat Ik enkele films heb gezien en daardoor een vluchtige indruk heb van hoe ze over het algemeen zouden moeten zijn; daarnaast gebruik Ik relevante professionele kennis die door de broeders en zusters wordt aangereikt om de relevante principes vast te stellen en af te leiden en enige sturing te geven aan het professionele werk. Het essentiële punt hier is het begrijpen van de principes en het begeleiden van de broeders en zusters op basis van de principes. De moeilijkheden van degenen die het werk doen, zijn enerzijds dat hun professionele kennis niet veelomvattend is, en anderzijds dat ze de waarheidsprincipes niet begrijpen, gepaard met hun slechte kaliber. Doordat Ik hun enige mate van begeleiding bied op basis van het begrijpen van de principes, zijn de resultaten beter dan wanneer ze het zelf zouden doen. Ik doe dit op basis van het principe van Gods woorden verspreiden, van God getuigen, geen schande brengen over God, en mensen in staat stellen meer over Gods werk te leren en meer van de waarheid te begrijpen, en dit heeft bepaalde resultaten opgeleverd. Wat betreft daadwerkelijke professionele vaardigheden, die heb Ik praktisch niet. Ik heb die gespecialiseerde kennis om te beginnen niet en heb ook nooit specifiek geprobeerd erover te leren, zoals jullie zeiden. Ongeacht welk soort professioneel werk Ik begeleid, heb Ik nooit geprobeerd erover te leren en heb Ik geen educatief materiaal, bronnen of relevante professionele kennis opgezocht. Hooguit vinden de broeders en zusters wat relevant educatief materiaal of voorbeelden en geven die aan Mij door om te bekijken, en daaruit leid Ik enkele relevante principes af, en enkele werkwijzen voor dat beroep, en op basis daarvan begeleid Ik hun werk.
Wat dit aspect betreft, de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God, hebben mensen iets gezien van de normaalheid en het praktische die tot uiting komen in de instincten van Zijn vlees. Dit omvat menselijke instincten, evenals enkele onthullingen en beperkingen van de verschillende aangeboren omstandigheden van het vlees; dit is normaalheid en het praktische in de ware zin van deze woorden. Of het nu gaat om wat Hij uiterlijk openbaart, Zijn innerlijke gedachten en zienswijzen of de innerlijke principes voor het zelf-gedrag van Zijn menselijkheid – kortom, het eenvoudigste en meest fundamentele begrip van de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God is dat Hij niet buitengewoon, transcendent of onconventioneel is. Dat wil zeggen: aan de uiterlijke verschijning van de geïncarneerde God kun je geen speciale uitingen zien die verschillen van die van gewone mensen. Als Hij niet spreekt en niets doet, en je alleen maar naar Zijn gelaatstrekken, Zijn lichamelijke vorm en Zijn persoon als geheel kijkt, kun je niets ongewoons zien. Hij is niet buitengewoon, transcendent of onconventioneel; Hij is gewoon een alledaagse persoon. Om het nauwkeurig of objectief te formuleren: als deze persoon zich in een menigte bevindt en niet spreekt, geen werk doet en de waarheid niet uitdrukt, kun je niet zien hoe deze persoon verschilt van ieder ander. Als Ik bijvoorbeeld tussen jullie in zit en er een onbekende binnenkomt, zou die zien dat Ik er net zo uitzie als jullie. Ik zit niet op de ereplaats, Ik val niet op. Mijn verschijning is normaal; Ik ben niet buitengewoon, ben niet imposant en lijk niet op een of andere belangrijke figuur – Ik ben gewoon een alledaags iemand. Ze zouden dus niet kunnen zien wie de geïncarneerde God is. Als Ik met een groep mensen samenwoon, zou je dan ook niets afwijkends aan Mij kunnen zien. Je weet alleen dat deze geïncarneerde God vrouwelijk is, maar je zou met het blote oog simpelweg niet kunnen zien wie de geïncarneerde God is, tenzij je veel naar Mijn preken luistert; dan zou je Mij misschien aan Mijn stem kunnen herkennen. Als iemands stem op de Mijne lijkt, zouden sommige mensen zelfs een fout kunnen begaan en kunnen aannemen dat zij de geïncarneerde God is. Gebeuren zulke dingen? Dit is zeker gebeurd. Sommige mensen zien er transcendent en opvallend uit, hebben een bijzondere uitstraling en stijl, en komen bijzonder nobel over, als iemand met status en een zeker aanzien. Sommige dwaze broeders en zusters, of mensen die in het bijzonder de geïncarneerde God willen ontmoeten, zullen ten onrechte denken dat zo iemand de geïncarneerde God is, en zelfs voor haar buigen en knielen. Degene voor wie gebogen wordt, vindt dat prachtig en aanvaardt het zelfs stilzwijgend. Wanneer ze op het punt staat te vertrekken, vergieten die dwaze mensen die bogen en knielden zelfs tranen en nemen ze met tegenzin afscheid van haar; ze trekken aan haar kleren, willen haar niet laten gaan en zeggen: “Wanneer kom je weer? We zullen je missen!” Ze zeggen zelfs met bijzondere opwinding: “Eindelijk heb ik de geïncarneerde God ontmoet. Ik heb nergens spijt van in dit leven. Zelfs als ik sterf, zal mijn leven de moeite waard zijn geweest!” Degene voor wie gebogen wordt, verheldert de situatie helemaal niet. Hebben jullie van zulke dingen gehoord? (Ja.) Zoiets zou in het buitenland onmogelijk gebeuren. Waarom gebeurde het op het vasteland van China? Omdat de geïncarneerde God in China verscheen en werkte, heeft Hij beslist het beeld van een Chinese persoon, dus gebeurde zoiets op het vasteland van China. We zullen niet ingaan op de vraag of de beide partijen die bij deze zaak betrokken zijn, gelijk of ongelijk hebben. Wat deze kwestie zelf betreft, ongeacht hoe mensen de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God begrijpen, geloven mensen, afgaande op hun noties, dat de geïncarneerde God een imposant beeld, een nobele verschijning en bovenal een nobele identiteit zou moeten hebben. Hij zou ook een unieke verschijning en manier van spreken moeten hebben, waardoor iedereen die naar Hem kijkt het gevoel krijgt dat Hij als God is, dat Hij God is, zonder enige twijfel. Als mensen vinden dat Hij er onopvallend uitziet, en ze de uitstraling van God of het beeld van God niet in Hem kunnen zien, kan Hij onmogelijk God zijn. Mensen geloven dat de geïncarneerde God beslist bijzonder imposant en nobel is, een uitstraling heeft, en er vooral uitziet als iemand met een vorstelijke identiteit – Hij moet rechtop lopen, Zijn ogen moeten helder en indringend zijn en Zijn blik moet bijzonder scherp zijn; Hij moet onmiddellijk kunnen weten wat iemand denkt door alleen maar naar hem te kijken, en Hij moet in één oogopslag kunnen zien wie vijandigheid of slechte gedachten koestert. Uit deze gedachten van mensen spreekt een bepaald fenomeen: mensen hebben zo’n veelheid aan verbeeldingen over de geïncarneerde God. Maar in feite is de geïncarneerde God niet hetzelfde als de God van de noties en verbeeldingen van mensen; er is een verschil. De uiterlijke verschijning van de geïncarneerde God is bijzonder alledaags. Hij is helemaal niet imposant, helemaal niet transcendent en helemaal niet bovennatuurlijk; je kunt zelfs stellen dat er niets bijzonders aan Hem is. Van buitenaf verschilt Hij bijna niet van alle geschapen mensen. Dat wil zeggen: Hij is bijna precies hetzelfde als de door God geschapen mensen wat betreft hun diverse functies, evenals de instincten, het normale denken en de verschillende vaardigheden van mensen. Dit zijn de uiterlijke dingen die mensen direct met het blote oog kunnen zien en waarmee ze in contact kunnen komen, en die mensen kunnen begrijpen en bevatten. Deze uiterlijke dingen zijn voor mensen gemakkelijk te zien en te begrijpen, dus zal onze communicatie zich daar niet op richten. De normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God, en Zijn nederigheid en verborgenheid, is waar onze communicatie zich op richt.
Of het nu gaat om de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God of over Zijn nederigheid en verborgenheid: wat mensen over Hem moeten begrijpen, zijn gedachten of vormen van kennis die ze simpelweg niet in hun hart hebben; deze gedachten bestaan niet eens binnen hun noties en verbeeldingen. Dit betreft hoe de geïncarneerde God onder de mensen leeft, hoe Hij in de authentieke omgeving van de mensheid leeft, hoe Hij Zijn leven leidt en hoe Hij onder de mensen spreekt en werkt. Dit omvat kwesties rond de essentie van de geïncarneerde God, en deze kwesties zijn het waard om over te communiceren. Deze aspecten zijn ook dingen die mensen niet kunnen zien of die voor hen heel moeilijk te begrijpen zijn, en natuurlijk zijn het ook dingen die niet bestaan binnen de kennis van mensen of binnen hun noties en verbeeldingen over de geïncarneerde God. Dat wil zeggen: de kennis, het begrip en de verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God staan in wezen los van de werkelijkheid van het leven en het bestaan van de geïncarneerde God. Als gevolg daarvan is veel van de kennis van mensen over de essentie van de geïncarneerde God onpraktisch en onobjectief, en bestaat die zelfs uit enkele noties en verbeeldingen die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid. De geïncarneerde God leeft onder de mensen en in deze materiële wereld; Zijn normaalheid en het praktische van Hem komen tot uitdrukking in Zijn leven en in het proces van Zijn bestaan. In Zijn leven en het proces van Zijn bestaan gaat het enerzijds om het leven van dit vlees, en anderzijds om de bediening die door de geïncarneerde God wordt uitgevoerd. Laten we vanuit deze twee aspecten bekijken hoe de normaalheid en het praktische die de geïncarneerde God uitleeft en bezit, verschillen van de noties en verbeeldingen van mensen – welke delen van deze normaalheid en dit praktische mensen niet kunnen begrijpen of na ze gezien te hebben van de hand wijzen, maar die in feite uitingen zijn van de normaalheid en het praktische van Gods geïncarneerde vlees. Aangezien dit het leven en het bestaan van de geïncarneerde God betreft, brengt dit veel werkelijke kwesties met zich mee, en veel gedachten en zienswijzen met betrekking tot deze werkelijke kwesties. Deze gedachten en zienswijzen worden in feite praktisch en objectief geopenbaard en uitgeleefd in het leven van de geïncarneerde God en de bediening die Hij uitvoert. Maar omdat mensen te veel noties en verbeeldingen koesteren – of het nu over de God in de hemel of de God op aarde gaat – en omdat deze allemaal hol zijn en niet in overeenstemming met de werkelijkheid, verwerpen de meeste mensen de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid, die ze tot uiting kunnen zien komen in de geïncarneerde God – deze bijzondere identiteit van God. Waar de meeste mensen zich op richten, zijn tekenen en wonderen, mysteriën, bovennatuurlijke krachten en dingen die diepgaand, groots of relatief transcendent en bizar zijn, enzovoort. Toch wijzen mensen de werkelijk objectieve, praktische en echte dingen die door God Zelf worden uitgeleefd en geopenbaard van de hand. Hoeveel jaar Gods geïncarneerde vlees ook onder de mensheid leeft, omdat mensen deze dingen van de hand wijzen, blijft hun kennis van God altijd steken in hun holle en vage verbeeldingen. Als gevolg daarvan is de kennis van mensen over God altijd zo onobjectief en onpraktisch. Laten we vandaag, door over dit onderwerp te communiceren, de normaalheid en het praktische leren kennen die tot uiting komen in het leven van de geïncarneerde God en de bediening die Hij uitvoert. Of het nu het leven van de geïncarneerde God is, of de bediening die Hij uitvoert, beide aspecten omvatten de uitleving van Zijn normaalheid en het praktische van Hem. Dit omvat de zienswijzen van de geïncarneerde God – deze Mensenzoon die een bijzondere identiteit heeft – ten opzichte van allerlei soorten mensen, gebeurtenissen en dingen, en Zijn principes en methoden voor het aanpakken van allerlei soorten zaken. Jullie hebben in de communicaties door de jaren heen gehoord over de principes en methoden waarmee de geïncarneerde God allerlei soorten zaken behandelt en aanpakt, en jullie weten nu van deze dingen. Deze dingen, die in jullie gedachten vrij verheven en groots lijken, hebben allemaal betrekking op de waarheid. Enerzijds vertegenwoordigen ze de bedoelingen van de God in de hemel; ze vertegenwoordigen wat de God die Gods identiteit en essentie bezit van mensen vereist en wat Hij hun leert. Anderzijds valt niet te ontkennen dat ze ook de principes, methoden, gedachten en zienswijzen van de geïncarneerde God, deze Mensenzoon, vertegenwoordigen wat betreft hoe Hij allerlei soorten zaken bekijkt of aanpakt. Ik heb al lange tijd met jullie gecommuniceerd over deze enorme hoeveelheid inhoud die betrekking heeft op de waarheidsprincipes; er zijn veel onderwerpen, en ze zijn behoorlijk lang. Deze inhoud is voldoende om de gedachten en zienswijzen, houdingen en principes van de geïncarneerde God – de Mensenzoon – met betrekking tot de aanpak van allerlei soorten zaken te vertegenwoordigen. We zullen het vandaag niet over dit aspect hebben.
Het belangrijkste onderwerp waarover we zullen communiceren, zijn de principes van de geïncarneerde God voor zelf-gedrag, en Zijn manieren van dingen doen, in Zijn leven en bestaan. Door mijn communicatie over deze twee aspecten zullen jullie de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God beter gaan begrijpen, en de geïncarneerde God beter begrijpen. Enerzijds heeft de geïncarneerde God, levend onder de mensheid, een principe voor hoe Hij zich gedraagt, en ook een principe voor hoe Hij dingen doet. Deze principes zijn heel eenvoudig. Mijn principe voor Mijn zelf-gedrag is om Mij op een regelgetrouwe manier te gedragen, en Mijn principe voor het doen van dingen is om ze plichtsgetrouw te doen. Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen – dit zijn Mijn principes en beginselen voor hoe Ik Mij gedraag en hoe Ik dingen doe. Hoeveel woorden zijn dat in totaal? (Tien woorden.) Deze tien woorden zijn heel eenvoudig, en hun letterlijke betekenis is vrij gemakkelijk te begrijpen. Ze zijn helemaal niet abstract of hol, helemaal niet diepgaand, en helemaal niet verheven en groots. Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen – dit zijn Mijn principes en beginselen voor hoe Ik Mij gedraag en hoe Ik dingen doe. Ik houd Mij aan deze principes in Mijn gedrag en bij het doen van dingen; dit is precies hoe Ik het doe. Kunnen jullie zien dat dit een feit is? Kunnen jullie dit met de feiten laten rijmen? Enerzijds, wanneer Ik predik en communiceer, wanneer Ik met mensen in contact kom en omga, en wanneer Ik met mensen praat, zeg Ik altijd dat ze zich op deze manier moeten gedragen. Anderzijds gedraag Ik mezelf ook op deze manier – Ik roep geen slogans. Waarom vertel Ik mensen dan over deze principes? Omdat Ik zelf dingen op deze manier doe en Mij zo gedraag; er is verder niets diepgaands aan de hand. Sommige mensen zeggen: “Deze beginselen van U voor Uw zelf-gedrag zijn nogal gewoontjes; ze zijn helemaal niet verfijnd. Ze kunnen niet voor de identiteit van de geïncarneerde God staan!” Klopt dit? (Nee.) Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen – dit zijn principes en beginselen. Ik breng ze in praktijk in Mijn dagelijks leven, en Ik breng ze ook in praktijk wanneer Ik Mijn bediening uitvoer, ofwel wanneer Ik werk doe. Dit is hoe Ik Mij gedraag, en dit is hoe Ik dingen doe. Laten we gewoon over deze dingen praten alsof we aan het kletsen zijn en een praatje maken, zodat jullie je een beetje kunnen ontspannen, en van Mij wat meer over Mijn leven kunnen leren. Is dat goed? (Ja.) Als sommigen van jullie op een bepaald moment in ons gesprek zeggen: “Daar ben ik het niet mee eens! Wat U zegt, stemt niet overeen met Uw uitingen”, dan zal Ik proberen het anders te formuleren, en zal Ik het in de toekomst corrigeren of rechtzetten. Als sommigen van jullie je hand opsteken en zeggen: “Ik ben het ermee eens! Wat U zegt, stemt volkomen overeen met wat we U in Uw leven hebben zien en horen openbaren; wat U zegt is een feit”, dan zal Ik ermee doorgaan. Is dat goed? (Ja.)
Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen – of het nu in het leven of in het werk is, aan deze beginselen houd Ik vast. Jullie hebben ze waarschijnlijk al vrij goed kunnen leren kennen in het werk dat Ik doe, dus laten we het er eerst over hebben hoe ze van toepassing zijn op Mijn leven. De geïncarneerde God is een persoon die een bijzondere identiteit onder de mensheid bezit, maar wanneer Hij dingen doet, gedraagt Hij Zich helemaal niet alsof Hij bijzonder is. Hij behandelt Zichzelf nooit als een bijzondere figuur; Hij is gewoon een alledaagse persoon. In welk land Hij zich ook bevindt, houdt Hij zich aan de wetten en voorschriften van dat land. Als er iets is wat Hij moet doen maar niet begrijpt, raadpleegt Hij snel de plaatselijke wetten en het plaatselijke beleid en zoekt Hij snel uit wat die voorschrijven, wat onwettig is en wat niet, en dat doet Hij op gepaste wijze, zonder Zichzelf een voorkeursbehandeling te geven. Is dingen op deze manier doen je aan de regels houden, en is het plichtsgetrouw zijn? (Ja.) Op deze manier gedraagt Hij Zich regelgetrouw en doet Hij dingen plichtsgetrouw. In een vrij en democratisch land raadpleegt Hij, als Hij de relevante wetten moet begrijpen om dingen gedaan te krijgen, een advocaat of zoekt Hij de wetten en voorschriften op. Hij doet geen dingen die tegen de wet zijn en maakt geen misbruik van mazen in de wet; Hij houdt zich strikt aan de wetten en voorschriften, omdat de wetten en voorschriften van de meeste landen de legitieme rechten en belangen van personen beschermen, en mensen zich daaraan horen te houden. Als we bijvoorbeeld in de tuin aan het bouwen zijn en daar iets moeten plaatsen, moeten we eerst uitzoeken wat de overheidsvoorschriften hierover zijn, of het in de tuin mag worden geplaatst, en zo ja, waar het gepast is om dat te doen. Nadat we duidelijkheid hebben gekregen over de details, doen we de dingen volgens de voorschriften van de overheid. Als de overheid het niet toestaat, doen we het niet. We zullen niet proberen onredelijk problemen te veroorzaken, en we zullen absoluut niet willens en wetens de wet overtreden om het te doen. Als we bijvoorbeeld een bouwwerk willen neerzetten, moeten we goedkeuring van de overheid aanvragen. Zodra de overheid het goedkeurt, kan de bouw beginnen. Wanneer het project is voltooid, moet het nog door een overheidsinspectie komen. Als het door de inspectie komt, kunnen we het bouwwerk met een gerust hart gebruiken. Dit is de procedure voor de bouw. Sommige mensen zeggen misschien: “Schrijft de overheid voor dit soort kleine projecten voor dat we goedkeuring moeten krijgen? Als het optioneel is, hoeven we het niet te doen. We kunnen ons de moeite besparen.” Ik zeg: “We moeten het zeker weten. Wat als er wel goedkeuring van de overheid voor nodig is, en we die niet krijgen – zouden we dan de voorschriften niet overtreden? We mogen ze niet overtreden. Aangezien we dit bouwwerk gaan neerzetten, moeten we proberen goedkeuring te krijgen. Als de overheid zegt dat er geen goedkeuring nodig is, zullen we ons er gerust bij voelen om die niet aan te vragen. Als de overheid zegt dat het bouwwerk moet worden goedgekeurd, zal onze aanvraag voor goedkeuring redelijk en gezagsgetrouw zijn.” Voor alles dat betrekking heeft op de wet of overheidsvoorschriften, moeten we overleggen en het zeker weten. Anders wordt het heel lastig als er iets misgaat. Een basisregel voor wonen in het buitenland is om niets onwettigs te doen en niets te doen dat de overheidsvoorschriften schendt. Als we bijvoorbeeld op het platteland wonen en kippen of schapen willen houden, moeten we goedkeuring van de overheid krijgen. De overheid heeft gedetailleerde voorschriften voor deze dingen, en we mogen ze absoluut niet overtreden of proberen speciale privileges te krijgen. Als we de overheidsvoorschriften overtreden en gepakt worden, zal dat veel last veroorzaken. Dit vereist dus dat we ons aan de wet houden, en het omvat ook de principes van hoe we ons gedragen en hoe we leven. Waar we ook wonen, moeten we ons op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen. In Mijn dagelijks leven ga Ik ook op een regelgetrouwe manier met mijn buren om. Ik maak geen lawaai en stoor anderen niet. Wat de overheid ook voorschrijft, we moeten ons eraan houden. Zelfs als je een hond hebt, moet je er goed voor zorgen, zodat hij niet voortdurend blaft en de rust van de buren verstoort. Vooral in het weekend, wanneer je buren allemaal thuis zijn, moet je nog voorzichtiger zijn om hen niet te storen. Wanneer het ’s winters sneeuwt, moet je wachten tot na acht uur ’s ochtends om te beginnen met sneeuwruimen. Te vroeg sneeuwruimen veroorzaakt lawaai dat de rust van je buren verstoort en hen irriteert. Als de overheid uitdrukkelijke voorschriften heeft, moet je je daaraan houden. Overtreed de overheidsvoorschriften niet opzettelijk; haal je de woede van de overheid niet op de hals. Dit wordt je op een regelgetrouwe manier gedragen genoemd. Waar Ik ook verblijf, maak Ik in principe geen lawaai. Ik speel nooit buiten muziek af, Ik maak geen kabaal en Ik spreek niet luid. Wanneer Ik de hond uitlaat, zorg Ik ervoor dat hij niet voortdurend blaft. Ik doe Mijn best om Mijn buren niet te storen, Me niet met hun leven te bemoeien en hen niet te irriteren. Is dit niet je op een regelgetrouwe manier gedragen? (Ja.) Daarom kan Ik al vele jaren goed opschieten met mijn buren. We leven in vrede met elkaar, groeten elkaar wanneer we elkaar zien, en leven op een vriendelijke, aimabele manier samen. Waar we ook wonen, moeten we ons aan de regels houden in de omgang met onze buren. We mogen geen problemen voor hen veroorzaken, en we hoeven ook niet onderdanig te zijn – we moeten anderen correct behandelen en dingen eerlijk en rechtvaardig doen. Als we dat doen, ontstaan er na verloop van tijd geen conflicten.
Wat betreft de kwestie van de geïncarneerde God die Zich op een regelgetrouwe manier gedraagt, zeggen sommige mensen: “Is dit niet iets heel normaals?” waarop Ik zeg: “Je hebt helemaal gelijk; zo normaal is het gewoon.” Waar komt deze normaalheid vandaan? Die komt voort uit het geweten en het verstand van de menselijkheid. Juist omdat de geïncarneerde God het geoptimaliseerde geweten en verstand van de normale menselijkheid bezit, is het principe waaraan Hij Zich houdt als het gaat om zelf-gedrag – iets wat mensen als een heel onopvallende kwestie beschouwen – ook heel onopvallend: regelgetrouw zijn. Na dit gehoord te hebben, zeggen sommige mensen misschien: “Wat is hier zo belangrijk aan? Is het überhaupt de moeite waard om ter sprake te brengen? Is dit normaal en praktisch zijn? Dit zijn onbeduidende zaken.” Hoe het ook zij, het feit dat de geïncarneerde God Zich op een regelgetrouwe manier gedraagt, is een uiting van Zijn normaalheid en het praktische van Hem, dus is het de moeite waard om over te praten, en is het de moeite waard dat mensen er kennis van hebben. Mensen denken dat het heel gewoon is dat Ik Mij op een regelgetrouwe manier gedraag. Maar wat als Ik Mezelf overal in Mijn leven een voorkeursbehandeling zou geven, en bij elke gelegenheid zou pronken met de woorden: “Ik ben Christus. Ik kom uit de hemel. Ik ben als niemand anders. Onder de mensheid ben Ik uniek. De hele mensheid, alle levende wezens en alle schepselen moeten onder Mijn voeten worden vertrapt. Alle dingen zijn Mijn voetenbank. Of men nu in God gelooft of een ongelovige is, iedereen moet buigen en Mij aanbidden. Wanneer mensen voor Mij verschijnen, moeten ze allemaal eerbiedig en respectvol zijn”? Zou dat normaal zijn? (Nee.) Dat zou abnormaal zijn. Vind je dat Ik Mij zo gedraag? (Nee.) Ik gedraag Mij niet zo. Ik ga vriendschappelijk om met iedereen met wie Ik eventueel in contact kom, vooral met ongelovigen. Ik behandel hen en ga met hen om volgens de regels en de etiquette. Wanneer Ik iets met mensen bespreek of overleg, ben Ik bijzonder respectvol naar hen toe. Wanneer Ik iets niet begrijp, vraag ik ernaar en informeer ik verder, en sommige mensen helpen heel geduldig Mijn vragen te beantwoorden. Natuurlijk is het niet zo dat Ik Mij alleen op een regelgetrouwe manier gedraag om hen terug te betalen voor deze behandeling; het is veeleer omdat de geïncarneerde God, levend in deze werkelijke omgeving, zich inherent aan een dergelijk principe houdt wanneer Hij met mensen omgaat en dingen gedaan krijgt. Een bibliotheek is bijvoorbeeld een plek om te lezen en te studeren. Wanneer je daarheen gaat, moet je je aan de regels houden. Je mag niet luidruchtig zijn, en je moet proberen zo min mogelijk te praten. Als je wilt spreken, moet je dat zachtjes doen of naar buiten gaan, en vooral als je telefoon gaat, moet je snel naar buiten gaan om op te nemen, dit alles om mensen die lezen niet te storen of te hinderen. Dit wordt je aan de regels houden genoemd. In dit soort omgeving ga Ik, als Ik gebeld word, naar buiten om op te nemen. Sommige mensen zeggen: “Dat weet toch iedereen?” Er zijn echt mensen die dit niet weten. In sommige restaurants en supermarkten en op sommige plekken waar mensen in het Westen naartoe gaan om dingen gedaan te krijgen, kun je vaak sommige mensen heel luid horen praten, en de obers en het personeel daar hebben er een grote hekel aan. Vooral sommige Aziaten begrijpen de regels helemaal niet en komen extreem ordinair over. Op sommige plekken zijn er duidelijke geschreven regels, maar ze doen alsof ze die helemaal niet hebben gezien. Zelfs als ze regels zien die in hun moedertaal zijn geschreven, houden ze zich er niet aan en overtreden ze die zelfs. Wanneer medewerkers hen eraan herinneren, gaan ze zelfs met hen in discussie. Is dit niet jezelf voor schut zetten? Sommige mensen zijn gewend om in hun thuisland de baas te spelen. Wanneer ze naar het Westen komen, denken ze nog steeds dat het hun eigen terrein is, gedragen ze zich agressief, paraderen ze rond als gorilla’s en houden ze zich helemaal niet aan de regels. Als gevolg daarvan zorgen ze er overal waar ze komen voor dat mensen hen verafschuwen en een afkeer van hen hebben. Sommige mensen veroorzaken zelfs problemen wanneer ze rijexamen doen. Achteraf, wanneer ze hun landgenoten zien, verkondigen ze zelfs: “Wij Chinezen zijn vrij, waar we ook gaan of staan. We zijn nooit geneigd om ons aan de regels te houden. Hoe nonchalanter we kunnen zijn, hoe beter. Als iemand me probeert terecht te wijzen, maak ik een enorme scène!” Is zo iemand geen levende duivel? Denk je dat je in je thuisland bent, waar je de baas kunt spelen als je macht en invloed hebt? Je bent in het buitenland, in een rechtsstaat. Als je wetten en voorschriften overtreedt, moet je de wettelijke gevolgen dragen. Zich aan wetten en voorschriften houden is wel het minste wat men hoort te doen. Als men zelfs deze basisregels niet begrijpt, is men volledig verstoken van menselijke gelijkenis.
Ik ben over het algemeen heel voorzichtig in de openbare ruimte. Vooral wanneer Ik naar overheidsinstanties ga om zaken af te handelen, ben Ik voorzichtig en vermijd Ik het overtreden van hun regels. Welk formulier Ik ook invul en welke vragen Ik ook beantwoord, Ik handel altijd volgens de regels. Na een paar keer zaken te hebben afgehandeld, heb Ik ervaring opgedaan. Je aan de regels houden is gemakkelijk; wat zorgwekkend is, is de regels niet begrijpen. Kan dat in de weg staan van het gedaan krijgen van dingen, nog los van het feit dat men zichzelf voor schut zet? Dat zou kunnen, dus moet men zich op een regelgetrouwe manier gedragen. Westerlingen zijn in principe in staat om deze dingen gedaan te krijgen. De geïncarneerde God heeft normale rationaliteit en een normaal geweten, dus kan Hij die dingen natuurlijk ook gedaan krijgen, en Hij doet dat proactief. Hij classificeert Zichzelf niet als uniek onder de geschapen mensheid, en omzeilt ook nooit deze wetten en voorschriften om privileges voor Zichzelf te verkrijgen. Welke zaken Ik ook afhandel bij een overheidsinstantie, Ik volg altijd de procedures. Ik stel nooit eisen door te zeggen: “Ik heb een bijzondere status en een bijzondere identiteit. Kunt u Mij een voorkeursbehandeling geven?” Ten eerste raadpleeg Ik niemand om dit soort wegen te vinden. Ten tweede bid Ik nooit tot de God in de hemel met de woorden: “God, kunt U tekenen en wonderen voor Mij verrichten, en deze zaak onmiddellijk voor elkaar krijgen, zodat Ik deze procedures niet hoef te volgen zoals mensen dat moeten?” Ik bid nooit op deze manier; in plaats daarvan handel Ik zaken af volgens de procedures op een regelgetrouwe manier. Natuurlijk zal Ik bij het afhandelen van deze zaken ook enkele bijzondere omstandigheden tegenkomen. Bijzondere omstandigheden vereisen een bijzondere aanpak. Als er een vergoeding moet worden betaald, betaal Ik die. Als Ik moet wachten, wacht Ik. Als Ik iets moet aanvragen of opnieuw bevestiging van de overheid nodig heb, vraag Ik het aan en zorg Ik dat Ik opnieuw bevestiging krijg. Ik volg de procedures beslist strikt volgens de wetten en voorschriften, en Ik passeer niemand. Of Ik nu boodschappen doe bij de supermarkt of zaken afhandel bij een overheidsinstantie, als er mensen in de rij staan, sluit Ik achter hen aan. Wanneer het Mijn beurt is, stap Ik onmiddellijk naar voren. Wat ze Mij ook vragen te doen, doe Ik op een regelgetrouwe manier volgens hun vereisten. Dit is hoe Ik mij gedraag. Wanneer Ik dingen in het leven tegenkom, is dit hoe Ik handel en ze ervaar. Hoewel Ik op sommige uitzonderlijke momenten onterecht behandeld word, heeft dit nooit invloed op Mijn beginselen van ‘Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Ik doe hoe dan ook wat Ik behoor te doen. Ik, voor Mijn part, zie er Aziatisch uit, heb een klein postuur en een gemiddeld uiterlijk, spreek niet met luide stem, kom op mensen gewoon en gemiddeld over, val niet op in een menigte en trek helemaal niemands aandacht. Daarom krijg Ik, wanneer Ik zaken afhandel in sommige bijzondere omgevingen, te maken met verschillende maten van discriminatie, of verschillende maten van ‘bijzondere behandeling’. Als jullie met deze dingen te maken kregen, wat zouden jullie dan doen? Zouden jullie met die mensen in discussie gaan, een klacht tegen hen indienen, of tot God bidden om hen te vervloeken? Welke methode zouden jullie toepassen? (Als de omstandigheden ernaar zijn, zou Ik misschien met hen in discussie gaan.) En zou je in je hart bidden om hen te vervloeken? (Zover zou ik niet gaan, maar ik zou vanbinnen behoorlijk boos zijn.) Wanneer je anders wordt behandeld of wanneer je wordt gediscrimineerd, moet je de gemoederen laten bedaren. Wat Mij betreft, Ik bid niet om hen te vervloeken, ga niet in discussie en twist niet met hen. In plaats daarvan laat Ik de gemoederen bedaren en benader Ik hen op een correcte wijze. Ik voel me dan Me in Mijn hart enigszins ongemakkelijk, maar na een paar dagen gaat het goed met Me; dan heb Ik het verwerkt. Zelfs als je een belediging van je waardigheid en integriteit verdraagt, mag je geen onstuimigheid vertonen; je mag dingen niet op onstuimig aanpakken. Hoe moet je ze dan aanpakken? Als iemand je discrimineert of beledigt, moet je hem met geduld behandelen, uit zijn buurt blijven en geen onstuimigheid openbaren; dan kan hij je niets doen. Beschouw het feit dat je deze keer een beetje hebt geleden gewoon als een les. Als Ik dit soort dingen tegenkom, voel ik me gekwetst vanwege de rationaliteit en het geweten van Mijn normale menselijkheid, en voel Ik ook dat mijn integriteit en waardigheid een klap hebben gekregen. Ik voel Me dan ongemakkelijk en gekwetst. Maar Ik voel absoluut niet dat Mij onrecht is aangedaan omdat Ik een bijzondere identiteit en een bijzondere status heb, laat staan dat Ik degenen die Mij discrimineren haat of vervloek. Hoe ouder Ik word, hoe meer Ik voel dat deze dingen volkomen normaal zijn. Deze dingen zijn volkomen normaal als men leeft in deze mensenwereld, onder zo’n verdorven mensheid. Ik voel dit niet omdat Ik aan zulke dingen gewend ben en er ongevoelig voor ben geworden, maar omdat mensen allemaal verdorven mensen zijn. Hun discriminatie is niet persoonlijk op jou gericht; veeleer is de hele mensheid zo. Zie je, in de VS, een multiraciaal land van immigranten, zeggen mensen van elk ras dat ze gediscrimineerd zijn; zelfs blanke mensen beweren dit. Mensen krijgen bij verschillende gelegenheden, in verschillende omgevingen en onder verschillende groepen mensen met discriminatie te maken. Soms zijn het andere rassen die discrimineren, en soms krijgt men ook te maken met discriminatie of oneerlijke behandeling van het eigen ras. Wat jij als discriminatie beschouwt, is misschien wel de meest gebruikelijke manier van handelen als het gaat om hoe verdorven mensen elkaar behandelen. Dit is precies hoe deze mensheid is, dus neem zulke dingen niet te serieus. Het is normaal om boos te zijn, maar deze zaken moet je snel doorzien en dan loslaten. Benader ze niet op een onstuimige manier. Denk er niet aan om wraak op iemand te nemen en bid niet om iemand te vervloeken. Heb niet het gevoel dat je niet gemiddeld bent. Je bent een gemiddelde persoon, en dat is hoe anderen je behandelen. Als ze zien dat je een doetje bent, zullen ze je ntimideren. Is dit niet volkomen normaal? Vertrouw niet op noties en verbeeldingen en denk niet: ‘Ik ben geen gemiddelde persoon. Ik heb zo’n hoge waarde en zo’n hoge status. Ik zal bidden om degene die me intimideert te vervloeken. Als ik je zou vertellen wie mij steunt, zou je je doodschrikken. Wanneer ik in de toekomst de macht heb, zal ik je laten knielen en om genade laten smeken, en zal ik ervoor zorgen dat je je onderdanig opstelt als een kip die rijst pikt.’ Ik heb nog nooit zulke gedachten gehad. Er is overal ter wereld discriminatie. Discriminatie door mensen is niet alleen op jou gericht. Deze wereld zelf is vol oneerlijkheid, discriminatie, allerlei soorten boosaardigheid en allerlei soorten slechte daden. Wanneer Ik zulke dingen tegenkom, vind Ik het heel gemakkelijk om deze dingen los te laten, omdat Ik Mezelf niet als een of andere bijzondere figuur behandel. Houdt men zich zo niet ook aan de beginselen van zich op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen? (Ja.)
In Zijn leven gaat de geïncarneerde God onvermijdelijk om met mensen, onder wie enkele broeders en zusters die in God geloven, evenals enkele ongelovigen. Wanneer Hij omgaat met broeders en zusters die in God geloven, heeft Hij natuurlijk ook enkele principes voor hoe Hij Zich gedraagt en met dingen omgaat wat betreft Zijn menselijkheid. Hoewel Hij Zich niet strikt houdt aan de regels van hoffelijkheid en wederkerigheid en de wereldse manieren, streeft Hij er bij het uitwisselen van gunsten naar om niet van anderen te profiteren of privileges voor Zichzelf te zoeken. Wanneer sommige broeders en zusters wat van hun energie en tijd besteden aan het afhandelen van persoonlijke zaken voor Mij, zal Ik een gelegenheid vinden om hun een klein geschenk te geven, hen te bezoeken, hen op een maaltijd te trakteren of iets anders te doen. Dit is geen omkoping; dit is hoffelijkheid en wederkerigheid, en niet van anderen profiteren. Wat betreft de broeders en zusters met wie Ik geen privécontact heb gehad, heb Ik nooit iemand van hen geschenken gegeven omdat ze status hebben of bijdragen hebben geleverd in Gods huis, noch heb Ik iemand van hen dingen of een speciale behandeling gegeven omdat Ik hen waardeer of een fatsoenlijke relatie met hen heb. Zulke dingen zijn nog nooit gebeurd. Kortom, bij de omgang en interactie met mensen streef Ik ernaar niet van hen te profiteren of privileges voor Mijzelf te zoeken. Mijn speciale identiteit zal Mij er niet toe brengen te denken: hoe Ik je ook gebruik, het is gepast, en je moet het aanvaarden; dat is een verheffing van jou. Zo zou Ik niet denken. Als jij enkele persoonlijke zaken voor Mij afhandelt, zaken buiten het kerkwerk om, dan zal Ik deze gunst onthouden en je terugbetalen. Op deze basis zal Ik gunsten met je uitwisselen. Dat geldt des te meer als het gaat om ongelovigen – als een ongelovige iets voor Mij heeft afgehandeld en een bepaald bedrag heeft uitgegeven, zal Ik er ten eerste voor zorgen dat Ik hem financieel niets schuldig ben. Ik zal hem niet uit eigen zak laten betalen; Ik zal hem precies het bedrag geven dat nodig is. Bovendien heeft hij bij het afhandelen van deze zaak voor Mij veel moeite gedaan, zich enorm ingespannen en veel rondgerend, dus moet Ik hem uit hoffelijkheid een geschenk geven, enige compensatie voor de gunst bieden en niet van hem profiteren. Hij doet dit werk en verdient er zijn brood mee; Ik kan hem geen verlies laten lijden of geld uit eigen zak laten betalen omdat hij iets voor Mij heeft afgehandeld. Dat zou ongepast zijn. Dus zoek Ik in zulke zaken geen privileges voor Mijzelf. Natuurlijk is dit niet het volgen van de spelregels; het is gewoon zo dat men zich moet houden aan de meest fundamentele wereldse manieren en aan hoffelijkheid en wederkerigheid; in dit opzicht kunnen geen uitzonderingen worden gemaakt. Als je iemand vraagt een zaak af te handelen en hem niet betaalt, en altijd van hem probeert te profiteren, is dit een uiting van een gebrek aan integriteit. Wat zijn Mijn principes in deze zaken? Als je iets gedaan wilt krijgen, en het plan dat ze bieden is geschikt en je hun prijs kunt betalen, ga er dan mee door. Als je het niet kunt betalen, doe het dan niet; zoek iemand die goedkoper is om het te doen. Doe alleen wat je je kunt veroorloven. Neem niet te veel hooi op je vork, en denk er niet over na hoe je van anderen kunt profiteren. Als je niet over de financiële middelen beschikt om het te laten regelen, leen dan geld, sluit een lening af, of wacht totdat je genoeg geld hebt verdiend om het te laten doen. Kortom, bedenk zelf iets; je kunt niet van anderen profiteren. Als dit hun beroep is, dan moet je, wanneer ze iets voor je afhandelen, je belofte nakomen en hen betalen. Dit is volstrekt natuurlijk en gerechtvaardigd. Niet van anderen profiteren, anderen niet bedriegen, anderen niets schuldig zijn, je niet schaamteloos gedragen en geen schulden hebben – dit noemt men zich op een regelgetrouwe manier gedragen. Wanneer je in de problemen zit, stort dan niet je hart uit bij anderen; wanneer je arm bent, profiteer dan niet van anderen; wanneer je rijk bent, pronk dan niet met je rijkdom; en doe niet uit de hoogte vanwege je identiteit en status. Dit is Mijn credo voor de omgang met mensen en het afhandelen van zaken. Soms zoek Ik bijvoorbeeld iemand om iets voor Mij af te handelen. Laten we zeggen dat dit normaal gesproken slechts duizend dollar zou kosten, maar ze willen er vijfduizend. Hoewel Ik Mij dit kan veroorloven, zal Ik niet accepteren dat Ik op deze manier word opgelicht. Ik geef precies uit wat er gewoonlijk nodig is om dit gedaan te krijgen, en Ik ding niet af bij mensen. Als Ik het niet kan betalen, zoek Ik iemand die goedkoper is. Ik zal Mij absoluut niet schaamteloos gedragen, noch zal Ik klagen dat Ik arm ben om hen de prijs te laten verlagen; Ik zeg zulke dingen nooit. Ik geef precies het bedrag dat nodig is om dit te laten regelen, betaal de marktprijs en handel volgens de regels. Zo strikt ben Ik nu eenmaal. Sommige rijke mensen zijn bijzonder opvallend en hooghartig. Ze dragen designermerken, diamanten ringen en halskettingen, en dossen zich van top tot teen uit met oogverblindende juwelen. Bovendien dragen ze overal waar ze gaan hoge hakken en vermijden ze over het algemeen om op tapijten te lopen, omdat ze denken: zonder dat geluid val ik te weinig op – ze lopen speciaal op marmeren of houten vloeren zodat mensen hun komst opmerken. Ze zetten zelfs hun designerzonnebril niet af wanneer ze een kamer binnenkomen, en ze scannen de kamer vanaf de deuropening om te zien wie er is, alsof ze willen zeggen: heb je gezien dat de koningin is gearriveerd? Waar ze ook komen, ze moeten eerst uit de hoogte doen. Als Ik in de zomer een zonnebril draag wanneer Ik naar buiten ga, stop Ik die snel in Mijn tas wanneer Ik op Mijn bestemming aankom, uit angst dat mensen Mij een zonnebril zien dragen en denken dat Ik uit de hoogte doe, wat tot misverstanden zou kunnen leiden. De meeste schoenen die Ik draag hebben rubberen of schuimrubberen zolen, en Ik probeer geen geluid te maken bij het lopen. Wanneer Ik ergens heen ga om zaken af te handelen en Ik moet aanbellen, dan doe Ik dat. Als Ik niet hoef aan te bellen, vertel Ik, zodra Ik binnen ben, eerst aan de receptionist dat Ik op een bepaalde tijd een afspraak heb met die-en-die, en ga dan zitten wachten. Ik zie sommige mensen zitten en op hun telefoon kijken wanneer ze niets te doen hebben. Ze zitten met hun benen over elkaar, gooien hun gepermanente haar naar achteren en hebben een designertas naast zich staan – ze doen zo gewichtig. Waar Ik ook kom, Ik stel Mij bijzonder onopvallend op. Ik zoek een hoekje om in te zitten en klem Mijn tas tegen Mijn borst om te voorkomen dat hij door slechte mensen wordt weggegrist. Ik ben voorzichtig en houd Mij op de vlakte. Wanneer het Mijn beurt is, ga Ik snel de zaak afhandelen zonder te treuzelen, en probeer Ik zo min mogelijk de aandacht te trekken. Ik volg de regels bij het afhandelen van zaken en ben mensen niets schuldig. Waar Ik ook kom, houd Ik Mijn bewegingen beheerst; Ik wil niemands aandacht trekken. Dat wil zeggen, waar Ik ook heen ga om iets af te handelen, beweeg Ik Mij stilletjes en ben Ik nooit zo luidruchtig dat Ik Mijn aanwezigheid aankondig. Wanneer Ik met ongelovigen omga en zij gewoonlijk bepaalde regels hebben voor het afhandelen van zaken, dan volg Ik die regels. De regel in die-en-die branche is bijvoorbeeld dat nadat iemand een zaak voor je heeft afgehandeld, je hem op een maaltijd moet trakteren. Afgaande op de prijs van onze transactie, zou de maaltijd over het algemeen ongeveer vijftien dollar moeten kosten, dus trakteer Ik hem op een maaltijd die ongeveer zoveel kost. Sommige mensen zeggen: ‘Aangezien U hem op een maaltijd trakteert, geef dan wat meer geld uit om indruk te maken.’ Dat is nergens voor nodig. Wat hun regels ook zijn, wij houden ons eraan. Ga niet te ver, en verspil geen geld alleen maar om te pronken. In het Westen is het gebruikelijk om een fooi te geven wanneer je iemand vraagt iets voor je te regelen, of wanneer je uurwerkers of arbeiders en dergelijke inhuurt. Sommige branches hebben regels met betrekking tot de hoogte van de fooi, terwijl andere dat niet hebben. In de branches die dergelijke regels niet hebben, geef Ik meestal uit beleefdheid en respect voor de werker een redelijke fooi, gebaseerd op zijn tarief, de kwaliteit van zijn werk en zijn houding. Als hij goed werk heeft geleverd, geef Ik hem vijf dollar extra; als hij gemiddeld werk heeft geleverd en Ik in de toekomst geen gebruik meer van hem wil maken, geef Ik hem geen extra geld, maar Ik geef hem niet minder dan wat hij heeft verdiend. Wat het geven van fooien betreft, gedraag Ik Mij niet alsof Ik een magnaat ben en pronk Ik niet opzettelijk met Mijn rijkdom door een handvol contant geld tevoorschijn te halen en dat aan iemand te geven zonder het te tellen. Ik doe zulke dingen nooit. In plaats daarvan leg Ik, voordat hij met zijn werk begint, het geld van tevoren klaar op basis van zijn tarief en geef Ik het hem wanneer hij vertrekt. De meeste mensen zijn hier heel tevreden mee. Dit kan ook worden beschouwd als een regel voor het afhandelen van zaken in het Westen. Aangezien het een regel is, moeten we ons eraan houden en deze niet overtreden. Als je ergens nieuw bent en de regels niet begrijpt, kun je ze het beste leren. Zodra je ze begrijpt, houd je dan niet van de domme; doe je best om zaken volgens de regels af te handelen. Natuurlijk is het niet zo dat Ik bang ben dat mensen achter Mijn rug om over Mij oordelen of zeggen dat Ik Mij niet op een regelgetrouwe manier gedraag – het is niet uit angst voor deze dingen. Ik vind veeleer dat het zo hoort; het is wat Ik verondersteld word te doen. Sommige mensen zeggen: ‘Als U hem tien dollar te weinig zou betalen, zou U dan niet genoeg hebben voor een extra maaltijd?’ Zo kun je het niet bekijken. Dat is wat hij heeft verdiend. Als je hem tien dollar minder geeft, staat dat gelijk aan het afpakken van tien dollar van hem. Het geld dat je van anderen hebt afgepakt gebruiken voor je eigen uitgaven is gewetenloos. Dingen doen tegen je geweten in is niet in overeenstemming met menselijkheid; het is verstoken van menselijkheid. Als je probeert hem op die manier te kort te doen, dan gedraag je je niet op een regelgetrouwe manier. Zich op een regelgetrouwe manier gedragen betekent op zijn minst onpartijdig handelen en de dingen bij hun naam noemen. Stel dat je in de dienstverlening werkt en afhankelijk bent van fooien om in je levensonderhoud te voorzien. Als iemand je geen fooi geeft en van je profiteert, hoe zou je je dan voelen? Het is dezelfde logica. Geen fooi geven is in een bepaalde branche misschien niet in strijd met de wet, en niemand zal je erom vervolgen, maar kun je het verantwoorden tegenover je geweten? Als je het niet kunt verantwoorden tegenover je geweten, dan heb je een schuld aan je geweten. Als je in dit leven te veel van zulke schulden hebt, wanneer zul je ze dan kunnen afbetalen? Zo kun je je niet gedragen. Misschien profiteer je een beetje van iemand door hem geen fooi te geven, maar voel je dan geen beschuldiging van je geweten? Als je dat echt niet voelt, dan is er werkelijk een probleem met je. Als je over zoiets kleins van iemand probeert te profiteren, ben je dan misschien tot nog ergere dingen in staat? Kun je met zo’n mentaliteit de waarheid nog beoefenen?
Iedereen kan deze voorbeelden waarover we hebben gecommuniceerd met betrekking tot het zich op een regelgetrouwe manier gedragen, in de loop van zijn leven en overleven tegenkomen. Voor de geïncarneerde God, die te midden van deze mensheid leeft, zijn deze dingen ook onmogelijk te vermijden en zijn het dingen die Hij onder ogen moet zien. Bij het doen van deze dingen houdt de geïncarneerde God Zich over het algemeen strikt aan de credo's en principes van het Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en het dingen plichtsgetrouw doen. Ikzelf doe precies dit. Natuurlijk, wanneer Mijn interacties met jullie kerkwerk of jullie persoonlijke leven betreffen, en als jullie Mij vragen om met jullie te communiceren of Mij raadplegen over hoe een bepaalde kwestie moet worden aangepakt, zal Ik strikt volgens Mijn credo's voor zelf-gedrag met jullie communiceren. Of jullie ze nu aanvaarden of niet, Mijn gezichtspunten en de manieren en principes waarop Ik Mij gedraag, blijven onveranderd. Ik zal jullie absoluut niet leren om mazen in de wet uit te buiten om extra voordeel te behalen; dat doen is absoluut ongepast. Wat er ook gebeurt, Ik zal jullie eerst duidelijk laten uitzoeken of het bij de zaak gaat om wetten, beleid of de voorschriften van een bepaalde branche. Als het om deze dingen gaat, zal Ik jullie vertellen om overheidsfunctionarissen te raadplegen, een advocaat te raadplegen of de relevante regels online op te zoeken. Als het om financiële kwesties gaat, dan moeten jullie een accountant raadplegen. In welk land jullie je ook bevinden, jullie moeten op deze manier handelen. Dit is hoe Ik de dingen doe, en Ik zal je absoluut niet aanmoedigen om deze credo's te schenden. In plaats daarvan vereis Ik van jou dat je je strikt houdt aan de wetten en voorschriften van elk land, inclusief de regels en bepalingen van elke openbare plaats of elke branche. Als je er niet van op de hoogte bent, moet je het initiatief nemen om je erin te verdiepen en er mensen over te raadplegen. Als je er wel van op de hoogte bent, moet je je best doen om je eraan te houden. Wat de regels ook zeggen, dat is hoe we de dingen zouden moeten doen. Zelfs als de regels of wetten van het land soms van invloed zijn op de tijd die je besteedt aan het vervullen van je plicht, of van invloed zijn op sommige zaken die verband houden met je plicht, moet je je er nog steeds aan houden. Je kunt manieren bedenken om de tijd waarop je je plicht vervult of de omgeving waarin je die vervult aan te passen, om te voorkomen dat je in conflict komt met de wetten en voorschriften van het land, en ook om te voorkomen dat je je inlaat met gedragingen of incidenten veroorzaakt die de wetten en voorschriften van het land schenden. Is het gepast om de dingen op deze manier te doen? (Ja.) Dit is één aspect. Een ander aspect is dat, ongeacht van welk land de wetten en voorschriften zijn, en ongeacht of ze redelijk of onredelijk zijn, zolang ze uitdrukkelijk door de overheid zijn vastgesteld, en zolang ze binnen de reikwijdte van Mijn leven en bestaan verschijnen, Ik Mij eraan houd en ze zoveel mogelijk naleef. Ik zal absoluut geen opmerkingen maken over of kritiek uiten op enige aspecten van de wetten en voorschriften van de overheid die onredelijk zijn of niet in het belang van de mensen zijn; in plaats daarvan houd Ik Mij aan de regels die de overheid ook maar instelt. Natuurlijk, wanneer Ik spreek over het Mij houden aan de wetten en voorschriften van de overheid, omvat dit niet de wetten die zich verzetten tegen religieus geloof of wetten die God ontkennen en weerstaan. Het verwijst veeleer naar die wetten en voorschriften die de rechten van burgers beschermen, de sociale orde handhaven en eerlijkheid bevorderen; dit is waar mensen zich aan zouden moeten houden. Welke gedachten mensen ook in hun hoofd hebben, het zich houden aan wetten en voorschriften komt op de eerste plaats. Men zou de wetten van het land moeten respecteren, en de regels en bepalingen van elke branche moeten respecteren. Als je je er niet aan kunt aanpassen of je ze niet leuk vindt, kun je deze branche vermijden, of je kunt het land verlaten. Maar rationeel gezien, als je in een bepaald land woont, of je zaken doet met mensen in een bepaalde branche, zou je je moeten houden aan de wetten van het land, aan de bepalingen en richtlijnen van de branche of van bepaalde speciale gelegenheden en omgevingen, en zelfs aan enkele morele normen. Ik streef ernaar Mij strikt te houden aan de wetten, voorschriften en bepalingen van de mensheid, aan enkele speciale regels en richtlijnen in openbare plaatsen, en aan de fundamentele morele en gedragsnormen van de mensheid. Ik maak nooit een punt van Mijn speciale identiteit en status, noch ga Ik in tegen enige wet, enig voorschrift, enige richtlijn, enige bepaling en dergelijke. Ik daag ze niet uit en overtreed ze niet opzettelijk om Mijn eigen gang te gaan; in plaats daarvan houd Ik Mij er strikt aan. Achter deze strikte naleving van Mij schuilt een respect voor hun wetten, voorschriften, bepalingen en regels. Dit is ook het principe dat men daadwerkelijk beoefent en naleeft wanneer men zich op een regelgetrouwe manier gedraagt en dingen plichtsgetrouw doet. Misschien begrijpen sommige mensen niet wat Mijn houding ten opzichte van deze dingen is; ze hebben misschien enkele gedachten in hun hoofd die niet in overeenstemming zijn met de werkelijkheid, of hebben enkele holle noties en verbeeldingen over Mijn principes en credo's voor het doen van zulke dingen. Vinden jullie, door op deze manier te communiceren, dat hier iets hols aan is? (Nee.) Zeggen dat er niets hols aan is, betekent dat Mijn houding ten opzichte van deze dingen is om ze rationeel te behandelen vanuit het perspectief van de menselijkheid. Ik neem geen superieure positie in, Ik bekijk de dingen niet vanuit het perspectief van de derde hemel, en Ik behandel deze dingen niet vanuit de speciale status van het hebben van Gods identiteit. In plaats daarvan behandel Ik ze op een heel menselijke manier vanuit een rationeel perspectief. Ik maak nooit een punt van Mijn identiteit als de geïncarneerde God in de manier waarop Ik deze dingen behandel, noch maak Ik ooit gebruik van deze identiteit om ze op een neerbuigende manier te bekijken. Ik daag deze dingen nooit uit, en Ik verstoor de wetten en voorschriften van het land of de regels van enige branche niet. In plaats daarvan houd Ik Mij gehoorzaam en plichtsgetrouw strikt aan deze wetten, voorschriften, bepalingen en andere dergelijke dingen. Nog praktischer, als het gaat om de omgang met mensen, houd Ik Mij ook aan een heel menselijk principe.
We hebben gecommuniceerd over enkele uitingen van hoe de geïncarneerde God Zich op een regelgetrouwe manier gedraagt. Dit zijn misschien dingen waar jullie nooit aan hebben gedacht, of dingen die jullie nooit serieus hebben genomen; jullie hebben misschien een heel hol idee van deze dingen; of, wanneer jullie deze dingen zien, ermee in contact komen of erover horen, wimpelen jullie ze misschien ronduit af. Deze dingen zijn echter een weerspiegeling van de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid, die door Gods geïncarneerde vlees worden gemanifesteerd. Daarnaast zijn het ook de meest normale en praktische uitingen van Zijn zelf-gedrag wanneer Gods Geest Zich met vlees bekleedt en onder de mensen komt. Door deze uitingen kunnen mensen beter begrijpen hoe de God in de hemel de kwestie van het zich gedragen en het lid worden van de mensheid bekijkt, behandelt en aanpakt. Deze credo's en principes voor zelf-gedrag stellen mensen in staat te zien en te weten dat God niets op een holle manier doet, dat Hij alles op een praktische manier doet, en dat Hij op een praktische manier volgens principes handelt, waarbij Hij Zich houdt aan de wetten en voorschriften van de mensheid, en aan de regels van de verschillende sferen van de menselijke samenleving. Terwijl de geïncarneerde God Zich aan deze wetten en voorschriften houdt, moet Hij ook Zijn bediening vervullen en het werk doen dat Hij van plan is te doen. Of het nu gaat om Zijn uitleven van normale menselijkheid, of Zijn doen van het werk van goddelijkheid, geen van beide is in conflict of in tegenspraak met de ander. De credo's en principes voor zelf-gedrag die God in Zijn normale menselijke leven tentoonspreidt, tonen de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God – dit is één aspect. Een ander aspect is dat Hij de normale menselijkheid uitleeft – die geweten en verstand bezit – die Gods Geest behoort te hebben bij het mens worden of Zich met vlees bekleden onder de mensen. Hoewel dit uitleven vaak geen verband lijkt te houden met de bediening die door de geïncarneerde God in Zijn goddelijkheid wordt vervuld, zijn de credo's en principes waaraan Gods uitleven in menselijkheid zich houdt, dezelfde als de essentie van de waarheid, Gods gezindheid en Zijn vereisten voor de mensheid die in Zijn goddelijke werk tot uitdrukking komen. De principes voor zelf-gedrag waaraan de geïncarneerde God Zich in Zijn menselijke leven houdt, zijn het Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en het dingen plichtsgetrouw doen. De werkprincipes waaraan Hij Zich houdt wanneer Hij Zijn werk in goddelijkheid doet, zijn dan in wezen hetzelfde – Hij gedraagt Zich op een regelgetrouwe manier en doet dingen plichtsgetrouw; de principes veranderen niet. Daarom zijn, wat de geïncarneerde God betreft, Zijn menselijkheid en goddelijkheid nooit gescheiden; ze zijn volledig verenigd. Zijn goddelijkheid kan door Zijn menselijkheid worden uitgedrukt, en Zijn menselijkheid is een uiting van een deel van Zijn goddelijkheid. Wanneer de geïncarneerde God te midden van de mensheid leeft, zijn Zijn menselijkheid en goddelijkheid die mensen gedurende deze periode kunnen zien daarom niet losgekoppeld of gescheiden; ze zijn verenigd. Het uitleven van Zijn menselijkheid en de credo's en principes van Zijn zelf-gedrag worden tot op zekere hoogte gecontroleerd, beïnvloed en gestuurd door Gods Geest. In een ander opzicht kan ook worden gezegd dat Hij Zijn normale menselijkheid uitleeft die geweten en verstand bezit. Alleen met een dergelijke menselijkheid kan Gods geïncarneerde vlees de totaliteit van Zijn goddelijke werk op Zich nemen, het werk dat Hij in Zijn goddelijkheid behoort te doen; alleen met een dergelijke menselijkheid kan Gods geïncarneerde vlees de bediening vervullen die Hij moet vervullen, en deze goed vervullen. Dit is één inzicht. Een ander inzicht is dat de bediening die door de geïncarneerde God wordt vervuld, wordt bereikt door een dergelijke menselijkheid die normaalheid en het praktische bezit. Hoe dan ook, de menselijkheidsessentie en de goddelijkheid van de geïncarneerde God vormen beide de geïncarneerde God, die de speciale identiteit van Christus heeft. Daarom maken de credo's en principes voor zelf-gedrag van de menselijkheid van de geïncarneerde God die je ziet, tot aan Zijn specifieke uitingen, houdingen en gezichtspunten in alles wat Hij doet, deel uit van Zijn menselijkheid en kan natuurlijk ook worden gezegd dat ze deel uitmaken van Zijn goddelijkheid. Deze twee kunnen niet worden gescheiden. Dat wil zeggen, wanneer je een dergelijke menselijkheid in de geïncarneerde God ziet, zou je er zeker van moeten zijn dat Hij het vlees is waarmee God Zich heeft bekleed. Natuurlijk, wanneer je in contact komt met de waarheid die door God wordt uitgedrukt, zou je, hoewel je erkent dat de geïncarneerde God goddelijkheid heeft, ook moeten erkennen dat Zijn menselijkheid deel uitmaakt van de geïncarneerde God, die een speciale identiteit heeft. Hoe dan ook, uiteindelijk is het mensen toegestaan deze normale en praktische kant van de geïncarneerde God te zien en de credo's en principes voor zelf-gedrag die Hij uitleeft, omdat deze betrekking hebben op vele kwesties waarmee Gods vlees in Zijn bestaan en leven wordt geconfronteerd. Hoewel deze praktische uitingen in het menselijke leven van de geïncarneerde God niet het niveau bereiken van de bediening die Hij vervult of Zijn voorziening van de waarheid, de weg en het leven aan mensen, staan deze principes en credo's voor zelf-gedrag niet los van de goddelijkheid in de geïncarneerde God. Juist omdat dit vlees Gods geïncarneerde vlees is en het vlees waarmee Gods Geest Zich heeft bekleed, kan de normale menselijkheid van deze geïncarneerde God dergelijke credo's en principes voor zelf-gedrag hebben. Wat dit impliceert, is dat het voor elk lid van de verdorven mensheid, of voor iedereen onder de verdorven mensheid die een bevoorrechte achtergrond, identiteit, maatschappelijke waarde en nobele status heeft, heel moeilijk is om zich op een regelgetrouwe manier te gedragen en dingen plichtsgetrouw te doen; niemand is een uitzondering. Daarom is dit aspect van normaalheid en het praktische wat de menselijkheid van de geïncarneerde God heeft en is, en natuurlijk maakt het ook deel uit van wat de goddelijkheid van de geïncarneerde God heeft en is; het is alleen zo dat Hij het door Zijn menselijkheid uitdrukt en onthult. Als de geïncarneerde God overal waar Hij kwam opschepte, altijd Zijn status deed gelden, hoogdravend sprak, Zich nobel voelde, op iedereen neerkeek en Zich uit de hoogte en machtig gedroeg, en altijd iedereen onder de voet wilde lopen; als Hij iedereen vervloekte die niet in aanbidding neerboog, hen tot as deed vergaan, hen op slag doodde of hen neersloeg met Zijn scherpe blik, dan zou het moeilijk te zeggen zijn of Hij daadwerkelijk een goddelijkheidsessentie in Zich had. In één opzicht heeft de geïncarneerde God het geweten en verstand van normale menselijkheid om heel het leven, de woorden en de daden van Zijn vlees in stand te houden. In een ander opzicht is Zijn goddelijkheid ook in Hem aan het werk, omdat goddelijkheid tenslotte Zijn ware leven is. Als Zijn menselijkheid net zo arrogant en zelfgenoegzaam was als die van de verdorven mensheid, zou je dan zeggen dat deze persoon de geïncarneerde God is? (Nee.) Stel dat iemand altijd bovennatuurlijke uitingen had, altijd dacht dat hij een hemels wezen was dat naar de aarde was neergedaald, altijd dit gevoel had, en altijd vanuit de hoogte tot mensen sprak, waardoor mensen tegen zijn woorden en daden opkeken. Stel dat hij altijd bovennatuurlijke en transcendente gedachten in zijn hart had, en in één oogopslag kon vertellen wat er in iemands vorige leven was gebeurd, welke slechte daden hij had begaan, welke dingen hij had gedaan, of hoe vaak hij als mens of dier was gereïncarneerd. Stel bovendien dat deze persoon altijd het gevoel had dat hij bijzonder nobel was, altijd bovennatuurlijke uitingen had tijdens het spreken, en vergezeld ging van tekenen en wonderen, waardoor mensen het gevoel kregen dat hij speciaal was. Zo iemand zou abnormaal zijn. In één opzicht zou de levensgezindheid in hem abnormaal zijn; in een ander opzicht zou het leven in hem niet het leven van goddelijkheid zijn. Dit is de enige manier om het te verwoorden.
Of het nu gaat om Zijn credo's voor zelf-gedrag of Zijn principes voor het afhandelen van zaken, alles wat de geïncarneerde God onthult en uitleeft is bijzonder normaal en praktisch. Kijk naar de dingen die Ik heb gezegd en de dingen die Ik in Mijn leven doe – zijn er abnormale dingen bij? Zijn er bovennatuurlijke of onconventionele dingen bij? (Nee.) Wat Ik ook afhandel, je zult niets ongewoons aan Mij ontdekken. Ik ben geen ongewoon persoon; Ik ben gewoon een normaal persoon. Bovendien zijn Mijn gedachten, gezichtspunten, denkwijze en logica bij het afhandelen van elke zaak niet verwrongen, extreem of bovennatuurlijk. Ik ben kalm en evenwichtig wanneer Ik met mensen omga en contact heb. Als mensen bereid zijn met Mij om te gaan, ga Ik met hen om; als ze dat niet zijn, probeer Ik niet bij hen in de gunst te komen. Vind je Mijn denkwijze normaal als het gaat om de omgang met mensen, het afhandelen van zaken, het doen van allerlei dingen en Mijn zelf-gedrag? (Ja.) Het is allemaal normaal. Ik heb jullie nooit opgeroepen of aangespoord om je te verzetten tegen de overheid van welk land dan ook, noch heb Ik jullie ooit zoiets verteld als: ‘Gelovigen in God komen allemaal van God; jullie komen allemaal uit de derde hemel. Vrees deze wereld niet; vertrap deze wereld onder jullie voeten! Jullie zijn allemaal zegevierende mannelijke kinderen; neem de ijzeren staf op om over deze wereld te heersen en over deze mensheid te heersen. Alle dingen liggen onder jullie voeten!’ Heb Ik dit ooit gezegd? (Nee.) Wat heb Ik gezegd? Dat jullie je bij alles wat jullie doen op een regelgetrouwe manier moeten gedragen. In welk land je ook in God gelooft en je plicht vervult, je moet je aan de wet houden en de dingen doen volgens de voorschriften van de overheid. Je mag absoluut niet roekeloos en eigenzinnig handelen; je moet voorzichtig zijn en niet losbandig zijn. Als je de wetten en voorschriften van de overheid schendt, zal dat, zodra er een klacht tegen je wordt ingediend, van invloed zijn op de vervulling van je plicht. Ik hamer hier voortdurend op. Hoewel het nogal alledaags klinkt, is het heel praktisch, omdat jullie te weinig levenservaring hebben en inzicht missen, en erg vatbaar zijn voor het maken van fouten. Jullie zijn gelovigen in God. Jullie doel om naar verschillende landen te gaan om jullie plicht te vervullen, is om Gods wil te volgen en van God te getuigen, niet om jullie tegen enig land of enige regerende partij te keren. Jullie zijn slechts schepselen die hun plichten vervullen; jullie zouden je volledig moeten onderwerpen aan de heerschappij van de Schepper, en jullie zouden je moeten onderwerpen aan hoe God de dingen ook orkestreert en arrangeert. Naar welk land je ook gaat, in wat voor soort omgeving je ook woont, of in de huizen van welke broeders en zusters je ook verblijft, je moet je op een regelgetrouwe manier gedragen en zoveel mogelijk helpen. Daarnaast moet je je houden aan de wetten en voorschriften die het land ook maar heeft. Ik spoor jullie herhaaldelijk aan om de regels niet te overtreden en ervoor te zorgen dat er geen klachten tegen jullie worden ingediend. Als er een klacht tegen je wordt ingediend, moet je uitzoeken welke fout je hebt gemaakt, welk voorschrift je hebt geschonden en waarom de klacht is ingediend. Leer je les, zodat het niet nog een keer gebeurt. Als je je les niet leert, zullen er klachten tegen je ingediend blijven worden. Mijn woorden in dit opzicht zijn allemaal oplossingen voor problemen op basis van werkelijke omstandigheden – Ik vertel je hoe je moet leven, hoe je moet overleven en hoe je je aan de regels moet houden, om geen onnodige problemen in je eigen leven en overleven te brengen. Naar welk land je ook gaat, je bent daar om je plicht te vervullen. Ten eerste moet je integreren in het land en je aan de wetten en voorschriften ervan houden. Je mag hun bestaande orde niet verstoren of hun problemen bezorgen. Alleen dan zullen ze je accepteren en je behandelen als een lid van het land, en alleen op deze manier kun je je settelen om je plicht te vervullen. Als je je niet eens aan de lokale regels houdt en dingen doet die de regels schenden, waardoor mensen voortdurend klagen en problemen voor je veroorzaken, tot het punt waarop ze je zelfs verafschuwen en niet meer willen dat je daar woont, hoe kun je er dan zelfs maar van dromen om je plicht te vervullen? Waar je ook woont, je moet je aan de lokale wetten en voorschriften houden. Zeg Mij, is het juist om op deze manier te praktiseren? Is het bevorderlijk voor jullie bij het vervullen van jullie plicht? (Ja.) Op deze manier praktiseren is heel praktisch. Zich aan wetten en voorschriften houden is basaal gezond verstand in het werkelijke leven. Het is geen veel ophef maken om niets, laat staan dat het overgevoelig is; het is een principe waaraan je je in het werkelijke leven moet houden. Als er iets gebeurt of er een probleem ontstaat, bespreken we de beste manier om het op te lossen en hoe je er een les uit kunt leren, zodat je ernaar kunt streven om in de toekomst minder fouten te maken of ze helemaal te vermijden, en iemand te zijn die zich op een regelgetrouwe manier gedraagt en dingen plichtsgetrouw doet. Sommige mensen houden zich nergens aan de regels, waar ze ook komen. Ze gooien overal afval neer en maken af en toe een hoop lawaai en verstoren de rust van hun buren. Als wilde dieren die een dorp binnenkomen, beïnvloeden en verstoren ze de leefomgeving, en wekken ze overal waar ze komen minachting en antipathie op bij mensen. Ik vertel deze mensen dat ze zich strikt aan de lokale wetten en voorschriften moeten houden, en dat ze de regels moeten volgen, en dat men alleen door zich op deze manier te gedragen normale menselijkheid heeft. Zeg Mij, is Mijn denkwijze en Mijn uitgangspunt bij het afhandelen van deze zaken correct? (Ja.) Ik doe geen dingen die verheven en groots, of abstract, of transcendent, of onconventioneel zijn. Ik corrigeer en instrueer mensen alleen met betrekking tot deze kleine zaken in hun leven, en de fouten en gebreken die in hun leven voorkomen, waarbij Ik hun problemen aanwijs en rectificeer en hun tips geef. Is het voor de geïncarneerde God praktisch om Zich op deze manier te gedragen? (Ja.) Het is zo praktisch! Het afhandelen van deze zaken is helemaal niet hol, en het staat helemaal niet los van het werkelijke leven. Dus, of we nu kijken naar de credo's en principes voor zelf-gedrag en het doen van dingen die tot uiting komen in het dagelijks leven van de geïncarneerde God, of naar de waarheden waarover Hij communiceert in de bediening die Hij vervult, beide aspecten zijn zo normaal en praktisch. Beide aspecten zijn dingen die mensen met een normale denkwijze, die positieve dingen liefhebben en die geweten en verstand hebben, kunnen begrijpen, vatten, aanvaarden en bereiken. Geen van beide aspecten staat ook maar enigszins los van het werkelijke leven; dit is normaal en praktisch zijn.
Hebben deze triviale levenskwesties die Ik zojuist noemde betrekking op de principes van zelf-gedrag en hoe je dingen doet? Zijn ze nuttig voor jullie? (Ja.) Laten we dan doorgaan. Op een keer ging er een waterleiding in het sproeisysteem van ons gazon ergens kapot, en het lekkende water stroomde de tuin van de buren in. Ik liet snel iemand de buren informeren en nagaan of we het voor hen moesten opruimen. De buren waren niet zo blij toen ze zoveel water naar binnen zagen stromen, maar omdat we het initiatief namen om hen in te lichten, maakten ze er uit beleefdheid geen groot punt van. Later, met Kerst, gaven we hun bij wijze van verontschuldiging een doos bonbons. Ze waren erg verrast en blij, en zeiden dat we het maar hoefden te zeggen of gerust bij hen konden aankloppen als we hulp nodig hadden. Tegen de avond kwamen ze zelfs met hun kind langs om ons een mand met fruit te geven, en zeiden: “Fijne feestdagen! Bedankt voor jullie cadeau, en welkom in onze buurt!” We wisselden een paar beleefdheden uit en toen vertrokken ze. Ik vond dat de zaak behoorlijk goed was aangepakt; als we zo met onze buren kunnen opschieten, zal de verstandhouding best goed zijn. Dit houdt in dat je de andere partij bij wijze van verontschuldiging iets cadeau geeft om, wanneer er een probleem is ontstaan, de verstandhouding te versoepelen of de zaak glad te strijken; gewoon elkaar wederzijds een gunst doen. Natuurlijk is het niet zo dat ze jouw cadeau zomaar van je krijgen en op die manier van je profiteren; ze geven er iets voor terug. Zie je, westerlingen doen dingen op een heel eigen manier. Wanneer ze cadeaus geven, zijn ze enorm oprecht. Het maakt niet uit of de cadeaus duur zijn; het belangrijkste is dat hun hart buitengewoon oprecht is. Dit is het uitwisselen van gunsten, en het is volledig gepast om de kwestie op deze manier af te handelen. Natuurlijk is er een context voor het afhandelen van dit soort kwesties. Wanneer er niets aan de hand is, is het niet nodig om zonder reden te proberen bij iemand in de gunst te komen, het initiatief te nemen om Chinees eten voor iemand te maken of iemand cadeaus te geven, en veel moeite te doen om een relatie met iemand te onderhouden. Dat is niet nodig. In de normale omgang is het voldoende om iemand gewoon te groeten wanneer je hem ziet en in goede harmonie samen te leven. Maar wanneer er een probleem ontstaat – bijvoorbeeld als je iets verkeerds doet en je je moet verontschuldigen – bied dan je verontschuldigingen aan. Je doet dit vanuit de rationaliteit van normale menselijkheid; het is helemaal niet overdreven of pretentieus. Zeg Mij, is het gepast om het op deze manier af te handelen? Is het in overeenstemming met de principes? (Ja.) Het is niet slaafs en ook niet arrogant en aanmatigend. Je stelt je niet superieur op, maar je behoudt ook je waardigheid. Sommige mensen denken: ‘Westerlingen eten graag Chinees. Laten we wat dumplings voor hen maken en hun wat snacks geven om te voorkomen dat ze een klacht tegen ons indienen als we in de toekomst bepaalde regels overtreden.’ Zonder reden in de gunst proberen te komen – zeg Mij, is dat gepast? (Nee.) Enerzijds valt niet te zeggen of het eten dat je maakt smaakt alsof het uit een authentiek restaurant komt en of de ander het überhaupt wel wil eten. Bovendien kent die persoon jou ook niet goed. Als je hem eten geeft dat je zelf hebt gemaakt, zal hij je dan vertrouwen? Anderzijds, waarom schenk je hem iets als er niets specifieks is gebeurd? Kent hij jou goed? Heb je ook maar iets met hem te maken; ben je met hem bevriend? Nee, dus zou het dan niet van de gekken zijn om hem steeds Chinees eten te willen geven? (Ja.) Zouden mensen dat niet vervelend vinden? (Ja.) Kijk naar Mijn principes voor de omgang met buren. Is Mijn denkwijze normaal? Pas Ik de principes nauwkeurig en naar behoren toe? (Ja.) Vertoon Ik enige uiting van verstoorde logica bij het denken? (Nee.) Mijn omgang met mensen is altijd normaal. In normale omstandigheden doe Ik mensen nooit iets cadeau. Als iemand Mij echt helpt, geef Ik hem iets als blijk van Mijn dankbaarheid. Het is gepast om zo met mensen om te gaan. Dit is normaal en praktisch zijn, en dit is ook je gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen. De meeste mensen begrijpen deze principes niet; dit noemt men dwaas en onwetend zijn. Vinden jullie dat ook niet? (Ja.) De dwaasheid van sommige mensen blijkt uit hoe ze dingen doen. Ze doen mensen altijd dingen cadeau en proberen zonder reden bij mensen in de gunst te komen, en wanneer mensen dit zien, denken ze dat er iets mis met hen is. Ik doe dit niet. Ik probeer niet bij mensen in de gunst te komen. Ik heb waardigheid, en Ik heb Mijn principes voor hoe Ik dingen doe. Wanneer er echt een probleem ontstaat, handel Ik principieel. Ik houd Me aan de regels, Ik heb een grens en Mijn manier van denken is logisch, in overeenstemming met normaal denken en in overeenstemming met de rationaliteit. Er zijn veel details met betrekking tot dit aspect, de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God, maar het is niet nodig om op veel dingen in detail in te gaan. Kortom, Zijn denken in dit opzicht is beslist normaal.
In de omgang met mensen stel Ik Mezelf nooit voor; zelfs wanneer Ik broeders en zusters ontmoet, stel Ik Mezelf nooit voor. In Mijn omgang met mensen doe Ik nooit uit de hoogte als de geïncarneerde God. Vind je dit normale en praktische uitingen van je gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen? (Ja.) Sommige broeders en zusters zeggen bijvoorbeeld: “U bent God, U bent de Schepper. Het is een eer voor iedereen om dingen voor U te doen. Als ze die niet goed doen, vragen ze om de dood!” Wanneer Ik zulke mensen ontmoet, zeg Ik: “Blijf bij Me uit de buurt! Wat heeft het voor zin om die dingen te zeggen? Zelfs als broeders en zusters dingen voor Mij doen, stel Ik zulke eisen niet aan hen.” Met wie Ik ook omga, Ik laat hun nooit Mijn identiteit weten. Zeg Mij, is dit een uiting van normaal denken en normale menselijkheid? (Ja.) Zie je, een gek zou zichzelf altijd voorstellen en zeggen: “Ik ben de Jadekeizer! Ik ben de Koningin-Moeder van het Westen, neergedaald op aarde! Ik kom uit de hemel. Als jullie, kleine onderkruipsels, niet naar me luisteren, zal ik jullie wegvagen!” Wat zou zo iemand zijn? (Een Satan en een duivel.) Hij zou een Satan en een duivel zijn. Naar menselijke begrippen zou hij een geesteszieke worden genoemd, iemand zonder normale rationaliteit. Zal iemand die geen normale rationaliteit heeft, zich volgens de regels gedragen en plichtsgetrouw handelen? (Nee.) Je kunt je alleen volgens de regels gedragen en plichtsgetrouw handelen als je op zijn minst een goed functionerend geweten en standaard rationaliteit bezit. Aangezien de geïncarneerde God normale menselijkheid heeft, worden Zijn gedrag en handelingen gereguleerd door het geweten en de rede van de normale menselijkheid, en leeft Hij natuurlijkerwijs binnen een dergelijke normale menselijkheid die geweten en rationaliteit bezit; daarom houdt Hij Zich, in Zijn gedrag en hoe Hij dingen doet, strikt aan de principes ‘Zich gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen’. Als sommige ongelovigen een persoonlijke zaak van Mij verknoeien, of Mij opzettelijk bedriegen, of opzettelijk dingen beschadigen, trek Ik hieruit lering en gebruik Ik hen nooit meer. Wat ongelovigen betreft, hoe mooi hun woorden ook klinken, moet Ik op Mijn hoede zijn; als Ik niet uitkijk, trap Ik in hun listen. Er zijn te veel bedriegers in deze wereld. Het kan hun niet schelen wie je bent; zolang ze je kunnen bedriegen, zullen ze dat doen. In het spirituele rijk zien Satan en duivels duidelijk dat God soeverein is over alle dingen, en zien ze Gods almacht en Gods essentie, maar ze respecteren God nooit, vrezen God nooit en erkennen Gods identiteit en essentie nooit. Zeg Mij, wie onder het door Satan verdorven menselijk ras kan God, nu Hij vleesgeworden is, erkennen en zich aan Hem onderwerpen? Zelfs de mensen die in God geloven, erkennen Hem niet volledig, laat staan dat ze zich aan Hem onderwerpen. Sommige mensen zeggen dat ze voor God zullen neerbuigen en voor Zijn aanschijn zullen aanbidden – ze vinden het prima om te knielen voor de hemel, te knielen voor het kruis, te knielen voor de naam van Jehova, of te knielen voor een portret van de Heer Jezus, maar in hun hart kunnen ze het knielen voor Mij, deze persoon, niet verwerken: “Ben jij het in wie ik geloof? Je ziet er niet uit als god! Als ik voor jou kniel, zou ik mezelf dan niet verlagen? Ik kan knielen voor de hemel, de aarde en mijn ouders – hoe zou ik kunnen knielen voor een onbeduidend iemand zoals jij? Waarom zou ik voor jou knielen, vooral aangezien je een vrouw bent, je uiterlijk onopvallend is, je niet beroemd bent en je geen status of prestige in de wereld hebt?” Ze voelen zich ongemakkelijk. Wanneer ze willen knielen, aarzelen ze, en nog voordat ze knielen, staan ze weer op, onwillig en met tegenzin. Ik zeg: “Kniel niet voor Mij. Als je wilt knielen, kniel dan voor de God in de hemel. Ik heb het niet nodig dat je voor Mij knielt; Ik kan het niet aanvaarden. Ik heb niet zoveel macht dat Ik je de lucht in zou kunnen opnemen en je naar de derde hemel zou kunnen brengen. Ik ben maar een gewoon mens. Ik breng jou, een verdorven mens, voor God. Vervolgens vertel Ik je de waarheden die Ik ken en begrijp, zodat je ze kunt beoefenen, zodat je redding kunt verkrijgen, waardoor je volledig verandert in een standaard schepsel en vervolgens wordt teruggebracht naar de Schepper – dit is Mijn verantwoordelijkheid en Mijn bediening. Dat is het enige waar Ik nuttig voor ben, wat jullie allemaal betreft. Ik heb niets noemenswaardigs bereikt ten aanzien van jou, en evenmin ten aanzien van de God in de hemel. Ik ben slechts een gewoon mens die de dingen heeft gedaan die Ik hoorde doen, de woorden heeft gesproken die Ik hoorde te spreken en het werk heeft gedaan dat Ik hoorde te doen. Ongeacht of je in je hart bereid bent, ben Ik vanuit het perspectief van Mijn menselijkheid absoluut niet bereid jouw knielen en aanbidding te aanvaarden. In je hart ben je bovendien onwillig en verzet je je, dus kan Ik het des te minder aanvaarden.” Zie je, is Mijn denken normaal? Ongeacht uit welk aspect van de menselijkheid het voortkomt, is dit een uiting van normaal denken. Omdat de geïncarneerde God binnen een normale menselijkheid leeft, en in het werkelijke leven als een gewoon mens leeft, en niet buitengewoon is, wordt de manier waarop Hij verschillende zaken behandelt en afhandelt grotendeels gereguleerd door het geweten en de rede van Zijn menselijkheid. Dit zorgt ervoor dat veel mensen noties ontwikkelen; ze denken: ‘Is hij niet gewoon een alledaags, normaal mens?’ Zelfs als mensen de incarnatie erkennen en Gods werk aanvaarden, willen ze in hun hart niet voor deze persoon knielen en hem aanbidden, of zich aan hem onderwerpen. Eigenlijk, vanuit Mijn hart gesproken, wil Ik jouw knielen en aanbidding niet aanvaarden, omdat Ik waardigheid en rationaliteit bezit. Zelfs als je bereid zou zijn om voor Mij te knielen en Mij te aanbidden, zou Ik niet bereid zijn dat te aanvaarden, laat staan wanneer je terughoudend bent. Wat betekent dit? Het betekent dat er binnen het geweten en de rede van de menselijkheid van deze geïncarneerde God ook een gevoel van schaamte is. Wat betekent het om een gevoel van schaamte te hebben? Het betekent dat als iemand zou zeggen: “Ik ben terughoudend wat betreft knielen voor deze persoon en hem aanbidden; ik ben vanbinnen een beetje onwillig”; of als iemand in een staat van verwarring zou leven; of als iemand zou knielen en aanbidden terwijl hij vol verbeeldingen over God zat, Ik dan zou zeggen dat dit soort knielen en aanbidding allemaal niet legitiem is. Ik heb niets aan dit soort rituelen; jullie moeten je absoluut niet inlaten met dergelijk ritualisme. Zelfs als je voor Mij zou knielen, zou het me generen om dat te aanvaarden. Als je erop zou staan om voor Mij te knielen, zou Ik dan moeten zeggen “Hartelijk bedankt” of “Dank je”? Ik zou echt niet weten wat Ik moest zeggen. Waarom niet? Je hebt op dit moment niet eens duidelijkheid over je eigen situatie in verschillende opzichten, en toch probeer je voor Mij te knielen en Mij te aanbidden; Ik kan het echt niet aanvaarden. Ik weet niet of je God oprecht aanbidt. Als Ik zou proberen je te aanvaarden als iemand die God vreest en het kwaad mijdt, zou je daar echt niet aan voldoen. Dus daar loopt de kwestie op vast – het is erg genant. Het is Me nog steeds niet duidelijk als wat Ik je zou moeten aanvaarden of wat gepast zou zijn om tegen je te zeggen, dus verzet Ik Me nogal tegen deze kwestie. Jullie allemaal moeten absoluut niet voor Mij knielen en Mij absoluut niet aanbidden. Ik heb het niet nodig en Ik houd er niet van. Als jullie enig aspect van de waarheid moeten begrijpen of enig aspect van de principes van zelf-gedrag en hoe je dingen doet nodig hebben, kan Ik erover communiceren. Maar als jullie je met deze formaliteit willen inlaten, raad Ik jullie aan het niet te doen, althans nu niet. Doe het niet vóórdat jullie in jullie hart ware onderwerping aan God hebben en voordat jullie het pad zijn ingeslagen van God vrezen en het kwaad mijden; laat je niet in met deze formaliteit. Dat zou niet goed zijn; het zou de dingen voor ons beiden ongemakkelijk maken. Het is het beste om dit te vermijden; het heeft geen zin om je in te laten met dergelijk ritualisme.
In de communicatie over de kwestie van de noties en verbeeldingen van mensen over de geïncarneerde God, heb Ik veel voorbeelden gegeven met betrekking tot de normaalheid en het praktische van de geïncarneerde God. Uit deze voorbeelden kunnen jullie opmaken dat de geïncarneerde God niet buitengewoon, transcendent, bovennatuurlijk of onconventioneel is. Deze en soortgelijke dingen zijn hetgeen mensen moeten begrijpen met betrekking tot de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid, van de geïncarneerde God. Zijn uitleven, en de beginselen en principes van Zijn zelf-gedrag, zijn allemaal bijzonder praktisch en bijzonder normaal, en wanneer Hij dingen tegenkomt, kan Hij ook geduldig en tolerant zijn. Wat Hij ook doet, alles wat de geïncarneerde God in Zijn leven uitleeft en openbaart, weerspiegelt dat er een praktische kant zit aan hoe Gods geïncarneerde vlees Zich gedraagt. Dat wil zeggen: hoe Hij verschillende dingen onder ogen ziet en met verschillende problemen omgaat, is volledig gebaseerd op de beginselen en principes van Zijn zelf-gedrag, namelijk Zich gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen. Een paar jaar geleden ging het kind van onze buren naar de universiteit; ze hielden een feest in de tuin om dat te vieren, waarbij ze zongen en dansten. Om één of twee uur ’s nachts waren ze nog steeds aan het zingen met een microfoon, en veel omwonenden konden het duidelijk horen. Westerlingen dienen graag klachten in, maar in deze situatie diende niemand een klacht in, omdat we op dat moment allemaal al vele jaren buren van elkaar waren. Iedereen dacht: ‘De kinderen zitten al zoveel jaar op school, en ze kunnen zich maar zelden laten gaan, dus laat ze maar uit hun dak gaan. Af en toe van zoiets last hebben en één nacht niet goed slapen is geen groot probleem; we beschouwen het gewoon als laat opblijven.’ Is het normaal om zo te denken? Moet men dit soort geduld en tolerantie voor anderen opbrengen? (Ja.) Sommige mensen zeggen: “U bent God, hoe kunt U geduld opbrengen voor verdorven mensen die lawaai maken? U zou niet geduldig moeten zijn; Uw rust is heel belangrijk!” Ik zeg: “Voor wie niet? Ieders rust is belangrijk.” Maar volwassenen moeten soms wat tolerantie en begrip tonen; vooral ten opzichte van kinderen moeten we in zekere mate tolerant zijn. Wanneer je in deze wereld leeft, gaan bovendien veel dingen niet zoals je wilt, en vaak moet je gewoon geduldig zijn. Deze dingen stellen niets voor; je moet ook dingen verdragen die ernstiger zijn dan dit en die je werkelijk schade berokkenen. Iedereen leeft in deze wereld en krijgt terwijl hij probeert te overleven te maken met veel situaties waarin hij geen keuze heeft. Zul je dan echt gewoon vast komen te zitten wanneer je te maken krijgt met zulke situaties? Zul je niet verder kunnen leven? De zon zal ook de volgende dag opkomen. Het leven moet doorgaan. Het is niet nodig om kleingeestig te doen over een triviale kwestie, je erop te fixeren en te doen alsof het einde zoek is. Het is niet nodig om ophef te maken of van een mug een olifant te maken. Bij dit soort dingen moet je tolerant en geduldig zijn. Wanneer je op een dag meer hebt ervaren, zul je inzicht krijgen en weten hoe je ermee moet omgaan. Zeg Mij, is deze denkwijze normaal? (Ja.) Wat zou iemand met een abnormale denkwijze denken: ‘Jij snotaap, je bent volwassen geworden en begint er op los te feesten. Deze ongelovigen zijn werkelijk duivels! Weet je wel wie ik ben? Je hebt mijn rust verstoord; daar zul je nog spijt van krijgen. Ik vervloek je!’ Zijn zulke gedachten normaal? (Nee.) Deze gedachten zijn abnormaal, dus zo moet je niet denken. Ik zou Zelf niet zo denken. Wanneer deze dingen gebeuren, kan Ik geduldig zijn en er op een juiste manier mee omgaan; Ik kan deze dingen behandelen en afhandelen met de gedachten en gezichtspunten van een volwassene. Natuurlijk zijn dit ook specifieke uitingen van zich gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen. Sommige mensen zeggen: “Gods grootmoedigheid is zo uitgestrekt als de zee en de lucht, dus zulke onbeduidende mensen zijn niets voor God. Hoe luidruchtig het ook wordt, Hij hoort het niet; Hij voelt niets. Dit noemt men op een hoger niveau staan, dit noemt men zich op een ander vlak bevinden, dit noemt men ruimdenkend zijn.” Is dit het geval? (Nee.) Ik richt Me echt niet op ‘ruimdenkendheid’. Ik weet niet zeker wat ‘ruimdenkendheid’ betekent, Ik begrijp ook niet wat ‘zich op een ander vlak bevinden’ is, en Ik sta niet op zo’n ‘hoog’ niveau. Ik weet alleen wat normaal denken en normale rationaliteit zijn, hoe te handelen op een manier die in overeenstemming is met menselijkheid en rationaliteit, welke dingen geduldig verdragen moeten worden, welke dingen serieus genomen moeten worden, en welke principes en beginselen strikt nageleefd moeten worden in de omgang met mensen, evenals hoe te denken op een manier die in bepaalde situaties niet verwrongen, radicaal, bovennatuurlijk of extreem is, en hoe normaal te denken zonder naar de ene of de andere kant door te slaan. Ik weet deze dingen, maar Ik heb nooit geweten wat ‘zich op een ander vlak bevinden’, ‘ruimdenkend zijn’ en ‘zich onopvallend gedragen’ betekenen. Ik houd Me gewoon aan de principes ‘Mij gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen’. Is dit niet eenvoudig? (Ja.) Met welke kwestie Ik ook bezig ben, vanuit Mijn perspectief en standpunt bekijk Ik elke kwestie en elke persoon op een juiste manier, rechtvaardig, redelijk en rationeel als een alledaags, normaal mens, waarbij Ik ernaar streef om bij alles wat Ik doe rechtvaardig, eerlijk, redelijk en rationeel te zijn, en niet radicaal, onecht of onconventioneel. Bovendien doe Ik niet uit de hoogte en beschouw Ik nooit iets vanuit zo’n onechte positie als de derde hemel. Hoewel mensen er niets bijzonders aan zien dat Ik veel dingen in het werkelijke leven op deze manier aanpak, zijn dit enkele gedachten en gezichtspunten, en gedragingen, die men als lid van de mensheid nodig heeft om te leven en overleven. Het geeft veel stabiliteit om op deze manier te leven en het is niet vermoeiend, dus veel mensen vinden dat Ik gemakkelijk in de omgang ben, zonder allerlei onnodige complicaties. Ik vertel jullie deze dingen niet alleen om jullie wat dingen te laten weten, maar om jullie te zeggen dat Ik principes heb wanneer Ik met wie dan ook omga of kwesties aanpak – Ik eigen Mij nooit dingen toe door middel van geweld of bedrog, Ik heb nooit gladde praatjes, in de omgang met mensen wil Ik nooit van iemand profiteren, en bij het aanpakken van welke kwestie dan ook zal Ik beslist de wet niet overtreden. Kortom, de principes van Mijn zelf-gedrag bestaan eruit dat Ik Me houd aan de beginselen ‘Me gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen’, om zo een vredig geweten te hebben en eerlijk te handelen, niemand te schaden of te bedriegen, en andermans belangen niet te schaden. Zelfs als Ik er op de een of andere manier voordeel uit haal, zal dat nietten koste zijn van andermans belangen; in plaats daarvan streef Ik ernaar eerlijk en rechtvaardig te zijn. Ik heb jullie deze dingen verteld en deze voorbeelden gegeven, en Ik heb ook in theorie met jullie gesproken over de principes van dit aspect, hoe men zich moet gedragen. Dit is nu eenmaal het soort persoon dat Ik ben. Als jullie meer willen leren om de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid waarover Ik sprak te verifiëren, en om te verifiëren dat Ik inderdaad handel volgens deze principes, ‘Mij gedragen volgens de regels en plichtsgetrouw handelen’, nodig Ik jullie uit om overal op onderzoek uit te gaan en bewijzen te verzamelen om te zien of wat Ik zeg met de feiten strookt. Kortom, deze dingen zouden jullie allemaal duidelijk moeten zijn. Dit zijn in wezen alle kwesties met betrekking tot het leven en het bestaan van de geïncarneerde God. Dit is wat jullie zouden moeten begrijpen, en wat jullie ook moeten begrijpen.
De geïncarneerde God houdt Zich in Zijn menselijke leven niet alleen strikt aan de beginselen en principes ‘Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’, Hij houdt Zich ook strikt aan deze beginselen en principes bij de bediening die Hij vervult. Ik heb vele jaren gewerkt en gepredikt, en jullie hebben altijd de woorden gelezen waarover Ik communiceer. Door middel van verschillende onderwerpen moet het voor jullie mogelijk zijn geweest om Mijn gezichtspunten, standpunten en houdingen ten aanzien van verschillende kwesties te begrijpen. Jullie weten dit in theorie, maar weten jullie hoe Ik Mij gedraag en dingen doe bij de bediening die Ik vervul? Misschien weten sommigen van jullie alleen dat Ik dingen heb gedaan en welke uitingen Ik heb vertoond, maar als het om specifieke zaken gaat, weten jullie misschien nog niet wat Ik in Mijn hart denk of wat Mijn plannen en voornemens zijn. Daarom zal Ik een korte inleiding houden. Als het gaat om de kwestie van het vervullen van Mijn bediening, spaar Ik in principe geen moeite met het werk dat Ik kan en behoor te doen – en dat Mijn bediening betreft – en ben Ik niet gebonden aan enige beperking. Ik eis niets van jullie en eis de eer niet voor mezelf op. Ik probeer alleen maar op alle mogelijke manieren duidelijk uit te leggen wat Ik kan, wat Ik begrijp en wat Ik weet. Om dingen duidelijk uit te leggen, zelfs als het langdradig of lastig is, doe Ik Mijn best om dingen duidelijk te maken. Ik streef ernaar een punt te bereiken waarop Ik in Mijn hart voel dat jullie het hebben begrepen en dat Ik de dingen duidelijk heb uitgelegd. Dan stop ik met spreken, en het onderwerp is daarmee besloten. Als Ik het idee heb dat Ik te weinig heb gezegd en jullie het misschien niet hebben begrepen, treed Ik in detail, zeg Ik meer en zeg Ik het zelfs keer op keer, waarbij Ik op alle mogelijke manieren probeer het onderwerp duidelijk uit te leggen. Ik ben niet bang dat jullie Mij uitlachen – Ik ben niet bang dat sommige intellectuelen lachen en zeggen: “Je bent echt langdradig als je spreekt!” Ik kom alleen maar Mijn verantwoordelijkheid na op basis van de principes ‘Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’, door de woorden die Ik van plan ben te zeggen duidelijk en eenvoudig uit te leggen. Als mensen sommige van de woorden die Ik over de waarheid communiceer niet kunnen bevatten, en het na het horen ervan nog steeds niet goed begrijpen, geef Ik een voorbeeld en druk me specifieker uit. Hoewel Ik zodoende veel woorden moet zeggen, waardoor Ik Me uitgeput en geestelijk afgemat voel en een droge mond krijg, moet Ik toch op alle mogelijke manieren proberen de dingen duidelijk uit te leggen. Als jullie het niet begrijpen nadat Ik die keer ben uitgesproken, houd Ik nog een bijeenkomst. En wat houdt dat in? Nog een bijeenkomst houden en spreken tot Ik een droge mond heb, houdt in dat Ik erg uitgeput raak; het houdt in dat Ik opnieuw uitputting moet ondergaan. Maar Ik mag niet verslappen. Ik mag niet nalaten over dit onderwerp te spreken en Me af te vragen of jullie het hebben begrepen, louter omdat Ik het er de vorige keer over heb gehad en bang ben om moe te worden. Ik moet op alle mogelijke manieren proberen dit onderwerp duidelijk uit te leggen. Wat betreft de vraag of jullie de waarheid kunnen begrijpen, aanvaarden en beoefenen na het horen van deze woorden, dat hangt af van jullie persoonlijke streven; daar houd Ik Mij niet mee bezig. Wat echter de onderwerpen betreft waarover Ik wil spreken en nog niet heb gesproken, en de verantwoordelijkheden of lasten waarvan Ik Me nog niet heb gekweten, die moet Ik absoluut voltooien en goed afhandelen, totdat Ik uiteindelijk voel: ‘Nu is het duidelijk uitgelegd. Ik heb alles behandeld wat onder dit onderwerp valt. Op zijn minst weten jullie ervan en begrijpen jullie het.’ Dan ben Ik op Mijn gemak. Het kan zijn dat het houden van een paar extra bijeenkomsten voor jullie Mij zo uitput dat Ik een paar dagen niet kan slapen, maar de volgende keer dat dit gebeurt, zal Ik niettemin voor deze benadering kiezen. Ik zal niet verslappen en zeggen: “Om te voorkomen dat Ik uitgeput raak, zal Ik niet zoveel zeggen en zal Ik één bijeenkomst minder houden. Laten we dit onderwerp hier beëindigen; de meeste mensen streven de waarheid toch niet na.” Ik zal niet plichtmatig tegenover jullie zijn en zal niet plichtmatig zijn wat betreft de bediening die Ik vervul. Wanneer Ik dit doe, zeg Ik nooit dat Ik recht moet doen aan Mijn geweten, of recht moet doen aan de broeders en zusters die hier urenlang naar Mijn preek hebben zitten luisteren. Veeleer stort Ik van nature en naar Mijn beste vermogen alles voor jullie uit wat Ik behoor te doen, wil doen en wil zeggen, zodat jullie het horen en verwerven. Ik verslap niet en Ik ga niet plichtmatig te werk. Als Ik iets de eerste keer niet duidelijk uitleg, herhaal Ik het twee of drie keer op verschillende manieren. Zelfs als jullie in jullie hart bepaalde meningen over Mij hebben of zeggen dat Ik langdradig ben, kan het Mij niet schelen. Zolang Ik de dingen duidelijk kan uitleggen en het resultaat kan bereiken, is dat genoeg. Wanneer Ik spreek, handel Ik op basis van het principe ‘dingen goed en grondig doen, Mijn verantwoordelijkheid vervullen en alles wat in Mij is voor jullie uitstorten’. Ik verslap niet en Ik handel niet plichtmatig. Dit is de houding van de geïncarneerde God bij het vervullen van Zijn bediening.
Wat betreft dingen die niet met Mijn bediening te maken hebben, zoals jullie nu en dan begeleiden bij zaken die onder jullie plichten vallen: dit maakt geen deel uit van Mijn bediening. Jullie zijn je hier misschien niet van bewust. Afgezien van de waarheid communiceren en jullie begeleiden om de waarheidsprincipes te begrijpen en de waarheidswerkelijkheid binnen te gaan, is er in feite niets wat met Mij te maken heeft; wat Ik behoor te doen. Laat Mij dit jullie duidelijk maken. Het begeleiden van jullie werk valt niet onder Mijn bediening en heeft niets met Mij te maken. Het maakt niet uit of Ik dit werk wel of niet doe; dat is jullie zaak; de zaak van mensen. Dit is de eerste keer dat Ik dit noem – jullie zaak, de zaak van mensen. Dat wil zeggen: jullie zaak, de zaak van mensen, heeft niets met Mij te maken. Waarom zeg Ik dit? Wat jullie vervullen is jullie plicht, en wat Ik vervul is Mijn bediening. Ik doe werk, terwijl jullie je plicht vervullen; er is een verschil. Wat betreft jullie begeleiden bij kwesties die onder jullie plichten vallen, afgezien van het communiceren van de waarheidsprincipes: als jullie Mij vragen naar professionele vaardigheden of diverse taken, doe Ik Mijn best om duidelijk uit te drukken wat Ik begrijp en waar Ik inzicht in heb, en om de principes die Ik heb begrepen duidelijk uit te drukken, zodat jullie ze kennen en begrijpen. Ik zal Mijn uiterste best doen om jullie te onderwijzen en jullie te helpen leren. Wat betreft wat Ik niet weet, laat Ik jullie bronnen opzoeken, of als er iemand onder jullie is die er iets van weet, raadpleeg Ik diegene: “Jij hebt voor dit beroep gestudeerd, dus wat zeggen de onderwijsmaterialen op het vakgebied over deze kwestie? Wat zijn de regels in dit kennisdomein? Laten we hier de principes achterhalen, zodat ons werk beter kan aansluiten bij de smaak en het geoefende oog van professionals, zodat we niet belachelijk worden gemaakt en geen lachertje worden, zodat we onszelf niet voor schut zetten, en zodat we Gods huis geen slechte naam bezorgen.” Zie je, de koorzangen, de musicals, de productie van films, het schrijven van scripts, de kunst, evenals het dansen, de kostuums, enzovoort die Ik begeleid – welk aspect van het professionele of niet-professionele werk het ook betreft, het is geen werk dat onderdeel uitmaakt van de bediening die Ik vervul. Het is jullie plicht. Dit ‘jullie plicht’ noemen betekent dat het jullie zaak is en dat jullie het zelf moeten afhandelen, omdat deze zaken bepaalde kennisdomeinen en technische en professionele kwesties van bepaalde sectoren omvatten, en dit dingen zijn waarover jullie moeten leren. Wat jullie behoren te bestuderen, is aan jullie om te bestuderen; waar jullie naar behoren te informeren, is aan jullie om naar te informeren; en wat jullie behoren te beoefenen, is aan jullie om te beoefenen. Dit heeft in feite niets met Mij te maken. Het werk dat Ik doe, is het vertegenwoorigen van Gods geïncarneerde vlees vertegenwoordigen door het uitdrukken van woorden, en het vertegenwoordigen van God door tot jullie te spreken en aan jullie te werken. Wat betreft werk dat niets met Mijn bediening te maken heeft, dat is jullie zaak; de zaak van mensen. Voor dit werk heeft God een leider en herder geregeld om jullie te leiden, en heeft Hij ook verschillende werkregelingen en verschillende bestuurlijke decreten en regels vastgesteld. Jullie behoren je strikt te houden aan de regelingen van de leider die God voor jullie heeft vastgesteld – de man die door de Heilige Geest wordt gebruikt – en je aan zijn leiderschap te onderwerpen. En wat betreft al het werk dat Ik buiten Mijn bediening doe, als wat telt dat? Dit telt allemaal als extra werk. Ik hoef geen plicht te vervullen. Ik doe werk en vervul Mijn bediening, en jullie vervullen je plicht. Daarom kan Ik jullie werk begeleiden, maar dit is niet iets wat Ik behoor te doen. Als jullie denken: “U moet dit werk doen; dit is Uw werk. Het kan toch niet in orde zijn dat U het niet doet? Als U het niet doet, houd ik U verantwoordelijk en laat ik U er niet mee wegkomen”, dan zeg Ik dat jullie het mis hebben. Jullie kunnen dit niet op Mij afschuiven. Dat is jullie plicht; de plicht van mensen. Wanneer jullie iets met betrekking tot jullie plicht niet begrijpen, behoren jullie onderling te communiceren, te overleggen en te zoeken. Als je het Mij vraagt, en Mijn omstandigheden het op dat moment toelaten, kan Ik je helpen. Als Ik geen tijd heb en je niet kan helpen, is dat niet Mijn verantwoordelijkheid. Als sommigen van jullie verwrongen redeneringen gebruiken en zeggen dat dit is wat Ik behoor te doen, dan heb je het mis. Dit is de plicht die jullie behoren te doen, en die heeft niets met Mij te maken. Als je je plicht niet goed doet, ben je onverantwoordelijk en ontrouw. Als je je plicht niet vervult en de verantwoordelijkheid op Mij probeert af te schuiven, is dit een uiting van een gebrek aan verstand, en God verafschuwt dit ten zeerste. Maar als Ik zie dat jullie iets echt niet kunnen, dat het niet binnen jullie vermogen ligt en dat jullie de principes voor het uitvoeren van dit werk niet kennen, dan moet Ik een handje helpen, jullie een of twee voorbeelden geven en jullie op het juiste spoor zetten. Als jullie het dan nog altijd niet kunnen, en Mijn omstandigheden Mij niet toestaan het te doen, dan wel of Ik het ook niet kan, dan is het enige wat we kunnen doen dit onderdeel van het werk stopzetten. Dat is alles wat we kunnen doen – wie treft er blaam dat jullie vaardigheden zo beperkt zijn en jullie kaliber zo slecht is? Maar als Ik een bepaald onderdeel van het werk doe, doe Ik het zo goed mogelijk. Als Ik weet hoe Ik iets moet doen, laat Ik jullie dat weten, en Ik laat jullie ook weten wat Ik niet kan. Over de onderdelen die Ik niet weet, raadpleeg Ik jullie. Als jullie het ook niet weten, peins, denk en zoek Ik zelf. Zodra Ik een weg, wat ideeën en wat aanknopingspunten heb bedacht, communiceer Ik met jullie, waarbij Ik ernaar streef Mijn uiterste best te doen om dit werk goed en grondig te doen. Enerzijds is dit verantwoordelijkheid nemen voor het werk. Anderzijds stelt dit jullie in staat iets te leren tijdens Mijn begeleiding van jullie. Jullie leren de principes die bevat moeten worden en de waarheden die begrepen moeten worden voor dit aspect van het professionele werk. Er zijn mensen die, hoewel ze een beetje professionele kennis begrijpen, geen eindproduct kunnen afleveren, en dus begeleid Ik hen. Wanneer het klaar is, ben Ik er nog steeds onzeker over, dus zeg Ik dat ze een expert in de sector moeten raadplegen en het moeten laten nagaan door die expert. Als de expert zegt dat deze aanpak aan de normen van de sector voldoet en ons niet tot een lachertje maakt, houden we deze aanpak aan. Als de expert zegt dat het eruitziet alsof het door een amateur is gedaan, dat het er genant uitziet, dat het niet klopt en dat het niet aan de normen voldoet, dan dragen we de expert onmiddellijk op om er enkele wijzigingen in aan te brengen. We mogen niet betweterig zijn, we mogen niet doen alsof we iets begrijpen wanneer dat niet zo is, en we moeten zelfbewustzijn hebben. We moeten onszelf niet voor de gek houden; we moeten de dingen serieus nemen en ernaar streven iets te verwerven op het gebied van professionele vaardigheden na het afronden van een taak. Daarom doe Ik Mijn uiterste best wanneer Ik dit soort dingen doe, ook al ben Ik een amateur wat professionele vaardigheden betreft en begrijp Ik er niet veel van. Sommige mensen zeggen: “Waarom blijft U hen begeleiden, zelfs als U het niet begrijpt?” Dat komt omdat deze mensen beperkte professionele vaardigheden hebben; ze hebben werkelijk geen creativiteit of goede ideeën als het gaat om artistieke producties die professionele vaardigheden vergen. Ik ben vrij goed op dit gebied en heb wat ideeën, dus die geef Ik door aan deze mensen die enigszins een basis of wat gezond verstand hebben in een bepaald beroep, en deze mensen vinden deze ideeën van Mij allemaal erg goed. Omdat Ik zie dat ze Mijn ideeën erg goed vinden, begeleid Ik hen dan maar ‘schaamteloos’, en sommige van de taken die Ik op deze manier begeleid, zijn acceptabel. Het is niet schaamteloos van Mij om dat te zeggen; dit ‘acceptabel’ berust op een grondslag – Ik zeg dit alleen omdat experts uit de sector de klussen hebben gezien en hebben gezegd dat ze acceptabel zijn. Dit ‘acceptabel’ betekent niet dat ze heel goed zijn of aan een professionele norm voldoen, alleen dat de experts op zijn minst hebben geverifieerd dat ze goed genoeg zijn, en dus ben Ik op Mijn gemak. Tot nu toe vinden de meeste mensen dat de weinige taken die Ik heb begeleid acceptabel zijn, en blijkbaar hebben sommige ervan zelfs prijzen gewonnen in bepaalde wedstrijden, of niet? (Ja.) Welk aspect van het werk of welk soort ding Ik ook doe, zolang Ik wat gedachten en ideeën heb, of naar Mijn idee een goed creatief ontwerp heb, doe Ik beslist Mijn zegje. Ik probeer op alle mogelijke manieren broeders en zusters te laten helpen om deze ideeën uit te voeren in de productie, zodat meer mensen bereid zullen zijn ernaar te kijken. Het resultaat is dat Gods werk en Gods woorden meer, beter en breder worden verspreid – ons doel is daarmee bereikt. Wat betreft hoe en met welke methoden Ik dingen doe, dat is nog steeds gebaseerd op de principes ‘Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Wanneer Ik dingen doe, ga Ik stil te werk en doe Ik er alles aan om de taak te voltooien en goed te doen. Zodra het werk is voltooid en geüpload, is die fase voorbij.
De dingen die de geïncarneerde God doet die vallen onder de bediening die Hij vervult, zijn gebaseerd op Zijn principes ‘Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Wanneer Hij dingen doet die daar niet onder vallen, wijkt Hij evenmin af van deze principes; Hij gedraagt Zich ook op een regelgetrouwe manier en doet dingen plichtsgetrouw. Wat betreft problemen die Ik kan zien en ontdekken: ofwel laat Ik die door iemand overbrengen, ofwel raak Ik er persoonlijk bij betrokken om begeleiding en bijsturing te bieden, en om de problemen te helpen oplossen. Kortom, wat betreft de dingen waarmee jullie in jullie werkelijke leven in aanraking kunnen komen of waarover jullie in jullie werkelijke leven hebben gehoord, handel Ik in wezen alles af, ongeacht wat het is, op basis van een dergelijk principe. Bovendien maak Ik geen onderscheid tussen grote en kleine kwesties. Of het nu gaat om het fokken van katten, het fokken van honden, het bouwen van varkensstallen, het bouwen van schaapskooien, of koken, kleding maken of zelfs schoonmaken, Ik betrek mezelf bij wat Ik ook maar zie. Wanneer Ik zie dat jullie dingen verkeerd doen, instrueer Ik jullie en stuur Ik jullie bij. Wie een hart heeft, luistert en neemt het in zich op; wie geen hart heeft, doet dat niet. Daarna kijk Ik wie er luistert en Mijn instructies kan opvolgen, en hen gebruik Ik. Gedurende de jaren van omgang met jullie is dit hoe Ik dingen heb gedaan. Nadat Ik jullie heb gezegd wat jullie moeten doen, blijf Ik de voortgang volgen totdat de zaak is afgerond en goed is gedaan. Hoewel er veel dingen zijn die Ik niet met eigen handen doe, is Mijn hart altijd gericht op datgene waarvan Ik de voortgang volg; Mijn hart verlaat deze dingen nooit. Als iets dringend en snel moet worden afgehandeld, werk Ik van zonsopgang tot zonsondergang en tot diep in de nacht om het voor elkaar te krijgen, waarbij Ik voortdurend de voortgang volg, toezicht houd en instrueer. Maar gezien Mijn lichamelijke conditie, is dit werk zoals je je kunt voorstellen behoorlijk vermoeiend. Zodra het eindelijk klaar is, ga Ik er niet meer heen. Uiteindelijk merkt iemand het op en zegt: “God heeft de dingen hier zo goed voor ons georganiseerd, maar Hij kan er niet van genieten; wij zijn degenen die van dit alles mogen genieten.” Ik zeg dat zolang jullie ervan mogen genieten, dit genoeg is. Zodra de dingen voor jullie zijn geregeld, en alles geschikt is voor jullie wat betreft jullie leven en het vervullen van jullie plichten, hoef Ik niet langer druk te zijn met deze dingen. In feite is de taak van de geïncarneerde God om over de waarheid te communiceren en de waarheid te verschaffen; ander werk heeft niets met Mij te maken. Maar door de jaren heen ben Ik, naast het doen van Mijn taak, ook druk geweest met jullie helpen om problemen op te lossen die jullie hebben bij het vervullen van jullie plichten, wat er ook toe heeft geleid dat Ik aanzienlijke moeite heb gedaan. Hoewel veel werk niet is wat Ik behoor te doen, en er veel dingen zijn die Ik zelfs nooit eerder heb gedaan – bepaalde soorten kennis of vaardigheden heb Ik nooit systematisch geleerd, of deze dingen heb Ik nooit aangepakt in het leven – heb Ik niet werkeloos toegekeken wanneer de kerk en Gods huis met verschillende dingen te maken kregen. In plaats daarvan doe Ik Mijn uiterste best om jullie allemaal te begeleiden en te helpen, en als het gaat om dingen van het dagelijks leven, doe Ik ook wat Ik maar kan om de dingen voor jullie op orde te krijgen. Ik ga te werk vanuit het perspectief van de menselijkheid en doe wat Ik kan. Als Ik iets zie dat gedaan moet worden en het niet doe, voel Ik Me ongemakkelijk. Als Ik een probleem ontdek en het niet verhelp, voel Ik Me ongemakkelijk. Als er werk is waarvan niemand weet hoe het moet, en Ik ideeën heb en het kan, maar het niet doe, voel Ik Me ongemakkelijk. Ik moet dus wel in actie komen. Van buitenaf gezien lijkt het daarom alsof Ik, afgezien van spreken en preken houden, niets anders heb gedaan. Maar Ik heb veel moeite gedaan omwille van jullie dagelijks leven en jullie basisbehoeften bij het vervullen van jullie plichten. Het kaliber van de meeste mensen is zo slecht dat ze zelfs deze dingen niet goed kunnen, dus moet Ik jullie aandachtig begeleiden. Hoewel Ik er onopvallend uitzie en niet een of andere belangrijke figuur ben, en geen enkele vorm van opleiding in de maatschappij heb genoten, is er wat betreft de basisbehoeften van het personeel dat zijn plichten in Gods huis vervult, sinds Ik voor het eerst met jullie in contact kwam tot nu toe, geen enkel aspect van jullie basisleefomgeving, levensomstandigheden en dagelijkse behoeften geweest waar Ik geen moeite voor heb gedaan. Neem bijvoorbeeld het planten van groenten op de boerderij. Aanvankelijk, toen Ik zag dat de meeste mensen op de boerderij op het platteland hadden gewoond en een paar jaar gewassen hadden geplant, koos Ik enkele mensen uit die wisten hoe ze moesten planten om dit werk op zich te nemen. Ik vertelde hun welke groenten ze in welk seizoen moesten planten en hoe, met het idee dat Ik er vervolgens geen omzien meer naar zou hebben. Maar na een tijdje ging Ik naar de boerderij en zag Ik dat alles een complete puinhoop was. De supervisor kon de verantwoordelijkheid niet aan en de werkers konden ook geen goed werk leveren. Uiteindelijk moest Ik wel betrokken raken, de voortgang volgen en hen stukje bij beetje instrueren. Ik legde alles duidelijk aan hen uit, van zaden uitkiezen en kopen tot uitzoeken hoeveel er geplant moest worden, hoe het land gekozen moest worden, wat er elk seizoen geplant moest worden, hoeveel er geplant moest worden, hoe er geplant moest worden, wie verantwoordelijk moest zijn voor het planten, hoe er mest aangebracht moest worden en op welke dingen gelet moest worden. Ik instrueerde hen persoonlijk op deze manier; op koken en hen voeden na, deed Ik alles. Sommige mensen zeggen: “Behandelde U hen niet als kinderen van drie?” In feite was het echt zo. Deze mensen heetten allemaal volwassenen te zijn, maar ze konden deze verantwoordelijkheden werkelijk niet dragen. Ik moest hen gewoon bij de hand nemen en persoonlijk op deze manier instrueren en onderwijzen voordat de dingen eindelijk vorm begonnen te krijgen. Later konden de mensen die hun plichten vervulden allemaal het graan en de groenten eten die ze zelf hadden verbouwd. In de zomer konden ze ook wat fruit eten, en in de winter konden ze groenten eten die ze hadden opgeslagen. Als de Boven niet had ingegrepen en dit werk niet had onderzocht, en het gewoon door de mensen beneden had laten doen, zou het allemaal in het honderd zijn gelopen. Hoe dan ook, wat is het feit dat Ik jullie laat weten? Ik heb veel dingen gedaan zonder erover te spreken, maar de dingen waarover Ik wel spreek, zijn uitsluitend datgene wat Ik heb gedaan.
Ik communiceer over deze dingen, niet om jullie te vertellen hoeveel dingen Ik heb gedaan, hoeveel uitputting Ik heb geleden of hoeveel moeite Ik omwille van jullie heb gedaan. Het is niet nodig om het over deze dingen te hebben. Wat vertel Ik jullie dan? De geïncarneerde God komt naar deze mensenwereld om God te vertegenwoordigen bij het uitvoeren van werk. Zijn taak is de bediening die Hij vervult. In deze fase van de laatste dagen is Zijn taak om mensen te voorzien van alle waarheden die ze nodig hebben om redding te verkrijgen. In de bediening die Hij vervult, houdt Hij Zich strikt aan de beginselen en principes ‘Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Daarbuiten, in Zijn menselijke leven en wat betreft Zijn uitingen van menselijkheid, heeft Hij deze principes en beginselen evenmin overschreden. Of het nu gaat om jullie begeleiden bij het vervullen van jullie plichten of jullie helpen bij het afhandelen van verschillende zaken met betrekking tot basisbehoeften in het leven, Ik ga te werk volgens de principes ‘Mij op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Ik roep nooit slogans en spreek nooit hoogdravend, en Ik geef nooit blindelings bevelen; Ik doe de dingen gewoon praktisch. In hoeverre doe Ik dit? Toen ik bijvoorbeeld leiding gaf aan het planten op de boerderij, liet Ik alle groentesoorten opsommen die men kende, wat de namen van die groenten waren, hoe ze eruitzagen, hoe lang hun groeiperiode was en welke soort de beste en meest geschikte was voor lokale aanplant. Op basis van wat Ik wist, koos Ik een of twee soorten van elke groente, besloot Ik wie verantwoordelijk zou zijn voor het planten ervan en zorgde Ik er uiteindelijk voor dat iedereen elk seizoen verse groente kon eten. Ik roep nooit slogans zoals: “Deze groente is zo voedzaam. Mensen hebben er zoveel baat bij om deze te eten. Zus en zo is een wetenschappelijke manier om deze te planten.” Ik heb nooit voedingswetenschappen gestudeerd en heb ook geen verstand van landbouw. Wat weet Ik nou? Ik weet hoe Ik de groentesoort moet kiezen die geschikt is om op een bepaalde plek te planten, zodat deze, wanneer hij eenmaal gegroeid is, goed smaakt, iedereen bereid is hem te eten en hij niet tevergeefs is geplant – dit is gewoon hoe praktisch Mijn benadering is. Met dit alles gedraag Ik Mij regelgetrouw en doe Ik dingen plichtsgetrouw. Dit zijn de principes en beginselen waaraan Ik Mij houd; dit is hoe Ik Mij door de jaren heen heb gedragen. Ik roep nooit slogans en Ik heb jullie dank niet nodig. Zolang jullie voeding en onderdak geschikt zijn en de dingen niet helemaal mislopen, ben Ik op Mijn gemak. Wanneer niemand verstoringen veroorzaakt of problemen maakt, en het er overal helemaal schoon uitziet, het graan en de groenten goed zijn geplant, de varkens, schapen en ander vee goed worden gefokt, alle andere gebieden helemaal in orde zijn en de basisbehoeften niet langer een probleem zijn voor de meeste mensen die hun plichten vervullen, hoef Ik Mij geen zorgen meer te maken. Mijn vereisten in dit opzicht zijn niet streng. Gaan jullie maar na: heb Ik ooit slogans geroepen toen Ik jullie begeleidde bij welk werk dan ook, of waar het jullie basisbehoeften betrof? Ik heb nooit slogans geroepen. Nadat Ik de dingen voor jullie heb geregeld, zoek Ik geschikte mensen om het werk uit te voeren. Als de gevonden mensen niet geschikt zijn en het werk niet kan worden uitgevoerd, worden ze vervangen. Pas wanneer het werk eindelijk is uitgevoerd, en de meeste dingen passend zijn afgehandeld, en de basisbehoeften van het personeel dat zijn plichten vervult goed zijn geregeld, kan Ik Mijn menselijke werk staken en hoef Ik in dit opzicht geen moeite meer te doen. Sommige mensen blijven Mij naar triviale zaken vragen. De een zegt: “Wat moeten we doen als het pasgeboren lammetje geen melk kan krijgen?” De ander zegt: “Wat moeten we doen als de kleren die we maken altijd krimpen?” Jullie moeten zelf uitzoeken hoe jullie deze dingen moeten oplossen; dat is jullie zaak en heeft niets met Mij te maken. Zelfs wanneer Ik de waarheid communiceer, zeg Ik die maar één keer. Er zijn audio-opnamen van de preken en communicaties. Als jullie het niet begrijpen, kunnen jullie er nog een paar keer naar luisteren, en de tijd nemen om na te denken, te zoeken en te communiceren. Als jullie op basis hiervan sommige kwesties nog steeds niet goed begrijpen en niet weten hoe jullie die moeten afhandelen, kunnen we erover communiceren wanneer we samenkomen. Maar als het gaat om wat mensen kunnen bereiken, is het het beste als jullie zulke dingen zelf afhandelen. God schiep de hemel en de aarde en alle dingen voor mensen – de zon, de maan, de sterren, water, lucht, zonlicht, voedsel, evenals de verschillende omgevingen en levende dingen die mensen nodig hebben, waarna Hij de mensen op aarde plaatste. God handhaaft de wetten van de groei en de werking van alle dingen voor mensen, en handhaaft de leefomgevingen van mensen – het is aan de mensen om daadwerkelijk hun leven te leiden. Wat betreft welke dingen in welk seizoen te planten, wanneer ze te oogsten, hoe ze na de oogst op te slaan, welke methoden te gebruiken bij het verwerken ervan tot voedsel, waarvan meer te eten, waarvan minder te eten, wat in welk seizoen te eten, hoeveel elke dag te eten – dat is jullie eigen zaak. Nu er zo duidelijk over de waarheid is gecommuniceerd, en zaken met betrekking tot het leven allemaal goed voor jullie zijn geregeld, zijn jullie totaal verstoken van verstand als jullie Mij nog steeds vragen om jullie te helpen dit en dat te doen, en Mij nog steeds opzoeken om met jullie te communiceren over dit en dat. Wat betreft datgene waarover Ik al heb gecommuniceerd, zeg Ik jullie dat jullie deze dingen zelf moeten afhandelen en oplossen. De kerk heeft leiders op alle niveaus, evenals de man die door de Heilige Geest wordt gebruikt om jullie te leiden. Jullie behoren zelf te zoeken en dingen op te lossen; kom niet voor alles naar Mij toe. De reden is dat Ik alles al heb gezegd wat gezegd moest worden, dat Ik zelfs jullie basisbehoeften voor jullie heb geregeld en dat het niet aan Mij maar aan jullie is om die triviale kwesties op te lossen, en jullie die zelf moeten aanpakken.
Ongeacht hoeveel woorden de geïncarneerde God spreekt en hoeveel dingen Hij doet, moeten mensen weten dat het belangrijkste punt met betrekking tot de normaalheid en het praktische, en de nederigheid en verborgenheid van de geïncarneerde God, dit is: of de geïncarneerde God nu onder de mensen leeft of Zijn bediening vervult, de meest fundamentele beginselen en principes van Zijn menselijkheid, die door Zijn vlees worden uitgeleefd, zijn ‘Zich op een regelgetrouwe manier gedragen en dingen plichtsgetrouw doen’. Dit komt tot uiting in Gods geïncarneerde vlees, en natuurlijk ook in de God die Gods identiteit en essentie bezit, God in Zijn inherente identiteit. Natuurlijk wordt het in Gods geval niet ‘Zich op een regelgetrouwe manier gedragen’ genoemd, maar op zijn minst houdt God Zich, in de manier waarop Hij dingen doet, en in de manier waarop Hij met mensen en dingen omgaat, beslist ook strikt aan deze principes. Dit is zowel wat de menselijkheid van de geïncarneerde God heeft en is, als wat de goddelijkheid van God in Zijn inherente identiteit heeft en is. Wat Zijn menselijkheid heeft en is, houdt in dat Hij Zich op een regelgetrouwe manier gedraagt en dingen plichtsgetrouw doet, terwijl de essentie van God in Zijn inherente identiteit inhoudt dat God mensen op een regelgetrouwe manier behandelt en dingen plichtsgetrouw doet. We zullen hier niet veel meer over praten. Ongeacht welk perspectief je inneemt – waar het gaat om alle dingen die door God zijn geschapen, Gods soevereiniteit over en begeleiding van de mensheid, grote en kleine zaken, en het macroscopische tot het microscopische – doet God alles op een regelgetrouwe en plichtsgetrouwe manier. Toen God niet geïncarneerd was, was Hij verborgen te midden van alle dingen. Hoewel de mensheid Gods gestalte of Gods ware gezicht niet zag, heeft God altijd de hele mensheid geleid. Hij heeft ook altijd elk afzonderlijk ding gedaan, elk afzonderlijk ding beheerd en op een praktische manier soevereiniteit gehad over alle dingen in het heelal; niets wat Hij doet is inhoudsloos. Natuurlijk blijft niets wat door Gods handen wordt gedaan bij theorieën of slogans. In plaats daarvan gaat God bij alles wat Hij doet – of je je er nu wel of niet bewust van kunt zijn, of je het nu kunt zien of niet – regelgetrouw en plichtsgetrouw te werk. Hij doet het werk dat Hij van plan is te doen op een nuchtere manier. Hij legt nooit verklaringen af, rechtvaardigt Zichzelf nooit tegenover mensen en roept geen slogans. Veeleer heeft Hij altijd uitspraken gedaan en gesproken, en zo op praktische wijze de hele mensheid geleid en in haar behoeften voorzien. Dit is ook wat God heeft en is. Wat de geïncarneerde God heeft en is, zal absoluut niet losstaan van of in strijd zijn met wat God Zelf heeft en is. Daarom zullen mensen, wanneer ze weten wat de geïncarneerde God heeft en is, of de beginselen en principes van het zelf-gedrag kennen waaraan de geïncarneerde God Zich houdt, grotendeels de essentie van God in Zijn inherente identiteit leren kennen, en wat Hij heeft en is. Als gevolg daarvan zullen de noties en verbeeldingen van mensen over de God in de hemel tot op zekere hoogte afnemen, zal hun kennis en begrip van God praktischer worden en zullen hun zienswijzen over God praktischer worden. Relatief gezien zullen ze ook in staat zijn de geïncarneerde God nauwkeuriger, objectiever en rationeler te behandelen, in plaats van te veroordelen wat Zijn menselijkheid heeft en is, of minachtend of afwijzend te zijn over wat Zijn menselijkheid heeft en is. In plaats daarvan zullen ze er enerzijds juist mee kunnen omgaan en anderzijds nog beter in staat zijn – door wat Zijn menselijkheid heeft en is – te zien wat Zijn goddelijkheid heeft en is, en zo in staat zijn zowel de God in de hemel als de God op aarde nauwkeuriger te kennen.
Goed, we zullen onze communicatie over dit onderwerp voor vandaag hier beëindigen. Tot ziens!
10 augustus 2024